We hebben 344 gasten online

Geschiedenis en Levensloop Deel 12D3 Overzicht werkzaamheden COO

Gepost in Over mijzelf

door: J. W. Swaen (voorzitter COO )

vz coo HetCentraal Overlegorgaan, het Formatie-budget-systeem en de Nieuwe Wet Medezeggenschap Onderwijs Bij de invoering van het Formatiebudgetsysteem per 1 augustus a.s. heeft de overheid een betere medezeggenschapsregeling voorzien voor het personeel werkzaam binnen het onderwijs. Binnen O.M.O. kennen we op centraal niveau het Centraal Overlegorgaan. Het Centraal Overlegorgaan geeft advies aan en overleg met het bestuur van de Vereniging O.M.O. te Tilburg en elke andere instantie, voor zover het dit nodig oordeelt. Het geven van advies en het voeren van overleg met het bestuur van de Vereniging O.M.O. betreft vooral zaken van algemeen beleid betreffende de scholen die het bestuur onder zich heeft; in het bijzonder aangelegenheden die de rechtspositie en de werkomstandigheden van de personeelsleden betreffen. Het mag een ieder duidelijk zijn dat met de invoering van het Formatiebudgetsysteem m.b.t. de medezeggenschap van het personeel er zaken dienden te worden gedaan. Met andere woorden: het Centraal Overlegorgaan diende ook zijn rol binnen het Formatiebudgetsysteem aan een nadere analyse te onderwerpen. Het Bestuur van het Centraal Overlegorgaan heeft daarom als thema van de bijeenkomsten voor de vergaderingen van dit Centraal Overleg­orgaan in het schooljaar 1991/1992 gekozen: Inspraak, medezeggenschap via een Onder­nemingsraad (O.R.) of via een Gemeenschap­pelijke Medezeggenschapsraad (GMR). Aan de hand van 4 middagbijeenkomsten en een studiedag heeft het Centraal Overlegorgaan zich uitvoerig met dit thema beziggehou­den. Grote concentratie op bestuurlijk gebied In de bijeenkomst van 30 oktober 1991 stond vooral in het middelpunt hoe te handelen m.b.t. de medezeggenschap van het personeel als er zich grote concentraties op bestuurlijk gebied vormen. Aan de hand van een lezing van de heer Verha­gen, lid van de Medezeggenschapsraad van de Hogeschool Eindhoven, werd dit verduidelijkt. De heer Verhagen besprak de aanstaande be­stuurlijke fusie van de Hogeschool Eindhoven met de Pedagogische Technische Hogeschool te Eindhoven en met de Katholieke Leergangen te Tilburg. Deze vormen samen het Instituut Hoger Onderwijs Zuid-Nederland. De fusie als zodanig verloopt niet makkelijk. Verschillende scholen c.q. instituten moeten tot een eenheid worden omgevormd. De ongeveer 35.000 mensen hebben er allemaal belang bij dat dat op een goede manier gebeurt. Voor het COO was natuurlijk vooral van belang of er voor het nieuwe instituut een Centrale Medezeggen­schapsraad komt. Er komt een Centrale Medezeggenschapsraad die getrapt wordt samengesteld uit de"sectoren. Dat het getrapt is, heeft vooral te maken met het contact met de achterban, wat daardoor verste­vigd wordt. De Centrale MR wordt getrapt samengesteld uit sectoren (faculteiten), maar ook de studierich­tingen hebben een eigen medezeggenschapsorgaan. Het reglement van de Centrale MR is de basis en de andere worden daarvan afgeleid. In de Centrale MR zitten negen personeelsleden en negen studenten. Omdat de Centrale MR getrapt tot stand komt, moet iedereen die in de Centrale MR zit, zijn relaties hebben met de sectoren uit de MR die daaruit zijn voortgekomen. Centraal wordt er alleen gesproken over zaken die het College van Bestuur mag beslissen en er wordt niet gesproken over zaken die een schooI­directeur mag beslissen.

Centrale Medezeggenschapsraad versus Decentraal

Georganiseerd Overleg De discussie binnen het Centraal Overlegor­gaan spitste zich daarna toe op de relatie Cen­trale Medezeggenschapsraad versus Decen­traal Georganiseerd Overleg (DGO) en de rol van de vakbonden daarin. In de vergadering van het Centraal Overlegor­gaan van november stond vooral deze relatie centraal. De heren Benders en Verschuren van het NGL waren in deze vergadering bereid het standpunt van het NGL nader aan de hand van een aantal aan hen gestelde vragen te verduide­lijken:

1.Welke juridische aspecten zijn er verbonden aan getrapte medezeggenschap via een GMR?

2.Wat regelen de vakbonden (onder andere in het DGO) en wat blijft er dan nog over voor eigen overleg op GMR-niveau en op MR-niveau per individuele school? 3.Kan het personeelsdeel van een GMR optre­den als een OR, daartoe gemandateerd door de personeelsgeledingen van alle MR's van de individuele scholen? Ten aanzien van vraag 1 voorziet de Wet Mede­zeggenschap Onderwijs (WMO) in het ontstaan van zogenaamde geledingenraden. In het geval van O.M.O. vervult het COO de geledingenraad personeel en het COCO de geledingenraad ouders. Van belang daarbij is natuurlijk dat leden van het COO en het COCO direct gekozen dienen te zijn door de MR van de individuele scholen zodat het directe kontakt blijft bestaan. De Wet Medezeg­genschap Onderwijs stelt echter dat de maximale grootte van een GMR 24 personen is dan wel, indien het aantal scholen groter is dan 24, een aantal leden dat gelijk is aan het aantal scholen. Voor O.M.O. zou dit betekenen een aantal leden groter dan 50. Dit zou in de praktijk betekenen dat de GMR een soort Poolse Landdag zou worden, wat in de praktijk dus niet werkt. Hoe de GMR dan wel gestalte te geven?

Een mogelijkheid zou zijn om uit de geledingenraden cao en het coca personen af te vaardigen naar de GMR; bijv. het bestuur van het cao en het bestuur van het coca. Deze vormen dan samen de GMR van O.M.O.

Een andere mogelijkheid zou zijn verkiezingen te organiseren in zogenaamde rayons. Deze rayons zouden dan vertegenwoordigd zijn in de GMR. Een groot nadeel hierbij is echter dat de direct relatie met elke school niet meer aanwezig is, waardoor de betrokkenheid van mensen bij allerlei zaken minder wordt. Met betrekking tot de samenstelling van de GMR dient nog opgemerkt te worden dat artikel 30 van de wet WMO de mogelijkheid biedt ontheffing te krijgen voor het aantal leden dat in zo'n GMR zou dienen te zitten. Wat regelen de vakbonden in het DGO en wat blijft er nog over voor eigen overleg op GMR­niveau en op MR-niveau per individuele school? Het is van belang vast te stellen dat in het Decentraal Georganiseerd Overleg vier centra­les aan het overleg deelnemen. In het overleg en de geschillenregeling van het Institutioneel Over­leg (lGO) in de lump-sumsector is overeenstem­ming geformuleerd, indien drie van de vier cen­trales instemmen. Waarschijnlijk zal dit ook bij het DGO gaan gelden. Wat nog geregeld dient te worden, is wat er dient te gebeuren als twee centrales voor en twee centrales tegen een voorstel zijn.

In het DGO zal door het bestuur van O.M.O. en de 4 centrales worden overlegd over aangelegenheden van algemeen belang voor de bijzondere rechtstoestand van het personeel van de scholen met inbegrip van de bijzondere regels volgens welke het personeelsbeleid bij de scho­len zal worden gevoerd alsmede over een reglement voor het overleg. Het DGO behandelt bijv.: - taakbelastingsbeleid

- functiedifferentiatie

- toelage-/gratificatiebeleid - promotiecriteria

- bestuursaanstelling

- loopbaanbeleid

- scholingsbeleid

- verzilveringspercentage

De algehele uitwerking van een en ander kan door het DGO worden gedelegeerd aan het overleg met de personeelsgeleding van de GMR; het DGO kan daarbij de randvoorwaarden aan­geven. Aan de GMR kunnen echter alleen die zaken worden gedelegeerd die van gemeen­schappelijk belang zijn voor alle betrokken scho­len voorzover de GMR daartoe enige bevoegd­heid heeft. Aan de MR kunnen alleen schooIspe­cifieke aangelegenheden worden gedelegeerd.

Waarom een overkoepelend DGO en een GMR? Redenen zijn:

-de doelmatigheid wordt vergroot -handhaving van de uniformiteit binnen O.M.O. -ter bevordering van de rechtsgelijkheid van alle medewerkers binnen O.M.O.

De conclusie van de bijeenkomst met de vertegenwoordigers van het NGL was:

1.Er dient een overkoepelend DGO voor O.M.O. te komen.

2.Er dient een GMR te ontstaan die schooI­overstijgende zaken regelt na delegatie. Deze GMR dient wel hanteerbaar in omvang te zijn, waarbij de leden van de GMR een goede facili­teiten-regeling dienen te hebben.

Onderwijs en Ondernemingsraad?

Waarom in het onderwijs niet de Wet op de Ondernemingsraad geldt, werd uitvoerig toege­licht door de heer Van der Camp, kamerlid van het CDA in de vergadering van het cao in januari.

In het kort komt het erop neer dat de wetgever de belangen van de ouders mee wilde laten wegen. Volgens Van der Camp dienen we ook niet meer te spreken over inspraak maar over medezeggenschap. De medezeggenschap is een afgeleide van andere hoofddoelstellingen, te weten:

1.Het oplossen van langlopende kwesties (schaalvergroting, speciaal onderwijs en de basisvorming) .

2.Kostenbeheersing (FBS, lump-sum). 3.Grotere flexibiliteit in het onderwijs, in het bestuur maar ook in rechtspositie.

Conclusie: Medezeggenschap is daarvan een afgeleide.

Medezeggenschap in het bedrijfsleven

Hoe de medezeggenschap is geregeld in het bedrijfsleven stond centraal in de bijeenkomst van het cao in februari. De heer Van Rees, kamerlid van de Industriebond FNV en vooral bekend door de problemen bij Volvo, Daf en Philips, was bereid gevonden een en ander vanuit zijn praktijkervaring toe te lichten.

In het kort komt het erop neer dat de bevoegd­heden van de Ondernemingsraad in wezen niet zoveel verschillen met de bevoegdheden van het personeelsdeel van de MR, zoals dat geregeld is in de Wet Medezeggenschap Onderwijs 1992.

De wetgever heeft bij de totstandkoming van de wet goed gekeken naar de Wet op de Onderne­mingsraden (WOR).

Het grote aantal punten waarbij de personeelsgeleding instemmingsrecht heeft, komt prak­tisch overeen met de WOR. Belangrijkste ver­schil blijft echter de manier waarop ouders en leerlingen mee mogen doen in de MR.

In het bedrijfsleven werkt men al langer met de WOR. In het onderwijs zal men tijd nodig hebben om met de nieuwe situatie te leren omgaan. Zolang er nog geen GMR is, kan het cao als zodanig functioneren.

De heer Van Rees was verder van mening dat men inzake sanering van bedrijven van twee benaderingen kan uitgaan:

-je kunt de verantwoordelijkheid voorbij laten gaan, maar dan heb je helemaal niets;

-als je wel meedoet, heb je misschien je handen vuil, maar wel het mogelijke gedaan met als resultaat de minst slechte optie.

Binnen het onderwijs zal er nog een inhaalslag moeten plaatsvinden door rectoren, besturen en ook door medezeggenschapsraden. Nu wordt men geconfronteerd met problematiek waarin men eerst niet handelend hoefde op te treden. Het management moet keuzes gaan maken binnen de marges, binnen het budget.

COO en FBS

Na de hierboven beschreven bijeenkomsten van het Centraal Overlegorgaan kwam men op 25 maart 1992 bijeen voor een studiedag op het terrein van het Pensionaat Eikenburg te Eindhoven.

Deze studiedag had tot doel duidelijkheid te krijgen over de vraag: Welke rol kan het cao in de toekomst spelen binnen de Vereniging O.M.O. in het kader van het FBS?

studiedag eindhoven

In de ochtend stond centraal een lezing door de heer Mr. J. Veringa, hoofd directie Arbeidsvoorwaarden beleid-juridische zaken van het Ministerie van Onderwijs en Wetenschappen.

In zijn inleiding ging hij uitvoerig in op de nieuwe wet WMO. Hierin zijn de volgende uitgangspun­ten herkenbaar:

-Er wordt uitgegaan van zoveel mogelijk onge­deelde medezeggenschap.

-Aangelegenheden die wettelijke verantwoor­delijkheden van het bevoegd gezag betreffen, zoals het budgetrecht en de aanstelling van personeel, ofwel belangrijke besluiten van de instelling omtrent voortbestaan, fusie, samen­werking e.d., zijn onderworpen aan adviesrecht van de gehele raad.

-Als er beslissingen moeten worden genomen die van grote invloed zijn voor personeel, ouders en leerlingen, dan hebben deze afzonderlijke geledingen instemmingsrecht.

-Aan de afzonderlijke geledingen zijn ook enkele specifieke instemmingsrechten toegekend, in die gevallen dat een geleding een duidelijk over­wegend belang heeft bij een bepaald type beslissingen. Voor de personeelsgeleding zijn dat de beslissingen die de rechtspositie betref­fen, zoals de vaststelling van het formatieplan, en de verzilveringsbeslissingen.

-Verder geldt de regeling dat daar waar een geleding instemmingsrecht heeft, de andere geledingen adviesrecht hebben.

Conclusie:

Daar waar scholen meer verantwoordelijkheid krijgen geeft de nieuwe wet WMO 1992 de mogelijkheid medezeggenschap meer tot zijn recht te laten komen.

De ochtendbijeenkomst werd besloten met een forum waarbij alle inleiders van de laatste 5 bijeenkomsten nog eens hun standpunt terzake medezeggenschap in het kader van de FBS­problematiek konden toelichten naar aanleiding van de aan hen gestelde vragen.

Tijdens de middagbijeenkomst heeft de vergadering zich in gespreksgroepen uitvoerig bezig­gehouden met de vraag hoe de medezeggenschap binnen O.M.O. in de toekomst gestalte dient te krijgen. Na zeer uitvoerige discussies werd plenair verslag uitgebracht.

Het bestuur van het Centraal Overlegorgaan zal aan de hand van de resultaten van deze studie­dag en aan de hand van de inleidingen en discussies tijdens de reguliere vergaderingen van het cao een voorstel formuleren voor de plenaire vergadering van het cao. Na aanvaar­ding zal men dan een advies uitbrengen aan het Hoofdbestuur van O.M.O.

COO kiest voor een GMR

Het afgelopen jaar heeft opnieuw bewezen dat de vertegenwoordigers van het personeel van O.M.O. hun verantwoordelijkheid met betrek­king tot medezeggenschap ook daadwerkelijk wensen in te vullen. Deze verantwoordelijkheid is vooral gebaseerd op samenwerking tussen alle geledingen bij O.M.O.

Confrontatie hoort in onze cultuur niet thuis, wat niet wil zeggen dat elke geleding niet zijn eigen verantwoordelijkheid heeft. De vereniging O. M. O. kan de belangen van hen die bij de vereniging werken niet duidelijker gestalte geven dan door het instellen van een GMR.

Een advies terzake zal door het cao nog dit schooljaar aan het Hoofdbestuur worden uitgebracht.

Omofogie jaargang 23, Nummer 9, pagina 264