We hebben 209 gasten online

Geschiedenis en Levensloop Deel 12D4 Overzicht werkzaamheden COO

Gepost in Over mijzelf

Centraal Overlegorgaan (COO) 1991 - 1992.

Het COO heeft het afgelopen jaar één keer per maand plenair vergaderd. Daarnaast heeft het bestuur van COO 1 à 2 keer per maand vergaderd. Verder heeft het bestuur van het COO vergaderd met de heer Janssen, directeur van het bureau en secretaris van het hoofdbestuur en op 4 maart 1991 met het dagelijks bestuur van OMO.

Onderwerpen die dit jaar binnen het COO en het bestuur van het COO aan de orde zijn gekomen, zijn:

- Formatie-Budget-Systeem (een aantal keren)

- Professionalisering van werving en selectie in het onderwijs.

- Privacyregeling OMO.

- Wachtgeldregeling

- Beroepseisen leraar VWO/HAVO/MAVO school

- Relatie COO /hoofdbestuur

- Relatie COO en andere adviesorganen binnen OMO

Als rode draad heeft het COO zich het afgelopen jaar vooral beziggehouden met de Bedrijfsgezondheidszorg. In een zevental vergaderingen hebben we ons zeer diepgaand laten voorlichten en stukken bestudeerd aan de hand waarvan we een aantal adviezen t.a.v. medisch­sociaal beleid hebben geformuleerd.

In de Rechtspositiecommissie komen alle zaken aan de orde die actueel zijn, denk bijvoorbeeld aan: 1. F .B.S.

2. Ouderschapsverlof

3. Nieuwe ADV-regeling

4. Opfrisverlof

5. Verzoeken om afwijking van de wachtgeldregeling

6. Basisvorming

7. De lopende wachtgeldprocedure

8. Tijdetijke Wet Arbeidsbemiddeling Onderwijs

9. Toepassing rechtspositiebesluit Adjunct-Directie In verband met Adjunct-Directeuren die in

aanmerking komen voor wachtgeld

10. Hoe te handelen bij ADV-verlof en ziekte

Dit jaar stond vooral de problematiek t.a.v. het Van der Puttlyceum centraal. De definitieve sluiting, door de staatssecretaris begin januari, leidde tot een extra wachtgeldprocedure voor de personeelsleden van het Van der Puttlyceum. Dit resulteerde In een extra tussentijdse plaatsing door de Plaatsingscommissie, waaraan ook de voorzitter van het COO deelneemt. Degenen die niet geplaatst zijn om wat voor redenen dan ook, worden als nog meegenomen in de wachtgeldprocedure 1991.

In deze laatste vergadering van dit schooljaar wil Ik graag bij een aantal zaken stilstaan.

Het Van der Puttlvceum.

De gevolgen van het sluiten van het Van der Puttlyceum zijn voor de directe betrokkenen zeer moeilijk te aanvaarden. Waarom moest het Van der Puttlyceum dicht en waarom kon de school niet naar Nuenen worden overgeplaatst? Dit zijn vragen die we nu niet meer hoeven te beantwoorden. Feit is, dat de beslissing om het Van der Puttlyceum te sluiten, definitief is. Velen die er direct bij betrokken waren hadden en hebben het er moeilijk mee. Een extra wachtgeldersronde en de reguliere wachtgeldersronde hebben enigszins de pijn weg kunnen nemen van het verlies van werk, werkomgeving en school waar men zo bij betrokken was.

Toch wil ik niet nalaten op te merken, dat de kwestie Van der Putt aantoont, dat zodra er beslissingen genomen moeten worden, scholen binnen OMO eerder ieder voor zich functioneren, dan dat In gezamenlijk verband naar een oplossing wordt gezocht. Dat OMO-scholen c.q. het personeel tegenover elkaar komen te staan is toch te betreuren.

Het voorzitterschap van OMO.

De aflopen jaren hebben we moeten constateren, dat het voorzitterschap van OMO niet goed werd vervuld. De uiteindelijke consequenties van een en ander zijn ook voor de direct betrokkenen vervelend geweest. Het COO heeft moeten constateren dat het alleen daardoor al moeilijker was aandacht te krijgen voor die zaken waarvoor we hier met zijn allen staan. Ik neem de vrijheid om enige opmerkingen te maken over hoe we de functie van voorzitter van OMO graag ingevuld zouden willen zien.

Een voorzitter van OMO dient:

- Ingewerkt te zijn in onderwijskundige zaken;

- visie te hebben op onderwijs en samenleving en daar ook richting aan te kunnen geven;

- moet kunnen onderschrijven dat, naast directies, ook andere personeelsleden een wezenlijke

bijdrage aan dat onderwijs leveren;

- het voorzitterschap niet te beschouwen als louter een bestuurlijke functie om "er even bij te doen";

- OMO weer "smoel" te geven naar buiten toe, b.v. naar Den Haag.

Kortom, daadkracht tonen.

Van het grootste belang wordt natuurlijk hoe een benoemingsadviescommissie een en ander gaat omschrijven. Daarbij past natuurlijk ook de vraag hoe de vorige benoemingsadviescommissie tot haar advies kwam en wat daar fout is gegaan. Daarvan kunnen we, zoals altijd, leren om dit de volgende keer te voorkomen. In de tussentijd de zware taak aan de heer Veeken om OMO tot medio 1992 op de "rails" te houden.

De rol van het COO als adviesorgaan.

Het COO Is een college van advies aan en overleg met het bestuur van de Vereniging en elke andere instantie, voor zover het door dit college nodig wordt geacht. Het COO vertegenwoordigd alle personeelsleden in dienst van de Vereniging, uitgezonderd rectoren. directeuren en daarmee aeliik te stellen functionarissen.

Toen wij als nieuw bestuur ongeveer anderhalf jaar geleden aantraden, deden wij dat, omdat wij geloofden In een orgaan binnen OMO dat daadwerkelijk inspraak kon uitoefenen. Let wel. inseraaki We hadden en hebben er absoluut geen behoefte aan om met wie of wat dan ook een competentiestrijd aan te gaan. We staan naar onze mening niet tegenover welke groep dan ook. Ons beroep om samen verder op weg te gaan hebben we duidelijker dan ooit verwoord en geprobeerd in praktijk te brengen. Een en ander gaat uit van de visie, dat bijvoorbeeld personeelsbeleid niet enkel en alleen het domein is van directies, maar dat iedereen erbij betrokken dient te zijn, op welke wijze of plaats hij of zij ook is aangesteld. Zaken als functioneringsgesprekken, schoolplan, basisvorming, formatiebudgetsysteem, lumpsum, bijscholing, bezoldiging en ga zo maar door, zijn in deze tijd toch niet alleen voorbehouden aan directies.

Vandaar ook, dat wij als bestuur u een jaar geleden meedeelden dat wij een gesprek wilden aangaan met de Rectorenvergadering. In een brief van 20 september 1990 aan het Presidium van de Rectorenvergadering was dit als volgt geformuleerd:

"Het Centraal Overlegorgaan is van oordeel dat, gezien de grote veranderingen die in de jaren ' 90 in het onderwijs zullen plaatsvinden, het van het grootste belang is, dat de rectoren samen met het personeel deze veranderingen gestalte geven. Bij deze nodig ik, namens het bestuur van het COO, het Presidium van de Rectorenvergadering uit, om op korte termijn tot een nadere gedachten wisseling te komen.

Op 1 november 1991 heb ik als voorzitter een uitvoerig gesprek gehad met de heer Reijnders, voorzitter van de Rectorenvergadering, op het Jacob Roelantslyceum te Boxtel. Dat gesprek vond plaats op verzoek van de heer Reijnders om een duidelijk beeld te kunnen krijgen terzake van onze intenties.

Uit het verslag van de Rectorenvergadering d.d. 9 oktober 1990 (RV 90/91-20), stand van zaken studiecommissie RV IHB, bleek echter, dat de rectoren samen met het hoofdbestuur druk doende waren een aantal knelpunten aan een nader onderzoek te onderwerpen en nadere oplossingen aan te dragen. In het bewuste verslag wordt gesproken over de ondoorzichtige adviesstructuren binnen OMO en de oeverloze discussies in allerlei gremia binnen OMO die er in de toekomst toe zouden kunnen lelden, dat met het binnen OMO nergens meer over eens wordt.

Echter, toekomstige ontwikkelingen zijn een zaak van alle geledingen binnen OMO en niet het exclusieve domein van hetzij Rectorenvergadering, hetzij hoofdbestuur, hetzij een combinatie van beide. Het tijdperk .over ons, zonder ons. is in onze opvatting voorbij. Of zouden we de conclusie moeten trekken dat 75 jaar OMO erin heeft geresulteerd dat het personeel niet mee mag denken over beleid en beleidsontwikkeling. Het personeel staat toch niet tegenover hoofdbestuur en Rectorenvergadering?

Een en ander heeft het COB In een brief aan de RectorenvergaderIng d.d. 3 december 1990 nog eens verduidelijkt, en In dezelfde brief naar voren gebracht. dat het COO evenzeer een plaats dient te hebben in het nieuw te ontwikkelen beleidsteam.

Op 11 januari 1991 deelde de heer Reijnders mede dat onze brief van 3 december In de eerstvolgende vergadering van de agendacommissie aan de orde zou worden gesteld en dat men zo spoedig mogelijk zou reageren. Op 28 februari 1991 ontving ik een brief van de secretaris van de Rectorenvergadering die als antwoord diende op onze brief van 3 december.

Ik citeer: .De rectorenvergadering Is, gezien de functie en de verantwoordelijkheden van de rectoren vanouds het belangrijkste adviesorgaan van het bestuur van OMO; die status is door het bestuur ook duidelijk erkend..

Met permissie: het ging toch niet over de vraag welk orgaan het belangrijkste Is binnen OMO. maar om het feit dat, gezien de grote veranderingen die In de jaren negentig in het onderwijs zullen plaatsvinden. het van het grootste belang is. dat de rectoren deze veranderingen samen met het personeel gestalte geven.

De brief volgend: .De Rectorenvergadering en het hoofdbestuur/dagelljks bestuur zijn druk doende een verbetering te bewerkstelligen In hun onderlinge relaties en zo te komen tot een beleidsadviesorgaan. .

In het kader van dat beleidsadviesorgaan wil men o.a. aandacht besteden aan de positie en taak van het COO en in het algemeen aan de totale overleg- en Inspraakstructuur, mede in het licht van nieuwe ontwikkelingen. Het huidige presidium van de Rectorenvergadering wil niet vooruitlopen op de besluiten die het hoofdbestuur uiteindelijk zal moeten nemen inzake de adviesstructuur binnen de Vereniging.

Met andere woorden: Wacht nu maar rustig af; zo gauw het hoofdbestuur jdagelljks bestuur en de Rectorenvergadering onderling tot overeenstemming zijn gekomen met betrekking een nieuwe structuur c.q. een nieuw te ontwikkelen beleidsadviesorgaan, dan zal worden beslist welke plaats het COO binnen OMO heeft. Het was me echter allang duidelijk, dat we er als COO voorlopig niet aan te pas zouden komen.

Toen dan ook op de vergadering van het hoofdbestuur van 28 januari 1991 de studiecommissie hoofdbestuur / Rectorenvergadering verslag deed van haar werkzaamheden. heb ik mede namens u allen, de gelegenheid te baat genomen om ons standpunt te verduidelijken. In het kort de toen gebruikte argumentatie:

"Laat ik voorop stellen. dat het COO er niet tegen is dat pogingen In het werk worden gesteld om een verbetering tot stand te brengen in de verhouding tussen hoofdbestuur en Rectorenvergadering. Uit de loop van de gebeurtenissen sinds december 1990 en de daaruit komende voorstellen maak ik op, dat er een wijziging plaatsvindt in de adviesprocedures en de oprichting van een nieuw orgaan: een beleidsorgaan.

Dit beleidsorgaan nu ontstaat uit de samenvoeging en stroomlijning van taken van reeds bestaande organen. en heeft verder tot resultaat dat er van enige inspraak vanuit het COO geen sprake meer Is. Daar kom ik dadelijk nog op terug.

Positief, naar mijn idee is het feit dat primair als doel wordt gesteld het ontwikkelen van beleid op middellange termijn. Dat lijkt me hoogst noodzakelijk, en wel op korte termijn.

De vorming van dit beleidsorgaan heeft primalr tot doel. de verhouding tussen Rectorenvergadering en hoofdbestuur te verbeteren, in die zin, dat de Rectorenvergadering van mening was dat er sprake was van gebrek aan kwaliteit in deze relatie en dat daardoor OMO feitelijk niet goed bestuurbaar is.

De oplossing die men nu voor ogen heeft:

- leg het bestuur een minder vrijblijvende houding t.o.v. de Rectorenvergadering op en roep de rector op tot een minder vrijblijvende opstelling en wijs daarbij op de wezenlijke medeverantwoordelijkheid van de rectoren in deze (zich regarderen aan).

De minder vrijblijvende houding van het bestuur houdt In de praktijk In, dat beslissingen In feite worden voorbereid in het beleidsorgaan waarna, na advies van de RectorenvergaderIng, het hoofdbestuur het advies altijd goedkeurt. Mocht het hoofdbestuur nog niet geëngageerder met de adviezen van de Rectorenvergadering omgaan, dan kan de Rectorenvergadering de vergaderingen van het hoofdbestuur bijwonen.

Als we het nu voorliggende stuk vergelijken met de conclusies van de bijeenkomst van Rectoren op 19 december 1989 In de Postelse Hoeve, dan valt eigenlijk op, dat de Inbreng van het bestuur in het hier nu voorliggende stuk bijna nihil te noemen Is.

Samengevat:

- de positie van de Rectorenvergadering verandert In die zin, dat zij via het Beleidsorgaan grote

Invloed kan uitoefenen;

- de positie van het bestuur wordt meer gezien nu als een soort Raad van Commissarissen die, na

Initiërend werk In het beleidsorgaan, de daaruit voortkomende adviezen sanctioneert. - voorkomen dient voortaan te worden, dat adviezen van dit orgaan niet worden opgevolgd; - er Is een discrepantie merkbaar tussen de functies die het bestuur heeft. Deze functies zijn zowel

beleidsontwikkeling, beleidsvoorbereiding als beleidsuitvoering. Een en ander leidde tot een

cumulatie van de functies van directeur en lid secretaris in één persoon.

Vanaf het begin af aan, heeft dit bij de Rectorenvergadering tot oppositie aanleiding gegeven.

Het jaar 1993 dient niet bepalend te zijn voor de oplossing van deze problematiek, maar wel of de beleidsontwikkeling en de beleidsvoorbereiding wel bij het bureau dienen te liggen. Denkbaar Is. dat deze losgekoppeld worden van de beleidsultvoering.

Over de rol van het COO In deze wordt alleen gesteld dat dit afgestemd dient te worden op dit beleidsontwikkelend orgaan.

Uit de pogingen die het COB-bestuur ondernomen heeft om een gesprek te engageren tussen de Rectorenvergadering en COO Is nog geen resultaat voortgekomen.

Wij wachten nog steeds (medio '91) vergeefs en mijns inziens te laat, gezien het voorliggende ontwerp, op inspraak in deze.

Het instellen van een GMR komt dan even aan de orde; daar zal aandacht aan moeten worden besteed. Het COO denkt in dit verband eerder aan een ondernemingsraad, dan aan een GMR.

Het blijft onduidelijk hoe de scheiding tot stand komt tussen "beleidsvoorbereidend" en "beleidsbepalend".

Wat ik verder diep betreur, is dat men een en ander denkt te kunnen doen zonder het personeel te laten meepraten. OMO heeft 50 rectoren, maar het heeft ongeveer 3800 personeelsleden. Ook daar is deskundigheid te vinden. Ik doe een klemmend beroep op het hoofdbestuur om het COO in te schakelen op een moment dat Invloed nog mogelijk is. In het hele stuk van het voorlopig verslag van de studiecommissie wordt maar in twee regels over het COO gesproken.

In de vergadering van het hoofdbestuur van 27 mei j.l., kwam het uiteindelijke rapport van de studiecommissie hoofdbestuur / Rectorenvergadering aan de orde. Vooral van belang voor het COO zijn de volgende constateringen: "De studiecommissie realiseert zich wel dat het betrekken van de Rectorenvergadering in de advisering en beleidsontwikkeling, zoals voorgesteld, repercussies heeft t.a.v. andere adviesorganen. Met betrekking tot de overige adviesorganen meent de studiecommissie het volgende te kunnen opmerken: Deze organen zijn, In tegenstelling tot de Rectorenvergadering "Gespecialiseerde" organen. dat wil zeggen dat zij hun adviesfunctie op een specifiek terrein van beleid uitoefenen. Door hun specialiteit te erkennen. wordt het mogelijk de plaats van deze organen preciezer te bepalen. derhalve met hun adviezen beter rekenina te houden. Dit Is In het bijzonder van belang met betrekking tot COCO en COO, In welk laatste geval de eventuele instelling een GMR conform de huidige (en toekomstige) wet- en regelgeving ook aan de orde dient te komen.

Te constateren valt, dat sinds januari een en ander door de commissie nader Is bekeken. De omschrijving van het COO als een gespecialiseerd adviesorgaan voegt in feite niets toe aan datgene wat al In het reglement van het COO is verwoord in artikel 1 b.

Doel van het COO is het geven van advies aan en het voeren van overleg met het bestuur van Ons Middelbaar Onderwijs, vooral betreffende zaken van algemeen beleid en in het bijzonder van aangelegenheden die de rechtspositie en de werkomstandigheden van de personeelsleden betreffen.

Met andere woorden: wij zijn weer terug bij onze uitgangspositie. Want heeft basisvorming, lump­sum, formatiebudget, management-ondersteuning, werktaak niet alles met onze rechtspositie en werkomstandigheden te maken?

Het wordt tijd om een aantal conclusies te trekken:

- Hoofdbestuur en Rectorenvergadering hebben hun relatie nu duidelijk afgebakend, hopen we.

- We verwachten van het Beleids Ontwikkellngs Team Inspraak in zaken die met onze adviestaak te

maken hebben.

- Op korte termijn verwachten we een uitgesproken visie van dit beleidsontwikkelend orgaan over: OMO op korte termijn

OMO op middellange termijn

OMO op lange termijn

- In relatie hiermede dient ook een duidelijke financiële onderbouwing gegeven te worden.

- We gaan ervan uit, dat de Rectorenvergadering de plaats van het cao binnen OMa, als

"gespecialiseerd orgaan" erkent en het COO dan ook zal betrekken In dié zaken die ik In een eerder verband al eens heb toegelicht.

Een volgend punt, waar ik nog bij stil wil staan, Is ons advies over de Bedrijsgezondheldszorg . We verwachten van het hoofdbestuur op korte termijn een reactie op ons advies. Met korte termijn wordt niet bedoeld een jaar of langer, want we wachten nog steeds op een antwoord betreffende ons advies om een commissie functioneringsgesprekken in te stellen. Dit advies is Inmiddels een jaar geleden uitgebracht. Het hoofdbestuur zal ook In die zin, kleur dienen te bekennen.

De toekomst van het COO

Een van de belangrijkste punten het komende jaar zal zeker zijn: hoe kunnen we de Inspraak binnen OMO verder gestalte geven?

Door de basisvorming en het Formatie Budget Systeem zal de Inspraak hoogst noodzakelijk zijn. Dit betekent, dat we bij beleidsbeslissingen direct betrokken dienen te worden. Hoe dat eruit zal moeten zien, daar zullen we ons in het komende jaar nog vaker over dienen te beraden. Als COB kiezen we niet voor een GMR, omdat we vinden dat het personeel toch een andere relatie heeft met het bevoegd gezag dan de ouders. Een zaak die daarbij zeker aan de orde dient te komen is de faciliteitenregeling voor leden van het COO en COB. Het beschikbaar stellen aan leden van het cao van geld, tijd en faciliteiten om hun werkzaamheden te kunnen verrichten is een must.

Het is volslagen belachelijk, dat onze begroting van f 10.000,-- zelfs nog wordt ingekrompen tot ongeveer f 5.500,--. Daarvan dienen de reiskosten betaald te worden van het COB en het OOP. Hoe kunnen we dan de deskundigheid bevorderen van leden van het COO? Een vereniging als OMO dient zich eigenlijk te schamen voor zo'n faciliteitenregeling. Wat is de begroting van de Rectorenvergadering eigenlijk? Het COB denkt erover om in het najaar een conferentie te organiseren over Inspraak In het onderwijs. Een dergelijke studieconferentie vinden we hoogst noodzakelijk. In die zin denken we ook over het FBS een dag te moeten organiseren. Maar je dient alles eerst te vragen? Een volwassen OMO geeft haar ongeveer 3800 personeelsleden echte inspraak door financieel en facilitair het personeel ook handen en voeten te geven.

Tenslotte: we gaan samen op weg binnen OMO-verband.

Dit betekent ook:

- Inspraak voor conrectoren adjunct-directeuren en andere personeelsleden.

- Deskundigheidsbevordering van directeuren en adjunct-dIrecteuren door het organiseren van

cursussen financieel beheer, rooster maken, personeelsbeleid, etc.

- Waardering voor al het werk dat in onze scholen wordt verzet.

- Respect en wederzijds begrip voor de dingen waarvoor we staan.

In die zin wens Ik OMO nog 75 jaar toe.

(Drs. J.W. Swaen, voorzitter COO)