We hebben 187 gasten online

Recensie 'Handhaven onder de nieuwe orde' Frank van Riet

Gepost in Recensies

Handhaven onder de nieuwe orde Frank van Riet

In 2008 publiceerde Frank van Riet het proefschrift ´Handhaven onder de nieuwe orde´ De politieke geschiedenis van de Rotterdamse politie tijdens de Tweede Wereldoorlog.In de eerste jaren na de bevrijding werd de Nederlandse en daarmee ook de Rotterdamse politie(nog) niet als ´fout´ beschouwd. Dit was een uitvloeisel van het algemene beeld over de houding van Nederlanders gedurende vijf jaar van onderdrukking, waarbij het nationaalsocialisme als ´fout´ en het andere als ´goed´ werden bestempeld. Deze opvatting bleef lang gehandhaafd en tot in de jaren zestig van de vorige eeuw ondersteund door de vakliteratuur. Door het verschijnen van Pressers ´Ondergang´ veranderde dat beeld. Zij die tijdens de bezetting intensief met de bezetter te maken hadden gehad, en zo vuile handen hadden gemaakt waren nu de boosdoeners. Ook de Nederlandse politieman ontkwam niet aan die beeldvorming. In nieuwe studies werd vooral aandacht besteed aan de medewerking van het Nederlandse politieapparaat bij het ophalen van de joodse Nederlanders. Dit gold zeker voor de wetenschappelijke publicaties.

 

Van Riet is van mening dat de vraag van  Meershoek,Recensie 'Dienaren van het gezag' Guus Meershoek, waarom gewone agenten onder leiding van gewone inspecteurs een maand lang samen met het Politiebataljon Amsterdam joden uit hun huis haalden en aan de bezetter uitleverden door Meershoek zeer zorgvuldig is beantwoord, maar hij is naar zijn mening niet diep genoeg ingegaan op de achtergronden, sociale omstandigheden en de bijzondere moeilijke positie van de individuele politiefunctionaris.

Het boek van Van Riet wil niet anders dan een complete geschiedenis van het Rotterdamse politiekorps zijn. Het is hier niet de plaats om het hele boek te bespreken. Ik beperk mij tot de rol die de politie vervulde en de betrokkenheid bij het ophalen van joodse burgers. Waarbij Van Riet stelt dat een andere benadering van de bezettingsgeschiedenis in zijn ogen wenselijk is.

 Dat werd al door prof. Blom al in zijn inaugurele rede in 1983 naar voren gebracht. Blom sprak de wens uit dat historici zich aan de ban van het aan politiek-morele vraag naar goed en fout gekoppelde perspectief van collaboratie en verzet zouden weten te ontworstelen.

Van Riet omarmt al in zijn inleiding het begrip ´accommodatie´. Dit door prof. Kossman gehanteerde begrip  zou volgens prof. Blom een zinvol hulpmiddel kunnen zijn om een onderwerp als samenwerking met de bezettende macht anders te benaderen. Kossman was van mening dat bepaalde vormen van contact, overleg en samenwerking met de bezetter duidelijk verschilden van de op politieke overtuiging, machtsstreven of materieel winstbejag stoelende collaboratie.

In Hoofdstuk 9 van het boek wordt de Jodenvervolging beschreven.

Tijdens de eerste interviews werd het beeld geschapen dat de Rotterdamse politie op bescheiden wijze betrokken is geweest bij het ophalen en vervoeren van de Rotterdamse joden. Sterker er was weinig over de Rotterdamse situatie bewaard gebleven. In de dag- en nachtrapporten is niets terug te vinden over de hulp van de politie bij ophaalacties c.q. razzia´s. De vraag op welke manier de Rotterdamse politie had meegewerkt werd gedeeltelijk beantwoord door gegevens uit een aantal dossiers uit het Centraal Archief Bijzondere Rechtspleging.    

Voordat het vertrouwen in de politie in de tweede helft van de bezetting afnam, kon de bezetter rekenen op de medewerking van nagenoeg het gehele Rotterdamse politieapparaat (Van Riet p.706). Tijdens en na de zuivering maakte men onderscheid tussen ´goed´ en ´fout´ of tussen verzet en collaboratie. Ging men bij dit laatste uit van de letterlijke betekenis van het woord dan zou geconcludeerd kunnen worden dat nagenoeg alle (Rotterdamse) politiefunctionarissen met de bezetter gecollaboreerd hebben, omdat iemand die in de oorlogstijd opzettelijk met de bezetter meegewerkt heeft volgens de definitie een collaborateur is.

Nadat de totale isolatie van de joden voltooid was, kregen eind juli, begin augustus 1942, zesduizend Rotterdamse joden een oproep. Verspreid over 3 dagen moesten ze zich melden bij het centrale verzamelpunt. De bereidheid om zich te melden nam met de dag af en werden nieuwe maatregelen afgekondigd.  Joodse mannen moesten verplicht naar werkkampen. In de avond en nacht van 2 op 3 oktober 1942 werden achtergebleven gezinsleden tijdens een ´grote´ actie opgehaald. Zonder opgaaf van redenen kregen driehonderd manschappen van de Rotterdamse politie bericht om zich om 20:00 uur te melden, velen dachten dat het een alarmoefening was, maar kregen te horen dat ze die avond joden van huis moesten halen.  Uit een vergadering van inspecteurs, die kort na de eerste ophaalactie plaatsvond blijkt dat saamhorigheid, die voor een collectieve weigering een belangrijke voorwaarde is, er niet was.  Slechts acht van de zeventig inspecteurs toonden zich bereid om bij een volgende opdracht te weigeren. Onder het motto ´allen of niemand´ werd het voorstel terzijde geschoven.(p. Van Riet p. 383).

 De volgende opdracht kwam al binnen een week op donderdag 8 oktober 1942. In plaats van melden bij een centraal meldpunt moesten de deelnemende politiefunctionarissen zich melden bij de eigen afdeling, waar ze de instructies kregen vooral de oudere joden op te halen. Bij deze actie werden hoofdzakelijk de joden in de leeftijdscategorie tussen de zestig en negentig jaar opgehaald.

Tijdens de eerste actie gebeurde de uitvoering door geüniformeerd personeel van verschillende diensten en afdelingen, tijdens de tweede actie onder leiding van de afdelingscommandanten door personeel van de afdelingen en de tijdens de derde actie door de recherche.

Na de tweede grote ophaalactie van 8 oktober bleef het betrekkelijk rustig. Dit hield niet in dat alle joden uit Rotterdam weg waren. Op kleine schaal vonden er nog steeds arrestaties plaats en vooral Groep 10 (een geheimzinnig, niet geüniformeerde onderdeel)ging zich steeds meer bemoeien met de Jodenmaatregelen. Uit een overzicht van Van Riet blijkt dat door Groep 10 vanaf maart 1942 tot en met februari 1944 3.732 mensen gevangen nam waaronder 857 joden.

De rechercheurs van de politieke dienst waren verantwoordelijk voor de arrestatie van ten minste tien procent van de Rotterdamse joden. Bij de beoordeling moet rekening gehouden worden met het feit dat voor het eind van 1942 ook en vooral overige onderdelen van het Rotterdamse Korps betrokken zijn geweest bij het ophalen en transporteren van joden.

Op 26 februari 1943 werden drie joodse instellingen leeggehaald. Ruim tweehonderd bewoners en eenenzestig personeelsleden van het joodse ziekenhuis aan de Schietbaanlaan, het Israëlisch Oude Lieden Gesticht aan de Claes de Vrieselaan en het Israëlitische weeshuis aan de Mathenesserlaan werden weggevoerd.

De derde laatste grote actie waarbij de politie betrokken was vond plaats op vrijdag 9 april 1943. Daarbij zouden in totaal achthonderd joden zijn opgepakt.

Onder begeleiding van Rotterdamse politieagenten vonden vanaf begin augustus 1942 tot half maart 1944, in ieder geval negentig geregistreerde transporten plaats. De door de politie opgehaalde joden werden met behulp van personeel en materieel van de RET naar de verzamelplaats gebracht.

De vraag of de Rotterdamse politiefunctionarissen met betrekking tot het ophalen van de joden in meer of mindere mate hebben meegewerkt dan hun collega´s van andere korpsen, is moeilijk te beantwoorden (Van Riet p. 397).

De gemeentepolitie van Rotterdam had na de oorlog een zeer slechte naam en de oorlogstijd was geen bespreekbaar onderwerp. Deze slechte reputatie was mede het gevolg van de betrokkenheid van de politie bij het ophalen van Joodse burgers. Van de 8.368 geregistreerde Joden uit Rotterdam werden er 6.790 opgepakt en weggevoerd en er keerde na de oorlog 23,6% terug uit kampen of onderduikadres. In vergelijking met de meeste andere grote steden en het landelijk gemiddelde dat lag tussen de 27,1 en 29,6 is dat aanzienlijk lager (Van Riet p. 425).

Niet in de laatste plaats werd de politie geïdentificeerd met het optreden van leden van de Inlichtingendienst en de zogenaamde “Groep 10” die beide uit sympathisanten met het nationaalsocialisme bestonden. Het is niet verwonderlijk dat de burgerbevolking het gehele korps associeerde met deze toegewijde handlangers van de bezetters. Na de oorlog bleek zelfs dat leden van die Groep 10, in Duits uniform nota bene, hadden deelgenomen aan executies in maart 1945 (waarbij er drie politie agenten onder de slachtoffers waren).

Dat de politie volgens Van Riet werd gezien als een van de belangrijkste schakels is begrijpelijk , maar zonder de andere instanties had de jodenvervolging in Nederland niet zo succesvol kunnen zijn (p.711).

Naar mijn idee laat dat onverlet dat de Rotterdamse politie, door samen te werken bij de uitvoering van de verwijdering van joden uit de Rotterdamse samenleving, een schuld op zich geladen heeft. Verwijzen dat ook anderen ´in de fout gingen´, is geen rechtvaardiging van de door de Rotterdamse politie gekozen ´accommodatie´. Orde handhaven is  iets anders dan definitief verwijderen uit de samenleving.

Titel: Handhaven onder de Nieuwe orde De Politieke geschiedenis van de Rotterdamse politie tijdens de Tweede Wereldoorlog

Auteur: Frank van Riet

Uitgeverij: Aprilis ISBN 9789059941939