We hebben 317 gasten online

Rechtspraak

Hoge Raad: Oplegging levenslange gevangenisstraf b...
24 dec 2017 09:51

Den Haag, 19 december 2017 De recente regeling van herbeoordeling en toetsing in het geval een levenslange gevangenisstraf is opgelegd, voldoet aan de eisen van het EVRM omdat bij de toepassing v [ ... ]

LevenslangVerder lezen
'Levenslang niet meer in strijd met mensenrechten'
08 sept 2017 08:49

NOS Bron dinsdag 5 september 2017   Een levenslange celstraf in Nederland mag ook echt levenslang zijn en is niet in strijd met het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Voorwaarde i [ ... ]

LevenslangVerder lezen
Dijkhoff: Maatregelen nodig om levenslange straf l...
08 sept 2017 08:43

Nieuwsbericht | 02-06-2016 | 22:00 De tenuitvoerlegging van de levenslange gevangenisstraf wordt aangepast, zodat de straf ook in de toekomst opgelegd kan blijven worden. Een nieuw adviescollege za [ ... ]

LevenslangVerder lezen
Recensie 'De laatste wens van Moek' Albert Heringa
12 nov 2016 12:33

In Nederland is hulp bij zelfdoding zeer actueel nu de regering de discussie verder heeft aangemoedigd, om te komen tot nieuwe wetgeving, waarbij mensen die vinden dat hun leven voltooid is, de wettel [ ... ]

StrafrechtVerder lezen
Advies advocaat-generaal Spronken aan Hoge Raad in...
12 nov 2016 12:17

Advies AG in zaak Heringa: hulp bij zelfdoding niet strafbaar Bron: Geplaatst op 8 Nov 2016 om 14:17 door e van chtennieuws.nl Het oordeel van het hof Arnhem dat Heringa niet [ ... ]

StrafrechtVerder lezen
Hoger beroep Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden Hulp bi...
12 nov 2016 11:33

ECLI:NL:GHARL:2015:3444   Instantie Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden Datum uitspraak 13-05-2015 Datum publicatie 13-05-2015 Zaaknummer 21-008160-13 Formele relaties Eerste aanleg: LI:NL: [ ... ]

StrafrechtVerder lezen
Documentaire Netwerk 8 februari 2010 'De laatste w...
12 nov 2016 11:29

https://vimeo.com/48799737   In deze documentaire 'de laatste wens van Moek. Een zelf geregisseerde dood is een weergave van het hele proces waaronder een gesprek met zijn moeder die zei dat ze kla [ ... ]

StrafrechtVerder lezen
Oudere artikelen

deel 2 Enkele belangrijke gegevens uit welvaart in Nederland

Gepost in Uitgaven en inkomsten

Huishoudens naar hoogte huishoudinkomen

Kloof tussen mannen en vrouwen steeds kleiner

Het aandeel economisch zelfstandige vrouwen steeg van 39 procent in 2001 naar ruim 47 procent in 2010. De grootste toename deed zich voor tussen 2005 en 2009: van 42 procent naar 48 procent. Bij mannen lag het percentage dat zichzelf financieel kan bedruipen in de jaren 2001–2010 steeds rond de 70 procent.

Eigen woning belangrijkste aandeel in bezittingen

Op 1 januari 2011 hadden de Nederlandse huishoudens in doorsnee voor 175 duizend euro aan bezittingen. De eigen woning vormde het voornaamste vermogensbestanddeel. Bijna zes op de tien huishoudens hadden een eigen woning met een mediane waarde van 233 duizend euro.

De helft van de huishoudens had ook schulden. Meestal was dit de hypotheek op de eigen woning. In doorsnee bedroeg deze 160 duizend euro. Acht procent van de huishoudens had ook andere schulden zoals schulden voor consumptieve doeleinden of schulden volgens de Wet studiefinanciering.

Doorsnee-vermogen huishoudens afgenomen

Op 1 januari 2011 bedroeg het doorsnee-vermogen van een huishouden 29 duizend euro, begin 2008 was dat nog bijna 50 duizend euro. Dat komt neer op een daling van ruim 40 procent.

Het vermogensverlies is voor een belangrijk deel toe te schrijven aan de waardevermindering van de eigen woning en de toename van de hypotheekschulden. Begin 2011 was de doorsnee-waarde van de eigen woning 233 duizend euro, tegen 256 duizend euro begin 2008. De hypotheekschuld groeide van 143 duizend euro in 2008 tot 160 duizend euro in 2011. Ook de overige schulden stegen, van 30 duizend tot 42 duizend euro.

Toename van huishoudens met negatief vermogen

Het aantal huishoudens met een negatief vermogen is de afgelopen jaren flink toegenomen. Begin 2011 hadden 785 duizend huishoudens meer schulden dan bezittingen. Dat waren er ruim 430 duizend meer dan op 1 januari 2008. Vooral gedurende 2009 is het aantal huishoudens met negatief vermogen fors gestegen, maar ook in 2010 nam dit aantal toe. Begin 2011 was het aandeel huishoudens met negatief vermogen met 10,6 procent ruim twee keer zo hoog als voor de economische crisis.

De grootste groep huishoudens, 23 procent, heeft een klein vermogen van 0 tot 5 duizend euro. Dit aandeel is sinds 2006 redelijk stabiel. Daarnaast komt ook een vermogen tussen de 200 duizend en 500 duizend euro vaak voor. Het betreft ongeveer 17 procent van de huishoudens. Ook dit percentage is de afgelopen jaren vrijwel niet veranderd.

Minder miljonairs

Een klein deel van de huishoudens, rond de 2 procent, heeft een vermogen van 1 miljoen euro of meer. Het ging op 1 januari 2011 om ruim 150 duizend huishoudens. Dat waren er

12 duizend minder dan een jaar eerder.

Tussen begin 2008 en begin 2010 bleef het aantal miljonairshuishoudens vrijwel gelijk.

Alleenstaande ouders met minderjarige kinderen hebben het minste vermogen

De omvang van het vermogen verschilt sterk per type huishouden. Paren met meerderjarige kinderen en stellen zonder kinderen hadden begin 2011 met respectievelijk 136 duizend en 101 duizend euro in doorsnee de hoogste vermogens. Dat is veel meer dan bij alleenstaanden bij wie het doorsnee-vermogen op 9 duizend euro uitkwam. Eenoudergezinnen met alleen minderjarige kinderen hadden met 2 duizend euro het laagste vermogen.

Helft 65-plushuishoudens heeft meer dan een ton vermogen

Hoe ouder de hoofdkostwinner van een huishouden is, hoe groter het vermogen doorgaans is. Jonge huishoudens hebben nauwelijks vermogen. Dat wordt pas opgebouwd in de loop der jaren. 65-plussers hebben de hoogste vermogens. Ze bezitten vaak een eigen huis en hebben nauwelijks of geen hypotheekschuld meer. Begin 2011 bedroeg het mediane vermogen van huishoudens met een 65-plusser als hoofdkostwinner 107 duizend euro.

 

Aandeel met laag inkomen in 2010 nagenoeg gelijk gebleven

In 2010 had 7,7 procent van de huishoudens een inkomen onder de lage-inkomensgrens. Daarmee was het risico op armoede nauwelijks groter dan in 2009 toen het percentage op 7,6 procent uitkwam

Daling van aandeel huishoudens met langdurig laag inkomen

Van de 534 duizend huishoudens die in 2010 een laag inkomen hadden, moesten er 152 duizend (2,4 procent) al ten minste vier jaar achtereen van een laag inkomen rondkomen. Dit waren er 5 duizend minder dan in 2009. Het aantal huishoudens dat langdurig op een laag inkomen is aangewezen, kwam hiermee uit op het laagste niveau sinds 1992, waarvoor dit gegeven voor het eerst is vastgesteld. Die daling is onder meer te danken aan de sterke verbetering van de inkomenspositie van enkele groepen (65-plussers, eenoudergezinnen) waarvoor een laag inkomen vaak een langdurig karakter had.

Hoge welvaart vooral een kwestie van vermogen

Eind 2010 telde Nederland 7,4 miljoen huishoudens. Een op de tien huishoudens had een gestandaardiseerd besteedbaar inkomen van meer dan 37,3 duizend euro, terwijl een even grote groep over een vermogen beschikte van boven de 400 duizend euro. Deze groepen overlappen elkaar deels: 270 duizend huishoudens hadden zowel een hoog inkomen als een groot vermogen. Dat komt neer op 3,7 procent van alle huishoudens. In totaal kwam het aantal huishoudens met hoge welvaart uit op 1,2 miljoen. Dat is bijna een op de zes huishoudens.

Het gemiddelde inkomen van de meest welvarende huishoudens was in 2010 ruim tweemaal zo hoog als dat van huishoudens met minder welvaart: 42 duizend euro tegenover bijna 20 duizend euro. Bij het vermogen was het verschil nog vele malen groter. Het mediane vermogen in de hoge welvaartsgroep was 451 duizend euro, terwijl dat van de minder welvarenden 16 duizend euro bedroeg. De meest welvarende huishoudens namen in 2010 zo’n 30 procent van het totaal aan inkomen voor hun rekening en maar liefst 66 procent van het totale vermogen.

In 2010 kon een kwart van deze huishoudens zich tot de meest welvarende van ons land rekenen. Hun hoge welvaart ontlenen deze huishoudens zowel aan hun inkomen als aan hun vermogen. Bij de 60-plussers met hoge welvaart, vormen de eigen woning (met geen of weinig hypotheekschuld meer) en bank- en spaartegoeden de hoofdmoot van het vermogen (Claessen, 2010).

Huishoudens met een hbo’er of academicus als hoofdkostwinner springen er het gunstigst uit. Van de huishoudens op hbo-niveau behoort 25 procent tot de meest welvarende en van de huishoudens op universitair niveau 43 procent.

Hoog eigenwoningbezit bij meest welvarende huishoudens

Van alle huishoudens in Nederland bezit 57 procent een eigen woning. Bij de welgestelde huishoudens is dat 92 procent, tegenover de helft van de overige huishoudens. Hoewel onder de meest welvarenden jongeren tot 35 jaar minder vaak een eigen woning hebben dan ouderen, is ook bij hen het aandeel eigenwoningbezitters met 76 procent vrij hoog.

Minder welvarende jongeren wonen meestal in een huurwoning, net als de 65-plussers met minder welvaart.

De eigen woning is vaak het belangrijkste vermogensbestanddeel in de bezittingen. De eigen woning van een huishouden met hoge welvaart is in doorsnee 360 duizend euro waard, bij de minder welgestelde huishoudens is dat 212 duizend euro. Ook is bij de laatstgenoemde huishoudens de hypotheekschuld in verhouding tot de waarde van de woning beduidend hoger.

Bij de meest welvarenden zijn de maandelijkse woonlasten van zowel de eigenwoningbezitters als de huurders fors hoger vergeleken met andere huishoudens. Zo zijn de huishoudens met hoge welvaart in een huurwoning gemiddeld bijna 900 euro kwijt aan wonen, tegen nog geen 600 euro bij de huishoudens in de lagere welvaartsgroep. Toch voelen de meest welvarende huishoudens die hogere lasten minder in hun portemonnee: bij hen is de woonquote – de verhouding tussen de vaste woonlasten en het netto inkomen (exclusief hypotheekrenteaftrek e.d., zie VROM/CBS 2010) – lager dan bij de andere huishoudens.

Ook qua woonruimte zijn er verschillen. Zo is de oppervlakte van een woning die bewoond wordt door een huishouden met hoge welvaart in doorsnee ruim anderhalf keer zo groot als die van andere huishoudens: 167 m2 tegen 109 m2.

Woning grootste uitgavenpost huishoudens

Ouderen geven betrekkelijk veel uit aan verwarming en verlichting en de woning

Hoe ouder de kostwinner van het huishouden des te hoger is het aandeel van het huishoudbudget dat aan verwarming en verlichting, en woonlasten wordt besteed. De uitgaven aan kleren en schoenen, ontwikkeling en ontspanning en verkeer en vervoer nemen daarentegen naar verhouding af met de leeftijd.

Ook zijn er duidelijke verbanden tussen het inkomen en de bestedingen. Hoe hoger het inkomen, hoe meer men naar verhouding uitgeeft aan hygiëne en geneeskundige verzorging, inventaris, verkeer en vervoer, en ontwikkeling en ontspanning en des te minder men besteedt aan woonlasten en woning- en tuinonderhoud, en verwarming en verlichting.

Alleenstaanden geven met ruim 30 procent van hun totale bestedingen relatief gezien het meest uit aan woonlasten en woning- en tuinonderhoud. Ook scoren ze betrekkelijk hoog in de uitgaven voor verwarming en verlichting. Zoals al is gezegd, gaat het dikwijls om oudere alleenstaanden die veelal deel uitmaken van de laagste inkomenskwartielgroep.

Bij deze specificaties betreft het dus vaak dezelfde huishoudens en dat verklaart de overeenkomstig hoge aandelen in woonlasten en uitgaven voor verwarming en verlichting.

Uitgaven en prijsontwikkeling

Uitgaven aan verwarming en verlichting het meest gestegen

Tussen 2000 en 2010 zijn in lopende prijzen de uitgaven aan verwarming en verlichting het sterkst gestegen. De stijging bedroeg in totaal bijna 100 procent. Tot en met 2008 liepen de uitgaven aan energie grotendeels in de pas met de bijbehorende prijsstijgingen.

De fors hogere uitgaven aan energie in 2009 en 2010 zijn echter vrijwel volledig toe schrijven aan de strenge winters waardoor huishoudens meer moesten stoken. Over geheel 2009 gingen de prijzen voor energie maar heel licht omhoog en in 2010 daalden ze zelfs sterk vanwege aanzienlijke lagere leveringstarieven voor gas vanaf juli 2009 (Van der Vlis en Van Willenswaard, 2009).

Ten opzichte van 2000 zakte tussen 2008 en 2009 de toename in de uitgaven voor voeding in van 15 naar 11 procent. Daar staat tegenover dat de prijzen tussen 2000 en 2009 met 17 procent stegen. De lagere uitgaven in crisisjaar 2009 komen waarschijnlijk doordat huishoudens goedkoper eten en drinken zijn gaan kopen, bijvoorbeeld door vaker boodschappen te doen in goedkope supermarkten. In 2010 namen de uitgaven voor voeding weer toe, terwijl de prijzen gelijk bleven.

De prijzen voor kleren en schoenen zijn in de periode 2000–2010 niet gestegen. De bestedingen hieraan zijn echter met 8 procent gegroeid. Huishoudens hebben dus meer en/of duurdere kleren en schoenen gekocht.

Voor de post ontwikkeling en ontspanning kwam de prijsstijging tussen 2000 en 2010 uit op 3 procent, terwijl de stijgingen in uitgaven tegen de 30 procent liepen. Op het vlak van ontwikkeling en ontspanning zijn er dan ook flink meer activiteiten ontplooid oftewel zijn deze luxer en duurder ingevuld.

Druk van belasting, premies en overdrachten

Nederlandse huishoudens betalen aan de overheid belasting over hun inkomen uit arbeid, winst, uitkering en vermogen. De belasting bestaat uit de inkomstenbelasting (met daarop een voorheffing in de vorm van loonbelasting en dividendbelasting) en de premies voor de volksverzekeringen AOW, Anw en AWBZ. Het inkomen dat overblijft na aftrek van de belasting van het bruto-inkomen is niet gelijk aan wat huishoudens kunnen besteden.

Ook premies voor verzekeringen tegen werkloosheid, ziekte en arbeidsongeschiktheid, pensioenpremies en soms ook overdrachten tussen huishoudens (zoals alimentatie) drukken op het bruto-inkomen. Het besteedbare inkomen is het bruto-inkomen minusdeze belastingen, premies en overdrachten.

De totale druk van de belastingen, premies en overdrachten zorgt dat het besteedbare inkomen in 2010 gemiddeld 40,5 procent lager was dan het bruto-inkomen.

Ten opzichte van 2001 is dit een stijging van 1,7 procentpunt. Tot en met 2005 groeide de totale druk door hogere premies. Tussen 2005 en 2010 nam de druk van de premies weer af, maar de druk van de inkomstenbelasting nam toe met 1,2 procentpunt. Per saldo daalde in die periode de totale druk. De toename van de druk van de inkomstenbelasting in 2009 is vooral toe te schrijven aan de beperking van de aftrek van ziektekosten in die belasting.

Per saldo stegen de belastingontvangsten hierdoor met circa 2 miljard euro. De betreffende huishoudens kregen hiervoor compensaties via de Wet tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten (Wtcg).

Bron Centraal Bureau van de Statestiek.