We hebben 208 gasten online

Rechtspraak

Hoge Raad: Oplegging levenslange gevangenisstraf b...
24 dec 2017 09:51

Den Haag, 19 december 2017 De recente regeling van herbeoordeling en toetsing in het geval een levenslange gevangenisstraf is opgelegd, voldoet aan de eisen van het EVRM omdat bij de toepassing v [ ... ]

LevenslangVerder lezen
'Levenslang niet meer in strijd met mensenrechten'
08 sept 2017 08:49

NOS Bron dinsdag 5 september 2017   Een levenslange celstraf in Nederland mag ook echt levenslang zijn en is niet in strijd met het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Voorwaarde i [ ... ]

LevenslangVerder lezen
Dijkhoff: Maatregelen nodig om levenslange straf l...
08 sept 2017 08:43

Nieuwsbericht | 02-06-2016 | 22:00 De tenuitvoerlegging van de levenslange gevangenisstraf wordt aangepast, zodat de straf ook in de toekomst opgelegd kan blijven worden. Een nieuw adviescollege za [ ... ]

LevenslangVerder lezen
Recensie 'De laatste wens van Moek' Albert Heringa
12 nov 2016 12:33

In Nederland is hulp bij zelfdoding zeer actueel nu de regering de discussie verder heeft aangemoedigd, om te komen tot nieuwe wetgeving, waarbij mensen die vinden dat hun leven voltooid is, de wettel [ ... ]

StrafrechtVerder lezen
Advies advocaat-generaal Spronken aan Hoge Raad in...
12 nov 2016 12:17

Advies AG in zaak Heringa: hulp bij zelfdoding niet strafbaar Bron: Geplaatst op 8 Nov 2016 om 14:17 door e van chtennieuws.nl Het oordeel van het hof Arnhem dat Heringa niet [ ... ]

StrafrechtVerder lezen
Hoger beroep Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden Hulp bi...
12 nov 2016 11:33

ECLI:NL:GHARL:2015:3444   Instantie Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden Datum uitspraak 13-05-2015 Datum publicatie 13-05-2015 Zaaknummer 21-008160-13 Formele relaties Eerste aanleg: LI:NL: [ ... ]

StrafrechtVerder lezen
Documentaire Netwerk 8 februari 2010 'De laatste w...
12 nov 2016 11:29

https://vimeo.com/48799737   In deze documentaire 'de laatste wens van Moek. Een zelf geregisseerde dood is een weergave van het hele proces waaronder een gesprek met zijn moeder die zei dat ze kla [ ... ]

StrafrechtVerder lezen
Oudere artikelen

MeMo Havo Mod 5 hfst 1 Politiek en Staatsinrichting in Nederland en Europa Om de verdeling van de macht

Gepost in Modules

Hoofdvraag: Hoe ontstond de parlementaire democratie in Nederland en hoe functioneerde die in de negentiende en twintigste eeuw?

Hoofdstuk 1: Op weg naar een moderne parlementaire democratie ( 1848-1945)

Deelvraag: Hoe had de parlementaire democratie zich in Nederland ontwikkeld?

1.1 De grondwet van Thorbecke

Oktober 1848----

Willem II had een nieuwe grondwet goedgekeurd waarbij de macht van de koning aan banden werd gelegd.

memo hfst 5 afb 1

Oorzaak: met snelle hervormingen proberen te voorkomen dat er in Nederland en revolutie zou uitbreken.

memo hfst 5 afb 2

Ontwerper van de nieuwe grondwet was Jan Rudolf Thorbecke (1796-1872).

Belangrijkste wijzigingen van de nieuwe grondwet waren:

1. Invoering van de MINISTERIELE VERANTWOORDELIJKHEID. Dit hield in dat de ministers het regeringsbeleid voortaan moesten verantwoorden tegenover de volksvertegenwoordiging, het parlement.

2. De koning werd ONSCHENDBAAR. De Minister President is voortaan verantwoordelijk.

3. De TWEEDE KAMER werd voortaan rechtstreeks gekozen door de kiezers en de EERSTE KAMER door de Provinciale Staten. Men gebruikte hiervoor een CENSUSKIESRECHT. Alleen welgestelde mannen die een bepaalde som aan belasting (census) betaalden, mochten stemmen. Het parlement was daardoor een vertegenwoordiging van de rijken.

De grondwetswijziging van Thorbecke was gebaseerd op de TRIAS POLITICA van Montesquieu. Deze deelde de macht in en staat in drieën. De wetgevende, de uitvoerende en de rechtelijke macht.

In de Nederlandse Staatsinrichting werden de machten niet helemaal gescheiden. De ministers hebben de uitvoerende macht; zij moeten de besluiten en wetten uitvoeren. Maar samen met het Parlement hebben zij de wetgevende macht.

Willem III had echter grote moeite met de nieuwe machtsverdeling en herhaaldelijk kwam hij in conflict met het Parlement. Uiteindelijk moest hij zich erbij neerleggen.

De kamermeerderheid bepaalt voortaan of een kabinet aan kan blijven of niet. De mening van de koning doet er niet toe.

Tot 1917 werd de Tweede Kamer via het DISTRICTENSTELSEL GEKOZEN. De kandidaat die in zijn district de meeste stemmen won, kreeg een kamerzetel.

Vanaf 1917 geldt het systeem van EVENREDIGE VERTEGENWOORDIGING. Alle stemmen worden bij elkaar opgeteld en gedeeld door het aantal kamerzetels. De uitkomst heet KIESDELER.

Haalt een partij de kiesdeler dan krijgt men een kamerzetel, enz.

memo hfst 5 afb 3

memo hfst 5 afb 4

1922

1925

1.2 Het ontstaan van politieke partijen

Tot laat in de negentiende eeuw waren er geen politieke partijen maar stromingen.

Er waren 3 kwesties die de aandacht vroegen:

1. SCHOOLSTRIJD

2. Strijd voor het ALGEMEEN KIESRECHT

3. Het SOCIALE VRAAGSTUK

1. De Schoolstrijd ging over financiering van het onderwijs en gelijkstelling tussen de OPENBARE SCHOLEN en de BIJZONDERE SCHOLEN

2. Het ALGEMEEN KIESRECHT handelde over het afschaffen van de census en de instelling van ACTIEF KIESRECHT EN PASSIEF KIESRECHT. Mannen kregen dat in 1917; vrouwen het passief kiesrecht in 1917 en het actief kiesrecht in 1919.

3. Het SOCIALE VRAAGSTUK zorgde voor grote verdeeldheid. Echter de eerste sociale kwamen tot stand, te beginnen met de KINDERWET VAN VAN HOUTEN, die in 1874 werd aangenomen en fabrieksarbeid voor kinderen tot 12 jaar verbood. Achtereenvolgens kwam de woningwet tot stand en de ongevallenwet.

De eerste politieke partij was de protestantse ANTI-REVOLUTIONAIRE PARTIJ(ARP), die in 1878 werd opgericht door Abraham Kuyper.

memo hfst 5 afb 5

memo hfst 5 afb 6

   

Belangrijkste strijdpunt was gelijkstelling openbaar en bijzonder onderwijs.

Omdat een aantal ARP-leden tegen de uitbreiding van het kiesrecht was richtten zij in 1908, onder leiding van A.F. de Savorin Lohman, de CHRISTELIJK HISTORISCHE UNIE (CHU) op.

In 1918 werd ook nog de orthodox-protestantse STAATKUNDIG GEREFORMEERDE PARTIJ opgericht.

De Katholieken werden sinds de Spaanse overheersing in de zestiende eeuw gediscrimineerd en hoewel zij tijdens de Franse overheersing van Nederland (1795-1813) officieel gelijk werden gesteld aan de protestanten, bleven zij een soort tweederangsburgers..

Tijdens de SCHOOLSTRIJD verenigden de katholieken zich met de protestanten, die hetzelfde doel nastreefden.

Kuyper lanceerde in dit verband de term: ANTI-THESE: alle gelovigen(confessionelen) moesten zich verenigen tegen de ongelovigen, de liberalen en socialisten.

Schaepman werd de nieuwe leider van de katholieken. Maar pas in 1926 werd de ROOMS-KATHOLIEKE STAATSPARTIJ(RKSP) opgericht.

Voor de liberalen waren vrijheid en gelijkheid de belangrijkste uitgangspunten. In 1885 verenigden de liberalen zich in de LIBERALE UNIE maar zij raakten verdeeld over het kiesrecht en de sociale kwestie. In 1901 splitsten de vooruitstrevende liberalen zich af en stichtten de VRIJZINNIG DEMOCRATISCHE BOND(VDB). In 1906 werd een derde liberale partij opgericht, de VRIJ LIBERALEN.

De socialisten streefden naar socialisatie van de productiemiddelen. En opheffing van ongelijkheid. De eerste socialist in de Tweede Kamer was Ferdinand Domela Nieuwenhuis die in 1881 de SOCIAAL-DEMOCRATISCHE BOND(SDB) oprichtte. Hij vond zijn aanhang vooral onder de verpauperde Friese veenarbeiders.

Omdat sommige SDB-ers de partij te radicaal vonden stichtte men onder leiding van P.J.Troelstra de SOCIAAL-DEMOCRATISCH ARBEIDERSPARTIJ(SDAP) op. In 1918 dacht Troelstra dat de revolutie aanstaande was, maar hij vergiste zich.

1.3 Verzuiling

De Nederlandse samenleving was VERZUILD, iedere groep leefde in zijn eigen wereldje. Er waren vier zuilen: de protestantse, de katholieke, de socialistische en de liberale.

1.4 Nederland , een parlementaire democratie

De STATEN-GENERAAL is een goede afspiegeling van de Nederlandse bevolking sinds alle Nederlanders van 18 jaar en ouder mogen stemmen.

De Eerste kamer telt 75 zetels en de Tweede Kamer 150 zetels sinds de grondwetswijziging van 1956

Deze verzuiling was in gang gezet door Abraham Kuyper. Hij streefde naar SOUVEREINITEIT IN EIGEN KRING.

memo hfst 5 afb 7

Taken van het Parlement:

De twee belangrijkste zijn: controle van de REGERING en de TOTSTANDKOMING VAN WETTEN.

Contolerende rechten van het Parlement:

+ Het RECHT VAN INTERPELLATIE

+ Het RECHT VAN ENQUETE

+ Het RECHT VAN BEGROTING

De Eerste en Tweede Kamer mogen stemmen over ieder wetsvoorstel maar de Tweede Kamer heeft ook nog:

+ Het RECHT VAN INITIATIEF

+ Het RECHT VAN AMENDEMENT

De REGERING bestaat uit het KABINET(de ministers) en de KONING(IN).

De ministers staan aan het hoofd van een DEPARTEMENT of ministerie. Een minister zonder portefeuille is een minister met een taak maar geen eigen departement. Een STAATSSECRETARIS is een onderminister.

Nederland is een CONSTITUTIONELE MONARCHIE: de monarch is het hoofd van de staat, maar moet zich wel houden aan de grondwet.

In de TROONREDE maakt het staatshoofd de plannen van de regering voor het komende jaar bekent. Deze wordt echter door de ministers geschreven

Module 5 Havo Politiek en staatsinrichting in Nederland en Europa

Hoofdvraag: Hoe ontstond de parlementaire democratie in Nederland en hoe functioneerde die in de negentiende en twintigste eeuw?

Hoofdstuk 1: Op weg naar een moderne parlementaire democratie(1848-1945)

Deelvraag: Hoe had de parlementaire democratie zich in Nederland ontwikkeld?

1.1: De grondwet van Thorbecke

1) Wie had goedkeuring gegeven aan een wijziging van de grondwet?

2) Waarom werd die wijziging een noodgreep genoemd?

3) Wie kreeg de opdracht voor een nieuwe grondwet in te dienen?

4) Een van de belangrijkste veranderingen was de ministeriële verantwoordelijkheid. Wat hield die in?

5) Wat betekent:’De koning werd onschendbaar’?

6) Waaruit bestaat het parlement?

7) Welke wijzigingen werden er in 1848 doorgevoerd met betrekking tot de Eerste Kamer en Tweede Kamer?

8) Wat zijn de Provinciale Staten?

9) Wat verstaan we onder een cencuskiesrecht?

10) Toon aan dat Thorbeckes grondwetswijziging de ideeën volgde van de 18-eeuwse filosoof Montesquieu.

11) Werd de Trias politica in Nederland helemaal doorgevoerd?

12) Geef een voorbeeld waaruit blijkt dat Willem III grote moeite had met de nieuwe machtsverdeling.

13) Wat is sinds het conflict tussen Willem III en het parlement voortaan de ongeschreven regel?

14) Hoe werkt het districtenstelsel?

15) Sinds 1917 hebben we in Nederland het systeem van evenredige vertegenwoordiging. Hoe werkt dat systeem?

1.2 Het ontstaan van politieke partijen

1) Waren er in de 19 eeuw partijen in Nederland?

2) Welke 3 kwesties speelden er bij het ontstaan van politieke partijen een rol?

3) Beschrijf de schoolstrijd.

4) Beschrijf de strijd voor het algemeen kiesrecht.

5) Omschrijf het sociale vraagstuk.

6) Wie was Abraham Kuyper?

7) Wat is op te maken uit de naam van de Anti-Revolutionaire Partij?

8) Hoe heet de afsplitsing van de ARP die in 1908 ontstond?

9) Waarom voelden de katholieken zich tweederangs burgers?

10) Wat bedoelde Kuyper met de term Ánti-these’?

11) Wie werd de leider van de katholieken?

12) Wanneer werd pas de Rooms Katholieke Staatspartij opgericht?

13) Wat waren de belangrijkste uitgangspunten voor de liberalen?

14) Schets de liberale partijvorming.

15) Waarom kwam de ongelijkheid in de samenleving volgens de socialisten?

16) Hoe kon volgens de socialisten die ongelijkheid worden opgeheven?

17) Was er een revolutie voor nodig om de productiemiddelen in handen te laten komen van de gemeenschap?

18) Wie was de eerste socialist in de Tweede Kamer en welke partij richtte hij op.

19) Waar had Domela Nieuwenhuis vooral veel aanhang?

20) Wie wilde via democratische weg veranderingen doorvoeren en welke partij richtte hij op?

21) Toch wees de SDAP de revolutie niet af. Toon dat aan.

1.3 Verzuiling

1) Wat verstaan we onder verzuiling?

2) Welke vier zuilen kun je noemen?

3) Abraham Kuyper streefde naar ‘soevereiniteit in eigen kring’. Wat bedoelde hij daarmee?

4) Welke ortodox-protestantse partij werd in 1918 opgericht.

5) Hadden de zuilen contact met elkaar?

1.4 Nederland een Parlementaire Democratie

1) Hoe wordt het parlement ook wel genoemd?

2) Hoeveel zetels telt de Eerste en Tweede Kamer?

3) Welke twee belangrijke taken heeft het parlement?

4) Welke rechten heeft zowel de Eerste als de Tweede Kamer om de regering te controleren?

5) Wie vormt de regering?

6) Omschrijf het recht van Interpellatie.

7) Omschrijf het recht van Enquête.

8) Omschrijf het recht van begroting (budgetrecht).

9) Welke rechten heeft de Tweede Kamer wel en de Eerste Kamer niet?

10) Wat houd het recht van initiatief in?

11) Wat houd het recht van amendement in?

12) Wie staat er aan het hoofd van een kabinet?

13) Welke taak heeft de minster president?

14) Wat is een departement?

15) Hoe ziet de ambtelijke organisatie van een departement er uit?

16) Wat is een staatssecretaris en heeft ieder departement er een?

17) Geef een voorbeeld van een staatssecretaris?

18) Nederland is een Constitutionele Parlementaire Monarchie. Wat wordt daarmee uitgedrukt.

19) Het staatshoofd leest op de derde dinsdag in september ( Prinsjesdag) de troonrede voor? Wat is de troonrede en door wie wordt de troonrede samengesteld?

Module 5 Havo Politiek en staatsinrichting in Nederland en Europa

Antwoorden 1.1: De grondwet van Thorbecke

1) Goedkeuring aan de wijziging van de grondwet was gegeven door Koning Willem II

2) Het werd een noodgreep genoemd omdat In 1848 door Europa een revolutiegolf trok. Willem II probeerde in Nederland een revolutie te voorkomen.

3) De opdracht voor een grondwetswijziging werd gegeven aan de de liberaal Johan Rudolf Thorbecke.

4) De ministeriële verantwoordelijkheid hield in dat de ministers het regeringsbeleid voortaan moesten verantwoorden tegenover de volksvertegenwoordiging, het parlement.

5) “De konig werd onschendbaar betekent dat de ministers verantwoordelijk werden voor de daden van de koning en moesten daarover verantwoording afleggen aan het Parlement.

6) Het Parlement bestaat uit de Eerste Kamer en de Tweede Kamer.

7) Ten aanzien van de Eerste - en Tweede Kamer werden in 1848 de volgende wijzigingen doorgevoerd: De Tweede Kamer werd voortaan rechtstreeks door de kiezers gekozen. De Eerste Kamer voortaan door de Provinciale Staten (kiesgerechtigden kiezen de leden van de Provinciale Staten. Deze kiezen op hun beurt de leden van de Eerste Kamer. Dat noemen we getrapte verkiezingen).

8) De Provinciale Staten zijn de volksvertegenwoordiging van de provincie.

9) Onder censuskiesrecht verstaan we dat alleen welgestelde mannen die jaarlijks een bepaalde som aan belasting (census) betaalden, mochten stemmen.

10) Montesquieu stelde dat een land alleen rechtvaardig bestuurd kon worden als de macht niet in de handel lag van één persoon. De macht moest worden opgesplitst in een wetgevende, uitvoerende en rechtsprekende macht. Deze driedeling wordt Trias Politica genoemd.

11) In Nederland werd de Trias Politica in 1848 niet helemaal doorgevoerd omdat de ministers naast de uitvoerende macht ook samen met het parlement de wetgevende macht kreeg.

12) Een voorbeeld waaruit blijkt dat Willem III grote moeite had met de nieuwe machtsverdeling blijkt uit het verzet van de Tweede Kamer tegen de brenoeming van de minster van koloniën tot Gouverneur-Generaal van Nederlands Indië. Daarop liet de koning de Tweede Kamer ontbinden. De nieuwe Tweede Kamer kwam opnieuw in botsing met Koning Willem III en uiteindelijk moest de koning zich neerleggen bij de macht van het parlement.

13) Voortaan is een ongeschreven regel dat een kabinet niet aanblijft tegen de wil van een Kamermeerderheid in.

14) Het districtenstelsel werkte als volgt: Nederland was opgedeeld in zoveel districten als er kamerzetels waren. De kandidaat die in zijn district de meeste stemmen won, kreeg een kamerzetel.

15) Hert stelsel van evenredige vertegenwoordiging werkt als volgt: Alle stemmen uit het hele land worden bij elkaar opgeteld. Vervolgens wordt het aantal stemmen gedeeld door het aantal kamerzetels. Zo krijgen we de kiesdeler. Een partij krijgt zoveel zetels als men de kiesdeler heeft behaald.

Antwoorden bij 1.2 Het ontstaan van politieke partijen

1) Eigenlijk waren er in de 19e eeuw geen politieke partijen zoals we die nu kennen. We spreken van politieke stromingen. Langzamerhand ontstaan er door politieke problemen partijen . De eerste partij was de Anti Revolutionaire Partij (ARP) in 1878.

2) De 3 kwesties die een rol speelden bij het ontstaan van politieke partijen waren 1) De schoolstrijd; 2) Strijd voor het algemeen kiesrecht voor mannen en vrouwen; 3) Het sociale vraagstuk.

3) De schoolstrijd ging vooral over de financiering van het onderwijs. De staat subsidieerde alleen de openbare scholen en niet de bijzondere(confessionele) scholen. Na veel strijd (pacificatiepolitiek) kregen de bijzondere scholen ook subsidie van de overheid.

4) Kiesrecht hadden alleen mensen die een bepaald belastbaar inkomen hadden. Dat noemen we censuskiesrecht. Deze census werd wel steeds verder verlaagd maar leidde niet tot algemeen kiesrecht (je stem mogen uitbrengen) en passief kiesrecht ( gekozen mogen worden). Pas in 1917 kregen mannen actief en passief kiesrecht. Vrouwen kregen in 1917 passief kiesrecht en pas in 1919 actief kiesrecht.

5) Het sociale vraagstuk: Veel mensen leefden in armoede die nog steeg door de toenemende bevolking. Er was sprake van kinderarbeid. Velen vonden dat de overheid een rol diende te spelen en door middel van wetgeving iets aan de omstandigheden moest doen. De eerste sociale wet was het zogenaamde kinderwetje van Van Houten. Die wet verbood dat kinderen onder de twaalf jaar in fabrieken gingen werken. ( men voorkwam er niet thuisarbeid mee). In 1901 kwam de woningwet tot stand en de ongevallenwet.

6) Abraham Kuyper was de oprichter in 1878 van de ARP, die grote aanhang kreeg onder de protestanten en de lagere bevolkingsgroepen.

7) Ui de naam van de Anti Revolutionaire Partij is op te maken dat men in verzet kwam tegen de ideeën van de Franse revolutie. De ARP koos voor Godssoevereiniteit en niet voor Volkssoevereiniteit.

8) De afsplitsing van de ARP die in 1908 ontstond was de Christelijk Historische Unie onder leiding van de Savornin Lohman.

9) De katholieken voelden zich tweederangsburgers omdat ze lange tijd werden gediscrimineerd. Sinds de opstand tegen Spanje in de 16 e eeuw was Nederland een protestantse natie. Hoewel ze tijdens de Franse tijd (1795-1813) officieel gelijk werden gesteld aan de protestanten bleven ze zich tweederangsburgers voelen.

10) Met de term Anti - these wilde Kuyper uitdrukken dat alle gelovigen (confessionelen) zich moesten verenigen tegen de ongelovigen, de liberalen en de socialisten.

11) De leider van de katholieken was H. Schaepman.

12) De Rooms Katholieke Staats Partij (RKSP) werd pas in 1926 opgericht. Later dus dan andere partijen.

13) De belangrijkste uitgangspunten van de liberalen waren vrijheid en gelijkheid van het individu.

14) De partijvorming van de liberalen: In 1885 verenigde de liberalen zich in de Liberale Unie. Omdat ze verdeeld waren over het algemeen kiesrecht en de sociale kwestie ontstond er een splitsing. De vooruitstrevende liberalen splitsen zich af in 1901 en richtten de Vrijzinnig Democratische Bond op (BVD). In 1906 werd een derde liberale partij opgericht: de Vrij Liberalen. Zij waren tegen overheidsingrijpen.

15) De ongelijkheid in de samenleving kwam volgens de socialisten door de afhankelijkheid van de arbeiders van een kleine groep ondernemers, die alle productiemiddelen in handen had.

16) De ongelijkheid kon worden opgeheven door de productiemiddelen in handen te laten komen van de gemeenschap.

17) Of er een revolutie voor nodig was om de productiemiddelen in handen te laten komen van de gemeenschap daar dachten de socialisten verdeeld over. Sommigen wilden een revolutie, anderen wilden via parlementaire weg veranderingen doorvoeren.

18) De eerste socialist in de Tweede Kamer was Ferdinand Domela Nieuwenhuis. Hij richtte in 1881 de Sociaal Democratische Bond (SDB) op.

19) Domela Nieuwenhuis had vooral veel aanhang onder de verpauperde Friese veenarbeiders.

20) Via democratische weg wilde Troelstra veranderingen doorvoeren. Hij richtte in 1894 de Sociaal Democratische Arbeiders Partij op (SDAP).

21) Dat de SDAP de revolutie niet afwees blijkt uit de revolutiepoging van Troelstra in 1919. (overal in Europa braken na de Eerste Wereldoorlog revoluties uit) Deze mislukte. Door deze revolutiepoging zou de SDAP in het Interbellum (tijdperk tussen beide wereldoorlogen) niet worden geaccepteerd als coalitiepartner. Pas in 1939, door de oorlogsdreiging, trad de SDAP toe tot een nationaal kabinet met 2 ministers.

Antwoorden 1.3 Verzuiling

1) Onder verzuiling verstaan we de indeling van de bevolking op grond van geloof en/of politieke overtuiging.

2) De vier zuilen zijn: de protestantse, de katholieke, de socialistische en de liberale.

3) Met ‘soevereiniteit in eigen kring’ bedoelde Kuyper dat het protestantse volksdeel zich moest terugtrekken om zo binnen eigen kring op geheel christelijke wijze te kunnen leven.. Kuyper had sinds de schoolstrijd een diepe afkeer van de staat ontwikkeld en wilde de ‘staatsmacht’ zoveel mogelijk beperken.

4) In 1918 werd de orthodox-protestantse partij (SGP) opgericht.

5) Alleen de leiders van de zuilen hadden contact met elkaar om politiek zaken te doen. Binnen de zuilen bestond een groot saamhorigheidsgevoel maar men had geen contact met mensen van de andere zuilen.

Antwoorden 1.4 Nederland een parlementaire democratie

1) Het parlement wordt ook wel genoemd Volksvertegenwoordiging, Staten Generaal, Eerste en Tweede Kamer.

2) De Eerste kamer telt 75 zetels en de Tweede Kamer 150 zetels.

3) De twee belangrijke taken van het Parlement zijn: 1. het controleren van de regering, 2. Het maken van wetgeving.

4) Zowel de Eerste Kamer als de Tweede Kamer heeft het recht van interpellatie, het recht van enquête en het recht van begroting(budgetrecht).

5) De regering wordt gevormd door het Staatshoofd (koning(in)) en het kabinet (de ministers).

6) Het recht van interpellatie: Een kamerlid maag een minister in het parlement ondervragen waarbij de minster verplicht is antwoord te geven. De Tweede Kamer heeft elke dinsdag van 14:00 tot 15:00 uur een vragenuurtje dat wordt uitgezonden op de TV.

7) Het recht van enquête: De beide kamers kunnen buiten de regering om een onderzoek instellen waarbij men getuigen onder ede kan horen. Voorbeelden van parlementaire enquêtes zijn: Het functioneren van de regering tijdens de Tweede Wereldoorlog in Londen; De Bijlmerenquête; De RSV enquête; Paspoort enquête; Bouwfraude enquête.

8) Het recht van begroting (budgetrecht): De totale begroting voor een parlementair jaar wordt op prinsjesdag ( 3e dinsdag in september) door de minster van financiën ingediend bij het parlement. Elke afzonderlijke minster dient zijn begroting voor het Parlement te verdedigen. Het Parlement heeft het recht een begroting af te wijzen. Gebeurt dat dan staat de minster niets anders te doen af te treden. Een minster kan nu eenmaal niet zonder geld zijn beleid uitvoeren.

9) De Tweede Kamer heeft in tegenstelling tot de Eerste Kamer ook nog het recht van initiatief en het recht van amendement.

10) Het recht van initiatief laat goede de wetgevende functie zijn van de Tweede Kamer. Elk Tweede Kamerlid mag zelf een wetsontwerp bij het Parlement indienen. (De regering mag dat ook). Voorbeeld: Het kamerlid Boris Ditrich diende een wetsontwerp in waarbij slachtoffers van misdaden de gelegenheid krijgen tijdens strafzaken het woord te voeren. Sinds 1 januari 2005 is de wet van kracht.

11) Het recht van amendement houd in dat leden van de Tweede Kamer wijzigingen kunnen aanbrengen in een ingediend wetsontwerp. De hele Tweede Kamer moet het daar natuurlijk wel mee eens zijn.

12) Aan het hoofd van een kabinet staat de minster president.

13) De eerste taak van de minster president is te zorgen voor eenheid in het regeringsbeleid. Daarnaast geeft hij leiding aan het ministerie van Algemene Zaken en is hij de eerst verantwoordelijke met betrekking tot zaken die met het Koningshuis te maken hebben.

14) Een departement is een groep ambtenaren die de minster bij zijn werkzaamheden bijstaan. Ook het gebouw waar zij hun werkzaamheden verrichten wordt departement genoemd.

15) De ambtelijke organisatie van een departement ziet er als volgt uit: Aan het hoofd van het departement staat de Secretaris Generaal. Deze heeft een aantal directies onder zich waar directeur generaals leiding aan geven.

16) Een staatssecretaris is een onderminister. Soms heeft een departement er twee of zelfs geen.

17) Een voorbeeld van een staatssecretaris is de staatssecretaris van onderwijs Marc Rutte.

18) Met Nederland is een Constitutionele Parlementaire Monarchie wordt bedoeld dat het staatshoofd gebonden is aan de grondwet en aan de wetten van het Parlement. Daardoor is de macht van het staatshoofd beperkt.

19) In de troonrede die op de derde dinsdag van september (Prinsjesdag) door het staatshoofd wordt voorgelezen worden de plannen van de regering voor het komende parlementaire jaar bekendgemaakt. de troonrede wordt gemaakt door de regering.

Zie verder module 5 hoofdstuk 2 Memo Havo mod 5 hfst 2 Politiek en Staatsinrichting in Nederland en Europa Om de verdeling van de macht