We hebben 199 gasten online

In hoger beroep 25 jaar gevangenisstraf voor Leon B.

Gepost in Gezinsdoding

LJN: BX7230, Gerechtshof 's-Gravenhage , 22-001142-12  

Datum uitspraak: 13-09-2012
Datum publicatie: 13-09-2012
Rechtsgebied: Straf
Soort procedure: Hoger beroep
Inhoudsindicatie: Het gerechtshof in Den Haag heeft op 13 september 2012 een 29-jarige man in hoger beroep veroordeeld tot een gevangenisstraf van 25 jaar. Deze straf is opgelegd voor het op 7 oktober 2010 door verwurging om het leven brengen van zijn toen 27-jarige vriendin en hun 4-jarige zoontje in hun woning in Rijswijk. De man is schuldig bevonden aan tweevoudige moord.
Vindplaats(en): Rechtspraak.nl

Rolnummer:    22-001142-12 
Parketnummer:    09-758623-10 
Datum uitspraak:  13 september 2012 
TEGENSPRAAK 

Gerechtshof te 's-Gravenhage 
meervoudige kamer voor strafzaken 

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank 's-Gravenhage van 24 februari 2012 in de strafzaak tegen de verdachte: 

[verdachte], 
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1983, 
thans gedetineerd in de PI Haaglanden, locatie Scheveningen PPC. 

Onderzoek van de zaak 

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 30 augustus 2012. 

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht. 

Procesgang 

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1 en 2 telkens impliciet primair ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 jaren met aftrek van voorarrest. 

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld. 

Tenlastelegging 

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat: 

1. 

hij op of omstreeks 07 oktober 2010 te Rijswijk opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, de keel van die [slachtoffer 1] dichtgeknepen en/of dichtgeknepen gehouden en/of (vervolgens) een stropdas om de nek van die [slachtoffer 1] gelegd en/of een sok in de mond van die [slachtoffer 1] gestopt/gedaan en/of (vervolgens) de stropdas strak getrokken waardoor die [slachtoffer 1] geen lucht meer kon krijgen en/of geen adem meer kon halen, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is overleden; 

2. 

hij op of omstreeks 07 oktober 2010 te Rijswijk opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 2] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, de keel van die [slachtoffer 2] dichtgeknepen en/of dichtgeknepen gehouden en/of (vervolgens) een elektriciteitssnoer, althans een koord om de nek van die [slachtoffer 2] gelegd en/of een sok in de mond van die [slachtoffer 2] gestopt/gedaan en/of (vervolgens) het elektriciteitssnoer, althans het koord strak getrokken waardoor die [slachtoffer 2] geen lucht meer kon krijgen en/of geen adem meer kon halen, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 2] is overleden. 

Vordering van de advocaat-generaal 

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1 en 2 telkens impliciet primair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 jaren met aftrek van voorarrest. 

Het vonnis waarvan beroep 

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt. 

Voorbedachten rade 

Ter terechtzitting in hoger beroep is door de raadsman - op gronden zoals vermeld in zijn pleitaantekeningen - het verweer gevoerd dat het bewijs voor het in de feiten 1 en 2 telkens impliciet primair ten laste gelegde bestanddeel 'voorbedachten rade' ontbreekt. De raadsman heeft daartoe verwezen naar het arrest van de Hoge Raad van 28 februari 2012 (LJN: BR2342) en betoogd dat hoewel de verdachte de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn daad en zich daarvan rekenschap te geven en er mitsdien sprake is van een objectieve aanwijzing voor voorbedachten rade, er desalniettemin contra-indicaties hiervoor zijn. Zo is er volgens de raadsman slechts sprake geweest van een heel korte tijdsspanne tussen besluit en uitvoering en is de gelegenheid tot bezinning vooral tijdens de uitvoering van de daad ontstaan. Ook het handelen in paniek is een contra-indicatie. Deze omstandigheden dienen volgens de raadsman - onder verwijzing naar enkele in zijn pleitaantekeningen genoemde casusposities uit andere strafzaken - er toe te leiden dat de verdachte in beide gevallen dient te worden vrijgesproken van moord. 

Het hof gaat uit van de navolgende feiten. 

De verdachte was op de hoogte van het feit dat de woning waarin hij samen met zijn vriendin [naam slachtoffer 1] en zoontje [naam slachtoffer 2] woonde op 7 oktober 2010 zou worden ontruimd wegens huurachterstand. Zijn vriendin wist dit echter niet.1 

In de nacht van 6 op 7 oktober 2010 is de verdachte enkele keren uit bed geweest om te roken. Hij had zijn hoop gevestigd op zijn baas, die hem mogelijk uit de financiële problemen zou kunnen helpen. De verdachte verklaart tijdens zijn verhoren echter dat hij hieraan twijfelde en dat hij vervolgens 'de verkeerde keuze' heeft gemaakt. Op de vraag welke keuze hij dan heeft gemaakt antwoordt hij: "Ik heb besloten [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] dood te maken." De verdachte maakte deze keuze naar eigen zeggen tegen 6 uur in de ochtend van 7 oktober 2010. Vervolgens is hij vanuit de slaapkamer naar de keuken gegaan om een groot koksmes te pakken. Met dit mes is hij terug naar de slaapkamer gegaan, waar hij het mes onder de daar aanwezige bank heeft gelegd. Hij kon zich niet voorstellen om één of allebei veel pijn te doen. De verdachte is vervolgens op de bank in de slaapkamer gaan zitten. Hier blijft de verdachte ongeveer één minuut zitten. Hij verklaart hierover verder: "Ik was mij aan voorbereiden om de grootste fout van mijn leven te maken." Daarna loopt de verdachte om het bed heen naar de kant waar [slachtoffer 1] ligt te slapen en pakt haar met twee handen om haar nek beet. Ook nadat [slachtoffer 1] een schreeuw uitbrengt en zich tegen de verwurging verzet, blijft de verdachte doorknijpen. Uiteindelijk pakt de verdachte ook nog een stropdas, legt het levenloze lichaam van [slachtoffer 1] op het bed, doet de stropdas om haar hals en trekt de uiteinden hard aan.2 

Hierna haalt de verdachte zijn zoontje [naam slachtoffer 2] uit bed en gaat met hem op de bank in de woonkamer zitten. De verdachte verklaart hierover: "Ik heb met hem zitten knuffelen, wetende dat ik hem hetzelfde zou aandoen als zijn moeder. Ik heb zijn keel dichtgeknepen. Het was zo voorbij. Hierna heb ik hem gewurgd met een kabel van een laptop."3 

Op grond van het vorenstaande is het hof van oordeel dat de verdachte na een rusteloze nacht tegen 6 uur in de ochtend van 7 oktober 2010 de beslissing neemt om zijn vriendin en zoontje te doden. Op grond van de hiervoor aangegeven bewijsmiddelen kan worden vastgesteld dat de verdachte tijd heeft gehad om na te denken. Van een plotselinge opwelling is geen sprake: nadat verdachte tot de beslissing is gekomen hen te doden, heeft hij in de keuken een koksmes gepakt. Met dat mes in zijn nabijheid heeft hij een minuut naar [slachtoffer 1] gekeken. Verdachte loopt vervolgens om het bed heen en probeert [slachtoffer 1]'s adamsappel naar binnen te drukken. Kennelijk teneinde er zeker van te zijn dat zij zou sterven, pakt hij een stropdas, wikkelt die om haar keel en trekt de uiteinden strak aan. Daarna propt hij nog een sok in haar mond. Dat hierbij sprake is geweest van een plotselinge, hevige paniek is niet aannemelijk geworden. Verdachte ziet af van het doorsnijden van haar keel met het koksmes omdat hij haar geen pijn wil doen. Het hof leidt hieruit af dat verdachte zich realiseert wat zijn besluit en aanvankelijk voorgenomen handelswijze daadwerkelijk betekent. 

Vervolgens haalt de verdachte [slachtoffer 2] uit bed. Terwijl hij [slachtoffer 2] knuffelt is hij zich ervan bewust dat hij met hem hetzelfde zal doen als met [slachtoffer 1]. Dat doet hij vervolgens ook. Daarna wurgt de verdachte [slachtoffer 2] nog met het electriciteitssnoer van een laptop. Het besluit [slachtoffer 2] dood te maken is tegelijkertijd met het besluit [slachtoffer 1] dood te maken genomen. Hij heeft de tijd - zelfs meer tijd dan bij [slachtoffer 1] - gehad hierover na te denken. Tijdens het knuffelen van [slachtoffer 2], terwijl de dode [slachtoffer 1] op bed ligt, is hij zich bewust van zijn besluit en de gevolgen daarvan voor [slachtoffer 2]. Dat sprake is geweest van een plotselinge opwelling of een hevige paniek is niet aannemelijk geworden. 

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de verdachte naar het oordeel van het hof voldoende tijd heeft gehad om zich te beraden op de betekenis en gevolgen van zijn voorgenomen besluit. Hij heeft zich daar ook daadwerkelijk rekenschap van gegeven, zodat aldus sprake is van voorbedachten rade. De door de raadsman aangevoerde contra-indicaties voor de aanwezigheid van voorbedachten rade, acht het hof gelet op de verklaringen van de verdachte niet aannemelijk geworden. Het verweer wordt mitsdien verworpen. 

Bewezenverklaring 

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat: 

1. 

hij op 7 oktober 2010 te Rijswijk opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, de keel van die 
[slachtoffer 1] dichtgeknepen en dichtgeknepen gehouden en vervolgens een stropdas om de nek van die [slachtoffer 1] gelegd en een sok in de mond van die [slachtoffer 1] gestopt en vervolgens de stropdas strak getrokken waardoor die [slachtoffer 1] geen lucht meer kon krijgen en geen adem meer kon halen, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is overleden; 

2. 

hij op 7 oktober 2010 te Rijswijk opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 2] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, de keel van die [slachtoffer 2] dichtgeknepen en dichtgeknepen gehouden en vervolgens een elektriciteitssnoer om de nek van die [slachtoffer 2] gelegd en een sok in de mond van die [slachtoffer 2] gestopt en vervolgens het elektriciteitssnoer strak getrokken waardoor die [slachtoffer 2] geen lucht meer kon krijgen en geen adem meer kon halen, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 2] is overleden. 

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken. 
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging. 

Bewijsvoering 

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring. In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht. 

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde 

Het onder 1 en 2 bewezen verklaarde levert op: 

Moord, meermalen gepleegd. 

Strafbaarheid van de verdachte 

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar. 

Strafmotivering 

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting. 

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft in de vroege ochtend van 7 oktober 2010 zijn vriendin en zoontje opzettelijk en met voorbedachten rade op de bewezen verklaarde wijze door verwurging om het leven gebracht en zich aldus schuldig gemaakt aan een tweevoudige moord. De verdachte heeft aan zijn nog jonge vrouw, die in de bloei van haar leven was, en aan zijn jonge kind, dat nog een heel leven voor zich had, hun kostbaarste bezit - het leven - ontnomen. Dit klemt temeer nu de slachtoffers zich in hun eigen huis - waar zij samen met de verdachte woonden - bevonden, een plek waar zij zich veilig waanden. 

En de verdachte heeft aldus aan de nabestaanden van de slachtoffers onuitsprekelijk en onherstelbaar leed toegebracht. Ook de rechtsorde is door de bewezen verklaarde feiten, te meer daar enig invoelbaar motief daarvoor ontbreekt, zeer ernstig geschokt. Daarnaast zal ook de verdachte zelf moeten leven met de gevolgen van zijn daad. 

Het hof is dan ook van oordeel dat alleen een zeer langdurige gevangenisstraf gepast is. Bij het bepalen van de hoogte van deze straf neemt het hof in aanmerking dat het ressortelijke indicatiepunt voor een enkelvoudige moord is bepaald op een gevangenisstraf voor de duur van 14 jaren. Nu het hier een tweevoudige moord betreft, heeft het hof vanzelfsprekend tevens acht geslagen op het ten aanzien van de samenloop van strafbare feiten in artikel 57 van het Wetboek van Strafrecht bepaalde. 

Voorts slaat het hof acht op het feit dat de verdachte blijkens een hem betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 16 augustus 2012 niet eerder is veroordeeld voor het plegen van noemenswaardige strafbare feiten. Ten slotte heeft het hof kennis genomen van de rapporten van drs. B.J.H. van der Hoeven, psychiater, d.d. 21 maart 2011, dr. R.A.R. Bullens, klinisch psycholoog, d.d. 21 maart 2011, het NIFP-rapport van 17 maart 2011 en het rapport van het Pieter Baan Centrum d.d. 17 januari 2012. De onderzoekers van het Pieter Baan Centrum achten verdachte toerekeningsvatbaar en kunnen geen antwoord geven op vragen betreffende (de kans op) recidive. 

Naar het hof begrijpt is voor de rechtbank bij de straftoemeting de oninvoelbaarheid van het motief en de daarmee samenhangende vraag naar het gevaar op herhaling van gewicht geweest. Uitgaande van de bevinding van het Pieter Baan Centrum, dat niet gesteld kan worden dat verdachte een gestoorde agressieregulatie heeft of dat hij sterk impulsief agressief reageert op stressvolle omstandigheden4, ziet het hof de gebeurtenissen van 
7 oktober 2010 vooral als een familiedrama. Dit brengt mee dat het primaire doel van de strafoplegging niet de beveiliging van de maatschappij is. Het hof ziet om die reden in dit geval dan ook geen aanleiding om zwaarder te straffen dan de straf die voortvloeit uit de toepassing van de ressortelijke indicatiepunten en artikel 57 van het Wetboek van Strafrecht. 

Alles overwegende is het hof van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 25 jarenin dit geval een passende en geboden reactie vormt. 

Beslag 

Van de na te noemen in beslag genomen voorwerpen zal het hof - overeenkomstig de vordering van de advocaat-generaal - de teruggave aan de verdachte gelasten. 

Toepasselijke wettelijke voorschriften 

Het hof heeft gelet op de artikelen 57 en 289 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij golden ten tijde van het bewezen verklaarde. 

BESLISSING 

Het hof: 

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht. 

Verklaart bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan. 

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij. 

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en verklaart de verdachte strafbaar. 

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 25 (vijfentwintig) jaren. 

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht. 

Gelast de teruggave aan verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten: 
een afscheidsbrief en een dagboek. 


Dit arrest is gewezen door mr. M.P.J.G. Göbbels, 
mr. T.W.H.E. Schmitz en mr. W.J. van Boven, in bijzijn van de griffier mr. J.C.A. Verhoef. 

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 13 september 2012. 

Mr. T.W.H.E. Schmitz is buiten staat dit arrest te ondertekenen. 

Notenapparaat: 

1 Het proces-verbaal van het verhoor van het verhoor van de verdachte door de Politie Haaglanden d.d. 26 oktober 2010 (aanvang 10:05 uur), specifiek dossierpagina V/LAB/29. 
2 Het proces-verbaal met nummer 2010.205.341 van het verhoor van de verdachte door de Politie Haaglanden d.d. 26 oktober 2010 (aanvang 14:35 uur), specifiek pagina V/LAB/44. 
3 Zie proces-verbaal voetnoot 2, specifiek pagina's V/LAB/44 en V/LAB/45. 
4 Rapportage Pro Justitia NIFP (PBC), pagina 86.