We hebben 66 gasten online

Kindermoord in de negentiende eeuw

Gepost in Kinderdoding

Jolie Ermers

Oorspronkelijk verschenen in Spiegel Historiael nummer 6 Maandblad voor Geschiedenis en Archeologie Jaargang 30 nummer 6 juni 1995 

In de 19de eeuw, toen abortus provocatus niet alleen een strafbare, maar bovendien een levensgevaarlijke handeling was, werd een groot aantal ongewenste en veelal onwettige baby's in Nederland te vondeling gelegd. Van een niet verwaarloosbaar aantal pasgeborenen werd echter op rigoreuzer wijze afstand gedaan: zij werden gedood. Kindermoord blijkt geen fenomeen uit een ver en barbaars verleden.

Tegen de achtergrond van de hedendaagse beschikbaarheid van anticonceptiemiddelen en de legale mogelijkheid van een abortus provocatus wordt infanticide in onze samenleving ervaren als buitengewoon navrant en weerzinwekkend.

In Nederland worden we nog slechts sporadisch opgeschrikt door berichten over een kindermoord of de vondst van een anoniem babylijkje. Toch is kindermoord ook uit onze westerse samenlevingen nog niet helemaal verdwenen. Op 15 maart 1990 berichtte het toen nog bestaande 'Het Vrije Volk' dat een zeven en twintigjarige kinderverzorgster uit Limoges veroordeeld was tot twaalf jaar gevang omdat ze tot vier keer toe haar onwettige kinderen vlak na de geboorte verdronken had. De dader( es) wordt nu veeleer beschouwd als iemand die psychiatrische behandeling behoeft dan als een crimineel.

Niettegenstaande het feit dat infanticide strafrechtelijk vervolgd wordt, is het delict door de medisch-pathologische interpretatie ervan ten dele uit de criminele sfeer gehaald. Dit proces van decriminalisering van kindermoord vond zijn aanvang in de 19de eeuw.

Dienstboden als risicogroep

Aan het begin van de 19de eeuw werd kindermoord, in het 'Wetboek van Strafregt' van 1811 gedefinieerd als 'de doodslag van een jonggeboren kind', nog met de doodstraf vervolgd. Voorbehoedmiddelen waren nog niet beschikbaar en abortus was een nauwelijks toegankelijke, strafbare en levensgevaarlijke ingreep. Vrouwen die ongewenst zwanger raakten, zochten soms tevergeefs hun toevlucht tot kwakzalvers of abortieve middelen. Daarna lag, als ze hun kind niet wilden of konden houden, de weg open naar het weggeven of te vondeling leggen van hun kind, of in het extreme geval het 'wegmaken' en doden ervan.

De vrouwen die in Nederland in de 19de eeuw vervolgd werden wegens kindermoord, waren in overgrote meerderheid inwonende, ongehuwde dienstboden. Hun gemiddelde leeftijd was zes en twintig jaar. Het waren voornamelijk vrouwen afkomstig uit de arbeidersklasse voor wie het' dienstje' bedoeld was om te sparen voor hun huwelijk. Het waren in het algemeen geen losbandige vrouwen, integendeel, de burgerlijke normen van fatsoen en deugdzaamheid lagen ook hun vaak na aan het hart.

Tegelijkertijd waren zij betrokken in het gangbare patroon van partnerselectie, waarbij voorhuwelijks seksueel verkeer niet ongewoon was en sociaal geaccepteerd werd. De norm was echter ten strengste dat op een zwangerschap een huwelijk moest volgen. Aan ongehuwd moederschap kleefde voor een vrouw en haar familie grote schande. De kwetsbaarheid van ongehuwd zwangere vrouwen lag er juist in dat een huwelijk niet afgedwongen kon worden. Een zwangere dienstmeid werd bovendien zonder pardon ontslagen. Een dienstbode die in verwachting raakte zonder vooruitzicht op een huwelijk, zag haar toekomst in rook opgaan; niet alleen was er het dreigende perspectief van het verlies van inkomen en onderdak, maar ook dat van een leven in schande en armoede.

Dit had tot gevolg dat deze vrouwen hun zwangerschap tot op het uiterste moment verborgen hielden, voor hun omgeving ontkenden en veelal heimelijk en in afzondering van hun kind bevielen. Het zijn juist deze vrouwen die het meest te verliezen en te vrezen hadden van de schande, die bij processen over kindermoord de beklaagdenbanken bevolkten.

Dienstboden vormden in strafrechtelijke zin een 'risicogroep' voor infanticide. Hun kwetsbaarheid kwam niet alleen voort uit het feit dat ze onder handbereik van broodheren en mannelijke collega' s leefden en daardoor vatbaar werden voor op hen uitgeoefende pressie om seksuele gunsten te verlenen (voor de verleiding van kleding, sieraden of huwelijksbeloften of voor de dreiging met fysiek geweld of ontslag), maar ook de totale afwezigheid van privacy van het inwonend personeel maakte de kans op ontdekking van een delict aanzienlijk groter. Vaak werden kamer en bed door dienstboden gedeeld. Ook controleerde de vrouw des huizes via het wasgoed de terugkeer van de 'maandelijkse stonden' van haar vrouwelijk personeel.

Onderzoek naar de vrouwen die in Amsterdam zijn gearresteerd wegens het te vondeling leggen van een kind, wijst uit dat het ook hier in meerderheid ongetrouwde dienstboden betrof. Van de arrestanten wegens kindermoord was slechts 14 procent uit Amsterdam afkomstig, terwijl van de vrouwen die hun kinderen te vondeling legden, bijna de helft in de hoofdstad geboren en getogen was. De Amsterdamsen slaagden er blijkbaar beter in een hulpnetwerk te creëren en een pasgeborene het huis uit te smokkelen. Uit de processenverbaal blijkt namelijk ook dat vrouwen die een kind te vondeling legden in groepjes opereerden, waarbij vaak een oudere vrouw als de spreekwoordelijke dekmantel fungeerde.

Het gebrek aan privacy en hulp om een kind het huis uit te smokkelen lijkt een doorslaggevende factor te zijn geweest die het lot van een kind bezegelde. Deze veronderstelling wordt mede ondersteund door de getuigenverklaringen van de vrouwen die wegens kindermoord werden vervolgd, waarin zij frequent verklaarden dat de acute impuls tot doding van het kind ingegeven werd door het eerste schreien en de enorme angst voor ontdekking die zich dan van hen meester maakte.

Bij inwonende dienstboden was de mogelijkheid om met een pasgeboren kind ongemerkt het huis te verlaten, bijna louter denkbeeldig. Daarentegen was de kans van ontdekking van een kindermoord groot, evenals de aangiftebereidheid van de werkgevers, die zelf een reputatie van burgerfatsoen op te houden hadden.

Betekent dit nu dat infanticide een typisch ongehuwde-dienstbodendelict was? Nee. De registratie van talloze anonieme zuigelingenlijkjes vormt een indicatie dat kindermoord naar alle waarschijnlijkheid niet alleen door hen werd gepleegd.

Eene kindermoordster

Collectie Gemeentearchief Amsterdam

Deze week heeft de Politie haar treurige plicht moeten toepassen op een jong meisje van 23 jaren en haar ter zake van kindermoord naar de gevangenis gebracht. De 23-jarige Antje S. is dienstbode op de Keizersgracht. Reeds vroeger had zij de vrucht van eene verbodene liefde ter wereld gebracht, hetwelk besteed is. Zij was in de laatste dagen van haar zwangerschap. Zij had haar toestand voor hare meesteres en voor haar kameraad, met wie zij niet al te vriendschappelijk omging, weten te verbergen. Eindelijk was voor haar de bange dag, die door elke rechtgeaarde moeder met hoop wordt tegemoet gezien, aangebroken.

In de keuken beviel zij zonder eenige geneeskundige hulp van een kind van het mannelijk geslacht. Het leefde. Valsche schaamte voerde hare vrees ten top. Zij trachtte, zonder verder over hare daad na te denken, zich voor schande te behoeden. Zij nam het wicht en wierp het met het hoofd naar beneden in een zinkput, die op de plaats aanwezig was. Den volgenden dag nam zij het lijkje er weder uit en wikkelde dit in een doek. Eene naaister, die voor haar waschte, werd het pakje medegegeven met de vraag of zij dit voor haar wilde wasschen, welke vraag toestemmend beantwoord werd. Men denke zich de groote verbazing van de waschvrouw, toen zij te huis gekomen in het pakje vond het lijkje van een pasgeboren kind. Zij meende terecht dit niet onder zich te moeten houden en de politie hiervan in kennis te stellen, die een onderzoek deed en de kindermoordster naar de gevangenis bracht.

Verworpen kinderen

Kindermoord is vaak in het verborgene gebleven. Over de feitelijke omvang ervan zullen we altijd in het duister blijven tasten. Eén aanwijzing in het schemergebied rondom infanticide vormt de registratie van anonieme kinderlijkjes, zoals die aangetroffen werden in de Amsterdamse grachten en stegen. Geregeld werd er toen proces-verbaal opgemaakt van het vinden van 'een pasgeboren jongetje in het water drijvende' of van 'een kinderlijkje liggende op de Botermarkt' .

Ook werd er in het Binnengasthuis van 1835 tot 1870 een register bijgehouden van de in de stad aangetroffen anonieme doden, het zogeheten 'Gehaalde Lijken boek'. In die periode werden er omstreeks vierhonderd lijkjes van anonieme voldragen, dus vermoedelijk levensvatbare, pasgeborenen genoteerd (tegenover omstreeks veertig onvoldragen kinderen).

Ook deze cijfers tonen echter niet meer dan een topje van de ijsberg. Het betrof immers zuiver toevallige ontdekkingen. De onfortuinlijke vinders werden soms dermate in verlegenheid gebracht dat zij het raadzamer achtten het teken des onheils weer zo snel mogelijk te doen verdwijnen. Zo werd in 1847 procesverbaal opgemaakt tegen een passant wegens 'het in een zak in het water werpen van het door Salomon Medicijn uit het tweede waaigat, in de Rapenburgerstraat, opgevischt lijkje van een pasgeboren kind'.

Voorts zijn er sterke aanwijzingen dat er gedurende de gehele 19de eeuw sprake was van een aanzienlijke onderregistratie van misdrijven tegen pasgeboren kinderen, zoals te-vondeling-Iegging en infanticide, analoog aan een tamelijk terughoudend vervolgingsbeleid ten aanzien van kindermoord.

Rechtspraak over kindermoord

Er werden relatief weinig kindermoordzaken voor het gerecht gebracht. Om een indruk te geven: in de periode van 1835 tot 1870 waarin in Amsterdam zo'n vierhonderd zuigelingenlijkjes aangetroffen waren, werd er door het Provinciaal Gerechtshof van Noord-Holland in vijfentwintig rechtszaken over kindermoord vonnis gewezen. Daarnaast werden er nog eens vijftien kindermoordzaken geseponeerd, dat wil zeggen dat er niet tot rechtsvervolging van de verdachte in kwestie werd overgegaan wegens gebrek aan bewijs.

De drieëntwintigjarige, ongetrouwde, Hendrikje Hopman werd in 1864 gearresteerd op verdenking van kindermoord en werd enige weken later vrijgelaten. Ook bij haar was het al in een vroeg stadium van onderzoek onmogelijk gebleken vast te stellen of het kind levend geboren was. Verder werden ook die zaken geseponeerd waarin er wel een corpus delicti, maar geen verdachte was gevonden. Daarvan getuigt bijvoorbeeld een proces-verbaal uit 1862: 'moord aan een pasgeboren kind en het te vinden leggen van het lijkje'.

Het relatief geringe aantal rechtszaken dat over kindermoord aanhangig werd gemaakt, was echter niet uitsluitend toe te schrijven aan een onvermogen om valide bewijsmiddelen te vergaren.

In de praktijk werd vooral vóór de wetswijziging van 1854, waarbij de doodstraf werd afgeschaft voor een kindermoord voor de eerste maal door een ongehuwde moeder gepleegd, een tamelijk terughoudend vervolgingsbeleid gevoerd. Dit vloeide voort uit de strengheid van de wet van 1811, die op infanticide zonder omhaal de doodstraf stelde. De wet bood geen ruimte voor een mildere strafoplegging, bijvoorbeeld door een weging van verzachtende omstandigheden. Alleen in het geval dat de dood van een kind te wijten was aan gebrek aan verzorging en nalatigheid door de moeder, werd de verdachte veroordeeld op grond van een onwillige manslag. Dit was strafbaar met een gevangenisstraf van maximaal twee jaar.

De Napoleontische strafwetgeving van 1811 met betrekking tot kindermoord, een erfenis van de Franse bezetting, strookte niet meer met het rechtsgevoel van vele 19de-eeuwse liberale en sociale hervormingsgezinden, onder wie ook juristen. De wet ademde nog de geest van de contrareformatie, waarin een vrouw die haar pasgeboren kind het leven benam, gestereotypeerd werd als een liederlijke, zedeloze en ontaarde kindermoordenares.

De Verlichtingsideologie had echter sterke verandering gebracht niet alleen in opvattingen over het 'natuurlijke moederschap', maar ook in die over het strafrecht. De opvatting dat misdadigers geëlimineerd dienden te worden, werd gaandeweg verdrongen door een streven naar heropvoeding en herintegratie van delinquenten in de samenleving.

De doodstraf werd vooral heftig omstreden als strafmaat voor ongehuwde vrouwen die een kindermoord begingen. Zij werden door de hervormingsgezinden veeleer beschouwd als slachtoffers van misleiding en verlating door hun minnaars, die daarenboven de dupe werden van de maatschappelijke stigmatisering van ongehuwde moeders.

'Het riool braakt z'n ellende', Richard Roland Holst, litho 1898, gepubliceerd in een bijlage van de Sociaal Democraat van 1899, met begeleidende tekst van Herman Heijermans: (.u) Het proletariaat is geduldig. Geduldig en zonder verzet houdt een groot deel de hand op voor het als 'n gunst toegeworpen loon. Geduldig laat het zich trappen, schikt zich naar de luimen en vriendelijkheden van den patroon. (...) Geduldig - 0, de schijnbare onveranderlijkheid der dingen is een verpletterend jukgeduldig aanziet het daaglijks hoe zijn dochters, hoe meisjes uit 't volk gedwóngen om er iets bij te verdienen, verleid door de weelde en zoete levensgemakken van patroons en patroonszoontjes, zich geven of genomen worden. Geduldig verdringt het zich op een goe-morgen op de gracht als een aangedreven kinderlijkje aan den haak is geslagen, als 't heerlijkst van moederschap uitgebraakt wordt door een stinkend, rottend riool, waar het benauwd en zacht-klaaglijk verzopen is, omdat de moeder 't niet behouden wilde ofkón, uit vrees voor de gemeenschap, de gemeenschap die haar drééf tot ontucht en haar doodhitsen zou om de gevolgen. (u.)

Tegenover de voorstanders van strafrechthervorming betrokken de conservatieven hun stelling dat het schenden van de heiligste bloedband, die tussen moeder en kind, niet zwaar genoeg gestraft kon worden en de doodstraf gehandhaafd moest blijven. Het gepassioneerde debat dat hierover woedde, wordt treffend weerspiegeld in de verdedigingsrede van een advocaat in een rechtszaak in 1841:

'De zoodaanige zien denkelijk ook in iedere kindermoordenares een oneerbare en schandelijke boeleerster, en in het wicht door haar ter wereld gebracht de vrucht van liederlijkheid en ontucht, welke zij in koelen bloede getracht heeft te vernielen. [...] Echter er zijn slechts hoogstzeldzame gevallen waarin de moeder kindermoord kan worden toegerekend, omdat zij meestal [ou] op het oogenblik toen zij denzelven beging, verkeerde in een ziekelijke zielstoestand. [...] Zoo iemand doodt niet om te dooden..haar te straffen is wreed en onrechtvaardig, is doelloos en nutteloos.'

De weerstand tegen uitvoering van de wet van 1811 leidde ertoe dat de rechtbank tot 1854 opvallend vaak tot vrijspraak besloot. Van de vierenveertig rechtszaken over kindermoord die besproken werden in het Weekblad van het Regteindigden tussen 1839 en 1854 achttien in vrijspraak, tegenover negen tussen 1854 en 1869.

In Amsterdam besloot de rechtbank tussen 1839 en1854 in tweederde van de rechtszaken over kindermoord tot vrijspraak, tegenover een kwart in de vijftien jaren daarna.

Deze tendens wordt bevestigd door een uit 1870 daterend schrijven van minister van Justitie F.R.G.H. van Lilaar aan de bisschop van Haarlem. De minister wijst erop dat 'vóór 1854 zeer vele kindermoorden verzwegen werden door hen, die er kennis van droegen, om te voorkomen dat de ongelukkige jonge vrouw de trappen van het schavot zou opgaan. Sedert dien tijd is de straf verzacht en wordt minder geaarzeld om de misdaad aan den dag te brengen. [...] Nu doet men aangifte, terwijl men dit vroeger naliet.' Zowel de aangiftebereidheid als de bereidheid om de wet van 1811 naar de letter uit te voeren blijkt dus beperkt geweest te zijn.

De gronden voor vrijspraak konden erin gelegen zijn dat het hof niet bewezen achtte dat het kind levend was geboren of er niet van overtuigd was dat de moeder haar kind moedwillig om het leven bracht. In 1845 stond bijvoorbeeld de vierentwintigjarige A. Kraayvanger terecht voor kindermoord. Zij was zwanger van de kleermaker bij wie ze als dienstmeid inwoonde en beviel' s ochtends vroeg, staande, in het schuurtje achter het woonhuis. Naar haar zeggen leefde het kind niet en had ze het 'in een stuk jak gewikkeld en door de zinkput in een houten koker gestoken'. Zes dagen later werd het lijkje gevonden. Hoewel volgens het schouwrapport het kind voldragen en levend geboren was, vertoonde het geen tekenen van uitwendig geweld. Een verstikkingsdood werd niet onwaarschijnlijk geacht. Het hof sprak de vrouw vrij wegens onvoldoende bewijs dat het kind geleefd had.

Niettemin kwam het geregeld voor dat een kindermoord onomstotelijk bewezen werd geacht en de doodstraf werd uitgesproken. Dit lot trof Anna van Luypen, een zesentwintig jaar oude dienstbode die zich de volkswoede op de hals haalde toen ze trachtte heimelijk haar kind te begraven. Op 12 mei 1841 zag een landarbeider haar in de verte, onder aan de dijk de grond eerst omwoelen en daarna aanstampen. Even later vond hij op die plek een nog amper levend kind begraven. Hij rende haar na, het kind in zijn armen, en hield haar staande 'geholpen door twee kanonniers, die tevens behulpzaam waren de volksmenigte van de beschuldigde af te houden'. Anna van Luypen ontkende echter in alle toonaarden dat het kind dat men haar voorhield, het hare was. Na verhoor bekende zij uit angst voor de schande haar kind bij het eerste huilen met een katoenen doek gestikt te hebben.

Het hof achtte haar schuldig aan kindermoord en veroordeelde haar' omgebragt te worden ter plaatse, alwaar men gewoon is binnen de stad' s Gravenhage executie van criminele justitie te doen, en aldaar op een schavot door den scherprechter aan een paal te worden verworgd [...1 dat er de dood op volgt'. In de toespraak die de voorzitter van de rechtbank tot de veroordeelde hield, preludeerde hij reeds op het indienen van een gratieverzoek. 'Anna van Luypen! Zo zijt gij dan door uwen rechter schuldig aan kindermoord en tot de straf des doods veroordeeld! [... I Wellicht dat onze geëerbiedigde Koning, ingeligt omtrent [...1 uw zóó droevig lot, U van de straf des doods kwijtschelding geven wil, opdat U [...1 in de eenzaamheid voor God uwe zonden en uwe misdaad belijden zal [...1.'

In de 19de eeuw werd de executie aan de worgpaal ten gevolge van een kindermoord in de regel niet meer ten uitvoer gelegd. Van de vijftig rechtszaken waarin de rechtbank ten slotte het doodvonnis wees wegens infanticide, werd maar in drie gevallen de veroordeelde vrouw daadwerkelijk geëxecuteerd. Bij alle andere vrouwen werd met succes een beroep gedaan op gratieverlening door de koning. Ook in het geval van Anna van Luypen werd via een Koninklijk Besluit het doodvonnis omgezet in een tuchthuisstraf van vijftien jaar.

Hervormingen in 1854 en 1886

In het ideologisch debat voorafgaand aan de wetswijziging van 1854 werd sterk de nadruk gelegd op de angst voor de schande van het ongehuwd moederschap als motief voor kindermoord. Aan andere sociaal-economische motieven werd nauwelijks gerefereerd. Kindermoord werd primair benaderd als een zedendelict.

In de wet van 1854 werd de doodstraf afgeschaft voor 'kindermoord voor de eerste maal door de ongehuwde moeder gepleegd' en vervangen door een tuchthuisstraf van vijf tot tien jaar. Met de afschaffing van de doodstraf en de maatschappelijke erkenning van het schandemotief bij ongehuwde moeders, werd de aanzet gegeven tot een decriminalisering van kindermoord. In 1886 werd met de introductie van het nieuwe Wetboek van Strafrecht de wetgeving over kindermoord weer gewijzigd. De doodstraf werd in het algemeen afgeschaft. Een toegenomen erkenning van de invloed van hevige angsten op de toerekeningsvatbaarheid van een kraamvrouw leidde tot een meer psychologiserende benadering van infanticide. Het delict werd hierdoor verder gedecriminaliseerd. Krachtens de wet was een vrouw die uit vrees voor de ontdekking van haar bevalling haar kind tijdens of kort na de geboorte opzettelijk het leven benam, strafbaar met een gevangenisstraf van zes jaar. Het onderscheid tussen gehuwde en ongehuwde vrouwen die infanticide begingen, kwam te vervallen.

De frequentie van kindermoord nam in de loop van de 19de eeuw niet beduidend af. Later dan in de ons omringende landen raakte in Nederland in de 20ste eeuw een medisch-pathologische interpretatie van infanticide in gebruik. .

Jolanda M. Ermers

Zij volgde de opleiding tot maatschappelijk werk aan de Sociale Academie in Rotterdam en studeerde economische en sociale geschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam.

Artikel Oorspronkelijk verschenen in Spiegel Historiael nummer 6 Maandblad voor Geschiedenis en Archeologie Jaargang 30 nummer 6 juni 1995