We hebben 133 gasten online

In hoger beroep (Arnhem) vrijspraak voor doodslag dan wel (zware) mishandeling met de dood van een peuter tot gevolg

Gepost in Kinderdoding

Arnhem , 2-4-2013

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem, heeft vandaag uitspraak gedaan in de strafzaak tegen de man die verdacht werd van (medeplegen van) doodslag, dan wel (zware) mishandeling met de dood van een bijna driejarig slachtoffer tot gevolg. De verdachte werd op 19 maart 2013, na een voorarrest van ruim twee jaar, reeds door het hof in vrijheid gesteld.

Het hof spreekt verdachte integraal vrij van het ten laste gelegde. Dit is in overeenstemming met de vordering van de advocaat-generaal.

In eerste aanleg heeft de rechtbank de moeder van het slachtoffer vrijgesproken. Tegen dat vonnis is door het Openbaar Ministerie geen hoger beroep ingesteld. De verdachte werd door de rechtbank veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren met oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging.

Kort nadat het slachtoffer in het ziekenhuis was opgenomen, zijn de moeder van het slachtoffer en de verdachte aangehouden. Zij zijn beiden als verdachte aangemerkt en hebben na verloop van tijd elk verklaard dat de ander het geweld tegen het slachtoffer moet hebben toegepast.

Op basis van het dossier staat vast dat het toen bijna driejarige jongetje, het zoontje van de vrijgesproken medeverdachte, het slachtoffer is geworden van huiselijk geweld dat kort daarna tot zijn dood heeft geleid. Het staat ook vast dat dat geweld moet zijn toegepast door de moeder van het slachtoffer of door verdachte, ofwel door beiden in gezamenlijkheid. Het hof kan echter niet buiten redelijke twijfel vaststellen wat er precies is gebeurd op de fatale dag en spreekt verdachte om die reden vrij.

Het hof overweegt hiertoe onder meer dat sprake is van oneffenheden in de verklaringen van de moeder van het slachtoffer, zodat deze niet van doorslaggevende betekenis kunnen zijn in de onderhavige zaak. Het hof is bovendien van oordeel dat er geen forensisch bewijs is dat hetzij de verklaring van de moeder van het slachtoffer, hetzij de verklaring van verdachte valideert. Het hof overweegt verder nog dat de deskundigen in hoger beroep geen antwoorden hebben gegeven die de verklaring van verdachte onaannemelijk maken.

Het hof realiseert zich dat door deze vrijspraak de nauwelijks te verteren situatie voordoet dat de gewelddadige dood van een weerloos en nog zeer jong kind onbestraft blijft.

Het hof wijst er echter op dat, juist waar het zeker is dat ten minste één van de beide oorspronkelijk als verdachte aangemerkte personen (de moeder van het slachtoffer en verdachte) verantwoordelijk is voor de dood van het slachtoffer, het gevaar op de loer ligt om de bewijsvraag te beantwoorden aan de hand van het meest “aannemelijke” scenario.

Als het door de één geschetste scenario ook maar iets aannemelijker is dan dat van de ander lijkt, door de voorliggende keuze, het volgen van dat scenario voor de hand te liggen.

Dat mag echter niet het criterium zijn. De vraag is of op grond van wettige bewijsmiddelen de rechter de overtuiging heeft dat deze verdachte het hem tenlastegelegde heeft begaan. Die overtuiging heeft het hof, zoals reeds aangegeven, niet.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2013:BZ6018