We hebben 192 gasten online

Voorwaardelijke celstraf, proeftijd van vijf jaar, voor doden pasgeboren baby

Gepost in Kinderdoding

Arnhem , 20-6-2014

De rechtbank Gelderland heeft vandaag een inmiddels 21-jarige vrouw uit Zevenaar veroordeeld tot een gevangenisstraf van één jaar voorwaardelijk met een proeftijd van vijf jaren voor het om het leven brengen van haar pasgeboren baby en het verbergen van het lichaam van de baby. Daarbij legt de rechtbank diverse bijzondere voorwaarden op, waaronder het volgen van een behandeling. De vrouw was ten tijde van het plegen van de feiten sterk verminderd toerekeningsvatbaar.
 
De vrouw stelt dat zij niet geweten heeft dat zij in verwachting was. Ze beviel in november 2011 tijdens haar stage van een baby. Ze stopte een prop papier in de mond van de baby, uit angst voor ontdekking van de bevalling. De baby is hierdoor overleden. Vervolgens legde ze het lijkje in een plastic zak in de kofferbak van haar auto. Daar werd het lijkje aangetroffen.
 
De rechtbank houdt aan de ene kant rekening met de ernst van het misdrijf. Aan de andere kant heeft de rechtbank op basis van deskundigenadvies vastgesteld dat de vrouw ten tijde van het plegen van de feiten sterk verminderd toerekeningsvatbaar was. De rechtbank oordeelt daarom dat een behandeling van groot belang is voor de vrouw en de samenleving. De rechtbank legt daarbij een proeftijd op van vijf jaren.
 
Ook omdat de zaak 2,5 jaar oud is en de vrouw dus lange tijd in onzekerheid heeft geleefd, komt de rechtbank niet tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee jaren, zoals de officier van justitie had geëist.
 

ECLI:NL:RBGEL:2014:3826

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
20-06-2014
Datum publicatie
20-06-2014
Zaaknummer
05/901342-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Rechtbank Gelderland veroordeelt een inmiddels 21-jarige vrouw uit Zevenaar tot een gevangenisstraf van één jaar voorwaardelijk met een proeftijd van vijf jaren, voor het om het leven brengen van haar pasgeboren baby en het verbergen van het lichaam van de baby. Aan deze voorwaardelijke straf stelt de rechtbank diverse bijzondere voorwaarden, waaronder het volgen van een ambulante behandeling. De vrouw was ten tijde van het plegen van de feiten sterk verminderd toerekeningsvatbaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl 

 

 

 

 

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer : 05/901342-11

Datum zitting : 06 juni 2014

Datum uitspraak : 20 juni 2014

TEGENSPRAAK

Vonnis van de meervoudige kamer in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

naam : [verdachte]

geboren op : [geboortedatum] te [geboorteplaats]

adres : [adres]

plaats : [woonplaats]

raadsman : mr. S.F.W. van 't Hullenaar, advocaat te Arnhem.

1De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

zij op of omstreeks 13 november 2011 te Arnhem en/of Zevenaar, althans in Nederland, als moeder, ter uitvoering van een onder de werking van vrees voor de ontdekking van haar aanstaande bevalling genomen besluit, opzettelijk haar kind, bij of kort na de geboorte, van het leven heeft beroofd door met dat opzet (onder meer) een of meer voorwerpen (tissues) in de mond van haar (pasgeboren) kind te proppen en/of te stoppen en/of door de mond en/of de neus

van het (pasgeboren) kind dicht te drukken en/of geweld toe te passen op de hals van haar (pasgeboren) kind en/of (aldus) de ademhaling van haar (pasgeboren) kind te beletten en/of te belemmeren en/of haar (pasgeboren) kind bloot te stellen aan onderkoeling en/of hypoglycemie, ten gevolge waarvan haar (pasgeboren) kind is overleden;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

zij op of omstreeks 13 november 2011 te Arnhem en/of Zevenaar, althans in Nederland, als moeder, onder de werking van vrees voor de ontdekking van haar bevalling, opzettelijk haar kind, bij of kort na de geboorte, van het leven heeft beroofd door met dat opzet (onder meer) een of meer voorwerpen (tissues) in de mond van haar (pasgeboren) kind te proppen en/of te stoppen en/of door de mond en/of de neus van het (pasgeboren) kind dicht te drukken en/of geweld toe te passen op de hals van haar (pasgeboren) kind en/of (aldus) de ademhaling van haar (pasgeboren) kind te beletten en/of te belemmeren en/of haar (pasgeboren) kind bloot te stellen aan onderkoeling en/of hypoglycemie, ten gevolge waarvan haar (pasgeboren) kind is overleden;

althans, indien het vorenstaande onder 1 subsidiair niet tot een veroordeling leidt:

zij op of omstreeks 13 november 2011 te Arnhem en/of Zevenaar, althans in Nederland, opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk, haar (pasgeboren) kind van het leven heeft beroofd, hierin bestaande dat verdachte opzettelijk na kalm beraad en rustig overleg, althans na een (kort) tevoren genomen besluit, althans opzettelijk, (onder meer) een of meer voorwerpen (tissues) in de mond van haar (pasgeboren) kind heeft gepropt en/of gestopt

en/of de mond en/of de neus van het (pasgeboren) kind heeft dicht gedrukt en/of geweld heeft toegepast op de hals van haar (pasgeboren) kind en/of (aldus) de ademhaling van haar (pasgeboren) kind heeft belet en/of belemmerd en/of haar (pasgeboren) kind heeft blootgesteld aan onderkoeling en/of hypoglycemie, ten gevolge waarvan haar (pasgeboren) kind is overleden;

2.

zij in of omstreeks de periode van 13 tot en met 14 november 2011 te Arnhem en/of Zevenaar, althans in Nederland, een lijk, te weten: het stoffelijk overschot van haar (pasgeboren) kind, heeft verborgen, weggevoerd en/of weggemaakt, met het oogmerk om het feit of de oorzaak van het overlijden, dan wel van het dood ter wereld komen, te verhelen, door toen aldaar met dat

oogmerk het lichaam van haar (pasgeboren) kind in een of meer -plastic- zakken te doen en/of (een van) deze zak(ken) dicht te knopen en/of dat lichaam te bedekken met kleding(-stukken) en/of (vervolgens) het -in deze zak(ken) gestopte- lichaam in de kofferruimte van een auto (met kenteken [kenteken]) te deponeren en/of aldaar achter te laten;

2Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is op 06 juni 2014 ter openbare terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte verschenen. Verdachte is bijgestaan door mr. S.F.W. van 't Hullenaar, advocaat te Arnhem.

De officier van justitie, mr. A.M. Hermelink, heeft gerekwireerd.

Verdachte en haar raadsman hebben het woord ter verdediging gevoerd.

3. De beslissing inzake het bewijs1

Ten aanzien van het onder 1 en 2 tenlastegelegde

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op 13 november 2011 was verdachte aan het werk bij hotel [hotel] in Arnhem. Na haar werk, reed zij achter haar vader aan naar huis.2

Ze vloeide hevig, waarop ze door haar ouders naar het ziekenhuis werd gebracht.3 De gynaecoloog onderzocht verdachte en concludeerde dat verdachte zwanger was geweest.4

De baby werd aangetroffen in de kofferbak van de auto van verdachte, met kenteken [kenteken]. De baby was verpakt in een plastic draagtas.5 Daar omheen zat een zwart kledingstuk. Daar bovenop lag een bebloede handdoek. In de draagtas lag een opgevouwen, naakte baby.6 Het ging om een voldragen baby die levend was geboren, en zelfstandig buiten het lichaam van de moeder had geleefd. De baby had een prop toiletpapier in de mond.7 Uit onderzoek aan de baby kwam naar voren dat het overlijden kon worden verklaard door de proppen die in de mond waren gestopt.8Verdachte is de biologische moeder van het overleden kindje.9

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte vrijgesproken dient te worden van het onder 1 primair ten laste gelegde feit omdat niet uit het dossier is gebleken dat sprake was van voorbedachte rade. De officier van justitie heeft gesteld dat wel wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder 1 subsidiair en onder 2 tenlastegelegde feiten. De officier van justitie heeft ter terechtzitting de bewijsmiddelen opgesomd en toegelicht.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat verdachte moet worden vrijgesproken van alle haar ten laste gelegde feiten. Ten aanzien van feit 1 primair, subsidiair en meer subsidiair en ten aanzien van feit 2 heeft de raadsman aangevoerd dat het opzet ontbreekt. Gelet op de rapportages omtrent de persoon van verdachte moet van ontoerekeningsvatbaarheid worden uitgegaan. Verdachte had geen besef van wat ze deed en er was dus geen sprake van wilsgerichtheid ten aanzien van beide feiten. Met betrekking tot feit 2 heeft raadsman nog aangevoerd dat verdachte objectief bezien voldoende tijd en gelegenheid had om het stoffelijk overschot op elke plek te verbergen die mogelijk was. In plaats daarvoor koos ze ervoor om het achter in de niet afgesloten auto te leggen en de auto naast het huis te parkeren. Dat laat eveneens zien dat er geen opzet was op het wegmaken van het lijk.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat het verdachte was die de pasgeboren baby om het leven heeft gebracht ter voorkoming van ontdekking van de zwangerschap. De rechtbank baseert zich op het navolgende.

In een toilet in hotel Groot Warnsborg is bloed op de deur , op de toiletpot, op de grond en tegen de wanden aangetroffen. Ook in de prullenbak zaten nog vochtige bloedspetters.10 Deze bloedspetters waren afkomstig van verdachte.11 Verdachte was omstreeks 17.30 uur naar de kleedruimte gegaan. Ze had toen erge buikkramp.12 Om 18.17 uur stond de vader van verdachte gereed om haar op te halen bij het hotel.13Iets later kwam ze aangelopen. Een collega zag dat ze op dat moment iets voor haar lichaam droeg.14 Ze vertelde tegen haar vader dat ze gedoucht had omdat ze last had van bloedverlies.15

Verdachte heeft verklaard dat zij niet wist dat zij zwanger was.16 Toen zij onder werktijd last kreeg van haar buik, ging zij naar het personeelstoilet.17 De moeder van verdachte heeft verklaard dat verdachte tegen haar zei dat ze daar een prop bloed verloren had.18 De rechtbank gaat er van uit dat verdachte op het toilet is bevallen van een baby. De rechtbank gaat er voorts van uit dat verdachte alleen was op het moment van de bevalling. Het kan niet anders dan dat het verdachte is geweest die de aangetroffen prop papier in de mond en keel van de pasgeboren baby heeft gestopt. Verdachte heeft zich vervolgens gedoucht, kennelijk om het bloedverlies te verhullen, de baby in een plastic tas gedaan, met daar omheen een kledingstuk en deze achterin haar auto gelegd. Vervolgens is verdachte in haar auto achter haar vader aan naar huis gereden. Gelet op het vorenstaande concludeert de rechtbank dat het om het leven brengen van de baby als doel had de ontdekking van de zwangerschap te voorkomen.

De rechtbank komt op basis van de wettige bewijsmiddelen niet tot de overtuiging dat sprake is geweest van voorbedachte rade bij het om het leven brengen van de baby. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van het onder 1 primair tenlastegelegde. Wel acht de rechtbank bewezen dat er sprake is van doodslag op de pasgeboren baby door verdachte onder de vrees voor de ontdekking van haar bevalling.

Met betrekking tot het opzet op zowel het doden van de baby als het wegmaken van het lijkje overweegt de rechtbank als volgt. Om te beoordelen of er sprake is geweest van opzet op de ten laste gelegde feiten, dient uit te worden gegaan van het moment van het plegen van de feiten. Wanneer evident blijkt dat iemand niet in vrijheid zijn wil heeft kunnen bepalen en keuzes heeft kunnen maken, althans niet in de context van de feitelijke realiteit, zou het kunnen zijn dat opzet niet kan worden bewezen. Dit wordt blijkens de jurisprudentie slechts bij hoge uitzondering aangenomen.

Naar het oordeel van de rechtbank is er bij verdachte ten tijde van het plegen van de feiten geen sprake geweest van volledig ontbreken van de vrijheid om haar wil te bepalen.

De rechtbank hecht waarde aan een aantal feitelijke handelingen van verdachte, zoals is gebleken uit het dossier:

- Terwijl verdachte op het toilet was ontving verdachte een berichtje van haar vader dat hij op de parkeerplaats op haar aan het wachten was. Zij reageerde hierop met het berichtje dat zij wat later zou komen omdat ze nog even bezig was.19 Toen ze eenmaal naar buiten kwam, had ze zich gedoucht en gaf ze als verklaring hiervoor aan haar vader dat ze wat bloedverlies had.20

- De vader van verdachte verklaarde dat, op het moment dat de politie aan de deur kwam om in de auto van verdachte te kijken, hij zijn vrouw aan de telefoon had. Zijn vrouw was bij verdachte op dat moment. De vader van verdachte zei tegen zijn vrouw dat de agenten in de auto van verdachte wilden kijken. Daarop zei verdachte tegen haar moeder dat de politie niet in de auto moest kijken.21 De verbalisant ter plaatsen hoorde de vader van verdachte zeggen: ‘[verdachte], hoe kun je dat doen? De baby in de auto?’22De rechtbank stelt vast dat verdachte op dat moment wist dat het lijkje in de auto lag.

- Voorts heeft verdachte een verklaring afgelegd in de [verblijfplaats]. Ze omschreef hoe de dag op haar werk was verlopen. Ze had een beetje kramp in haar buik. Ook verklaarde ze dat haar vader haar kwam halen en dat ze achter hem aan reed.23 Op een later moment verklaarde verdachte dat ze bevallen was van een baby en dat die baby ergens moest zijn.24 Zij verklaarde dat zij vanaf begin 2011 zwanger was.25Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat zij die informatie van een verpleegster had gekregen. Ook verklaarde zij dat de twee verhorende verbalisanten geen genoegen namen met ‘dat weet ik niet’ als antwoord. De rechtbank stelt echter vast dat de antwoorden die zij in haar verklaring in de [verblijfplaats] gaf dusdanig gedetailleerd en specifiek waren, dat het niet anders kan dan dat deze informatie van haar zelf afkomstig was.

Gelet op vorenstaande concludeert de rechtbank dat niet is gebleken dat ieder inzicht in de reikwijdte van de gedragingen en mogelijke gevolgen heeft ontbroken bij verdachte.

De rechtbank overweegt dat niet vast is gesteld dat het dicht drukken van de mond en de neus van de baby en het blootstellen aan onderkoeling en hypoglycemie een bijdrage hebben geleverd aan het overlijden van de baby. De rechtbank zal verdachte hiervan vrijspreken.

Ten aanzien van de opzet op het wegmaken van een lijk te zoals verdachte wordt verweten in feit 2, overweegt de rechtbank als volgt. De verdachte was op weg naar huis en vloeide hevig. Ze heeft zo goed als mogelijk geprobeerd om het lijkje te verbergen binnen de mogelijkheden die ze op dat moment had. Verdachte heeft het lijkje in een plastic tas gedaan en heeft daar overheen een kledingstuk gedaan. Vervolgens heeft verdachte het lijkje in de kofferbak van haar auto gelegd. Deze handelingen zijn naar haar uiterlijke verschijningsvorm verhullingshandelingen die gericht zijn op het verbergen van een lijk. De rechtbank acht derhalve wettig en overtuigend bewezen dat verdachte opzet had op het wegmaken van een lijk.

Gelet hierop acht de rechtbank bij zowel feit 1 subsidiair als feit 2 de opzet aanwezig.

Conclusie

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 subsidiair en 
onder 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

1. subsidiair

zij op 13 november 2011 te Arnhem, als moeder, onder de werking van vrees voor de ontdekking van haar bevalling, opzettelijk haar kind, kort na de geboorte, van het leven heeft beroofd door met dat opzet voorwerpen (tissues) in de mond van haar pasgeboren kind te proppen ten gevolge waarvan haar(pasgeboren) kind is overleden;

2

zij in de periode van 13 tot en met 14 november 2011 te Arnhem en/of Zevenaar, een lijk, te weten: het stoffelijk overschot van haar pasgeboren kind, heeft verborgen, met het oogmerk om het feit of de oorzaak van het overlijden, te verhelen, door toen aldaar met dat oogmerk het lichaam van haar pasgeboren kind in een of meer -plastic- zakken te doen en deze zakken dicht te knopen en dat lichaam te bedekken met kleding stukken en vervolgens het -in deze zakken gestopte- lichaam in de kofferruimte van een auto met kenteken [kenteken] te deponeren en aldaar achter te laten;

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Voor zover meer feiten bewezen zijn verklaard, worden de bewijsmiddelen alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarop deze betrekking hebben.

4De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1 subsidiair:

kinderdoodslag

Ten aanzien van feit 2:

een lijk verbergen met het oogmerk om de oorzaak van het overlijden te verhelen

De feiten zijn strafbaar.

5De strafbaarheid van verdachte

Over verdachte is een rapport van multidisciplinair psychiatrisch, psychologisch en milieu onderzoek opgemaakt, gedateerd 10 april 2013 door [psychiater 1], psychiater, [psycholoog], GZ-psycholoog en [onderzoeker], forensisch milieuonderzoeker, onder meer inhoudende:

‘Geconcludeerd kan worden dat ten tijde van de tenlastelegging sprake was van een ontwijkende en afhankelijke persoonlijkheidsstoornis, waarbij bij betrokkene bij dreigend falen of wanneer afwijzing en incompetentie dreigt door te breken, ernstige angstklachten kunnen optreden. Daarnaast is er sprake van loochening, een totale ontkenning van haar zwangerschap. Op het moment dat zij moet bevallen, ontstaat er een ernstige mate van stress. Tijdens en na de bevalling is er sprake van veel bloedverlies en een zeer lage Hb-waarde. Daarnaast lijkt er nauwelijks een doordacht plan en pogingen te hebben bestaan om de neonaticide geheel te verhullen. De vraag is dus of betrokkene tijdens of direct na de bevalling andere keuzemogelijkheden had dan hetgeen ons uit ons onderzoek en het politiedossier duidelijk is geworden.

Omdat vooralsnog de reden en daadwerkelijke gemoedstoestand van betrokkene –wellicht mede van wege haar procespositie- onvoldoende in kaart gebracht kan worden (bijvoorbeeld is de loochening van haar zwangerschap ingegeven door angst en zo ja waarvoor, in welke mate is zij daadwerkelijk door haar bevalling overvallen, heeft zij nog voorbereidende acties kunnen ondernemen) zal er uitgegaan moeten worden van 2 mogelijke scenario’s:

1) Afgaand op het verhaal van betrokkene zou er door het cumulatieve en integratieve karakter van bovenstaande constateringen ten tijde van de bevalling sprake zijn van een dissociatieve gemoedstoestand, waarbij ze zegt zich helemaal niets meer te kunnen herinneren. Indien dit het geval is, zou zij ten tijde van de tenlastelegging –afhankelijk van het moment dat het dissociatieve gemoedstoestand optrad en zij dus al of niet hulp had kunnen inroepen- sterk verminderd tot ontoerekeningsvatbaar geacht moeten worden.

2) Wanneer het door haar beschreven dissociatieve toestandsbeeld en retrograde amnesie pas na de tenlastelegging is opgetreden, door bijvoorbeeld de shock en de zeer lage Hb-waarde van het bloed, en de tenlastelegging meer vanuit angst om verstoten te worden of uit verlatingsangst is ingegeven, moet betrokkene meer in staat geacht worden om hulp in te roepen en moet zij als verminderd tot sterk verminder toerekeningsvatbaar geacht worden.’

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat verdachte wist dat ze zwanger was en op het moment van bevalling niet in dissociatieve toestand verkeerde. De amnesie is pas achteraf ingetreden, wat maakt dat verdachte ten tijde van het tenlastegelegde bewust heeft gehandeld. Verdachte is, gelet op bovengenoemd rapport, verminderd tot sterk verminderd toerekeningsvatbaar.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging stelt zich op het standpunt dat de deskundigen niet met zekerheid nadere uitspraken omtrent de marge tussen sterk verminderde toerekeningsvatbaarheid en ontoerekeningsvatbaarheid hebben gedaan. Gelet hierop kan ontoerekeningsvatbaarheid niet worden uitgesloten en dient de rechtbank hier, in het kader van een verantwoorde berechting en uit behoedzaamheid, in het voordeel van verdachte van uit te gaan.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of er bij verdachte sprake was van

verminderde -, sterk verminderde - of on-toerekeningsvatbaarheid. Door de rapporteurs zijn twee mogelijke scenario’s geschetst.

De rechtbank overweegt dat onder 3, bij de bespreking van het opzet, reeds is vastgesteld dat de verdachte direct na de bevalling doelbewuste en niet geautomatiseerde handelingen verrichtte. Hieruit heeft de rechtbank de conclusie getrokken dat verdachte op het moment van de bevalling en het doden van de baby niet in staat van een dissociatieve gemoedstoestand verkeerde.

Uit de aangehaalde rapportage is gebleken dat verdachte een ontwijkende en afhankelijke persoonlijkheidsstoornis heeft. Als gevolg hiervan heeft zij haar zwangerschap volledig ontkend. Zij was er van overtuigd dat ze niet (meer) zwanger was; het bestond niet. Toen zij onverwacht beviel van een dochter, vroeg zij niet om hulp maar pleegde de feiten zoals haar verweten worden. De rechtbank heeft de overtuiging dat verdachte vanuit de angst om verstoten te worden of uit verlatingsangst heeft gehandeld. Zij wilde uit alle macht voorkomen dat haar bevalling of de baby ontdekt werd. Wat er gebeurde heeft een dusdanige shock veroorzaakt dat verdachte het zich achteraf niet meer herinnert.

De rechtbank gaat derhalve uit van scenario 2 zoals geschetst door de rapporteurs. Verdachte is verminderd tot sterk verminderd toerekeningsvatbaar. Nu niet duidelijk is of er sprake is van verminderd of sterk verminderde toerekeningsvatbaarheid, zal de rechtbank uitgaan van sterk verminderde toerekeningsvatbaarheid. De rechtbank zal dit betrekken bij de op te leggen straf. Gelet op vorenstaande is het verdachte nog wel in enige mate toe te rekenen wat zij heeft gedaan. Zij is derhalve een strafbare dader.

6De motivering van de sanctie(s)

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het onder 1 subsidiair en het onder 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee jaren geheel voorwaardelijk met een proeftijd van 5 jaren, met als bijzondere voorwaarde op te leggen:

  • -

    een meldplicht bij de reclassering;

  • -

    een behandelverplichting bij Tender of een soortgelijke instelling zolang de 
    reclassering dat nodig acht;

  • -

    het houden aan de voorschriften/aanwijzingen van de reclassering;

  • -

    het constructief en openstellen in het contact met de medewerkers van de 
    reclassering en inzicht geven in het psychosociaal functioneren;

  • -

    het geven van toestemming aan de reclassering om contact te houden met 
    relevante personen in het netwerk van verdachte waaronder haar ouders;

  • -

    het geven van toestemming aan de reclassering en Tender om wederzijds 
    informatie uit te wisselen;

  • -

    het houden aan een eventueel vervolgtraject;

  • -

    het zich onthouden van criminele, illegale of ongeoorloofde activiteiten;

  • -

    meewerken aan gezinstherapie, waarbij bij weigering van verdachte aan het 
    meewerken overgegaan kan worden tot begeleid wonen.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht om een straf op te leggen gelijk aan het voorarrest, met als bijzondere voorwaarden de voorwaarden zoals gesteld door de reclassering. De verdediging heeft verzocht om niet als voorwaarde op te nemen het meewerken aan gezinstherapie.

Dit, gelet op de persoonlijke omstandigheden van verdachte, de schending van de redelijke termijn en het feit dat verdachte dit de rest van haar leven bij zich zal dragen.

Beoordeling door de rechtbank

Bij de beslissing over de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met:

- de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan;

- de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op:

 het uittreksel uit het algemeen documentatieregister betreffende verdachte, gedateerd 12 mei 2014;

 een voorlichtingsrapportage (beknopt) van Reclassering Nederland, d.d. 
22 november 2011, betreffende verdachte;

 een voorlichtingsrapportage (rechtszitting) van Reclassering Nederland, d.d. 18 december 2013, betreffende verdachte;

 een multidisciplinair (triple-)rapport van drs. [psycholoog], GZ psycholoog en dr. [psychiater 1], psychiater, en [onderzoeker], forensisch milieuonderzoeker, gedateerd 10 april 2013;

 een psychiatrisch onderzoek van dr. [psychiater 2], kinder- en jeugdpsychiater, gedateerd 17 maart 2012;

 een psychologisch onderzoek van drs. B.Y. van Toorn, G.Z. psycholoog, gedateerd 20 maart 2012.

De rechtbank overweegt in het bijzonder het navolgende.

Verdachte heeft haar pasgeboren baby, die levend ter wereld is gekomen, van het leven beroofd door een prop papier in de mond van de baby te stoppen. De luchtwegen van het meisje zijn hierdoor geblokkeerd en de baby is door verstikking om het leven gekomen. De rechtbank gaat ervan uit dat dit een pijnlijke dood is geweest. Enerzijds houdt de rechtbank rekening met de ernst van het feit. De pasgeboren baby was volledig van haar moeder afhankelijk en had geen enkele kans op overleven zonder haar hulp. Dit gedrag valt verdachte dan ook zwaar aan te rekenen. Anderzijds houdt de rechtbank er rekening mee dat verdachte dit heeft gedaan uit vrees voor de ontdekking van de bevalling en onder invloed van haar stoornis. Vervolgens heeft verdachte het lijkje in een plastic zak gestopt en heeft deze in de kofferbak van haar auto gelegd. Deze feiten hebben de samenleving ernstig geschokt.

Gelet op de ernst van de feiten is er geen andere straf passend dan een forse gevangenisstraf.

De rechtbank overweegt ten voordele van verdachte dat de redelijke termijn geschonden is. Hierdoor heeft zij ongeveer 2,5 jaar in onzekerheid geleefd. Daarbij komt dat de rechtbank van oordeel is dat een passende behandeling van noodzakelijk is voor verdachte. Het is van groot belang dat verdachte passende hulp krijgt waardoor zij meer zelfinzicht zal vergaren. Ook neemt de rechtbank mee in haar overweging dat verdachte de rest van haar leven met zich mee zal dragen dat zij haar eigen baby heeft omgebracht. Dit is een zware last waar zij ongetwijfeld nog vaker mee geconfronteerd zal worden.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, oordeelt de rechtbank dat voor de afdoening van de onderhavige zaak een voorwaardelijke gevangenisstraf van één jaar passend en geboden is. Deskundigen hebben aangegeven dat er gevaar kan ontstaan bij een toekomstige relatie en eventuele kinderwens. De rechtbank zal om deze reden een proeftijd van vijf jaren opleggen. De bijzondere voorwaarden zoals gevraagd door de officier van justitie zullen worden opgelegd, met uitzondering van de gezinstherapie. Dit ziet immers niet enkel op verdachte maar vergt inspanning van andere gezinsleden.

7De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 27, 57, 151 en 290 van het Wetboek van Strafrecht.

8De beslissing

De rechtbank, rechtdoende:

Spreekt verdachte vrij van het onder 1 primair tenlastegelegde feit.

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 (een) jaar.

Beveelt overeenkomstig het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht dat de tijd, door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, geheel in mindering zal worden gebracht.

Bepaalt dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd van 5 (vijf) jaren navolgende (bijzondere) voorwaarde(n) niet is nagekomen:

Algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

  1. zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

  2. ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

  3. medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

4. zich binnen vijf dagen na het onherroepelijk worden van het vonnis meldt bij de Reclassering Nederland, Stieltjesstraat 1 te Nijmegen. Daarbij dient zij zicht te houden aan de aanwijzingen en opdrachten die haar door Reclassering gegeven worden;

5. zich gedurende de proeftijd onder behandeling zal (blijven) stellen van forensische polikliniek Tender of een soortgelijke instantie, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

6. andere voorwaarden het gedrag betreffende:

  • -

    veroordeelde dient zich te gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen, welke haar namens de Reclassering Nederland gegeven worden;

  • -

    veroordeelde zal zich constructief en open opstellen in het contact met de medewerker van de reclassering en zal inzicht geven in haar psychosociaal functioneren;

  • -

    veroordeelde geeft de reclassering toestemming om contact te onderhouden met relevante personen uit haar netwerk waaronder haar ouders;

  • -

    veroordeelde geeft de reclassering en Tender toestemming om wederzijds informatie uit te wisselen;

  • -

    veroordeelde zal zich houden aan het eventuele vervolgtraject dat haar in overleg met de reclassering wordt aangeboden;

  • -

    veroordeelde zal zich onthouden van criminele, illegale of ongeoorloofde activiteiten.

Geeft opdracht aan de Reclassering Nederland te Nijmegen tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarde(n) en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden (artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht).

Aldus gewezen door:

mr. P.C. Quak (voorzitter), mr. N.K. van den Dungen-Dijkstra en mr. W.L.J.M. Duijst, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. H.L. Miedema, griffier

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 20 juni 2014.

1Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant] van de politieregio Gelderland-Midden, onderzoek Roos, onderzoeksnummer 07ADR11055, opgemaakte proces-verbaal, nummer 2011130966, gesloten op 17 januari 2012 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting d.d. 6 juni 2014.

3Een proces-verbaal verhoort getuige [getuige 1], dossierpagina 209, 2e alinea, 3e regel.

4Een proces-verbaal van bevindingen, dossierpagina 559, laatste alinea, onderaan.

5Een proces-verbaal van bevindingen, d.d. 16 november 2011, dossierpagina 575, 3e alinea.

6Een proces-verbaal, d.d. 18 april 2012, dossierpagina 759, onder ‘onderzoek plastic tas en aantreffen baby’.

7Een schriftelijk bescheid, zijnde een rapport van dhr. [lijkschouwer], lijkschouwer van de gemeente Arnhem, d.d. 14 november 2011, dossierpagina 786, onder ‘conclusies’.

8Een schriftelijk bescheid, zijnde een rapport van het NFI ‘Pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood’, d.d. 8 maart 2012, dossierpagina 872, onder ‘conclusie’.

9Een schriftelijk bescheid, zijnde een rapport van het NFI ‘DNA-verwantschapsonderzoek naar aanleiding van het aantreffen van het stoffelijk overschot van een baby in Zevenaar op 14 november 2011’, d.d. 5 maart 2012, dossierpagina 858 onder ‘interpretatie en conclusie’.

10Een proces-verbaal van bevindingen, d.d. 15 november 2011, dossierpagina 564, 3e alinea van onderen.

11Een schriftelijk bescheid, zijnde een rapport van het NFI ‘onderzoek naar biologische sporen en DNA-onderzoek naar aanleiding van het aantreffen van het stoffelijk overschot van een baby in Zevenaar op 14 november 2011, d.d. 5 maart 2012, dossierpagina 864, onder ‘resultaten, interpretatie en conclusie’.

12Een proces-verbaal verhoor getuige [getuige 2], dossierpagina 156, 1e alinea, halverwege.

13Een proces-verbaal verhoor getuige [getuige 1], dossierpagina 208, 7e alinea, onderaan.

14Een proces-verbaal verhoor getuige [getuige 3], dossierpagina 188, 4e alinea, onderaan.

15Een proces-verbaal verhoort getuige [getuige 1], dossierpagina 209, 1e alinea, bovenaan.

16De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting, d.d. 6 juni 2014.

17Proces-verbaal verhoor getuige [getuige 2], dossierpagina 156, 1e alinea, halverwege.

18Een proces-verbaal verhoor getuige [getuige 4], dossierpagina 226, 2e alinea, eerste zin.

19Een schriftelijk bescheid, zijnde een uitdraai chatgesprekken: applicatie Whatsapp, dossierpagina 647.

20Een proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1], d.d. 15 november 2011, dossierpagina 209 eerste alinea.

21Een proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1], d.d. 15 november 2011, dossierpagina 210, eerste alinea.

22Een proces-verbaal van bevindingen, d.d. 14 november 2011, dossierpagina 215, derde alinea.

23Een proces-verbaal verhoor verdachte d.d.16 november 2011, dossierpagina 29.

24Een proces-verbaal verhoor verdachte d.d. 16 november 2011, dossierpagina 30, vierde alinea.

25Een proces-verbaal verhoor verdachte d.d.16 november 2011, dossierpagina 27, één na laatste alinea.