We hebben 123 gasten online

Recente jurisprudentie over het ne bis in idem-beginsel

Gepost in Algemene berichten

Uit Oppertuun November 2012

Tekst: Juriaan Simonis (WBOM) en Miranda van Turennout (regioparket Haarlem-Alkmaar

Het ene feit is het andere niet

Iemand mag niet twee keer voor hetzelfde feit worden vervolgd. Dit ‘ne bis in idem-beginsel’ geldt als onwrikbaar fundament van onze rechtsstaat. Maar daarmee is nog niet gezegd dat het steeds duidelijk is wanneer het beginsel geldt. Mag het OM bijvoorbeeld een gedetineerde vervolgen voor het neersteken van een medegevangene wanneer de directeur van de penitentiaire inrichting daarvoor al een disciplinaire straf heeft opgelegd?

Volgens de Hoge Raad wel:

LJN BW5166.

En wanneer is sprake van hetzelfde feit? Moet men dan vooral kijken naar de feitelijke gedraging of naar de juridische kwalificatie die men aan die gedraging kan geven?

Dit jaar heeft de Hoge Raad in twee arresten laten zien vooral oog te hebben voor het juridisch etiket dat op de feiten wordt geplakt. De samenhang in het feitelijke handelen lijkt van ondergeschikt belang.

Het eerste arrest had betrekking op een aanvulling van de tenlastelegging. Een wijziging van de tenlastelegging is alleen toelaatbaar als hierdoor geen ander feit in de zin van art. 68 Sr ontstaat. In de betreffende zaak was een bromfietser op een politieagent ingereden. Hij werd vervolgd voor zware mishandeling. Het OM had in hoger beroep gevorderd dat aan de tenlastelegging onder meer gevaarzetting in het verkeer (art. 5 Wegenverkeerswet) werd toegevoegd.

Het hof stond dat toe. Verdachte werd vrijgesproken van de mishandeling, maar veroordeeld voor de gevaarzetting. Hij ging in cassatie met als belangrijkste middel dat de tenlastelegging niet had mogen worden aangevuld.

AG Silvis legde in zijn conclusie de nadruk op de feitelijke toedracht. De mishandeling en het verkeersfeit konden als hetzelfde feit gelden vanwege de gelijktijdigheid van de gedragingen en de wezenlijke samenhang in het handelen en de schuld van de verdachte. De Hoge Raad had daarentegen geen boodschap aan het feitelijke perspectief. De Raad vond dat de door de betreffende bepalingen beschermde rechtsgoederen en de strafmaxima zo ver uiteenliepen, dat geen sprake kon zijn van ‘hetzelfde feit’. Het verkeersdelict had niet aan de tenlastelegging mogen worden toegevoegd.

Voor de praktijk betekent dit arrest dat het OM wellicht minder makkelijk de tenlastelegging kan wijzigen. Tegelijkertijd beperkt de Hoge Raad hiermee de reikwijdte van het ‘ne bis in idem’- beginsel, waardoor verdachte alsnog vervolgd kan worden voor een ander feit. Dat kan men althans afleiden uit een recent arrest (LJN BX5102) waarin het ging om een verdachte die eerst was vervolgd voor bedreiging. Hij zou met zijn auto een vrachtwagenchauffeur hebben klemgereden, zijn uitgestapt en de chauffeur hebben toegeroepen: ‘ik ga je afmaken’. De politierechter sprak vrij. Daarna vervolgde het OM voor het klemrijden en de auto stilzetten op de weg, maar dan als overtreding van art. 5 van de Wegenverkeerswet. Het Hof Amsterdam vond dat het doel van de strafbaarstelling van bedreiging (bescherming van de persoonlijke vrijheid) en van art. 5 van de Wegenverkeerswet (de verkeersveiligheid) sterk verschilden. Er was dus geen sprake van ‘ne bis in idem’; het OM was ontvankelijk in de tweede vervolging. De Hoge Raad was het met het oordeel van het Hof eens. Niet alleen was er een groot verschil in de beschermde rechtsgoederen, ook de strafmaxima verschilden aanmerkelijk. Voor de Hoge Raad is blijkbaar de juridische kwalificatie van de feiten belangrijker dan de vraag of de fysieke gedragingen onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden. Dat betekende dat het aan het OM vrijstond om – ondanks de eerdere vrijspraak – opnieuw te vervolgen.