We hebben 158 gasten online

Sanctieoverwegingen in relatie tot de mate van (on)toerekenbaarheid en de ernst van de feiten

Gepost in Algemene berichten

Sanctieoverwegingen in relatie tot de mate van (on)toerekenbaarheid en de ernst van de feiten

Rb Dordrecht 7 juni 2002, LJN AE 3834

“Slechts een levenslange gevangenisstraf kan leiden tot een adequate vergelding van de door verdachte begane feiten, met name het leed dat hij aan de nabestaanden van de slachtoffers heeft aangedaan en tot effening van de schade die verdachte door deze feiten de rechtsorde heeft toegebracht”.

Rb Den Haag 18 december 2002, LJN AO 0590

“De ernst en het aantal van de bewezenverklaarde feiten, alsmede de omstandigheden waaronder zij zijn gepleegd, maar evenzeer het belang van normbevestiging rechtvaardigt op zichzelf de levenslange gevangenisstraf welke de officier van justitie geëist heeft. Slechts levenslange vrijheidsstraf kan leiden tot de adequate vergelding van door verdachte begane strafbare feiten en tot effening van de schade die verdachte door de bewezenverklaarde feiten aan de rechtsorde heeft toegebracht (…) Naar het oordeel van de rechtbank volgt ook uit de uitgangspunten van de Nederlandse strafrechtspleging dat er vanuit humanitaire overwegingen ook bij zeer ernstige misdrijven in beginsel voor de verdachte perspectief op terugkeer in de samenleving behoort te zijn (...) Er zijn geen aanknopingspunten gevonden dat de verdachte zich in de toekomst anders dan voorheen zal gedragen”.

Hof  Leeuwarden 6 november 2003, LJN AN 7637

“Het hof stelt voorop dat geen enkele rechtsregel zich verzet tegen de combinatie van een langdurige vrijheidsstraf en TBS met dwangverpleging. De buitengewoon ernstige aard van de gepleegde feiten maakt dat de op te leggen straf een duidelijke genoegdoening dient te bieden aan de maatschappij en de direct betrokkenen. Daaraan kan niet afdoen dat een spoedige aanvang van de behandeling wellicht wenselijk zou zijn vanuit een behandelingsperspectief.”  check woord- Renée

Rb Utrecht 23 juni 2000, LJN AA 6287

“Dat er met het opleggen van deze straf en maatregel wellicht geen ander doel wordt bereikt dan maximale bescherming van de maatschappij acht de rechtbank gelet op de gruwelijkheid van de feiten en de persoon van de verdachte, mede gelet op zijn strafrechtelijk verleden, geboden”.

Rb Groningen 7 november 2002, LJN AF 0026

“Verdachte heeft – zo blijkt uit zijn verklaring – een afweging gemaakt en besloten zijn vrijheid niet in gevaar te brengen. Verdachte heeft zich vervolgens welbewust telkens weer begeven in contacten met prostituées. Naar het oordeel van de rechtbank moeten de feiten in het licht van het voorgaande volledig worden toegerekend aan verdachte”.

Rb Roermond 25 april 2003, LJN AF 7813

“Het is tekenend, maar ook schrijnend, om te zien dat verdachte vanuit zijn eigen invulling van wat goed is en respect inhoudt geen kans ziet verantwoordelijkheid te nemen voor zijn gedrag en het verwerpelijke daarvan in te zien (…)”.

Rb Arnhem 4 juli 2003, LJN AH 9202

“(…) dat verdachte in zijn verhoren bij de politie de strafbare feiten heeft beschreven als een soort experiment om uit te zoeken of hij met dit gedrag kon wegkomen  en tenslotte dat de strafbare feiten in het korte tijdsbestek van ruim één maand hebben plaatsgevonden (…) Bovenstaande feiten en omstandigheden brengen de rechtbank er dan ook toe, ondanks de jeugdige leeftijd en verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte, een hogere onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen dan is geëist”.

Rb Leeuwarden 26 juni 2001, LJN AB 2295

“ Voorts is de rechtbank van oordeel dat het maatschappelijk zeer onwenselijk, zo niet onaanvaardbaar, moet worden geacht dat een door de wetgever in het leven geroepen maatregel (TBS met voorwaarden) in de praktijk niet kan worden opgelegd omdat de tenuitvoerlegging zo lang op zich laat wachten dat de oplegging van die maatregel zijn doel voorbij schiet of zelfs onverantwoord wordt. Deze maatschappelijke realiteit mag in beginsel niet ten nadele van de betrokkene uitwerken in die zin dat een zwaardere maatregel wordt opgelegd dan eigenlijk aangewezen is”.

Rb Leeuwarden 6 februari 2003, LJN AF 5943

“De officier van justitie heeft(…)  zijn eis verhoogd, daarbij aangevend dat gezien de bij gebreke van een opnamemogelijkheid binnen afzienbare tijd, de gevangenisstraf van aanmerkelijk langere duur dient te zijn dan de aanvankelijke eis. De rechtbank deelt het standpunt van de officier van justitie niet. Weliswaar dient de maatschappij beschermd te worden tegen verdere delicten te plegen door verdachte, maar het gaat niet aan dat, nu de maatschappij blijkbaar niet in staat is om tijdige plaatsingsmogelijkheden te creëren of in stand te houden voor personen als verdachte die lijden aan een ziekelijke stoornis der geestvermogens, dergelijke personen alleen om die reden in detentie te houden terwijl een kortere vrijheidstraf, gelet op de verminderde toerekeningsvatbaarheid aangewezen is”.

Straftoemeting als rechterlijke competentie

Op voorzet van het Openbaar Ministerie en eventueel geadviseerd door externe deskundigen beslist de strafrechter welke soort sanctie(s) en welke strafmaat aan de verdachte opgelegd dient te worden. Een belangrijk uitgangspunt daarbij is het geïndividualiseerde schuldverwijt: geen straf zonder dat aan de verdachte enig schuldverwijt kan worden gemaakt. Daartoe moet hij niet alleen het wederrechtelijke van zijn handelen hebben kunnen inzien, maar ook de wil om desondanks te handelen in (relatieve) vrijheid hebben kunnen bepalen.

Waar een zodanig schuldverwijt op grond van een stoornis dan wel een gebrekkige ontwikkeling der geestvermogens helemaal niet kan worden gemaakt verliest het strafrecht navenant zijn competentie tot straffen en rest eventueel (behalve de civielrechtelijke weg van de wet-BOPZ) de toepassing van een maatregel ex art. 37 e.v. Sr., dat wil zeggen een last tot plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis dan wel de oplegging van de tbs-maatregel.

In geval evenwel een zodanig verwijt slechts gedeeltelijk kan worden gemaakt is de oplegging van een straf al dan niet in combinatie met een tbs-maatregel mogelijk. 

De meeste verdachten treft wel enig verwijt: de sanctietoemeting vindt dan plaats met inachtneming van de ernst van de bewezenverklaarde feiten, de omstandigheden van het geval en de persoon van de verdachte. In een aantal gevallen geldt het vermoeden dat bij hen de besluitvorming omtrent het strafbare feit tot stand is gekomen onder invloed van een stoornis dan wel een gebrekkige ontwikkeling van de geestesvermogens. Het oordeel van de gedragsdeskundige(n) dient dan hierover aan de rechter informatie te verschaffen en hem steun te bieden bij het bepalen van de sanctie(s).

De strafrechter is weliswaar niet gebonden aan zo´n deskundigenadvies, maar in de regel weegt de conclusie dat er sprake is van ontoerekenbaarheid of van een (al dan niet sterk) verminderde toerekenbaarheid zeker zwaar. De wijze waarop de strafrechter zo’n conclusie in zijn sanctietoemetingsbeslissing verdisconteert staat niet op voorhand vast, maar deze is afhankelijk van allerhande eveneens meewegende factoren.

De gedragsdeskundige conclusie dat de verdachte (sterk) verminderd toerekenbaar moet worden geacht hoeft niet te leiden tot een proportionele vermindering van de strafmaat (naast de oplegging van een tbs-maatregel). Al lang geleden is dit laatste door de Hoge Raad gefiatteerd op grond van de overweging dat ons recht geen rechtsbeginsel bevat dat de straf zou moeten worden bepaald naar de mate van schuld (HR 24 juli 1967, NJ 1969, 63, m.n. Ch.J. Enschedé). Dit neemt niet weg dat in de dagelijkse stafrechtspraktijk door strafrechters een dergelijke proportionele maatstaf wel degelijk meer dan eens wordt toegepast. 

Voorts blijkt niet altijd uit de uitspraak welk gewicht de strafrechter aan de conclusie en het daaraan verbonden advies van de gedragsdeskundige toekent. Soms bevatten de straftoemetingsoverwegingen de daaromtrent gemaakte afwegingen en kan inzicht worden verkregen in de rechterlijke waardering er van. Andermaal wordt met geen, of slechts een enkel woord gerept over de verminderde toerekeningsvatbaarheid en wordt door de strafrechter volstaan met een verwijzing naar de ernst van de bewezenverklaarde feiten en de daaruit gedestilleerde noodzaak tot vergelding.

Nu is de strafmotivering beslist niet een van de sterkste kanten van ons strafrecht en wordt daarover ons inziens terecht nogal eens geklaagd. De justitiabele, maar ook de samenleving, heeft recht op duidelijkheid waar het de totstandkoming van de rechterlijke beslissingen  betreft. Maar ook de strafrechtspleging zelf heeft baat bij inzichtelijkheid in deze, al was het maar om mythevorming omtrent de rechterlijke straftoemeting te voorkomen (zie ook: Vertrouwen in de rechtspraak, Raad voor de Rechtspraak, Rechtstreeks, 2004, nr. 1).

Zo wordt de strafrechter de laatste tijd toegedicht dat deze strenger is gaan straffen. In het bijzonder wordt hem verweten onvoldoende doordacht te werk te gaan bij het opleggen van levenslange gevangenisstraf (H. Anker, Levenslang in de schijnwerpers, Nieuwsbrief Strafrecht, redactioneel, 2004, nr. 4).  Weliswaar bevestigt de statistiek dat het aantal langdurige gevangenisstraffen is toegenomen, evenals het aantal levenslange gevangenisstraffen,[1] maar dit hoeft niet per se een punitiever houding van de strafrechter te impliceren. De strafrechter moet immers behandelen hetgeen hem wordt voorgelegd. En naar gelang dat een ernstiger gehalte heeft liggen ook zwaardere sancties enigszins voor de hand. Maar hoe dient dat te worden beoordeeld ? Deze vraag is niet eenvoudig te beantwoorden. Maar wel staat vast dat hoe dan ook het beeld van een verharding van het strafklimaat, met daaraan verbonden een toegenomen abstrahering van de persoon van de dader, gaandeweg veld heeft gewonnen. 

De waardering van het geïndividualiseerd schuldverwijt

In dit licht bezien is de vraag van belang welke waarde door de strafrechter wordt toegekend aan het geïndividualiseerde schuldverwijt als grondslag voor de straftoemeting. Strafoplegging veronderstelt, als gezegd, enige mate van schuld, doch de geringere omvang van het verwijt hoeft niet in de weg te staan aan de oplegging van een langs gevangenisstraf  (HR 10 september 1957, NJ 1958, 5, betreffende de oplegging van 15 jaar gevangenisstraf en de tbs-maatregel aan en sterk verminderd toerekenbaar verklaarde zeer gevaarlijke overvaller, bijgenaamd de “Zwarte ruiter”). Vaak zijn het andere factoren die de straf bepalen, in het bijzonder het belang van maatschappelijke veiligheid, maar steeds vaker wordt ook de vergelding van het aangedane leed als dominerende maatstaf aanvaard. Hoewel iedere straf uit zijn aard op vergelding berust, betekent dit nog niet dat deze steeds expliciet als grondslag in de strafmotivering zou moeten worden genoemd. Men kan zich dan ook de vraag stellen of de vergelding behalve als grondslag van de straf niet langzamerhand dreigt te verworden tot strafdoel.

Zo windt de rechtbank Dordrecht er in zijn uitspraak in de zogenoemde Playstation-moorden (Rb Dordrecht 7 juni 2002, AE 3834) geen doekjes om: naar het oordeel van de rechter kan slechts levenslange gevangenisstraf adequaat vergelding bieden voor het onrecht door verdachte te weeg gebracht. Daarmee overstijgt de straf niet alleen de geëiste twintig jaar gevangenisstraf en oplegging van de maatregel TBS, ook wordt uit het vonnis niet duidelijk welk gewicht wordt toegekend aan factoren als de jeugdige leeftijd van de verdachte en de gedragsdeskundige conclusie dat deze verminder toerekeningsvatbaar moest worden geacht. Daarmee wordt, hoe invoelbaar het oordeel van de rechtbank ook moge zijn, afbreuk gedaan aan het vereist van een geïndividualiseerde straftoemeting.

In haar beslissing in hoger beroep hanteert het Haagse Hof een genuanceerder benadering (Hof den Haag 28 mei 2003, AF 9256). Verschillende factoren worden tegen elkaar afgewogen, waaronder de jeugdige leeftijd van de verdachte (21 jaar), de ernst van de feiten en de noodzaak tot behandeling. Het hof maakt de conclusie inzake de verminderde toerekeningsvatbaarheid tot onderdeel van zijn straftoemeting. Sterker nog, de conclusie betreffende de verminderde toerekeningsvatbaarheid dient naar het oordeel van het hof te leiden tot het opleggen van een maatregel TBS, naast de maximale tijdelijke gevangenisstraf van twintig jaar. Ooit immers komt de verdachte vrij, wanneer het zo ver is mag hij geen gevaar meer opleveren voor de samenleving. Met het opleggen van de maatregel TBS getuigt het Haagse hof van aandacht de conclusie betreffende de verminderde toerekeningsvatbaarheid, dat deze een vertaling krijgt in termen van maatschappelijke veiligheid doet daar niets aan af..

Eenzelfde genuanceerder benadering hanteert de Haagse rechtbank in haar uitspraak van 18 december 2002 (AO 0590). Ook hier valt de term ’adequate vergelding’ en is het de ernst van de bewezenverklaarde feiten, te weten: (gekwalificeerde) doodslag, poging tot doodslag en verkrachting, die uiteindelijk de doorslag geeft en een levenslange gevangenisstraf rechtvaardigt. De door gedragsdeskundigen geconstateerde verminderde toerekeningsvatbaarheid kan daar geen verandering in brengen. Bijzonder echter is de wijze waarop de Haagse rechtbank verantwoording aflegt over de consequenties van deze strafoplegging door zich rekenschap te geven van de noodzaak ook humanitaire overwegingen mee te wegen in het strafoordeel. Door aandacht te besteden aan het principiële belang van verdachte bij een perspectief op terugkeer in de samenleving geeft de rechtbank blijk oog te hebben voor het geïndividualiseerde karakter van de straf. Dat een dergelijk perspectief op terugkeer, niet aan de orde is, gelet op de persoon van de dader, past daarbinnen. Door na eerdere behandeling te recidiveren, en wel tijdens een verlofsituatie, kon deze verdachte geen aanspraak meer maken op terugkeer,  maar diende naar het oordeel van de rechtbank het belang van maatschappijbescherming, geconcretiseerd via ene levenslange gevangenisstraf, te prevaleren.

 

Op vergelijkbare wijze betrekt de Groningse rechtbank in haar vonnis van 7 november 2002 (AF 0026) de conclusie dat verdachte verminderd toerekeningsvatbaar moet worden geacht in haar straftoemetingsoordeel. Ook hier geldt dat een dergelijke conclusie niet hoeft te leiden tot een lichtere straf. Integendeel, de verminderde toerekeningsvatbaarheid wordt hier afgewogen tegen de ernst van de feiten (dubbele moord), de ernstige schending van de rechtsorde en mate van maatschappelijke onrust, maar vooral ook tegen het welbewust laten prevaleren van het eigen belang door de verdachte. Verdachte was immers eerder veroordeeld en ter beschikking gesteld voor de moord op twee prostituées en had, toen hij merkte wederom moordlustig te worden niets gedaan om zichzelf te weerhouden. Integendeel, door prostituées te gaan bezoeken voedde hij deze driften en bevorderde zo het risico tot het begaan van ernstige strafbare feiten. Zijn pogingen om hulp te zoeken worden door de rechtbank onvoldoende bevonden, omdat hij tegenover de huisarts en psychiater geen openheid van zaken had gegeven vanwege vrees daarmee zijn vrijheid op het spel te zetten. Dat vormt voor de rechtbank voldoende redenen om de verdachte de feiten, in weerwil van de voorliggende conclusie ter zake van verminderde toerekeningsvatbaarheid vollledig toe te rekenen en te besluiten tot het opleggen van een levenslange gevangenisstraf. Ook hier geeft de strafrechter zich rekenschap daarvan, maar kan de verminderde toerekeningsvatbaarheid geen tegenwicht bieden aan de ernst van de feiten en het daarin gelegen maatschappelijk verwijt.

Dolus in causa

In het bovenbeschrevene ligt echter nog een factor van belang besloten die aandacht behoeft, het gewicht dat de Groningse rechtbank in bovenvermelde zaak toekent aan de, aan het strafbare feit voorafgaande, handelswijze van verdachte. De rechtbank tilt zwaar aan het feit dat verdachte tegenover de huisarts en psychiater geen openheid van zaken heeft gegeven en bovendien de voorgeschreven medicatie niet tot zich heeft genomen. Dit telt temeer nu verdachte uit hoofde van eerdere behandeling bekend moet zijn geweest met hetgeen waartoe de door hem onderkende symptomen konden leiden. Met andere woorden: door zo te handelen schond de verdachte een zekere zorgplicht en creëerde hij een dolus in culpa-achtige situatie door onder deze risicovolle omstandigheden omgang te zoeken met prostituées.

Een zelfde soort verwijt klinkt door in de uitspraak van het hof Leeuwarden van 6 november 2003 (AN 7637). Daar betrof het een verdachte die eerder veroordeeld was voor het onder invloed van alcohol plegen van excessief geweld, en uit dien hoofde op de hoogte was van de ontremmende werking die alcohol op hem had. Door zich onder invloed van alcohol te mengen in een caféruzie, met als tragische afloop de doodslag door verdachte op een willekeurige bezoekster resp. de poging tot doodslag op een andere bezoeker, schond deze verdachte naar het oordeel van het hof een op hem rustende zorgplicht en was er ook te aanzien van hem sprake van dolus in culpa.  In weerwil van de voorliggende conclusie betreffende verminderde toerekeningsvatbaarheid meent het hof verdachte’s daden volledig toe te moeten  rekenen, en wordt hem een langdurige vrijheidsstraf opgelegd. Ook hier verantwoordt de strafrechter zijn keuze om de verminderde toerekeningsvatbaarheid niet te verdisconteren in de strafmaat.

Het combinatievonnis in het licht van de proportionaliteit

Wat men in alle beschreven uitspraken, impliciet of expliciet, terugvindt is de spanning tussen de mate van het verwijt en de duur van de straf. Hetzelfde geldt voor de rechterlijke keuze een combinatie van een langdurige, soms zelfs levenslange gevangenisstraf, en een TBS met bevel tot verpleging vonnis op te leggen.

Nu betreft het hier zonder uitzondering ernstige strafbare feiten, veelal levensdelicten en een enkele maal zedendelicten. Dergelijke strafbare feiten brengen niet alleen een ernstige verstoring van de rechtsorde met zich mee, maar hebben ook verstrekkende gevolgen voor slachtoffers en nabestaanden. Vergelding wordt dan, evenals de wens tot maatschappijbeveiliging als strafdoel aangemerkt en kan op gespannen voet staan met de noodzaak rekening te houden met gedragsdeskundige conclusies ter zake van verminderde toerekeningsvatbaarheid. De vraag die rijst is welk gewicht binnen het geheel van factoren wordt toegekend aan de proportionaliteit.

Nu wordt, onder vigeur van de jurisprudentie van de Hoge Raad, sinds jaar en dag een sterk gerelativeerde betekenis toegekend aan de proportionaliteit. Het adagium ´straf naar de mate van schuld´ is immers losgelaten binnen het Nederlandse strafrecht (HR 10 september 1957, NJ 1958, 5). Binnen de heersende verenigingstheorie is  proportionaliteit slechts één van de aspecten waarop de strafrechter zich bij de straftoemeting richt. In overeenstemming daarmee is de combinatie van een gevangenisstraf van enige duur met een daarop volgende maatregel TBS met bevel tot verpleging vast onderdeel gaan uitmaken van onze sanctiepraktijk. Zoals het Hof Leeuwarden in haar uitspraak van 6 november 2003 (AN 7637) opmerkt verzet geen enkele rechtsregel zich daartegen.

Uit de aard van de zaak vergt zo’n combinatievonnis echter wel nadere motivering, zeker wanneer de duur van de opgelegde vrijheidsstraf het proportionele schuldverwijt fors overtreft. Veelal ligt de motivering daarvoor in de sfeer van de ernst van de feiten, maar de aanleiding daartoe kan ook gelegen zijn in de persoon van de verdachte; ook kunnen beide overwegingen een rol spelen. Zo  nam de rechtbank Assen het de verdachte van een verkrachting resp. poging tot moord ´zeer kwalijk´ dat deze bleef ontkennen en zodoende ´niet, naar zijn beste kunnen, de verantwoordelijkheid neemt voor hetgeen hij heeft aangericht´ (Rechtbank Assen 23 maart 2004, AO 6059. De verdachte werd dan ook veroordeeld tot zes jaar gevangenisstraf en TBS met verpleging.

In dezelfde lijn, zij het wat neutraler geformuleerd, verdisconteerde de rechtbank Arnhem (Rb Arnhem 4 juli 2003, AH 9202) de meedogenloze wijze waarop verdachte was omgegaan met de door hem verkrachte en bedreigde slachtoffers (waaronder een hoogzwangere vrouw), alsmede het feit dat verdachte had verklaard de strafbare feiten ´als een soort experiment te beschouwen om uit te zoeken of hij met dit gedrag kon wegkomen’. Deze houding van de nog jeugdige verdachte werd hem door het Arnhemse hof zwaar aangerekend en gaf aanleiding tot het opleggen van een straf die hoger lag dan geëist, te weten tien jaar gevangenisstraf en TBS met bevel tot verpleging.

In de uitspraak van de rechtbank Roermond in de zaak Steegmans (Rb. Roermond 24 april 2003, AF 7813) ligt het wat gecompliceerder. Hoewel ook hier uiteindelijk de ernst van het feit en het veroorzaakte leed het zwaarst wegen, geeft de rechtbank in zijn straftoemetingsoverwegingen blijk zich rekenschap te hebben gegeven van de problematische jeugd die de verdachte heeft gehad en zijn inspanningen om adequaat om te gaan met het ontbreken van een deugdelijk gestructureerde leefomgeving. Dat doet evenwel geen afbreuk aan zijn verantwoordelijkheid. ´Het is tekenend, maar ook schrijnend, overweegt de rechtbank, ´om te zien dat de verdachte vanuit zijn eigen invulling van wat goed is en respect inhoudt geen kans ziet de verantwoordelijkheid te nemen voor zijn gedrag en de verantwoordelijkheid daarvan in te zien´. Verdachte wordt veroordeeld tot acht jaar gevangenisstraf en TBS met bevel tot verpleging.

Prevaleren van het behandelbelang

Echter, er speelt nog een factor in de laatstgenoemde zaak, namelijk het belang van de verdachte bij een vlotte aanvang van de behandeling in het kader van de maatregel TBS. Een langdurige gevangenisstraf zou, met name bij jeugdigen verdachten als in casu, kunnen leiden tot een psychische verharding en zo in de weg staan aan het behandelbelang. De rechtbank onderkent het behandelingsbelang, maar laat de ernst van de feiten en de gevoelde noodzaak tot vergelding prevaleren.

Ook het hof Leeuwarden maakt in haar uitspraak van 6 november 2003 (AN 7637) een afweging tussen het behandelbelang en de maatschappelijke genoegdoening. Dat verdachte, als bepleit door de raadsman, wellicht belang heeft bij een spoedige behandeling in het kader van de maatregel TBS, staat de noodzaak tot het opleggen van een langdurige vrijheidsstraf niet in de weg: ´een duidelijke genoegdoening’  is vereist. De stelling van de raadsman dat het opleggen van een langdurige vrijheidsstaf slechts ´een cosmetisch effect´ zou hebben, gelet op de bekorting van de reële duur daarvan via toepassing van de vervroegde invrijheidstelling vindt geen gehoor bij het hof, als was het alleen maar vanwege het feit dat wachtlijsten een spoedige behandeling in het kader van de TBS illusoir maken. Maar ook de A-G, die met het oog op de ernst van de feiten meende dat de gevangenisstraf geheel moest worden uitgezeten krijgt nul op rekest; het hof wenst geen gebruik te maken van haar adviesbevoegdheid inzake de aanvangsdatum van de behandeling (art. 37b Sr).

Overigens kan de plaatsingsproblematiek ook op andere wijze een rol spelen, zoals blijkt uit de uitspraken van de rechtbank Leeuwarden van 26 juni 2001 (A 2295), resp. 6 februari 2003 (AF 5943). Plaatsingsproblemen veroorzaakt door wachtlijsten mogen niet worden doorgerekend aan de verdachte in de vorm van een zwaardere straf of maatregel, meent de rechtbank. Het opleggen van een langere vrijheidsstraf teneinde de plaatsingstermijnen voor de TBS met voorwaarden te kunnen overbruggen, als gevorderd door het openbaar ministerie, wordt niet overwogen. Hoewel behandeling ook naar het oordeel van de rechtbank geïndiceerd is, volstaat zij met het ter zake van afpersing en roofoverval opleggen van een gevangenisstraf van twaalf maanden, waarvan vier maanden voorwaardelijk.

Dezelfde rechtbank trekt een dergelijke conclusie ook in een zaak tegen een ter zake van brandstichting veroordeelde dader. De officier verhoogt de oorspronkelijke eis (achttien maanden en TBS met voorwaarden), teneinde te bewerkstelligen dat de verdachte gedetineerd blijft tot het moment dat er een plek voor hem is in het behandelcircuit. De rechtbank wijst deze constructie af. Hoewel bescherming van de samenleving tegen herhaling wenselijk is, ´gaat het niet aan, dat nu de maatschappij blijkbaar niet in staat is om tijdige plaatsingsmogelijkheden te creëren of in stand te houden voor personen als  (…) dergelijke personen alleen al om die reden in detentie te houden terwijl een kortere vrijheidsstraf, gelet op de verminderde toerekeningsvatbaarheid aangewezen is`. Volstaan wordt met het opleggen van een gevangenisstraf voor de duur van 163 dagen en een TBS met voorwaarden.

TBS met voorwaarden: onvoldoende veiligheid geboden

Afgaande op de hier beschreven uitspraken is de strafrechter niet altijd even enthousiast over de TBS met voorwaarden. De kwaliteit van de maatregel, in het bijzonder de beheersing van het maatschappelijk risico laat te wensen over. Om die reden ziet de Utrechtse rechtbank (Rb Utrecht 15 maart 2004, AO 5601), anders dan het openbaar ministerie, geen heil in het opleggen van een TBS onder voorwaarden aan de verdachte die in de ballenbak van Ikea jonge kinderen had aangerand. De ´actieve, dwingende wijze´ waarop de verdachte zijn slachtoffers benaderde, in samenhang met de veelvuldige specifieke recidive en het gebrek aan ziekteinzicht maakten het volgens de rechtbank onverantwoordelijk mee te gaan met de eis van het openbaar ministerie, dat een jaar gevangenisstraf en een TBS met voorwaarden had gevorderd. De rechtbank zag in de voorwaardelijke TBS ‘onvoldoende waarborgen om kinderen tegen deze verdachte te beschermen’ en veroordeelde hem tot zes maanden gevangenisstraf en een TBS met bevel tot verpleging.

Een ander argument om de, door gedragsdeskundigen geadviseerde voorwaardelijke variant op te leggen ligt besloten in de ernst van de feiten, het opleggen daarvan voldoet niet aan de vereiste proportionaliteit. Echter dan niet gemeten aan het geïndividualiseerde schuldverwijt, maar aan de ernst van de feiten. Onder deze categorie valt de uitspraak van de rechtbank Zutphen in de zaak tegen de moeder van Rowena Rikers, waarin een gevangenisstraf van acht jaar werd opgelegd (Rb. Zutphen, 17 januari 2003, AF 3006).

Besluit

Wat nu leert bovenstaande bloemlezing van overwegingen betreffende de straftoemeting in relatie tot de door gedragsdeskundigen vastgestelde verminderde toerekeningsvatbaarheid? Kan daaruit worden afgeleid dat de strafrechter strenger is gaan straffen, in die zin dat het geïndividualiseerde schuldverwijt als straftoemetingsfactor van minder belang wordt geacht dan andere strafmaatbepalende factoren? Ons inziens moet deze vraag positief worden beantwoord, zij het dat daar een aantal kanttekeningen bij moet worden geplaatst. In de eerste plaats betreft het, als gezegd, een bloemlezing van recente jurisprudentie; daar mogen geen generaliserende uitspraken aan worden verbonden. Zeker geen gevolgtrekkingen die het beeld van de rechter als crime fighter zouden ondersteunen. Voor zover uit bovenstaande conclusies kunnen worden getrokken moeten die genuanceerd, tegen de achtergrond van de feiten waarop zij betrekking hebben worden beoordeeld. Zonder uitzondering gaat het om ernstige gevaarzetting, in de meerderheid van zaken om zeer ernstige levensdelicten. Het laten prevaleren van de bescherming van de samenleving met in dit licht worden begrepen en is volkomen acceptabel. Anders ligt dat voor de combinatie van een langdurige vrijheidsstraf met een TBS met bevel tot verpleging. Hier lijkt de strafrechter meer afstand te hebben genomen van traditionele uitgangspunten als het geïndividualiseerde schuldverwijt en het vereiste van proportionaliteit. Hoewel het, als gezegd uiterst gewelddadige, strafbare feiten betreft dreigt de maatregel TBS, door de gelijktijdige oplegging van langdurige vrijheidsstraffen hier aan betekenis in te boeten, en met haar de waardering voro het geïndividualiseerde schuldverwijt. In die gevallen krijgen verdachten meer dan zij, gemeten naar hun handelingsvrijheid, ‘verdienen’. Hoewel het prevaleren van de maatschappelijke veiligheid in dergelijke zaken begrijpelijk is, verdwijnt de schuld als grondslag voor de straf zo te ver naar de achtergrond. In dat opzicht verdient het zeker aanbeveling voor de strafrechter zich te bezinnen op de strafdoelen in relatie tot de mate van verwijt.

C. Kelk

R.S.B. Kool

 


[1] Nogmaals controleren via studentassistenten. Ramon heeft uit WODC-bronnen gehaald dat aantal levenslange gevangenisstraffen niet is toegenomen. Anders: Anker in Nieuwsbrief 2004, overigens is levenslang in Playstation-zaak in HB teruggedraaid