We hebben 233 gasten online

Hoofdstuk 19: Dawanpersad (Dawan)S. Levenslang, misdaden in proefverlof TBS

Gepost in Boek: De praktijk van de levenslange gevangenisstraf in Nederland

Dawanpersad (Dawan) S. wordt in 1959 in Suriname geboren.

19.1 Leven grotendeels doorgebracht in de gevangenis

Hij heeft vanaf 1990 zijn leven grotendeels doorgebracht in verschillende gevangenissen en behandelinrichtingen[1]:

In 1990 is hij veroordeeld voor de verkrachting van een 11-jarig meisje en is geplaatst in een inrichting voor buitengewone behandeling.
Nadat hij in juni 1992 vrijkwam heeft hij binnen een korte periode, te weten binnen 5 maanden, de heer [slachtoffer 2] verkracht en beroofd en in maart 1993 wederom een verkrachting gepleegd, ditmaal van zijn voormalige schoonzus.
Tijdens zijn voorarrest voor dit laatstgenoemde feit gijzelde hij een bewaarster. Voor beide feiten, de verkrachting en de gijzeling werd hij veroordeeld tot 3 jaar gevangenisstraf. Tot maart 1995 verbleef verdachte in verschillende gevangenissen.
Slechts 5 maanden later (augustus 1995) pleegde verdachte een reeks delicten, ditmaal een poging tot verkrachting van een zwangere vrouw, diefstal met geweld, afpersing en bedreiging, en werd daarvoor veroordeeld tot 6 jaar gevangenisstraf. Daarbij werd hem de maatregel tbs met dwangverpleging opgelegd. Tijdens zijn verblijf in de gevangenis voor deze feiten stak verdachte een medegevangene neer.
Vanaf 1999 verbleef verdachte in een tbs-inrichting tot 16 december 2002, op die datum keerde hij niet terug van een proefverlof. Twee dagen later pleegde verdachte de overval op een juwelier in Rotterdam en op 16 januari 2003 dringt hij het huis van de 80-jarige Piet van Harpen binnen  schiet deze koelbloedig dood en versleept het lijk om de kast te doorzoeken en zoekt daarna gedurende een uur in het huis naar buit.

19.2 Strafzaak Rechtbank Den Haag                    

Officier van Justitie mr. E. Koole noemde[2] Dawanpersad S. 'gewetenloos, een wandelende tijdbom, een gepantserd en onkwetsbaar persoon. Kole eiste op 4 december 2003 voor de rechtbank in Den Haag een levenslange gevangenisstraf tegen de man, die tijdens de moord voortvluchtig was. Hij was niet teruggekeerd van een onbegeleid proefverlof uit de tbs-kliniek De Kijvelanden. De officier kwam tot haar opmerkelijk hoge eis, omdat de man behalve van de moord op de bewoner van de Noordpolderkade (Molenwijk) ook wordt verdacht van een gewapende overval op een juwelier in Rotterdam, een poging tot doodslag op de eigenaar van de zaak en de verkrachting en beroving van een verstandelijk gehandicapte. Bovendien is het leven van de verdachte sinds 1989 een aaneenschakeling van gevangenisstraffen en ernstige misdrijven. In 1989 probeerde de man op 17-jarige leeftijd een 11-jarig meisje te verkrachten. Hij werd in 1990 veroordeeld tot een soort jeugd-tbs, maar kwam in 1992 vrij. In maart 1993 werd de man veroordeeld voor de gijzeling en verkrachting van een vrouw. Ruim twee jaar later overviel hij een bank in het Zeeuwse Goes. Ook pleegde hij in die stad een gewapende overval op een echtpaar. De hoogzwangere vrouw van het stel poogde hij te verkrachten. De man werd voor dit misdrijf veroordeeld tot zes jaar cel en tbs. Nadat hij op 15 december op proefverlof mocht, overviel de verdachte volgens officier Kole op 18 december een juwelierszaak in Rotterdam. De overval mislukte. Toen de eigenaar van de zaak naar buiten rende en viel, kwam de 31-jarige op hem af, richtte zijn vuurwapen en schoot. De eigenaar liep als door een wonder slechts een schampschot op.

Na de overval vertrok de man naar Den Haag en verbleef daar bij familie. Ondanks hun aandringen terug te keren naar de tbs-kliniek, bleef hij in de stad. Op donderdag 16 januari ontmoette hij op de Rijswijkseweg Piet van Harpen en bood hem aan zijn tas te dragen. Een week nadat het lichaam van 'ome Piet' was gevonden, had de politie nog geen idee van de identiteit van de dader. Een doorbraak volgde toen een zwager van de verdachte het politiebureau Laak binnenliep met een vuurwapen dat hij in zijn kelderbox had gevonden. Het wapen was vermoedelijk van de broer van zijn vrouw. Omdat de politie nu eindelijk de verblijfplaats kende van de 31-jarige voortvluchtige tbs'er, kon deze worden aangehouden. Toen bleek dat zijn pistool het wapen was waarmee de 80-jarige Van Harpen was doodgeschoten, werd hij voor de moord gearresteerd. Omdat de verdachte volgens officier van justitie Kole kennelijk geen enkele baat heeft gehad bij de tbs-behandeling, kon zij volgens eigen zeggen geen andere straf dan levenslang eisen.

 De conclusies en advies van F.R. Kruisdijk, psychiater en A.J. de Groot, psycholoog, beide deskundigen van het Pieter Baancentrum komen in het kort op neer dat S. een persoonlijkheidsstoornis met narcistische en antisociale -psychopathiforme- trekken heeft.

De afgelopen 13 jaren is verdachte slechts een enkele maanden op vrije voeten geweest. Tussen het beëindigen van de vrijheidsstraffen en het plegen van wederom zeer ernstige delicten zat telkens slechts luttele maanden, zodat verdachte direct weer hoge vrijheidsstraffen kreeg opgelegd. Blijkbaar hebben deze straffen, die verdachte de afgelopen jaren heeft moeten ondergaan, hem er nooit van weerhouden om in herhaling te vallen. Zelfs behandeling in een tbs-instelling heeft niets veranderd aan het gedrag van verdachte. Sterker nog, verdachte pleegde tijdens een proefverlof van de tbs-inrichting delicten die wellicht nog ernstiger genoemd kunnen worden dan alle voorgaande. De kans op herhaling lijkt, alle straffen en maatregelen ten spijt, op geen enkele wijze verminderd te kunnen worden.

De rechters achtten psychiatrische behandeling nutteloos. 'De kans op herhaling lijkt op geen enkele wijze verminderd te kunnen worden.' Psychiaters spraken van een 'uitgeharde' persoonlijkheidsstoornis. 

De ernst en het aantal van de bewezen verklaarde feiten, alsmede de omstandigheden waaronder zij zijn gepleegd, maar evenzeer het belang van normbevestiging rechtvaardigen op zichzelf de levenslange gevangenisstraf welke de officier van justitie geëist heeft. 
Slechts levenslange vrijheidsstraf kan leiden tot adequate vergelding van de door verdachte begane strafbare feiten en tot effening van de schade die verdachte door de bewezen verklaarde feiten aan de rechtsorde heeft toegebracht[3].

19.3 Hoger beroep Gerechtshof Den Haag

Dawanpersad S.gaat in beroep tegen de beslissing van de rechtbank.

Verklaring verdachte tijdens de behandeling door het Gerechtshof:[4]' "Ik zag [slachtoffer 1] op straat lopen met een boodschappentas. Ik bood aan hem te helpen. Ik heb de tas naar zijn woning gebracht Ik heb de tas neergezet. Ik vroeg of ik even naar de wc kon. Ik had het vuurwapen in mijn broek. Toen ik weer in de kamer kwam, haalde ik het pistool uit mijn broek en zei ik tegen de man: "Mag ik geld alsjeblieft?" Toen richtte ik op hem. Ik stond 50 centimeter van hem af. Ik heb de portemonnee van het slachtoffer op de tafel gelegd. Ik pakte het geld en ben weggegaan."

En onder punt 3.3 Cassatie Hoge Raad: "In zijn woning pakte ik mijn wapen, laadde het door en ik schoot gewoon gericht op [slachtoffer 1]. Ik had de geluiddemper er eerst op geplaatst. Ik heb zijn portemonnee uit zijn zak gehaald en er een paar euro uitgehaald."

Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 18 februari 2005 houdt als verklaring van de verdachte, voor zover hier van belang, in[5]

"De verklaringen die ik eerder heb gegeven over hetgeen in de woning van [slachtoffer 1] is gebeurd, kloppen niet. Door mijn onzekerheid over mijn sexuele geaardheid heb ik een verkeerde gang van zaken verteld. Het doodschieten van [slachtoffer 1] was een ongeluk. Ik kwam uit een koffieshop. Ik zag [slachtoffer 1] op straat lopen met een zware boodschappentas en ik bood aan hem te helpen. Ik heb de tas naar zijn woning gebracht. Ik vroeg om een glas water en of ik naar de wc mocht. Toen ik uit de wc kwam, had [slachtoffer 1] zijn gulp open en deed hij zijn riem los. Ik dacht toen dat hij sex met mij wilde hebben. Ik schrok en ik werd kwaad. In het verleden ben ik sexueel misbruikt. Ik pakte mijn wapen, laadde het door en ik schoot gewoon gericht op [slachtoffer 1]. Ik had de geluiddemper er eerst op geplaatst. Om het te laten lijken op roof heb ik het slachtoffer omgedraaid en heb ik zijn portemonnee uit zijn zak gehaald. Ik heb er een paar euro uitgehaald. Ik heb rommel in de woning gemaakt. Ik had elke dag mijn wapen bij mij. Ik had het in bewaring voor een vriend. Het wapen was niet doorgeladen. De geluiddemper had ik in mijn zak. Ik heb de geluiddemper toch niet gebruikt, ook al heb ik zoëven verklaard van wel."

Het advies van de deskundigen, opgemaakt door A.J. de Groot, psycholoog en F.R. Kruisdijk, psychiater: uit het rapport d.d. 12 augustus 2005 luidt - kort en zakelijk weergegeven -[6]: "In tegenstelling tot de vorige observatieperiode werkt de verdachte nu mee aan de rapportage in die zin dat hij een bekennende verdachte is ten aanzien van de feiten 1 en 3, hoewel hij verkrachting ontkent. Door de medewerking kon een volledig hernieuwd onderzoek uitgevoerd worden en werd een toenemend inzicht verkregen in de ontwikkeling en persoonlijkheidsontwikkeling. Hierbij valt een ernstige persoonlijkheidsstoornis vast te stellen met een fragmentarische borderline organisatie met narcistische kenmerken en een antisociale ontwikkeling, die als psychopathiform kan worden beschreven. Er is sprake van een seksuele identiteitsdiffusie die voortkomt uit zijn algehele identiteitsdiffusie, passend bij een borderline organisatie van de persoonlijkheid. De (rand)psychotische en depressieve reactie en seksuele drang- c.q. dwanghandelingen passen bij de symptomatologie van een gedecompenseerde borderline organisatie als de draaglast de draagkracht van zijn psyche heeft overschreden. Er zijn echter geen aanwijzingen dat dit toestandsbeeld - randpsychose, depressie en dwangmatigheid - aanwezig was ten tijde van de ten laste gelegde feiten.

Evenmin zijn er aanwijzingen voor een posttraumatische stressstoornis ten gevolge van het door de verdachte opgevoerde seksuele misbruik in zijn jeugd. De verdachte neigt doorgaans eerder tot uitageren ('acting-out') als hij plotseling onder druk komt te staan of zich bedreigd voelt, dan tot internalisering van spanning (dissociatie).

De door de verdachte opgevoerde verklaring voor het doden van het slachtoffer [slachtoffer 1] (feit 1) zoals weergegeven op bladzijde 30/31 van het rapport: dat hij de oude man hielp met de boodschappen over straat brengen, vervolgens de boodschappen naar boven droeg en even van het toilet gebruik maakte; dat - toen hij gebruik had gemaakt van het toilet - het slachtoffer met de gulp open en met zijn riem los in de kamer stond; dat hij dacht dat de man iets van hem moest, iets van sexuele aard; dat hij vervolgens geen moment aarzelde, het pistool uit zijn zak pakte, dit doorlaadde en gericht op het slachtoffer schoot; dat hij al geschoten had voordat hij het wist en dat hij niemand meer aan zich laat komen na sexueel misbruikt te zijn; dat hij het op een overval wilde doen lijken en daarom de portemonnee van het slachtoffer heeft afgenomen en de woning heeft doorzocht kan door het ontbreken van een posttraumatische stressstoornis in ieder geval vanuit de stresstheorie moeilijk geplaatst worden als een affectief-defensieve reactie, waarbij hij sneller handelde, naar aanleiding van een vermeende seksuele trigger, dan hij kon denken. Zijn geheugen rondom het tenlastegelegde is intact, het slachtoffer was van een hoge leeftijd in tegenstelling tot degene die hem misbruikt zou hebben, zodat onwaarschijnlijk is dat een openstaande gulp alleen voldoende trigger is geweest om tot een dergelijke impulsief reactieve daad over te gaan. De aanwezigheid van een vuurwapen, het afnemen van geld en het doorzoeken van de woning zijn eveneens moeilijk in te passen in het door de verdachte opgeroepen beeld van een affectieve reactie om het gevaar te bezweren". 

Op bladzijde 35 van het rapport wordt bovendien gesteld: "Verwacht zou worden dat de verdachte dan zo geschrokken was van de bedreiging met vermeend seksueel misbruik en het besef het slachtoffer gedood te hebben dat hij spoorslags de plaats delict verlaten zou hebben. (...)."
(...)

Het hof[7] neemt de conclusie uit het rapport d.d. 12 augustus 2005 - die gelijk is aan de bovengenoemde conclusie uit het hierboven aangehaalde rapport d.d. 28 november 2003 - over en maakt deze tot de zijne. Het hof acht de verdachte terzake van de onder 2 primair en 3 bewezenverklaarde feiten enigszins verminderd toerekeningsvatbaar en terzake van het onder 1 primair bewezenverklaarde feit volledig toerekeningsvatbaar."

Het hof neemt echter het advies uit het rapport d.d. 12 augustus 2005, inhoudende dat een behandeling binnen de TBS van de meer dynamische pathologie, in de meer relationele sfeer, nog kan bijdragen aan de inperking van het delictgevaar, niet over. Het hof acht met de onderzoekers de verdachte zeer recidivegevaarlijk, doch zal niet de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging opleggen. De verdachte bevond zich reeds voor het plegen van het onder 1 primair bewezenverklaarde feit in het traject van terbeschikkingstelling met dwangverpleging, welke behandeling kennelijk het gedrag van de verdachte niet heeft kunnen veranderen en het recidiverisico niet heeft kunnen inperken. De verdachte heeft het onder 1 bewezenverklaarde feit gepleegd tijdens een proefverlof. 

Het hof is van oordeel dat, gelet op de reeds eerder opgelegde terbeschikkingstelling met dwangverpleging, het nogmaals opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging het gedrag van de verdachte niet in een zodanige mate kan veranderen en het recidiverisico niet in een zodanige mate kan verminderen dat een - voor de maatschappij veilige - terugkeer in die maatschappij een reële en haalbare mogelijkheid is. Derhalve acht het hof het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling niet geïndiceerd.

De raadsman van de verdachte heeft voorts ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat, nu de verdachte reeds een maatregel tot terbeschikkingstelling met dwangverpleging opgelegd heeft gekregen, het opleggen van een levenslange gevangenisstraf onmogelijk dan wel uiterst problematisch is[8]. Het hof is echter van oordeel dat het eventueel opleggen van een levenslange gevangenisstraf wel tot de mogelijkheden behoort, ondanks het feit dat de verdachte reeds de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging opgelegd heeft gekregen. Immers, die oplegging van de maatregel tot terbeschikkingstelling heeft plaatsgevonden in een andere dan de onderhavige strafzaak. Deze terbeschikkingstelling is overigens ook thans opgeschort.

Zoals reeds door het hof hierboven is uiteengezet, is het hof van oordeel dat het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging in de onderhavige strafzaak het genoemde recidiverisico niet kan inperken tot een voor de samenleving acceptabel en veilig niveau.

Het hof heeft zich nadrukkelijk beraden over de thans resterende vraag of aan de verdachte een langdurige gevangenisstraf van tijdelijke aard dan wel een levenslange gevangenisstraf dient te worden opgelegd. Het hof heeft bij de beantwoording van deze vraag vooropgesteld dat de verdachte, ook bij zeer ernstige misdrijven als de onderhavige, uit humanitaire overwegingen in beginsel uitzicht behoort te hebben op een terugkeer in de samenleving. Het hof heeft in het bijzonder gelet op de vraag of te verwachten valt dat de verdachte, indien een gevangenisstraf van tijdelijke aard zou worden opgelegd, na zijn vrijlating wederom strafbare feiten zal gaan plegen. Het hof is, onder andere op grond van het rapport van het Pieter Baan Centrum d.d. 12 augustus 2005, alsmede op grond van verdachtes Justitiële Documentatie, van oordeel dat de kans op herhaling van soortgelijke ernstige dan wel andere strafbare feiten zeer groot is. De verdachte is in 1993 veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren en in 1996 tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren, met oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging. Het opleggen van langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraffen weerhoudt de verdachte er kennelijk niet van om wederom ernstige strafbare feiten te plegen. De kans op herhaling wordt naar het oordeel van het hof derhalve niet verminderd door het opleggen van een (langdurige) tijdelijke gevangenisstraf. Het onder 2 primair en 3 bewezen verklaarde kan de verdachte in enigszins verminderde mate worden toegerekend. Het onder 1 primair bewezen verklaarde, voor welk feit een levenslange gevangenisstraf kan worden opgelegd, kan aan de verdachte daarentegen volledig worden toegerekend. Al het bovenstaande in overweging genomen, is het hof van oordeel dat slechts een levenslange gevangenisstraf kan leiden tot preventie van soortgelijke delicten door de verdachte in de toekomst, tot adequate vergelding van de door verdachte begane misdrijven en tot effening van de schade die de verdachte door die feiten aan de rechtsorde heeft toegebracht. Het hof zal derhalve aan de verdachte een levenslange gevangenisstraf opleggen.

19.4 Cassatie Hoge Raad.

De Hoge Raad onder punt 5.9[9] In cassatie kan niet worden beoordeeld of de juiste straf is opgelegd. Het is verder vaste jurisprudentie dat het tot het domein van de feitenrechter behoort de factoren die hij voor de bepaling van de straf van belang acht, te kiezen en te waarderen.( Vgl. A.A.J. van Dorst, Cassatie in strafzaken, 5e dr., blz. 220 en de aldaar genoemde jurisprudentie.) Hier gaat het om de zwaarst denkbare straf (met name vanwege het in beginsel ontbreken van perspectief voor de veroordeelde), die mijns inziens met de grootst mogelijke terughoudendheid moet worden toegepast. Zeker als men daarbij bedenkt dat de Nederlandse regelgeving met betrekking tot de tenuitvoerlegging gebrekkig is, of eigenlijk ontbreekt.(De vroegere periodieke toetsing en de daarmee samenhangende mogelijkheid om bij wege van ambtshalve gratie de veroordeelde "op jaren te stellen" bestaat blijkbaar ook niet meer.) Zij voorziet, anders dan in de meeste Europese landen gebruikelijk is en internationaal als wenselijk wordt gezien, er bijvoorbeeld niet in dat na een bepaalde periode de noodzaak tot voortzetting van de tenuitvoerlegging wordt getoetst waardoor ook de levenslang gestrafte enig perspectief wordt geboden en wordt voorkomen dat de beslissing van de strafrechter een periode bestrijkt die hij in feite niet kan overzien. (Zie het advies van 1 december 2006 van de van de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming "Levenslang, perspectief op verandering" vooral blz. 8-11. Zie ook EHRM, 11 april 2006, Léger v. France, nr. 19324/02. Het is de vraag of de Nederlandse praktijk de toetsing aan het EVRM kan doorstaan.) 

5.10 De oplegging van een levenslange gevangenisstraf vergt daarom een zorgvuldige weging van de relevante factoren en een even zorgvuldige als duidelijke weergave van de gedachtegang van de rechter in zijn strafmotivering.(Vgl. HR 28 februari 2006, LJN AU 9381, NS 2006, 112, waarin de motivering van de levenslange gevangenisstraf onvoldoende werd bevonden. De zaak verschilt echter op verschillende punten van de onderhavige waarin de verdachte volledig toerekeningsvatbaar is geacht.) Zoals uit het voorgaande voortvloeit meen ik echter, anders dan de steller van het middel, dat de keuze van de straf niet onbegrijpelijk is. De motivering van de strafoplegging kan mijns inziens de toetsing in cassatie doorstaan.
5.11 Het middel kan dus niet tot cassatie leiden.

 Arrest  Hoge Raad[10] 

Verdachte heeft het slachtoffer (een oudere man, aan wie hij had aangeboden te helpen bij het dragen van een zware boodschappentas naar diens huis) in diens woning doodgeschoten. Vlgs. eerdere verklaringen wilde hij de man beroven. Op de ttz in appel verklaart hij niet het oogmerk te hebben gehad om door de doodslag de diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken. Verdachte zou a.g.v. seksueel misbruik in zijn jeugd zijn “getriggered” door de openstaande gulp van het slachtoffer en uit kwaadheid het slachtoffer gericht hebben doodgeschoten. HR: Het hof heeft, zich baserend op een PBC-rapportage, het o.g.v. het onderzoek ttz onaannemelijk geacht dat de door en namens verdachte aangevoerde omstandigheden duiden op een affectief-defensieve reactie n.a.v. een vermeende seksuele “trigger”, het onwaarschijnlijk geacht dat een openstaande gulp voldoende “trigger” is geweest tot de gestelde impulsief reactieve daad van het doodschieten van het slachtoffer en ook de aanwezigheid van een vuurwapen, het afnemen van geld en het doorzoeken van de woning moeilijk inpasbaar geacht in het door verdachte opgeroepen beeld van een affectieve reactie om het gevaar te bezweren. Het hof heeft, zonder miskenning van het voorschrift van art. 359.2 Sv, voldoende duidelijk tot uitdrukking gebracht waarom het bij de selectie en waardering van het voorhanden bewijsmateriaal de inhoud van de ttz in appel afgelegde verklaring van verdachte in dit opzicht terzijde heeft gelaten en de inhoud van de eerder afgelegde verklaringen van verdachte voor het bewijs heeft gebezigd.

 

Door het arrest van de Hoge Raad is de levenslange gevangenisstraf onherroepelijk geworden.


[1] Rechtbank Den Haag LJN AO0590 18-12-2003

[2] Haagsche Courant 5-12-2003

[3] Rechtbank Den Haag LJN AO0590 18-12-2003

[4] Gerechtshof Den Haag LJN AU8796

[5] Cassatie Hoge Raad LJN AZ7732

[6] Gerechtshof Den Haag LJN AU8796

[7] Gerechtshof Den Haag LJN AU8796

[8] Gerechtshof Den Haag LJN AU8796

[9] Gerechtshof Den Haag LJN AU8796

[10] Hoge Raad LJN AZ 7732 27-03-2007

Gebruikte Bronnen:

Rechtbank Den Haag LJN AO0590 18-12-2003

Gerechtshof Den Haag LJN AU8796 23-12-2005

Hoge Raad LJN AZ7732  27-03-2007

Anker & Anker: Overzicht levenslang gestraften in Nederland tot 1 december 2008.

Haagsche Courant: 05-12-2003 Moord volgde na hulp met boodschappen.

Haagsche Courant: Salomé, Robbert: 10-12-2003: Moordenaar ome Piet krijgt levenslang

Zie verder Hoofdstuk 20: De Kaapsepleinmoorden. Birol C.