We hebben 306 gasten online

Hoofdstuk 22: Frans Boons tbs 'er vermoorde een mede-tbs er...en krijgt levenslang

Gepost in Boek: De praktijk van de levenslange gevangenisstraf in Nederland

Frans Boons werd verpleegd in de Pompekliniek te Nijmegen. De Pompekliniek is een particuliere instelling voor forensische psychiatrie in Nijmegen.

Op het internet wordt als voornaamste doel van de  Pompekliniek aangegeven als 'bijdragen aan de veiligheid van de maatschappij'. Ongeveer drie kwart van de tbs-patiënten die naar de Pompestichting komen, heeft een persoonlijkheidsstoornis. Veel patiënten hebben tevens een verslavingsprobleem. Patiënten met een persoonlijkheidsstoornis worden (voor het grootste deel) behandeld in de Pompekliniek in Nijmegen. Zij komen uit een gevangenis, waar zij (een deel van) de straf hebben uitgezeten die de rechten hen tegelijk met de tbs heeft opgelegd. Of zij komen uit een andere tbs-kliniek waar hun behandeling onvoldoende van de grond kwam.

22.1 Vermissing Hennie Klein Overmeen

Sinds begin december 2003 werd de TBS 'er, de 53- jarige Hennie Klein Overmeen vermist. Hij is sinds 4 december niet meer gezien. Hij kwam altijd keurig op tijd terug, dus toen dat in december 2003 niet gebeurde, kreeg de kliniek meteen argwaan. Het tv programma Opsporing Verzocht besteedde drie maal aandacht aan de verdwijning van Klein Overmeen

Op 2 maart 2004 vermeldt de Gelderlander 'Aanhouding om verdwijning TBS 'er'

De politie heeft twee personen aangehouden die worden verdacht van betrokkenheid bij de verdwijning van een patiënt van de Pompe-kliniek in Nijmegen. De 53-jarige Hennie Klein Overmeen is op 4 december van het vorig jaar voor het laatst gezien. Hoewel zijn lichaam nog niet is gevonden, heeft de politie afgelopen vrijdag een 44-jarige bewoner van dezelfde tbs-instelling aangehouden op verdenking van moord of doodslag. ,,Het gaat absoluut niet om een normale vermissing'', zegt een woordvoerder van de politie[1].

22.2 Arrestatie Frans Boons

De aangehouden man is voor tien dagen in bewaring gesteld. Eind januari was zijn 27-jarige vriendin al aangehouden, maar dit is pas begin deze week naar buiten gebracht. Zij wordt verdacht van betrokkenheid. In opdracht van de 44-jarige Nijmegenaar heeft de vrouw een dag na de verdwijning de tbs-kliniek gemeld dat Klein Overmeen ,,de eerste dagen niet thuis zou komen''.

Klein Overmeen zat al acht jaar in de Pompe-kliniek. Hij was veroordeeld wegens een zedendelict. Als deelnemer van een resocialisatieprogramma woonde hij in een opvanghuis buiten de kliniek. Nadat hij op 4 december een Sinterklaasviering had bijgewoond, verliet hij het opvanghuis voor een afspraak met een vrouw. Deze afspraak was door de 44-jarige Nijmegenaar geregeld. De politie weet niet wie deze vrouw is en of Klein Overmeen bij deze afspraak is komen opdagen.

De politie in Nijmegen is  begonnen in de ochtend van 4 maart 2004 met graafwerkzaamheden naar het stoffelijk overschot van de 53-jarige Hennie Klein Overmeen. De man, die in tbs-instelling de Pompekliniek in Nijmegen verbleef, wordt sinds begin december vermist. Een woordvoerder van de politie meldt opgravingen op een braakliggend terrein aan de Nieuwe Dukenburgseweg op basis van getuigenverklaringen.

In een groot gebied rond de Pompekliniek was de recherche op zoek naar de plek waar het lichaam van Klein Overmeen begraven zou zijn. Het bewuste bosje, onderdeel van een parkje met vijver aan de kruising van de Weg door Jonkerbos met de Tarweweg, stond op een lijst van locaties waar de politie vandaag met grondradar en lijkenspeurhonden wilde speuren. Bij een voorverkenning gisteren kort na het middaguur stuitten twee rechercheurs op een plek omgewoelde aarde. Toen duidelijk werd dat er een lijk lag begraven, hebben zij direct de technische recherche ingeschakeld. Het gebied is vervolgens urenlang afgezet voor sporenonderzoek. Op de vindplek werd een tent geplaatst. Daaromheen plaatsten medewerkers van de gemeente hekken met doek.

Op 9 maart 2004 vond de politie het stoffelijk overschot van Henny Klein Overmeen. Bij sectie bleek dat hij met een zwaar voorwerp met heftig botsend geweld op zijn borst en hoofd was geslagen en dat hij, nadat hij levend was begraven, was gestikt.. Het is de vraag of het slachtoffer iets van het begraven en de verstikking heeft gemerkt, aangezien hij door klappen op zijn hoofd met een bats al zodanig gewond was, dat hij volgens de deskundigen vrijwel zeker daaraan zou zijn overleden als hij niet gestikt was.

Als verdachten waren al eerder twee personen aangehouden. De mannelijke verdachte bleek de TBS 'er Frans Boons te zijn en de vrouwelijke verdachte zijn 27-jarige vriendin die 40 dagen zou worden vastgehouden in verband met de moord. In opdracht van Frans Boons heeft de vrouw een dag na de verdwijning de tbs-kliniek gemeld dat Klein Overmeen ,,de eerste dagen niet thuis zou komen''.

De toe 44-jarige Frans Boons en Klein Overmeen zaten beiden in de Pompekliniek in Nijmegen. De verdachte zou Klein Overmeen op vier december 2003 na een ruzie met een schop hebben geslagen. Vervolgens zou hij hem levend begraven hebben achter de kliniek.

22.3 Frans Boons eerder veroordeeld voor moord op nichtje in 1994

Frans Boons was in 1995 veroordeeld voor de moord in 1994 op zijn 15-jarig nichtje Manuela van Beek uit Eindhoven. De moord op Manuela, op vijf mei 1994, vond plaats in het toenmalige huis van haar oom in Woensel. Elf dagen na de moord werd hij aangehouden. Manuela van Beek, leerlinge van de Groenschool in Eindhoven, was bij haar oom in Woensel op bezoek toen ze werd gewurgd.

De man legde indertijd wisselende verklaringen over de moord af; iemand anders zou haar in zijn huis hebben gewurgd. Hij heeft wel altijd toegegeven het lijk van Manuela naar het Philips de Jonghpark te hebben vervoerd waar het een dag na de moord door een wandelaar werd gevonden. Hij kreeg van de Bossche rechtbank voor doodslag zes jaar cel en tbs opgelegd. In hoger beroep werd hij in 1996 veroordeeld tot acht jaar cel en tbs. Na onderzoek bleek dat Frans Boons op de dag van de moord een bats had gekocht in de buurt van de kliniek. Het staat vast dat verdachte op 4 december 2003 omstreeks 18.00 uur een bats gekocht heeft. Verdachte heeft deze aankoop eerst ontkend en daarna verschillende verklaringen gegeven voor de omstandigheid dat hij toen gezien is met een bats en de reden van de aankoop ervan. Alle even ongeloofwaardig[2].

Die bats is begin maart 2004 in het Goffertpark in Nijmegen gevonden, nog voor het lijk op 9 maart werd gevonden. Ook hadden de verdachte en zijn vriendin het gsm-toestel van het slachtoffer in hun bezit.

22.4 Strafzaak Rechtbank Arnhem

Uit de uitspraak van de rechtbank te Arnhem:

De telefoon van [slachtoffer] is teruggevonden in het huis van zijn vriendin. Zij heeft deze telefoon op 6 december 2003 van verdachte bekomen en in zijn opdracht verstopt. 

Verdachte ontkent geweten te hebben dat die telefoon toebehoorde aan [slachtoffer]. De rechtbank acht deze ontkenning ongeloofwaardig. Verdachte heeft [naam] nog voor de ontdekking van het lijk van [slachtoffer] schriftelijk opgedragen de telefoon te verstoppen in geval van onderzoek. Bovendien heeft hij verschillende verklaringen afgelegd over hoe hij aan de telefoon is gekomen. Voorts telt dat verdachte niet wenst aan te geven van wie hij deze telefoon uiteindelijk heeft gekocht[3].

De rechtbank wordt eveneens bevestigd in haar beslissing door de omstandigheid dat de ontwijkende verklaringen die verdachte heeft afgelegd in het kader van de jegens hem gerezen verdenking over zijn betrokkenheid bij eerst verdwijning en daarna dood van [slachtoffer] grote gelijkenis vertonen met die afgelegd in het kader van de jegens hem gerezen verdenking over betrokkenheid bij de dood van zijn nichtje in 1994[4].

22.5 Motivering van de rechtbank om levenslange gevangenisstraf op te leggen:

Motivering van de rechtbank om levenslange gevangenisstraf op te leggen:

Verdachte is reeds eerder voor een levensdelict veroordeeld tot acht jaar gevangenisstraf en de maatregel van terbeschikkingstelling. Vanaf april 1999 verbleef verdachte in het kader van de hem opgelegde TBS-maatregel in de Pompekliniek te Nijmegen. Uit de TBS-verlengingsadviezen van 2000 en 2002 leidt de rechtbank af dat bij verdachte sprake is van een stoornis van de geestvermogens en een gebrekkige ontwikkeling, te weten een karakterneurose met onder meer een beperkte autonomie en gebrekkige gewetensvorming. 

Uit de TBS-verlengingsadviezen blijkt voorts dat verdachte in eerste instantie het eerdere delict is blijven ontkennen. Eerst nadat overplaatsing naar een zogenaamde long-stay afdeling dreigde heeft verdachte meer openheid van zaken gegeven en het eerdere delict bekend. 

De Pompekliniek concludeert in haar verlengingsadvies van 2002 om die reden dat verdachte slechts in beperkte mate van zijn behandeling heeft geprofiteerd, terwijl alle binnen de Pompekliniek beschikbare programmaonderdelen zijn ingezet.

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte wordt veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf. De rechtbank stelt voorop dat ook bij de ernstigste misdrijven betekenis toekomt aan het inzicht dat de pleger van die misdrijven vanuit overwegingen van humaniteit in beginsel het perspectief moet worden geboden dat hij op enig moment weer in de samenleving terug zal kunnen keren. Om die reden wordt in ons land dan ook grote terughoudendheid betracht bij het opleggen van een levenslange gevangenisstraf.

Evenwel wordt een straf opgelegd ter vergelding en dient deze voorts ter bescherming van de maatschappij. De rechtbank is van oordeel dat ten aanzien van verdachte het belang van vergelding en bescherming van de maatschappij dient te prevaleren. De rechtbank acht in dit verband van belang dat de noodzakelijke behandeling die verdachte sinds 1999 in de TBS-instelling is aangeboden mede ten gevolge van verdachtes houding nauwelijks effect heeft gesorteerd. Integendeel, in deze gecontroleerde en gestructureerde setting is verdachte in staat gebleken wederom een levensdelict te plegen. Deze omstandigheid alsmede de ernst van het misdrijf maakt het naar het oordeel van de rechtbank noodzakelijk dat verdachte ter bescherming van de maatschappij niet meer zal terugkeren in de samenleving. 

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen oordeelt de rechtbank dat voor de afdoening van de onderhavige zaak geen andere straf in aanmerking komt dan een levenslange gevangenisstraf. Tegen de levenslange gevangenisstraf waartoe Frans Boons op 11 maart 2005 werd veroordeeld wordt in hoger beroep gegaan.

22.6 Hoger beroep Gerechtshof Arnhem

Behandeling hoger beroep

Het Gerechtshof te Arnhem komt bijeen op 27 maart 2006, 13 juni 2006, 4 september 2006, 18 oktober 2006, 8 januari 2007, 4 april 2007. Op 4 september 2006 eist het OM opnieuw levenslang tegen Frans Boons. De aanklager stelde dat een andere straf dan levenslang niet op zijn plaats is. B. zat al in de tbs-kliniek vanwege de moord op zijn 15-jarige nichtje, maar heeft na vier jaar behandeling geen vooruitgang geboekt. Hij is een onverminderd gevaar voor de samenleving, volgens advocaat-generaal R. Langeler[5]. Volgens de advocaten van B., E van der Meer en Wim Anker, is er ondanks uitgebreide technische onderzoeken geen keihard bewijs dat hun cliënt in verband met de moord brengt[6]. Ze eisen voor hun cliënt vrijspraak.

Frans Boons gebruikt zijn laatste woord om te weerspreken dat hij onverminderd gevaarlijk zou zijn voor de samenleving. "Hoe kan ik dat nou, met alle vrijheden en onbegeleide verloven die ik al na drie jaar in de tbs-kliniek heb verworven[7]", zei hij.

Op 8 oktober 2006 stelt het Hof te Arnhem de uitspraak over Frans Boons uit. Het Hof motiveert het uitstel door te stellen dat het Hof nog onvoldoende weet over de geestelijke gesteldheid van de verdachte[8]. De behandeling zal daarom op 18 oktober worden heropend en voortgezet.

Volgens het OM heeft B. zijn slachtoffer in december 2003 in de val gelokt. Klein Overheem dacht dat hij een afspraakje met een vrouw had, via het dadingbureau, waarvoor zijn medebewoner zou hebben bemiddeld. B. heeft het slachtoffer die avond volgens de aanklaagster, advocaat-generaal R. Langeler, met een schop tegen het hoofd en ribben geslagen en daarna levend begraven. Het graf waarin het slachtoffer is gesticht, werd pas op 9 maart 2004 ontdekt.

22.7 Motivering Gerechtshof om levenslange gevangenisstraf op te leggen

Delen van de motivering Gerechtshof te Arnhem om Frans B. wederom tot levenslang te veroordelen[9]

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen hoofdstraf bepaald op grond van de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. 

Bewezen is verklaard dat verdachte het slachtoffer opzettelijk en met voorbedachte raad van het leven heeft beroofd. Dat is op gruwelijke wijze gebeurd. Het slachtoffer is met een hard voorwerp verschillende malen met kracht op het hoofd en het lichaam geslagen, waardoor ernstige botbreuken aan de schedel en aan het borstbeen en de ribben ontstonden en inwendig letsel werd veroorzaakt. Hierna is het slachtoffer levend begraven en als gevolg van verstikking om het leven gekomen. Uit het sectierapport blijkt dat sprake was van massale aanwezigheid van zand in de bovenste en onderste luchtwegen, in de slokdarm en de maag. De bovenste en ook de diepere luchtwegen waren vrijwel compleet geblokkeerd. Vooral deze uiteindelijke doodsoorzaak maakt dat de dood van het slachtoffer niet alleen door zijn nabestaanden, maar door iedereen die hem gekend heeft als bijzonder afschuwelijk zal zijn beleefd en naar verwachting nog lange tijd door velen als een nachtmerrie zal worden ervaren. 
Voor een dergelijke weerzinwekkende daad past binnen het Nederlandse rechtstelsel geen andere straf dan gevangenisstraf, de zwaarste strafsoort. Volgens artikel 289 (oud) van het Wetboek van Strafrecht kan voor moord worden opgelegd levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste twintig jaren.

Bij het bepalen van de duur van de gevangenisstraf voor de bewezen verklaarde moord op het slachtoffer spelen de volgende omstandigheden waaronder de moord is begaan een rol.

Zowel het slachtoffer als verdachte waren rond de tijd van het gebeuren in het kader van een TBS-maatregel opgenomen in de Pompekliniek. Het latere slachtoffer was vanwege zijn verder -gaande resocialisatie inmiddels zelfstandig woonachtig in een dependance van de kliniek. Uit het dossier valt een beeld te vormen van een tamelijk kwetsbare man, niet alleen in fysiek opzicht maar ook in psychische zin. Het slachtoffer was over het algemeen niet ongelukkig met zijn leven, dat zich tamelijk gestructureerd en daardoor ook in zekere zin beschermd afspeelde binnen de grenzen van zijn behandeling. Het enige dat hij miste was naar eigen zeggen een vrouw. Verdachte, die inmiddels binnen de kliniek eveneens een aantal vrijheden had verkregen, wist gaandeweg het vertrouwen van het slachtoffer te winnen en spiegelde het hem voor dat hij wel een ‘date’ voor hem kon regelen. Voor een bedrag van € 500 liet het slachtoffer zich – zogenaamd door bemiddeling van verdachte – inschrijven bij een bemiddelingsbureau. Verdachte fabriceerde in dit verband een vals inschrijvingsbewijs op zijn computer, dat hij aan het slachtoffer ter hand stelde. Het is aannemelijk geworden dat het slachtoffer in de vooravond van 4 december 2003, na de Sinterklaasviering in de Pompekliniek, het terrein van de instelling verliet om, in zijn voorstelling, een vrouw te ontmoeten naar aanleiding van een door verdachte geregelde ‘date’. 

Nog in de buurt van de instelling moet verdachte het slachtoffer hebben ontmoet of opgewacht, waarna verdachte het slachtoffer op de genoemde uiterst gewelddadige wijze op het hoofd en het lichaam heeft geslagen en het slachtoffer vervolgens heeft begraven. Daarbij staat vast dat verdachte in verband met zijn latere handelen diezelfde namiddag bij een doe-het-zelfzaak een bats (schop) heeft aangeschaft. 

Wat feitelijk verdachte tot zijn handelen heeft gebracht, is tot dusverre niet onomstotelijk komen vast te staan. Verdachte heeft van het begin af aan elke betrokkenheid bij het gebeuren ontkend. Het hof acht het echter aannemelijk geworden dat verdachte uit pure zelfzucht heeft gehandeld, door het slachtoffer eerst geld af te troggelen en vervolgens, omdat hij vreesde dat een en ander aan het licht zou komen, heeft besloten om het slachtoffer uit de weg te ruimen. Gebleken is dat verdachte er op was gebrand om de inmiddels door hem verworven vrijheden binnen de TBS-instelling, en dan met name zijn verlofmogelijkheden, niet te verliezen. Enig ander motief is niet aannemelijk geworden. In ieder geval is het hof, zowel uit het dossier als uit de waarneming van de persoon van de verdachte, overtuigend gebleken dat het slachtoffer op geen enkele wijze – in fysiek noch in geestelijk opzicht – tegen verdachte opgewassen moet zijn geweest.

Van verregaande gevoelloosheid getuigt ook het handelen van verdachte na de verdwijning van het slachtoffer, waardoor naar valt te begrijpen binnen de Pompekliniek veel ongerustheid ontstond. Gedurende de periode dat het slachtoffer onvindbaar was – doch waarbij al snel het ergste werd gevreesd - heeft verdachte op geen enkele wijze blijk gegeven van zijn betrokken -heid bij de verdwijning van het slachtoffer, dat pas na drie maanden in de kuil waarin hij was begraven in het bosperceel werd gevonden. Integendeel, verdachte heeft, door het ophangen van een – zoals hij later ook heeft toegegeven – verzonnen verhaal dat hijzelf die avond was overvallen in het bos, getracht de aandacht af te leiden van zijn betrokkenheid bij de verdwijning van het slachtoffer en nadien nog, door tussenkomst van anderen, valse informatie over de mogelijke verblijfplaats van het slachtoffer aan de kliniek doorgegeven, om daarmee de suggestie te wekken dat het slachtoffer nog in leven was. Daarmee heeft verdachte het leed, dat samenhing met de onverklaarbare verdwijning van het slachtoffer, op een hem ook zeer kwalijk te nemen manier verergerd.

Bij het bepalen van de straf moet ook hetgeen is gebleken omtrent de persoon van verdachte in aanmerking worden genomen. In het geval van verdachte is naast de buitengewone ernst van het feit dat thans ten laste van hem is bewezen verklaard, de recidive van verdachte zoals blijkt uit het justitieel documentatieregister een factor van groot belang bij de straftoemeting. Op 2 april 1996 is verdachte ter zake van doodslag door het gerechtshof te ‘'s-Hertogenbosch veroordeeld tot een gevangenisstraf van acht jaren alsmede terbeschikkingstelling met last tot verpleging van overheidswege. Uit het dossier van die strafzaak, dat in de onderhavige zaak bij de processtukken is gevoegd, blijkt dat verdachte in 1994 zijn toen vijftien jaar oude nichtje, dat zo nu en dan bij hem thuis huishoudelijke klusjes verrichtte, op eveneens uiterst gewelddadige wijze, door slaan en schoppen over het hele lichaam en verwurging, om het leven heeft gebracht. Daarna heeft hij het levenloze lichaam van het meisje in een stuk vloerbedekking gerold en de volgende dag, na haar in zijn fietskarretje te hebben getransporteerd, in een nabijgelegen park in de struiken verborgen. Nog geheel los van al hetgeen nog nader omtrent de persoon van verdachte is gebleken – en waaraan hierna nog zal worden gerefereerd – moet worden geconstateerd dat verdachte door de strafrechtelijke reactie op dat eerdere feit, bestaande uit de vervolging, berechting en oplegging van een langdurige gevangenisstraf in combinatie met een strafrechtelijke maatregel, gevolgd door de tenuitvoerlegging daarvan, zich niet heeft laten weerhouden van het opnieuw plegen van een levensdelict, en dan ook nog in een verzwaarde variant van het delict waarvoor hij eerder was veroordeeld. Dat maakt dat er gegronde vrees bestaat dat verdachte nogmaals een zeer ernstig delict begaat, hetgeen ter bescherming van de maatschappij zo goed als maar enigszins mogelijk is moet worden uitgesloten. Het hof is van oordeel dat de ernst van het thans bewezen verklaarde feit, in combinatie met het recidivegevaar dat van verdachte uitgaat, het opleggen van levenslange gevangenisstraf onontkoombaar maakt. 

In opdracht van het hof is nader onderzoek naar de persoonlijkheid verricht door drs. A.J. de Groot, psycholoog en dr. L.H.W.M. Kaiser, psychiater. Bij dit onderzoek hebben de beide deskundigen betrokken de omtrent verdachte, in het kader van zijn ter beschikkingstelling eerder uitgebrachte multidisciplinaire rapportages alsmede de rapportages omtrent het verloop en de verlenging van zijn terbeschikkingstelling, zoals uitgebracht door de deskundigen van de Pompekliniek.

Beide deskundigen komen tot de conclusie dat verdachte ten tijde van het delict lijdende was aan een persoonlijkheidsstoornis. Drs. De Groot spreekt in zijn rapport van 29 januari 2007 van: een persoonlijkheidsstoornis met afhankelijk-narcistische, passief-agressieve en psycho-pathiforme kenmerken (p.10). Dr. Kaiser stelt in haar rapport van eveneens 29 januari 2007: 

Betrokkene is lijdende aan een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens in de vorm van een persoonlijkheidsstoornis NAO (het hof begrijpt: niet anders omschreven in de DSM-IV-klassificatie) met vermijdende, passief-agressieve en antisociale trekken (p. 20). Drs. De Groot stelt, gelet op de eerdere rapportages: De huidige diagnostische bevindingen sluiten aan bij eerdere psychodiagnostische bevindingen (p. 9). Omtrent het verband met de eerder bij verdachte geconstateerde persoonlijkheidsproblematiek vermeldt dr. Kaiser: In het onderzoek valt op dat betrokkene nog steeds gebruik maakt van dezelfde mechanismen als die een rol speelden bij het indexdelict in 1994. Daarin lijkt geen verandering gekomen te zijn in vergelijking met toen. Dat betekent dat de behandeling weinig effect heeft gehad, ondanks dat betrokkene wel in de resocialisatiefase is gekomen tijdens zijn behandeling. Hij heeft na zes jaar pas het indexdelict bekend maar daarbij waren winstoverwegingen omdat hij merkte dat hij dán alleen verlof zou krijgen (p. 19). 

Ten aanzien van de vraag naar de toerekeningsvatbaarheid van verdachte in relatie tot het huidige aan de orde zijnde delict onthouden beide deskundigen zich van een oordeel, omdat de verdachte het tenlastegelegde ontkent. Wel stelt dr. Kaiser (p.21): Betrokkene ontkent het ten laste gelegde. Uitgaande van hetgeen betrokkene wel vertelt kan gesteld worden dat betrok -kene handelde met een minimum aan empathie met een lacunaire gewetensfunctie omtrent hetgeen hij erover vertelt.

Drs. De Groot en dr. Kaiser hebben in verband met de ontkennende houding van verdachte geen oordeel gegeven omtrent het gevaar voor herhaling van een delict van de aard als het ten laste gelegde. Dat zij zich onthouden van enig oordeel op dit punt valt te verklaren uit hun specifieke rol als deskundige in een fase van het strafproces waarin nog open is of tot een bewezenverklaring zal worden gekomen. Het hof, dat anders dan de deskundigen uitgaat van het bewezen verklaarde delict, dient zich gelet op de doeleinden van de strafrechtspleging wel een oordeel te vormen over het gevaar voor herhaling. In dat verband wordt als vaststaand feit geconstateerd dat verdachte, ondanks een eerdere strafoplegging en een gevorderde behandeling in het kader van zijn terbeschikkingstelling,zich wederom schuldig heeft gemaakt aan een levensdelict. Daarnaast valt uit de rapportages, zoals zo-even vermeld, af te leiden dat verdachtes handelen wordt gekenmerkt door een lacunaire gewetensfunctie en een – zoals ook door het hof is geconstateerd – totaal gebrek aan empathie. Ook moet worden geconstateerd dat deze persoonskenmerken in 1994, ten tijde van het plegen door verdachte van de doodslag op zijn vijftienjarige nichtje, ook al aanwezig waren en dat de behandeling van deze stoornis in het kader van de terbeschikkingstelling geen positief resultaat heeft gehad. Hooguit kan sprake geweest zijn van een schijnaanpassing. 

Het hof acht het gevaar dat van verdachte uitgaat al met al dermate groot dat het noodzakelijk is dat verdachte uit de vrije samenleving wordt uitgesloten. Volgens het hof dient dat niet langs de weg van een terbeschikkingstelling te geschieden. Daargelaten dat geen van de beide door het hof geraadpleegde deskundigen daartoe adviseert, acht het hof gelet op de persoon van verdachte en gelet op hetgeen is geschied na zijn eerdere terbeschikkingstelling in het (her-nieuwd) opleggen van een dergelijke maatregel onvoldoende waarborgen aanwezig om de samenleving tegen verdachte te beschermen.

De raadsman mr. W. Anker heeft in een tweetal pleitnota’s aan de hand van een groot aantal overwegingen uit Nederlandse rechterlijke uitspraken, waarbij levenslange gevangenisstraf werd opgelegd dan wel gemotiveerd werd afgezien van het opleggen van deze straf, getracht aan te tonen dat in het onderhavige geval deze straf niet in aanmerking komt. Het hof volgt de raadsman niet in dit onderdeel van zijn betoog. Bij kennisneming van de rechterlijke uitspraken waarnaar is verwezen – waarbij in een aantal gevallen bepaalde overwegingen niet geïsoleerd, doch in samenhang met hetgeen verder in het arrest is overwogen dienen te worden bezien – kan in geen enkel opzicht worden geconcludeerd dat er in Nederland een vast beleid inzake de straftoemeting zou zijn dat in een geval als dit in de weg zou staan aan oplegging van een levenslange gevangenisstraf. Slechts kan blijken dat de straftoemeting telkens een resultante is van de afweging van een groot aantal factoren, waarbij – afhankelijk van de specifieke kenmerken van een bepaalde strafzaak – meer of minder gewicht toekomt aan enkele van die factoren. In de onderhavige strafzaak kan – gelet op de geheel eigen kenmerken ervan – niet anders of meer worden verwacht van het hof dan dat, zoals te dezen is geschied, de dragende overwegingen voor de beslissing omtrent de straf in het arrest worden aangegeven. 

Gelet op de noodzaak tot vergelding van de moord op [slachtoffer] alsmede ter beveiliging van de maatschappij zal het hof verdachte veroordelen tot levenslange gevangenisstraf.

 Er bleef de verdediging van Frans Boons niets anders over dan cassatie aan te vragen bij de Hoge Raad.

 22.8 Cassatie Hoge Raad

Uit een toelichting bij het arrest van de Hoge Raad van 16 juni 2009[10]:

De verdachte heeft cassatieberoep ingesteld tegen de uitspraak van het hof Arnhem.
Volgens de advocaat van de verdachte, mr. J. Boksem, advocaat in Leeuwarden, had het hof de verdachte geen levenslange gevangenisstraf mogen opleggen, omdat de Nederlandse wet niet voorziet in een periodieke toetsing van de tenuitvoerlegging van deze straf. Daarom wordt in strijd met de waarborgen van het EVRM de verdachte ieder perspectief op vrijlating onthouden.

Op 30 september 2008 heeft advocaat-generaal mr. G. Knigge in zijn conclusie de Hoge Raad geadviseerd de uitspraak van het hof in stand te laten. Hij heeft in een conclusie de ontwikkelingen in de rechtspraak van het Europese hof in Straatsburg uitvoerig weergegeven en kritische beschouwingen gewijd aan de Nederlandse situatie.

Levenslange gevangenisstraf mag worden opgelegd. Het opleggen van levenslange gevangenisstraf is op zichzelf niet in strijd met het Europees verdrag voor de rechten van de mens. Dat een dergelijke gevangenisstraf ook daadwerkelijk levenslang kan duren, levert geen strijd op met het verdrag. De verdachte mag echter niet ieder perspectief op vrijlating worden onthouden. Daarom moet er de mogelijkheid bestaan om die straf te verkorten. In Nederland bestaat die mogelijkheid omdat ook aan een levenslang gestrafte gratie kan worden verleend.
De Hoge Raad merkt wel op dat in 2000 de “volgprocedure langgestraften” is vervallen. Dat was een mogelijkheid om tot tussentijdse beoordeling van de tenuitvoerlegging van de levenslange gevangenisstraf te komen. Dat kon leiden tot ambtshalve gratieverlening en omzetting van de levenslange gevangenisstraf in een tijdelijke. Maar ook al is die regeling ingetrokken, gratie is nog steeds mogelijk, zij het dat het nu meer van het initiatief van de veroordeelde afhangt dan vroeger.
Het staat niet vast dat in Nederland een opgelegde levenslange gevangenisstraf in geen enkel geval wordt verkort, zoals de verdediging had gesteld. Maar, zo zegt de Hoge Raad, als zou komen vast te staan dat een levenslange gevangenisstraf in Nederland in feite nooit wordt verkort, zodat een gratieverzoek dus in alle gevallen bij voorbaat kansloos zou zijn, kan dat van betekenis zijn voor de vraag of oplegging van een levenslange gevangenisstraf of de voortzetting van deze straf zich verdraagt met de eisen die het EVRM stelt.

Gevolgen van deze uitspraak
De uitspraak van het hof Arnhem is definitief geworden.


[1] Gelderlander 02-03-2004 Aanhouding om verdwijning TBS 'er
[2] Rechtbank Arnhem LJN AS 9903 11-03-2005
[3] idem
[4] Rechtbank Arnhem LJN AS 9903 11-03-2005
[5] Volkskrant 04-09-2006 OM eist opnieuw levenslang
[6] idem
[7] Volkskrant 04-09-2006 OM eist opnieuw levenslang
[8] Volkskrant 18--9-06 Nog geen uitspraak in moordzaak Pompekliniek. Zie tevens Trouw 18-09-2006 Hof wil meer weten over moordverdachte Frans B.
[9] Gerechtshof Arnhem LJN BA 3178 18-04-2007
[10] Hoge Raad LJN BF 3741 30-09-2008
 

Gebruikte bronnen: 

Rechtbank Arnhem: LJN AS 9903 11-03-2005

Gerechtshof Arnhem: LJN BA 3178 18-04-2007

Hoge Raad: LJN BF 3741 30-09-2008

Anker & Anker: Overzicht levenslang gestraften in Nederland Bijgewerkt tot 1 december 2008.

AD: 04-09-06 OM eist opnieuw levenslang voor moord Pompekliniek

De Gelderlander: 27-02-2004 TBS 'er uit Pompekliniek levend begraven

Eindhovens Dagblad: 02-04-2004 Politie graaft naar lijk vermiste man.

Eindhovens Dagblad: 04-04-2004 Aanhouding om verdwenen tbs 'er

Eindhovens Dagblad: Van Wissen, Mariëtte: 04-04-2004 Eindhovenaar eerder veroordeelt voor moord op nichtje

Gelderlander: Levenslang voor moord Pompekliniek

Gelderlander: Opnieuw levenslang geëist voor tbs-moord

Gelderlander: Procureur-generaal eist levenslange gevangenisstraf tegen TBS 'er F.B.

Trouw 18-09-2006: Hof wil meer weten over moordverdachte Frans B.

Volkskrant 04-09-2006 OM eist opnieuw levenslang moord Pompekliniek

Volkskrant 18-09-2006 Nog geen uitspraak in moord Pompekliniek

Volkskrant 18-04-2007 Levenslang voor moord Pompekliniek

Zie verder Hoofdstuk 23: Levenslang Louis Hagemann in zaak Bolhaar