We hebben 320 gasten online

Hoofdstuk 33 Levenslang Joseph Mpambara wegens oorlogsmisdaden en folteringen

Gepost in Boek: De praktijk van de levenslange gevangenisstraf in Nederland

Het heeft er lange tijd niet naar uitgezien dat de Rwandees Joseph Mpambara zou worden veroordeeld voor oorlogsmisdaden. Misdaden begaan in Rwanda, in april 1994. De genocide die in 1994 in Rwanda werd gepleegd, was een van de grootste en snelst gepleegde volkerenmoorden van de moderne geschiedenis. In 100 dagen tijd werden naar schatting 800.000 mensen op vaak gruwelijke wijze vermoord in het Midden-Afrikaanse land. De meeste moorden werden gepleegd door extremistische Hutu's die Tutsi's en gematigde Hutu's afslachtten. De internationale vredesmacht die in de regio gestationeerd was, greep niet in wegens het krappe mandaat van de troepen. Dat is de Verenigde Naties en vooral de leden van de Veiligheidsraad op veel kritiek komen te staan. Hutu's werden tot moorden gedwongen, als ze niet meededen aan de genocide. Na het einde van de genocide werd door de Veiligheidsraad resolutie 955 aangenomen en het Rwanda-Tribunaal opgericht. Het internationale hof onder auspiciën van de Verenigde Naties is gevestigd in de Tanzaniaanse stad Arusha en heeft in de loop der jaren tal van daders berecht en veroordeeld. Ook nationale tribunalen in verscheidene landen hebben dat gedaan. Mpambara zocht asiel in Nederland maar werd op 7 augustus 2006 gearresteerd en hem werd genocide, oorlogsmisdaden en marteling ten laste gelegd. De rechtbank te Den Haag vonniste echter op 24 juli 2007 dat het Openbaar ministerie niet ontvankelijk was om genocide ten laste te leggen. Het Hof te Den Haag ging daar op 21 oktober 2008 in mee, zij het gedeeltelijk op andere gronden. In cassatie bij de Hoge Raad, 10 oktober 2008, kwam deze tot de slotsom "Hoezeer het Hof oog heeft voor de wens om de ernstigste misdrijven, waarvan in casu sprake is, niet onvergolden te laten (zoals in de Memorie van Toelichting bij de Wet Internationale Misdrijven wordt beklemtoond), die wens kan echter niet voldoende grondslag voor rechtsmacht ter zake van genocide opleveren. Het hof stipuleert daarbij dat de overwegingen geen betrekking hebben op de (voortgezette) vervolging van dezelfde feitencomplexen in de vorm van oorlogsmisdrijven of foltering. De rechtbank van Den Haag veroordeelde vervolgens op 23 maart 2009 Mpambara voor foltering tot twintig jaar gevangenisstraf, maar vond geen gronden de verdachte te veroordelen voor oorlogsmisdrijven. Op 7 juli 2011, in hoger beroep, veroordeelde het Hof te Den Haag, Joseph Mpambara tot een levenslange gevangenisstraf wegens oorlogsmisdrijven en folteringen.

33.1 Strafzaak rechtbank Den Haag

Rechtbank Den Haag 24-07-2007[1]

Tussenbeslissing in de strafzaak tegen de 39-jarige Rwandees J.M. die verdacht wordt van genocide en oorlogsmisdrijven, gepleegd in 1994 in Rwanda. De rechtbank verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in de strafvervolging ter zake van genocide, gepleegd in Rwanda in 1994. Deze verdachte staat ook terecht voor oorlogsmisdrijven. De uitspraak van vandaag heeft geen betrekking op de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging van de verdachte voor deze misdrijven. De rechtbank verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk omdat de Nederlandse strafrechter uit zichzelf geen rechtsmacht heeft voor genocide, gepleegd door een Rwandees in Rwanda in 1994, waarbij geen Nederlandse slachtoffers zijn gevallen. Het openbaar ministerie was zich hiervan bewust, maar meende dat een verzoek van de aanklager van het Rwanda-tribunaal de vervolging over te nemen, zoals in deze zaak is gebeurd, wel rechtsmacht zou vestigen. De rechtbank komt echter tot het oordeel dat de Nederlandse strafrechter ook niet deze zogeheten afgeleide rechtsmacht heeft, omdat niet voldaan is aan het vereiste dat de strafvervolging door Nederland alleen kan worden overgenomen op grond van een verdrag waaruit de bevoegdheid tot strafvervolging voor Nederland volgt. Het openbaar ministerie heeft in de beslissing in deze zaak aanleiding gevonden om de dagvaarding in de zaak tegen de 61-jarige Rwandees Michel B., in ieder geval voor vandaag, in te trekken.

33.2 Hoger beroep Gerechtshof Den Haag

Gerechtshof Den Haag 17-12-2007[2]

Hoger beroep door OM tegen niet-ontvankelijkverklaring van het OM ter zake van feit 1 door de rechtbank (LJN BB0494). De behandeling van de zaak in hoger beroep beperkt zich hiertoe. Het gaat om de vraag of Nederland rechtsmacht heeft t.a.v. een Rwandees die verdacht wordt van genocide, gepleegd in 1994 in Rwanda. Het hof komt thans, deels op andere gronden, tot dezelfde conclusie als de rechtbank.

33.3 Cassatie Hoge Raad

Hoge Raad 21-10-2008[3]

Art. 4a Sr. Afgeleide rechtsmacht. 1. “Vreemde staat” i.d.z.v. art. 4a Sr. 2. Grondslag voor overname strafvervolging. Het gaat i.c. om een Rwandees die ervan wordt beschuldigd dat hij – vzv. in cassatie van belang - in 1994 in Rwanda misdrijven i.d.z.v. art. 1 Uitvoeringswet genocidenverdrag heeft gepleegd tegen niet-Nederlanders. Het middel bestrijdt niet dat NL in dit geval geen zogenoemde originaire rechtsmacht heeft, zoals de Rb en het Hof met juistheid hebben geoordeeld. De omstandigheid dat verdachte zich in NL bevindt, is niet voldoende voor het aannemen van rechtsmacht.

Het vorenoverwogene brengt mee dat verdachte slechts dan in NL kan worden vervolgd en berecht t.z.v. genoemde misdrijven indien is voldaan aan de in art. 4a Sr genoemde voorwaarden voor het vestigen van zogenoemde afgeleide rechtsmacht, te weten dat de strafvervolging door NL van een vreemde staat is overgenomen o.g.v. een verdrag waaruit de bevoegdheid tot strafvervolging voor NL volgt. Ad 1. Bij de totstandkoming van art. 4a Sr zal de wetgever niet voor ogen hebben gehad dat deze bepaling ook zou omvatten de overdracht van een strafvervolging door een VN-tribunaal als i.c. aan NL, maar heeft hij daarin het begrip 'staat' gehanteerd in zijn in het (nationale en internationale) juridische spraakgebruik specifieke betekenis Het terminologisch onderscheid tussen 'staat' en 'tribunaal' is tot op heden algemeen gangbaar gebleven. Daarom dient, behoudens aanwijzingen van het tegendeel, ervan te worden uitgegaan dat ook thans nog onder het begrip 'vreemde staat' in art. 4a Sr deze tribunalen niet zijn begrepen. Er zijn geen aanwijzingen dat de wetgever nadien, na de instelling van deze tribunalen en de in het verband daarvan noodzakelijk geachte uitvoeringswetgeving, het gebruikelijke taalkundige onderscheid tussen de begrippen 'staat' en 'tribunaal' in andere wetten heeft losgelaten. Ook bij de wijziging van art. 4a Sr bij de wet van 22-12-2005, Stb. 2006, 24 heeft de wetgever geen blijk ervan gegeven dat hij onder het begrip 'staat' een tribunaal begrepen acht en dat hij daarom i.h.k.v. de overdracht van de strafvervolging door een tribunaal aan NL voor enige aanvulling of wijziging van art. 4a Sr geen noodzaak aanwezig oordeelde. Dat geldt evenzo voor het recente wetsvoorstel Partiële wijziging van het WvSr, WvSv en enkele aanverwante wetten i.v.m. rechtsontwikkelingen, internationale verplichtingen en geconstateerde wetstechnische gebreken en leemten. Tegen deze achtergrond is ’s Hofs oordeel juist dat het Rwanda-tribunaal niet als “vreemde staat” i.d.z.v. art. 4a Sr kan worden aangemerkt. De enkele omstandigheid dat een extensieve interpretatie van een bepaling als art. 4a Sr in het algemeen mogelijk is, maakt dat niet anders. Ad 2. Het Hof heeft geoordeeld dat art. 4a Sr geen grondslag biedt voor de overname van de strafvervolging van het Rwanda-tribunaal door NL, nu er volgens het Hof geen verdrag bestaat tussen NL en het Rwanda-tribunaal a.b.i. die bepaling. Een verdrag waaruit de bevoegdheid tot strafvervolging voor NL volgt a.b.i. art. 4a Sr, is een verdrag waarbij voor NL zogenoemde  afgeleide rechtsmacht wordt gevestigd. Het Hof heeft geoordeeld dat zodanig verdrag i.c., waarin de Prosecutor bij het Rwanda-tribunaal NL heeft verzocht de strafvervolging van verdachte t.z.v. in 1994 in Rwanda gepleegde genocide over te nemen, ontbreekt. De klacht berust naar de kern genomen op de opvatting dat, gelet op doel en strekking van het Handvest van de VN, het Statuut van het Rwanda-tribunaal en de zgn. Completion Strategy, jo. art. 11bis van de Rules of Procedure and Evidence van het Rwanda-tribunaal - waaruit de verplichting voortvloeit tot samenwerking tussen staten en het Rwanda-tribunaal op het gebied van rechtshulp, overlevering en overdracht t.z.v. de in die Resolutie omschreven ernstige misdrijven tegen het internationale humanitaire recht - van een 'verdrag' a.b.i. art. 4a Sr ook sprake is in het geval, zoals hier, de Prosecutor bij het Rwanda-tribunaal de overneming van de strafvervolging van verdachte heeft verzocht en de MvJ daarmee mondeling heeft ingestemd. Die opvatting is onjuist. Het Hof heeft terecht en op goede gronden geoordeeld dat in vestiging van rechtsmacht niet is voorzien in een verdrag a.b.i. art. 4a Sr waaraan NL rechtsmacht heeft kunnen ontlenen, aangezien zodanige verdragsgrondslag niet kan worden gevonden in de hierboven genoemde regelingen, noch in enig ander verdrag, en in dit geval evenmin in de bedoelde, door het Hof onder het hoofd "mini-verdrag" vermelde afspraak

 

Slotsom

Met betrekking tot de regeling van de rechtsmacht in geval van genocide heeft zich in de afgelopen decennia kennelijk een ontwikkeling in de internationale en nationale opvattingen voltrokken, die ertoe heeft geleid dat in de Wet internationale misdrijven een ruime rechtsmachtregeling tot stand is gebracht, waaraan echter geen terugwerkende kracht is toegekend.
De omstandigheden waarvan bij de instellingswetgeving voor de tribunalen werd uitgegaan, zijn met de voorgeschreven Completion Strategy van de Tribunalen ingrijpend gewijzigd en hebben ertoe geleid dat de behoefte is gerezen om strafzaken van (in casu) het Rwanda -tribunaal over te nemen. Het hof heeft echter moeten vaststellen dat het Nederlandse wettelijke instrumentarium op het punt van de afgeleide rechtsmacht tekort schiet.
Hoezeer het hof oog heeft voor de wens om de ernstigste misdrijven, waarvan in casu sprake is, niet onvergolden te laten (zoals in de Memorie van Toelichting bij de Wet Internationale Misdrijven wordt beklemtoond), die wens kan echter niet voldoende grondslag voor rechtsmacht ter zake van genocide opleveren. Het hof stipuleert daarbij dat de bovenstaande overwegingen geen betrekking hebben op de (voortgezette) vervolging van dezelfde feitencomplexen in de vorm van oorlogsmisdrijven of foltering.
31. Het vorenstaande dient ertoe te leiden dat het openbaar ministerie in zijn vervolging van de verdachte ter zake van genocide niet-ontvankelijk wordt verklaard.

33.4 De rechtszaak tegen Mpambara’s wegens oorlogsmisdaden en martelingen

De rechtszaak begon op 13 oktober 2008 bij de Haagse Rechtbank.

Vonnis van de Rechtbank Den Haag 23-03-2009[4]

Samenvatting vonnis:

Veroordeling 40 jarige Rwandees Joseph M. tot 20 jaar gevangenisstraf wegens foltering (meermalen met de dood als gevolg) ten tijde van de genocide in Rwanda in 1994.

Hoofdstuk 1: Korte omschrijving van de aan verdachte verweten zeven strafbare feiten, primair ten laste gelegd als oorlogsmisdrijf subsidiair als foltering.

Hoofdstuk 2: De Nederlandse rechter heeft op grond van artikel 3 (oud) van de Wet Oorlogsstrafrecht (WOS), respectievelijk artikel 5 van de Uitvoeringswet Folteringsverdrag (UFV) rechtsmacht. Hierbij is van belang dat verdachte in Nederland was ten tijde van de start van het onderzoek tegen hem.

Hoofdstuk 3: Exposé van (de historische achtergrond van) de genocide in Rwanda in 1994. Hoofdstuk 4: De persoon van de verdachte. Verdachte wordt in de publicatie van het vonnis aangeduid als Joseph M. Hij heeft, zoals in Rwanda niet ongebruikelijk, een andere achternaam dan zijn (inmiddels overleden) vader; de achternaam van de vader is Murakaza.

Hoofdstuk 5: Verslag van en verantwoording over het strafrechtelijk onderzoek. De rechtbank wijst de kritiek van de verdediging op de kwaliteit van het onderzoek van de hand.

Hoofdstuk 6: Uiteenzetting over de waardering van het bewijs door getuigen. De rechtbank formuleert, daarbij onder meer aansluitend bij het arrest van het gerechtshof ’s-Gravenhage in de zaak K. (LJN BC 6068) een kader voor de toetsing van de geloofwaardigheid van de getuigen en betrouwbaarheid van hun verklaringen.

Hoofdstukken 7 t/m 9: Bewezenverklaring van de aan verdachte verweten misdrijven tegen (i) een Duitse arts en diens Tutsi-vrouw welke met hun enkele maanden oude baby op de vlucht waren voor de genocide en (ii) de inzittenden van een ambulance (een Hutu-chauffeur, twee Tutsi-vrouwen met hun (ten minste vier) jonge kinderen en een 12-jarig Tutsi-meisje), welke op de vlucht waren voor de genocide. De twee Tutsi-vrouwen en hun kinderen zijn daarbij met machetes en knuppels om het leven gebracht.

Hoofdstukken 10 t/m 14: Vrijspraak van betrokkenheid van verdachte bij de overige aan hem verweten misdrijven wegens gebrek aan (betrouwbaar) bewijs.

 Hoofdstuk 15: De rechtbank komt tot het oordeel dat de misdrijven die verdachte heeft gepleegd niet als oorlogsmisdrijven zijn aan te merken. De daarvoor vereiste nauwe samenhang (nexus) tussen deze misdrijven en de gewapende strijd in Rwanda tussen het regeringsleger van Rwanda (de RAF) en het (voornamelijk uit Tutsi’s bestaande) rebellenleger van het Rwandan Patriotic Front, ontbreekt. De rechtbank stelt voorop dat de strafbaarstelling van oorlogsmisdrijven burgers beoogt te beschermen tegen de gevolgen van een oorlog tussen strijdende legermachten. Zij stelt vast dat in de prefectuur waar verdachte zijn misdrijven pleegde geen gevechtshandelingen plaatsvonden tussen de RAF en het RPF, dat verdachte geen militaire functie had, dat verdachte geen invloed had op het verloop van de gevechtshandelingen dan wel in speciale relatie tot stond het regeringsleger en dat zijn misdrijven geen enkel militair doel dienden en niet bijdroegen aan de verwezenlijking van het uiteindelijke doel van de RAF in haar strijd met het RPF. De rechtbank onderkent dat de gewapende strijd tegen het RPF het Rwandese regime een voorwendsel gaf voor etnisch geweld tegen de Tutsi-bevolking en dat de propaganda van dit regime, waarin alle Tutsi’s werden vereenzelvigd met het RPF, verdachte een motief en een vrijbrief verschafte voor zijn misdrijven. Deze enkele omstandigheid acht zij echter onvoldoende om een nexus aan te nemen.

Hoofdstuk 16: De rechtbank komt tot het oordeel dat verdachte, een burger, zich heeft schuldig gemaakt aan folteringhandelingen, welke door overheidsfunctionarissen waren uitgelokt en opzettelijk toegelaten (strafbaar gesteld in artikel 2 onder b UFV).

Hoofdstuk 17:In dit hoofdstuk wordt per bestanddeel (mishandeling in de zin van de UFV, de kwaliteit van de dader als overheidfunctionaris, vrijheidsberoving van het slachtoffer, de eis dat de mishandeling plaatsvindt met een bijzonder oogmerk) aangegeven wat daaronder dient te worden volstaan en vervolgens het voorhanden bewijs daaraan getoetst. Dat gebeurt ook met de vereisten voor de deelnemingsvormen “uitlokken”en “opzettelijk toelaten”.

Hoofdstuk 18: De vorderingen van drie benadeelde partijen. Ten aanzien van de ontvankelijkheid is het recht van toepassing zoals dat gold voor de invoering van de wet-Terwee. Naar dat recht behoeft een vordering van een beledigde partij niet eenvoudig van aard te zijn om in een strafgeding te kunnen worden behandeld. De vorderingen van de Duitse arts en zijn vrouw worden toegewezen, elk tot het destijds geldende maximale bedrag van thans euro 680,67. De vordering van een nabestaande wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat verdachte van het betreffende feit wordt vrijgesproken.

Hoofdstuk 19: Strafmotivering. De rechtbank overweegt onder meer dat de kwalificatie van het handelen van verdachte als foltering, meermalen met de dood als gevolg, zijn handelen niet minder ernstig maakt dan wanneer hij daarvoor had kunnen worden berecht ter zake van genocide dan wel de feiten gekwalificeerd hadden kunnen worden als oorlogsmisdrijven. Zij heeft bij de op te leggen straf mede in aanmerking genomen de straftoemeting bij het Rwanda-tribunaal en de huidige wijze van tenuitvoerlegging van de levenslange gevangenisstraf, waarbij ‘levenslang’ in de praktijk in beginsel ook echt ‘levenslang’ is (zie onder meer het advies van de RSJ d.d. 1 december 2006 en de aanvulling daarop d.d. 20 april 2008 alsmede de conclusie van A-G mr. Knigge van 30 september 2008 (LJN BF741). De rechtbank overweegt dat van een concreet recidivegevaar niet is gebleken en legt verdachte een gevangenisstraf op van 20 jaar, hoewel hiermee in onvoldoende mate recht wordt gedaan aan de ernst van de door hem gepleegde feiten.

33.5 Hoger beroep Gerechtshof Den Haag

Gerechtshof Den Haag 07-07-2007[5]

Het Gerechtshof in Den Haag heeft in hoger beroep de 43-jarige Rwandees J.M. tot een levenslange gevangenisstraf veroordeeld wegens oorlogsmisdrijven gepleegd tijdens de genocide in Rwanda in april 1994. Bij deze oorlogsmisdrijven zijn minstens honderden doden gevallen. De feiten in deze zaak moeten gerekend worden tot de ernstigste misdrijven die sinds de Tweede Wereldoorlog door de Nederlandse strafrechter zijn berecht. De verdachte verblijft sinds 1998 in Nederland.

Het hof acht bewezen dat de verdachte, met anderen, voorop heeft gelopen bij een grootscheepse Hutu-aanval op een Adventistencomplex, waar grote aantallen Tutsi-burgers, waaronder vrouwen en kinderen, hun toevlucht hadden genomen. Daarbij zijn talloze vluchtelingen, tenminste honderden, vrijwel letterlijk afgeslacht en gewond geraakt. Ook heeft het hof vastgesteld dat de verdachte toen een belangrijke rol heeft gespeeld bij de aanhouding van een ambulance en het vermoorden van Tutsi-inzittenden. Deze Tutsi-inzittenden, waaronder zeer jonge kinderen, waren op de vlucht voor het oorlogsgeweld tegen de Tutsi’s. Ook speelde hij een beslissende rol bij de aanhouding van een vluchtend gezin, met een enkele maanden oude baby, dat daarna met de dood is bedreigd en - in doodsangst - ernstig is vernederd.

Het hof in Den Haag heeft vastgesteld dat de door J.M. gepleegde feiten (internationale) oorlogsmisdrijven zijn, die - ook - in Nederland vervolgbaar en strafbaar zijn. Het hof overweegt dat het gaat om feiten die tot de ernstigste misdrijven gerekend moeten worden die sinds de Tweede Wereldoorlog door de Nederlandse strafrechter zijn berecht. Ook heeft het hof opgemerkt dat aan de strafoplegging een niet mis te verstaan en ook internationaal gehoord signaal van afschrikking dient uit te gaan. Bij de bepaling van de straf heeft het hof ook meegewogen dat J.M. kennelijk heeft gehandeld in een toen bewust uitgevoerd genocidaal patroon, in samenwerking met (Hutu-)burgers, militairen, autoriteiten en knokploegen, vanuit etnisch-discriminatoire overwegingen en dat onder de slachtoffers (vooral) weerloze burgers, waaronder vrouwen en kinderen, te betreuren zijn.


[1] Rechtbank Den Haag LJN BB0094 24-7-2007

[2] Gerechtshof Den Haag LJN BC0287 17-12-2007

[3] Hoge Raad LJN BD6568 21-10-2008

[4] Rechtbank den haag LJN BI2444 23-03-2009

[5] Gerechtshof Den Haag LJN BR0686 07-07-2007

Geraadpleegde bronnen:

 

Rechtbank Den Haag LJN BB0094 24-7-200

Gerechtshof Den Haag LJN BC0287 17-12-2007

Hoge Raad cassatie LJN BD6568 21-10-2008

Rechtbank Den Haag LJN BI2444 Uitspraak 23-03-2009 Publicatie 14-05-2009

Gerechtshof Den Haag LJN BR0686 07-07-2011

Zie verder Hoofdstuk 34 Levenslang Faig B. voor 3 moorden en een doodslag