We hebben 180 gasten online

Eis Levenslang Marco de K. voor moord in Tilburgse hotelkamer en schietpartij in Marseille Deel 3

Gepost in Toch geen levenslang

Hoger beroep Gerechtshof Marco de K. uitgesteld 

Mogelijk later uitspraak in zaak Tilburgse hotelmoord

's-Hertogenbosch , 27-10-2011

Komende maandag 31 oktober staat de zaak met betrekking tot de Tilburgse hotelmoord op zitting bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch. Het was aanvankelijk de bedoeling van het hof om die dag alleen het onderzoek te sluiten en op 3 november uitspraak te doen. Inmiddels is echter gebleken dat de zaak toch verder inhoudelijk behandeld gaat worden. Na de laatste terechtzitting op vrijdag 30 september is er namelijk een nieuw document aan het dossier toegevoegd. Dit stuk zal komende maandag ter terechtzitting aan de orde worden gesteld. Om die reden kan nu niet meer op voorhand worden gezegd dat het hof op 3 november uitspraak zal doen. Afhankelijk van het verloop van de zitting op 31 oktober, wordt de verdere voortgang van de zaak bepaald.

Opnieuw levenslang geeist tegen Marco de K. in hoger beroep.

DEN BOSCH - Tegen de 44-jarige Marco de K. is vrijdag voor het gerechtshof in Den Bosch opnieuw levenslang geëist voor de moord op de 22-jarige Kelly Balmaakers. Zij werd in 2009 in een hotel in Tilburg van dichtbij doodgeschoten. De K. draaide zich tijdens zijn laatste woord nog eenmaal om naar de moeder van het slachtoffer. „Ik heb Kelly doodgeschoten. Als ik daar levenslang voor krijg, dan pak ik dat.”

Marco de K. is eerder door de rechtbank veroordeeld tot levenslang. Dat was in september ook de eis voor het gerechtshof, voordat het hof besloot tot het nieuwe onderzoek. Dat onderzoek naar een schietpartij in Marseille in 2008, waarvoor De K. ook terechtstaat, leverde volgens justitie geen verzachtende omstandigheden voor hem op. In oktober zei De K. vlak voor het sluiten van de zaak dat hij niet meer in Frankrijk was tijdens dat incident. Daarom wilde het hof nader onderzoek. De verdachte beweerde op 27 juni 2008 al uit Marseille te zijn vertrokken. Uit het onderzoek bij zijn hotel bleek dat hij echter tot en met 28 juni had betaald. De schietpartij vond de avond van 28 juni plaats. Zijn advocaat Jan Sneep pleitte nogmaals voor doodslag op Balmaakers in plaats van moord. Dat zou de strafmaat aanzienlijk kunnen verkorten.

Bron telegraaf 20 april 2012

28 jaar cel voor Tilburgse hotelmoord en schietpartij Marseille

's-Hertogenbosch , 4-5-2012

 Een 44-jarige man uit Baarle-Hertog is in hoger beroep veroordeeld tot een gevangenisstraf van 28 jaar voor moord, drie pogingen tot moord en een poging tot doodslag. Het gerechtshof vindt de levenslange gevangenisstraf, die was geëist door het OM en eerder ook door de rechtbank was opgelegd, niet noodzakelijk. Moord in hotelkamer Het gerechtshof heeft vastgesteld dat de verdachte in de nacht van 14 januari 2009 het 22-jarige slachtoffer, met wie hij een affaire had, heeft vermoord in een kamer van het Tilburgse Mercure Hotel. Toen het slachtoffer na een slaande ruzie naar de badkamer liep, heeft de verdachte een vuurwapen gepakt en dat, lopende naar de badkamer, doorgeladen. In de deuropening van de badkamer zag hij zijn vriendin op haar knieën voor het bad zitten. Daarna heeft hij het wapen gericht en haar door het hoofd geschoten. Het gerechtshof is van oordeel dat de verdachte niet in een drift of opwelling heeft gehandeld, vooral omdat het stel wel vaker heftige ruzies had. Het hof acht dan ook bewezen dat de verdachte zijn vriendin met voorbedachte raad om het leven heeft gebracht en dat er dus sprake is van moord. Schietpartij Marseille Het gerechtshof vindt eveneens bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een schietpartij in Marseille. Ondanks dat zijn DNA ter plaatse werd aangetroffen, heeft de verdachte zijn betrokkenheid steevast ontkend. De verklaringen van een vriend en vriendin van het slachtoffer en de resultaten van het telecommunicatieonderzoek zijn volgens het gerechtshof echter het bewijs van het tegendeel. Tegenover die vriend en vriendin had het latere slachtoffer gezegd dat de verdachte in Marseille had geschoten. Bovendien is gebleken dat er op tijdstippen rond de schietpartij met de telefoons van de verdachte vanuit Marseille sms-berichten zijn verzonden naar het latere slachtoffer, zijn ex-echtgenote en een vriend. Volgens het gerechtshof is de verklaring van de verdachte dat hij op het moment van de schietpartij niet in Marseille was, dan ook ongeloofwaardig. De schietpartij in Marseille levert volgens het gerechtshof drie pogingen tot moord en een poging tot doodslag op. Tot slot is volgens het gerechtshof bewezen dat de verdachte een pistool, een geweer en munitie voorhanden heeft gehad en dat hij circa 54.000 euro van zijn voormalig werkgever heeft gestolen. Strafoplegging Hoewel het gerechtshof de feiten buitengewoon ernstig vindt, is dat niet in die mate dat de terugkeer van de verdachte in de samenleving voor altijd moet worden uitgesloten. Het gerechtshof heeft daarom, anders dan de rechtbank, geen levenslange gevangenisstraf opgelegd. Bij de hoogte van de op te leggen gevangenisstraf heeft het hof vooral oog gehad voor het leed dat aan de nabestaanden van het slachtoffer is toegebracht. Het gerechtshof kwam tot het eindoordeel dat in dit geval een gevangenisstraf van 28 jaar passend is.

LJN: BW4902, Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 20-003  
Datum uitspraak: 04-05-2012
Datum publicatie: 04-05-2012
Rechtsgebied: Straf
Soort procedure: Hoger beroep
Inhoudsindicatie: Tilburgse hotelmoord en schietpartij in Marseille. Het hof acht bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan moord, drie pogingen tot moord, een poging tot doodslag, het voorhanden hebben van wapens en munitie en de diefstal van een groot geldbedrag. Het hof kan zich niet verenigen met het standpunt van de rechtbank en de advocaat-generaal dat in dit geval een levenslange gevangenisstraf moet worden opgelegd. Weliswaar zijn de bewezen verklaarde feiten buitengewoon ernstig, maar naar het oordeel van het hof niet in die mate dat de terugkeer van de verdachte in de samenleving voor altijd moet worden uitgesloten. Het hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 28 jaren.
Vindplaats(en): Rechtspraak.nl
 
Uitspraak
Parketnummer : 20-003724-09
Uitspraak : 4 mei 2012
TEGENSPRAAK
PROMIS


Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Breda van 26 oktober 2009 (LJN BK1143) in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken, met de parketnummers 02/610566-08, 02/810522-09 en 02/800696-09, tegen de verdachte,

[de naam van de verdachte],
geboren te [geboorteplaats in het jaar 1968],
thans verblijvende in de Penitentiaire Inrichting Dordrecht,

waarbij de verdachte werd veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf ter zake van:
- de bij parketnummer 02/610566-08 bewezen verklaarde “diefstal waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels”;
- de bij parketnummer 02/800696-09 onder 1 bewezen verklaarde “poging tot moord”;
- de bij parketnummer 02/800696-09 onder 2 bewezen verklaarde “poging tot doodslag”;
- de bij parketnummer 02/800696-09 onder 3 bewezen verklaarde “poging tot doodslag”;
- de bij parketnummer 02/800696-09 onder 4 bewezen verklaarde “poging tot doodslag”;
- de bij parketnummer 02/810522-09 onder 1 bewezen verklaarde “moord”;
- het bij parketnummer 02/810522-09 onder 2 bewezen verklaarde “handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, terwijl het feit is begaan met betrekking tot vuurwapens van categorie II of III; en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, terwijl het feit is begaan met betrekking tot munitie van categorie II en III”;
met volledige toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [nabestaande van K], de oplegging aan de verdachte van de bijbehorende schadevergoedingsmaatregel en de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van de in beslag genomen voorwerpen.


Hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.


Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van advocaat-generaal mr. G.P.N. Robben en hetgeen door de verdachte en diens raadsman mr. J.C. Sneep naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het bij parketnummer 02/610566-08, het bij parketnummer 02/800696-09 onder 1 impliciet primair, 2 impliciet primair, 3 impliciet primair en onder 4 primair, alsmede het bij parketnummer 02/810522-09 onder 1 primair en 2 ten laste gelegde bewezen zal verklaren en de verdachte daarvoor zal veroordelen tot een levenslange gevangenisstraf. Zijn vordering behelst voorts de volledige toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, de oplegging aan de verdachte van de schadevergoedingsmaatregel en de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van de in beslag genomen voorwerpen.

De raadsman heeft bepleit dat de verdachte integraal zal worden vrijgesproken van het bij parketnummer 02/800696-09 en het bij parketnummer 02/810522-09 onder 1 primair ten laste gelegde. Hij heeft verder een strafmaatverweer gevoerd en een standpunt ingenomen ten aanzien van hetgeen in beslag is genomen. Voor het overige heeft hij zich gerefereerd aan het oordeel van het hof.


Vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen. Niet alleen zal het hof tot een andere bewezenverklaring komen; het hof is tevens van oordeel dat de (promis) bewijsvoering van de rechtbank niet in stand kan blijven. Immers, daargelaten dat uit die bewijsvoering niet volgt of de bij parketnummer 02/810522-09 onder 1 bewezen verklaarde moord op [K] is gepleegd op 13 dan wel op 14 januari 2009 en die bewezenverklaring derhalve in zoverre niet naar de eis der wet met redenen is omkleed, heeft het hof geconstateerd dat de rechtbank bij de vaststelling van de redengevende feiten en omstandigheden en de verwijzing naar de daaraan ten grondslag liggende bewijsmiddelen niet steeds de vereiste mate van nauwkeurigheid heeft betracht.


Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

• Parketnummer 02/610566-08

hij op of omstreeks 11 juni 2008 te Breda met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een bedrijfspand (aan [adres 1] heeft weggenomen een geldbedrag van ongeveer EUR 50.000,00, in elk geval enig geldbedrag, geheel of ten dele toebehorende aan [A] en/of de firma [bedrijf], in elk geval aan een ander of anderen dan aan hem, verdachte, waarbij hij, verdachte, zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van (een) valse sleutel(s).

• Parketnummer 02/800696-09

1.
hij op of omstreeks 29 juni 2008 te Marseille (Frankrijk) ter uitvoering van het door hem, verdachte, voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [B] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, een vuurwapen heeft gericht op die [B] en (vervolgens) met dat vuurwapen een of meerdere kogels in de richting van die [B] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

2.
hij op of omstreeks 29 juni 2008 te Marseille (Frankrijk) ter uitvoering van het door hem, verdachte, voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [C] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, een vuurwapen op die [C] heeft gericht en vervolgens met dat vuurwapen een of meerdere kogels in de richting van die [C] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

3.
hij op of omstreeks 29 juni 2008 te Marseille (Frankrijk) ter uitvoering van het door hem, verdachte, voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [D] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, een vuurwapen heeft gericht op de auto waarin die [D] zich bevond en vervolgens met dat vuurwapen een of meerdere kogels in de richting van die auto en die [D] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

4.
hij op of omstreeks 29 juni 2008 te Marseille (Frankrijk) ter uitvoering van het door hem, verdachte, voorgenomen misdrijf om opzettelijk [E] van het leven te beroven, met dat opzet met een vuurwapen een kogel in het lichaam van die [E] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair, althans indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 29 juni 2008 te Marseille (Frankrijk) aan [E], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (een schotwond in zijn rechterbil/onderlichaam), (waardoor die [E] zijn normale bezigheden niet meer kan verrichten), heeft toegebracht, door opzettelijk met een vuurwapen een kogel in het lichaam van die [E] te schieten.

• Parketnummer 02/810522-09

1.
hij op of omstreeks 14 januari 2009 te Tilburg opzettelijk en met voorbedachten rade [K] van het leven heeft beroofd, immers heeft hij, verdachte, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een vuurwapen een kogel in het hoofd van die [K] geschoten, waardoor die [K] is overleden;

subsidiair, althans indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 14 januari 2009 te Tilburg opzettelijk [K] van het leven heeft beroofd, immers heeft hij, verdachte, met dat opzet met een vuurwapen een kogel in het hoofd van die [K] geschoten, waardoor die [K] is overleden.

2.
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode 1 januari 2009 tot en met 27 januari 2009 te Tilburg en/of Chaam en/of elders in Nederland een of meer (vuur)wapens van categorie II en/of III, te weten een geweer (dubbelloops jachtgeweer, kaliber 12) en/of een pistool (Smith & Wesson, kaliber .45 ACP), en/of munitie van categorie II en of III, te weten 98 patronen kaliber .45ACP en/of 2 patronen kaliber 12 (merk Brenneke) en/of 2 patronen kaliber 12 (merk RC Italy, RC4 Special) en/of 25 patronen kaliber 12 (RC Prestige) en/of 2 hagelpatronen kaliber 12 (merk Fiocchi), voorhanden heeft gehad.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.


Bewijsoverwegingen

In de navolgende overwegingen zal het hof op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen (die in de voetnoten bij dit arrest nader worden aangeduid) de feiten en omstandigheden vaststellen en ingaan op de daaraan te verbinden gevolgtrekkingen.

• Parketnummer 02/610566-08

1.1 Bekentenis ten aanzien van de diefstal bij [bedrijf]

1.1.1
De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 26 januari 2011 bekend dat hij de ten laste gelegde diefstal heeft begaan. Bij deze gelegenheid heeft hij onder meer verklaard dat hij uit geldnood het geld uit de geldkluizen van zijn werkgever [bedrijf] heeft weggehaald. Zijn verklaring luidt, voor zover van belang, als volgt.

“Op 11 juni 2008 heb ik […] uit enkele geldkluizen van [bedrijf] geldbedragen weggehaald. […] Die geldbedragen waren niet van mij. In die periode was ik bij [bedrijf] werkzaam en zodoende had ik de sleutels en codes van het bedrijfspand en de kluizen. […] Het kan wel kloppen [dat het in totaal om een bedrag van EUR 54.000,00 ging]. […] Het klopt dat de nood op dat moment zo hoog was dat ik niet alleen een […] groot bedrag heb toegeëigend, maar daarvoor ook een relatie moest verbreken. […] Ik wist hoeveel er in het bedrijfspand van [bedrijf] aanwezig was en dat ik daarmee uit de voeten kon.”

1.1.2
De directeur en grootaandeelhouder van [bedrijf], [A], heeft op 11 juni 2008 van de diefstal aangifte gedaan. De aangifte houdt onder meer het volgende in.

“Ik ben directeur en grootaandeelhouder van het bedrijf [bedrijf] gevestigd aan [adres 1] te Breda. […] Hedenochtend omstreeks 08.45 uur ben ik naar mijn bedrijf gegaan. […] Via een openstaande deur [aan de achterzijde van het pand] […] ben [ik] het pand binnen gegaan en naar de kassa gelopen en ik zag dat de kluis bij de kassa en in de keuken open stonden. […] Ik keek verder in het pand en zag dat de zgn. “Hopper” in de kassa ook leeg was. Ik ben toen naar boven gelopen en naar de casino cash-centre. Ik zag dat deze open stond en dat de cassettes eruit waren en leeg waren. De cassettes lagen op de grond. […] Kijkend naar de [camera]beelden werd het mij vrij snel duidelijk dat het iemand moest zijn die bekend was. Ik zag dat deze persoon gelijk naar de kluizen liep en deze ook met de sleutel en code opende. Ik zag dat die persoon al het klein geld uit de twee kluizen haalde die beneden stonden. […] Aan de manier van lopen en het postuur had ik al een vermoeden wie dit zou kunnen zijn. […] Ik zag op de beelden toen de persoon voor de tweede keer terug kwam, de bivakmuts […] terug gerold had en dat het gezicht van deze persoon duidelijk in beeld was. Ik herkende deze persoon voor de volle honderd procent als […] [de verdachte]. […]
Voor zover ik thans heb na kunnen gaan zijn de volgende geldbedragen weggenomen. Uit de twee kassakluizen is een bedrag van EUR 37.000 weggenomen. Uit het casino cash-centre, die boven staat, is vermoedelijk een bedrag van ongeveer EUR 17.000 weggenomen. […] Het meegenomen geld bestaat grotendeels uit 2 euro muntstukken. […] Ik gaf aan niemand het recht of toestemming tot het plegen van dit feit.”

1.2 Conclusie

Evenals de advocaat-generaal en de raadsman is het hof van oordeel dat de ten laste gelegde diefstal wettig en overtuigend bewezen kan worden. De bewijsmiddelen leiden tot na te melden bewezenverklaring.

• Parketnummer 02/800696-09

2.1 Ontkenning ten aanzien van de schietpartij in Marseille

De verdachte heeft iedere betrokkenheid bij de schietpartij in Marseille ontkend. De raadsman heeft op de gronden als vervat in zijn pleitnota bepleit dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte zich daaraan schuldig heeft gemaakt. Het hof komt tot een ander oordeel en overweegt daartoe als volgt.

2.2 De bestolen Europese schutter in de rue Colbert, cours Belsunce en de rue Fontaine d’Arménie

2.2.1
Tijdens zijn werkzaamheden in het fast-food restaurant ‘City Burger’ in Marseille is [F] getuige geweest van een diefstal. Op enig moment werd een dronken klant met een Europees uiterlijk bestolen door een persoon die hij kent als ‘petit hassen’. Dat blijkt uit de hierna weergegeven verklaring van [F], die hij op 29 juni 2008 heeft afgelegd.

“Op 28 april 2008 (gelet op de datum van het verhoor en de overige te bezigen bewijsmiddelen, begrijpt het hof: 28 juni 2008) begon ik om 22.00 uur met mijn dienst bij het fast-food restaurant ‘City Burger’. […] Bij mij waren [B] (het hof begrijpt: [B]), de baas, zijn vriend [C] (het hof begrijpt: [C]) en klanten. Toen ik achter de toonbank stond, zag ik in de rue Colbert twee kerels die tegen elkaar gedrukt stonden. […] Ik herkende één van de personen die ik van gezicht ken uit de rue Colbert en die zich “petit hassen” laat noemen. Ik zag dat hij een dik pak bankbiljetten uit de zak van de kerel haalde die tegenover hem stond. […] Het betrof een man van zo’n veertig jaar oud, 1.70 meter lang, […] Europees type, kort kastanjebruin haar, hij droeg een […] bermuda, […], en sprak met een zwaar Engels accent. Deze persoon was stomdronken.”

2.2.2
De verklaring van de baas van de snackbar, [B], maakt duidelijk dat de bestolen klant vanaf middernacht, aldus vanaf 29 juni 2008 te 00.00 uur, in de snackbar aanwezig was. De door hem op 29 juni 2008 afgelegde verklaring houdt het volgende in.

“Ik ben gisteravond om 23.30 uur met mijn dienst begonnen. […] Een man van het Europese type, ongeveer 45 jaar oud, […] ongeveer 1.70 meter lang, kort kastanjebruin haar […] gekleed in een […] bermuda […], kwam om middernacht aan om wat te gebruiken; hij was alleen.”

2.2.3
Een vriend van [B], [C], was eveneens in de snackbar aanwezig. Hij heeft verklaard achter de dief te zijn aangegaan en een jonge Arabier te hebben ingehaald, die de diefstal toegaf en hem een bedrag van EUR 100,00 overhandigde. Toen hij dit bedrag teruggaf aan de door hem met ‘Europeaan’ en ‘Engelsman’ aangeduide klant, kreeg hij te horen dat er geen EUR 100,00, maar EUR 1.000,00 was gestolen. De verklaring van [C] luidt hieromtrent als volgt.

“Ik bevond mij vanaf ongeveer 23.00 uur op het terras van het fast-food restaurant “City Burger” in de rue Colbert […] [te] Marseille. […] De baas [B], die ik ken, kwam bij me aan tafel en zei dat ‘de Europeaan’ net was bestolen. Ik ben het fast-food restaurant ingegaan en een kerel van ongeveer 1.70 meter lang, […] kort kastanjebruin haar […] met een […] bermuda […] begon in het Engels tegen mij te praten. Naar wat ik meen te hebben begrepen, was hij net bestolen.[…] Ik ben […] [achter] de dief [aangegaan die] in de richting van de rue d’Aix was gevlucht. Ik heb een jonge Arabier uit Marseille van ongeveer twintig jaar oud ingehaald en vroeg hem of hij net een toerist in de snackbar van mijn vriend had bestolen. De jongen was bang en zei dat hij alleen maar honderd euro van hem had gestolen, welk bedrag hij mij heeft gegeven. Ik heb de jongen laten gaan en ben teruggegaan naar de snackbar waar de ‘Engelsman’ samen met mijn vriend [B], de baas van de snackbar, zat te wachten. Ik heb de ‘Engelsman’ de honderd euro teruggegeven en hij maakte duidelijk dat er […] duizend euro van hem was gestolen.”

2.2.4
Volgens [B] reageerde de klant op dat moment abnormaal opgewonden en zei hij in het Engels dat hij de Arabieren ging doden. Dat blijkt uit het volgende deel van zijn verklaring.

“Toen [C] hem het geld teruggaf, zei die persoon dat er niet honderd, maar duizend euro van hem waren gestolen. Hij had waarschijnlijk gedronken, want hij rook naar alcohol; bovendien was hij abnormaal opgewonden. Hij zei in het Engels tegen ons dat hij de Arabieren ging doden en ik heb hem aangeraden om liever aangifte te doen.”

2.2.5
[C] hoorde een soortgelijke bedreiging: de klant keek hem aan, maakte een schietgebaar en zei ‘shooting’, waarna hij de snackbar verliet. Dat blijkt uit de hierna weergegeven verklaring.

“Opeens hoorde ik de ‘Engelsman’ ‘shooting’ tegen mij zeggen, terwijl hij me aankeek en hij met de hand het gebaar van een schutter nadeed. […] Aangezien hij stomdronken was, heb ik zijn bedreigingen niet echt serieus genomen. Even later verliet hij de snackbar en vertrok in de richting van de rue Colbert.”

2.2.6
Ook [F] heeft gehoord dat de klant ‘shooting’ riep. Hij zag verder dat de klant daarna in de richting van Hotel Mercure vertrok. Toen hij hem korte tijd daarna zag terugkomen, droeg hij andere kleren en een rugzak. Uit de rugzak haalde de man een automatisch pistool dat hij op [B] richtte, die samen met [C] buiten het restaurant stond. [F] hoorde een klik, maar geen schot en begreep daarom dat de man de veiligheidspal was vergeten. Dat blijkt uit de volgende verklaring.

“Al gebarend begon hij zich op te winden en bleef maar schreeuwen ‘shooting’. Daarna verliet hij de snackbar in de richting van hotel Mercure. […] Toen ik achter de kassa stond en mijn baas [B] samen met [C] buiten was, zag ik de buitenlander weer in onze richting komen. Dit keer droeg hij een zwart sportjasje, een spijkerbroek, zwarte schoenen en had hij een rugzak op zijn rug. Ik zag hem toen zijn rugzak pakken en daar een automatisch pistool uit halen. Toen is hij voor [B] gaan staan en heeft hij zijn wapen op hem gericht. Ik hoorde een ‘klik’ en begreep dat hij op [B] had proberen te schieten, maar dat hij de veiligheidspal was vergeten. Ik schreeuwde tegen [B] dat hij weg moest rennen. [B] sloeg op de vlucht en verschool zich in de snackbar. Ik zag de persoon het pistool spannen en twee keer in mijn richting schieten.”

2.2.7
[B] heeft over dit moment verklaard dat de man op vier meter afstand op hem probeerde te schieten en vervolgens meermalen in zijn richting schoot zonder hem te raken. Deze verklaring luidt als volgt.

“Later […] zie ik het slachtoffer van de diefstal aankomen, gekleed in een jack met een zwarte rugzak. Hij kwam uit de straat waar hotel Mercure zit, dichtbij het Centre Bourse. Ik stond voor de ingang van het etablissement en het slachtoffer van de diefstal opende zijn rugzak en haalde daar een automatisch pistool uit en heeft in mijn richting geschoten. Hij stond op vier meter afstand van mij. Ik hoorde een klik, gelukkig zat er geen enkele patroon in de kamer. De persoon heeft zijn automatische pistool gespannen en heeft meerdere malen in mijn richting geschoten zonder me te raken.”

2.2.8
Na die schoten op [B] te hebben gelost, draaide de man zich om en richtte hij zijn wapen op [C]. [C] is daarop de rue Colbert ingerend in de richting van de cours Belsunce. Tijdens zijn vlucht hoorde hij vier schoten. Op de hoek van de rue Colbert en de cours Belsunce, zag hij een hem bekende [E] neervallen. De verklaring van [C] houdt het volgende in.

“Om 00.30 uur zat ik met [B] op het terras en zagen we de ‘Engelsman’ door het straatje waar hotel Mercure ligt, terugkomen in onze richting. Deze keer droeg hij een zwart jasje, een zwarte rugzak en een jeans. Op een afstand van ongeveer drie meter zag ik hem een wapen manoeuvreren […] waarvan ik denk dat het een automatisch pistool was. Hij heeft eerst op [B] gericht. […] Op het moment dat ik [B] zag wegrennen, hoorde ik twee schoten. Ik draaide me om en de persoon stond naar mij gekeerd waarbij hij zijn wapen op mij richtte. Ik ben onmiddellijk opgestaan en ben de rue Colbert ingerend in de richting van de cours Belsunce. Ik geloof dat ik onder het rennen vier schoten heb gehoord. Terwijl ik rende, zag ik in de bar op de hoek van de cours Belsunce en de rue Colbert, [E] (het hof begrijpt: [E]), een barman van deze bar, neervallen. Ik begreep dat hij door een projectiel was geraakt.”

2.2.9
[B] was ook richting de cours Belsunce gevlucht. De man schoot volgens hem zonder onderscheid op voorbijgangers; in het bijzonder noemde hij het schieten op een witte Peugeot 206. [B] zag de schutter vluchten in de richting van de rue Sainte Barbe. Verder heeft hij [E] gewond op de grond zien liggen. De verklaring van [B] houdt op dit punt het volgende in.

“Ik ben in de richting van Colbert vertrokken naar Belsunce en hij heeft mij een ogenblik gevolgd waarbij hij zonder onderscheid op voorbijgangers schoot. […] Toen ik rechtsaf sloeg, voor de bar “Les Cinq Parties” gelegen op de hoek van de straten Colbert en Belsunce, zag ik de buurman [E] op de grond liggen. Hij kermde en hield zijn rechterbil vast. […] Ondertussen ging de persoon door met schieten op een witte 206 (het hof begrijpt: een personenauto van het merk Peugeot, type 206) waar een persoon in zat. Deze 206 reed op de rue Colbert. Daarna is de persoon gevlucht in de richting van de rue Sainte Barbe.”

2.2.10
[G], een toevallige passant, heeft verklaard dat zij een man bij de ‘City Burger’ zag die twee of drie keer schoot. Zij zag twee personen naast elkaar (weg)rennen. Haar verklaring luidt als volgt.

“Deze ochtend (het hof begrijpt: de nacht van 29 juni 2008) vergezelde ik een vriendin […] naar de tram bij de halte Belsunce in Marseille. […] We […] liepen langs de snackbar “City Burger” te Marseille. We bevonden ons in de rue Colbert. We staken net over toen een man dit etablissement uitkwam. Hij liep zo’n twee meter achter ons. Toen we midden op de weg stonden, hoorden we twee of drie schoten en toen we ons omdraaiden, zagen we dat die persoon schoot op een voorbijganger die op het trottoir van de City Burger liep. […] Er waren twee personen die naast elkaar renden. […] Die persoon gebruikte een zwart automatisch pistool. Hij heeft twee of drie keer op deze twee personen geschoten. […] Het signalement van de schutter luidt als volgt: het was een man van het Europese type, ongeveer 40 jaar oud, 1.70 meter lang.”

2.2.11
De gewonde [E], die door [B] en [C] wordt genoemd, blijkt [E] te zijn. Hij heeft verklaard dat een man een wapen richtte op [B] en hoorde drie schoten. Het derde schot raakte hem ter hoogte van zijn rechterbil. Zijn verklaring houdt het volgende in.

“In de nacht van zaterdag 28 juni op zondag 29 juni 2008 rond 00.30 uur […] ‘s nachts, toen ik mij bevond voor de bar van mijn halfzus “Bar des 5 parties du monde” gelegen in de rue Colbert te Marseille, ben ik gewond geraakt door een vuurwapen.

Ik bevond mij op het terras van de bar, […] toen ik het geluid hoorde van een kulas van een wapen […]. Ik keek onmiddellijk op en zag een gewapende man die dit wapen in mijn richting hield, hij richtte op de persoon die 2 meter voor mij stond. […] Ik hoorde een tweede schot gevolgd door een gefluit, daarna een derde schot. Deze keer werd ik geraakt en verwond ter hoogte van mijn rechterbil. Ik viel op de grond […].

Ik verklaar […] dat ik drie schoten heb gehoord. De persoon richtte op de baas van de snackbar, dit etablissement ligt op ongeveer 150 meter van de bar. […] Hij begon eerst te mikken op de benen van de eigenaar van de snackbar, daarna richtte hij hoger.
Het tweede projectiel kwam uiteindelijk terecht in de band van de motor van mijn neef en het derde projectiel heeft mij geraakt. Ik verklaar […] dat hij […] op de eigenaar richtte, want na het eerste schot wilde de eigenaar van de snackbar naar rechts in de richting Belsunce vluchten. Op dat moment zag ik dat die persoon zijn schootsrichting wijzigde en probeerde te richten in de vluchtrichting van de eigenaar.

Signalement van de persoon: Europees type, 40 à 45 jaar oud, ongeveer 1.70 meter lang.”

2.2.12
De zus van [E], [H], heeft hetzelfde waargenomen. Zij heeft de volgende verklaring afgelegd.

“In de nacht van zaterdag [28 juni] op zondag [29 juni 2008] […], toen ik met mijn man en mijn broer [E] aan het praten was voor mijn etablissement, zijnde rue Colbert, werd mijn blik getrokken naar een persoon die op ons afrende. Ik zag meteen dat het de eigenaar van de snackbar uit de buurt was.

Tegelijkertijd constateerde ik de aanwezigheid op de drempel van de snackbar, van een persoon met een wapen. Deze persoon richtte op de eigenaar van de snackbar. Ik zag deze persoon zijn arm met het wapen uitsteken, een beweging van boven naar beneden maken om zijn zicht scherp te stellen. Daarna heeft hij drie keer geschoten. […]

Mijn broer [E] […] raakte […] gewond aan zijn rechterbil.”

2.2.13
De inzittende van de witte Peugeot 206 waarover [B] heeft verklaard, verklaarde [I] te zijn. Hij heeft verklaard rond middernacht aanwezig te zijn geweest in de ‘City Burger’ en daarna, toen hij in zijn auto zat, te zijn beschoten. Zijn verklaring luidt als volgt.

“Ik ben rond middernacht [de City Burger aan de rue Colbert in Marseille] […] binnen gegaan. […] Ik denk dat ik om 00.30 uur het fast-food restaurant heb verlaten en naar mijn auto ben gegaan […]. Toen ik in mijn [Peugeot 206] zat, hoorde ik, geloof ik, vier schoten […] en nog eens twee in mijn richting. Als ik zeg in mijn richting dan bedoel ik dat er twee inslagen in mijn voordeur aan de passagierskant zitten.”

2.2.14
Later verklaarde hij zich voor zijn broer te hebben uitgegeven, omdat hij geen rijbewijs had. Over het gebeuren legde hij vervolgens de volgende verklaring af.

“Mijn naam is [D]. […] De identiteit welke ik u zojuist heb gegeven, is mijn ware identiteit. Toen u mij verhoorde in de nacht waarin de feiten plaatsvonden, heb ik u de identiteit van mijn broer gegeven omdat ik geen rijbewijs heb. […]
Het moet eind juni geweest zijn […] rond middernacht […] toen ik […] een persoon ruzie zag maken met een groepje […] jongeren voor de snackbar City Burger. De man haalde een wapen uit zijn tas […] en schoot vervolgens in de richting van de jongeren op manshoogte. […] Ik zag hem zijn wapen heffen en het afvuren. […] Zodra de eerste schoten vielen, hebben de jongeren zich verspreid. Vervolgens […] ben ik in mijn Peugeot 206 gestapt die naast het terras van de bar geparkeerd stond; ik ben hem gevolgd toen hij de rue Colbert overstak in mijn richting, vervolgens nam hij de eerste weg rechtsaf, in de richting van de rue de la République. Toen ik met mijn auto naar die weg reed, keerde de persoon zich naar mij toe en richtte zijn wapen in mijn richting en heeft […] schoten gelost. Direct na het eerste schot ben ik in mijn auto naar beneden gedoken en ben ik achteruit gereden. Ik ben teruggereden tot aan de straat die grenst aan het terras van de bar, toen heb ik mijn hoofd weer opgetild, maar de persoon was mij niet gevolgd.”

2.2.15
[J] was hiervan getuige. Zij zag dat een man met een rugzak over zijn schouder minstens vijf keer op een automobilist schoot en vervolgens de rue Fontaine d’Arménie inging.

“Het was ongeveer 00.30 uur [op 29 juni 2008] en ik bevond mij op de hoek van de rue Fontaine d’Arménie en de rue Colbert toen ik schoten hoorde. […] Ik ben de rue Colbert […] overgestoken en daar zag ik een persoon die richting [....] [een] automobilist [schoot en] […] daarna […] de rue Fontaine d’Arménie [inging]. [Hij heeft minstens vijf keer op de automobilist geschoten.] […] [De schutter] was een man, Europees type. […] Hij had een rugzak over zijn schouder.”

2.2.16
[L] heeft eveneens gezien dat de man op een automobilist schoot. Zij heeft de schutter in de rue Fontaine d’Arménie van zijn wapen gebruik zien maken. De getuige meldde zich bij hoofdbrigadiers [Franse verbalisant 1] en [Franse verbalisant 2], die daarvan het volgende relaas opstelden.

“Een getuige van de feiten van deze nacht treedt met ons in contact. Het betreft hier mevrouw [L]. […] Zij geeft aan dat zij de schutter van zijn wapen gebruik heeft zien maken in de rue Fontaine d’Arménie. Hij zou gevolgd zijn door een kleine witte auto, een tweedeurs. Deze auto zou gereden hebben op de rue Colbert en zou de schutter hebben gevolgd en zou voor de betreffende straat geparkeerd hebben gestaan. De voortvluchtige zou rechtsomkeert hebben gemaakt toen hij zich voor de levensmiddelenwinkel SANAA (nr. 14) bevond en zou vele malen in de richting van de auto hebben geschoten.”

2.3 Tussenconclusie met betrekking tot het signalement van de schutter

In weerwil van het door de raadsman gevoerde verweer heeft het hof het algemene signalement van de schutter voor het bewijs gebruikt, te weten een man van het Europese type, zo’n 40 à 45 jaar oud, 1.70 meter lang, kort kastanjebruin haar en gekleed in een bermuda (vgl. overwegingen 2.2.1, 2.2.2, 2.2.3, 2.2.10, 2.2.11 en 2.2.15). Anders dan de raadsman meent, vermag het hof niet in te zien welke ontlastende werking van dat signalement uitgaat voor de verdachte. Wel kan worden gezegd dat het signalement niet meer dan een geringe bewijswaarde heeft. Het hof acht het slechts in zoverre redengevend dat bepaalde personen vanwege hun uiterlijk als dader kunnen worden uitgesloten; dat is ten aanzien van de verdachte niet het geval.
Het hof overweegt ambtshalve nog dat de door de raadsman genoemde diversiteit en onnauwkeurigheid van de door getuigen opgegeven signalementen niet van dien aard zijn dat de betrouwbaarheid van hun verklaringen is aangetast. In de kern wordt naar het oordeel van het hof steeds eenzelfde beschrijving gegeven, terwijl de geconstateerde tegenstrijdigheden, mede in aanmerking genomen de hectiek van het moment, van ondergeschikte aard zijn.

2.4 Aantreffen van patronen en patroonhulzen

2.4.1
De hoofdbrigadiers, die door de getuige [L] werden aangesproken, zagen in haar verklaring een aanwijzing dat de schutter schoten heeft gelost in de richting van het aan de rue Neuve Saint Martin gelegen Hotel Mercure. Die straat is lager gelegen dan de rue Fontaine d’Arménie. Bij het hotel constateren zij op een hoogte van vijf meter een stervormige inslag in een groot raam boven de hoofdingang met daarin een projectiel. Deze inslag ligt volgens de hoofdbrigadiers in de as van de rue Fontaine d’Arménie. Een en ander werd als volgt verwoord in hun proces-verbaal.

“Gezien dit nieuwe element (de verklaring van de getuige [L]) dat wijst op schoten in de richting van Hotel Mercure - rue Neuve St. Martin, welke straat gelegen is aan het lager gelegen gedeelte van de rue Fontaine d’Arménie, begeven wij ons te voet naar het hotel en constateren, op een hoogte van ongeveer vijf meter, de aanwezigheid van een stervormige inslag op een groot raam boven de hoofdingang en het bord “Hôtel ACCORD”. […]

Wij constateren de aanwezigheid van een projectiel onderaan dit dubbele raam: het projectiel is geplet en vervormd en kan niet worden gepakt zonder het glas te breken. […]

Met het blote oog stellen we [vast] dat de opening in de as ligt van de rue Fontaine d’Arménie en de winkels die aan de rechterzijde liggen, waaronder levensmiddelenzaak SANAA […] Wij meten direct de afstand tussen de inslag bij hotel Mercure en de 1e aanwijzing in de rue Fontaine d’Arménie, […] en bepalen deze afstond op ongeveer 85 meter.”

2.4.2
Na een daartoe strekkende opdracht van het hof is het projectiel eerst op 10 maart 2011 veiliggesteld. Luitenant van politie [Franse verbalisant 3] kreeg het projectiel overhandigd van [M], directieassistent van het Hotel Mercure, die daarbij verklaarde dat het projectiel op 31 oktober 2008 door arbeiders uit het raam is gehaald en dat zij het sindsdien in een plastic zak heeft bewaard. Haar verklaring is als volgt vastgelegd.

“Ik ben in het bezit van het projectiel dat uit het raam is gehaald toen de ramen van de voorgevel van het hotel werden vervangen. Deze werkzaamheden zijn verricht op 31 oktober 2008. Bij die gelegenheid hebben de arbeiders die aan het werk waren, het projectiel uit het raam gehaald dat vast zat in een van de ruiten van de voorgevel. Het projectiel bevond zich in de ruit sinds 29 juni 2008 na een schietpartij die plaats vond in de omgeving van een snackbar die in de nabijheid van het hotel is gevestigd. Sinds die tijd heb ik het projectiel in een plastic zak bewaard. Ik overhandig u het projectiel dat uit het buitenraam van het hotel is gehaald.”

2.4.3
Indertijd werden de in de straten aangetroffen patroonhulzen en patronen veiliggesteld. Op de straat voor de ‘City Burger’ werden zeven patroonhulzen, een patroon en een vervormd projectiel aangetroffen, zo blijkt uit het volgende proces-verbaal.

“Op de grond [voor de snackbar City Burger] liggen vele munitieonderdelen. […]
Een 9mm patroon van het merk S&B [….] [wordt in beslag genomen onder nummer] CONST/A/DEUX. […]
Een weggeslagen patroonhuls kaliber 9mm [….] [wordt in beslag genomen onder nummer] CONST/A/TROIS. […]
Een weggeslagen patroonhuls kaliber 9mm [….] [wordt in beslag genomen onder nummer] CONST/A/QUATRE. […]
Een weggeslagen patroonhuls kaliber 9mm [….] [wordt in beslag genomen onder nummer] CONST/A/CINQ. […]
Een weggeslagen patroonhuls kaliber 9mm [….] [wordt in beslag genomen onder nummer] CONST/A/SIX. […]
Een weggeslagen patroonhuls kaliber 9mm [….] [wordt in beslag genomen onder nummer] CONST/A/SEPT. […]
Een weggeslagen patroonhuls kaliber 9mm [….] [wordt in beslag genomen onder nummer] CONST/A/HUIT. […]
Een weggeslagen patroonhuls kaliber 9mm [….] [wordt in beslag genomen onder nummer] CONST/A/NEUF. […]
Een tafel […] op 1,44 meter van de rechterdeurpost van de ingang, vertoont een inslagspoor ter hoogte van het tafelblad. […] Aan de voet van deze tafel […] ligt een vervormd projectiel dat […] [in beslag wordt genomen onder nummer] CONST/A/DIX.”

2.4.4
In de rue de la Fontaine d’Arménie werden voorts nog acht patroonhulzen aangetroffen. Deze werden veiliggesteld, zoals vermeld in het navolgende proces-verbaal.

“Als wij ons in de rue de la Fontaine d’Arménie bevinden, wijzen agenten van de openbare veiligheidsdienst ons aan de rechterzijde van de rijbaan, komende vanuit de rue Colbert, op acht weggeslagen patroonhulzen. […]

Alle aangetroffen patroonhulzen zijn weggeslagen en gemerkt 9mm en S&B.
1e patroonhuls […] wordt in beslag genomen […] onder nummer CONST/B/UN. […]
2e patroonhuls […] wordt in beslag genomen […] onder nummer CONST/B/DEUX. […]
3e patroonhuls […] wordt in beslag genomen […] onder nummer CONST/B/TROIS. […]
4e patroonhuls […] wordt in beslag genomen […] onder nummer CONST/B/QUATRE. […] 5e patroonhuls […] wordt in beslag genomen […] onder nummer CONST/B/CINQ. […]
6e patroonhuls […] wordt in beslag genomen […] onder nummer CONST/B/SIX. […]
7e patroonhuls […] wordt in beslag genomen […] onder nummer CONST/B/SEPT. […]
8e patroonhuls […] wordt in beslag genomen […] onder nummer CONST/B/HUIT.”

2.4.5
Bij de bar ‘Les Cinq Parties Du Monde’ aan de rue Colbert en de cours Belsunce, de plaats waar [E] door een projectiel werd geraakt, werd verder een scooter aangetroffen die een ingangsopening vertoonde in de voorband, zo wordt in het hierna weergegeven proces-verbaal vermeld.

“Bevindingen opgenomen op de hoek cours Belsunce-rue Colbert.
Deze plaats is ons aangewezen als de plaats waar de persoon genaamd [E] geraakt is door een projectiel. Aan de voorzijde ligt een bar met de naam ‘Les Cinq Parties Du Monde’ waarvan de toegang gedeeltelijk verloopt via de cours Belsunce en gedeeltelijk via de rue Colbert. […]

Vastgemaakt met een ketting aan [een] […] hekje […], staat een antracietgrijze scooter […] [die] een ingangsopening in de voorband [vertoont]. De eigenaar van de scooter, die ter plaatse aanwezig is en zich voorstelt als [N], een neef van het slachtoffer, zal ons na reparatie van zijn band een eventueel projectiel overhandigen.”

2.4.6
De eigenaar van de scooter heeft op 10 juli 2008 een projectiel dat bij het verwisselen van zijn band tevoorschijn is gekomen, overhandigd aan officier van politie [Franse verbalisant 4]. Daarvan werd het volgende proces-verbaal opgemaakt.

“[N], de eigenaar van de scooter, […] heeft [contact met ons] opgenomen en ons [medegedeeld] dat hij de voorband van zijn voertuig heeft laten verwisselen en dat hierbij de neuskegel van het projectiel die de lekke band heeft veroorzaakt, te voorschijn is gekomen. […] Hij bewaart deze voor ons bij de bar ‘Les 5 parties du monde’. […] Alwaar wij op [10 juli 2008] […] worden opgevangen door de heer [N], die ons de munitie overhandigt die hij uit de band van zijn scooter heeft verwijderd en die nu in een gesloten plastic zakje zit. Het betreft een beklede loden neuskegel, met koperkleurig omhulsel, volledig vervormd en die het uiterlijk van munitie van 9mm vertoont. Deze geplette kop wordt door ons in beslag genomen […] onder nummer CONST/A/12.”

2.4.7
In de rechterbil van [E] wordt een projectiel aangetroffen, die volgens dokter [O] niet zonder gevaar operatief kan worden verwijderd. Dit staat vermeld in het hierna weergegeven rapport van pathologisch-anatomisch onderzoek betreffende [E].

“Op 24 juli 2008 verduidelijkt dokter [O] in […] een brief: ‘Ik heb de heer [E] op consult gehad die een wond had op de rechterbil door een kogel. […] Ik leg de patiënt nogmaals uit dat het niet nodig is om een operatie uit te voeren, die te gevaarlijk zou blijken te zijn, eenvoudigweg rekening houdend met de lokalisatie van de verpleging van de wondgenezing.’”

2.4.8
Verder is nog van belang dat uit het hierna weergegeven proces-verbaal kan worden afgeleid dat zich in de witte Peugeot 206 twee projectielen bevonden.

“Bevindingen opgenomen in de rue Magenta prolongée.
Op de hoek van de rue Magenta en de rue Colbert […] staat een witte tweedeurs Peugeot 206 […]. Dit voertuig vertoont op 28 cm van de grond, onder het rechterportier, een ingangsopening van een projectiel. De randen van de opening zijn naar binnen gedrukt. Onder deze opening, op 21 cm van de grond, vertoont de draagbalk een scheur waarvan de randen naar binnen zijn ingedrukt. […] Hierbij wordt opgemerkt dat voor het verwijderen van de projectielen de draagbalk van het voertuig afgezaagd dient te worden.”

2.5 Aantreffen wapen en jas

2.5.1
In de rue des Pénitents blues, die in het verlengde van de rue Fontaine d’Arménie ligt, werden omstreeks 03.15 uur een automatisch pistool met ingestoken patroonhouder, een lege patroonhouder en een zwart opgerold jasje, met in de zak een aansteker en een aangebroken pakje sigaretten, aangetroffen. Dat blijkt uit het volgende proces-verbaal.

“Aan de rechterkant van de weg (gelet op foto’s 64 en 65 van het proces-verbaal betreffende het sporenonderzoek begrijpt het hof dat daarmee ‘la rue des Pénitents blues’ wordt bedoeld, die in het verlengde van de rue Fontaine d’Arménie ligt) […], aan de voet van de eerste boom, onder bladeren, treffen wij aan een automatisch pistool, met ingestoken patroonhouder, kulas naar achteren, alsmede een lege patroonhouder die ernaast ligt. Op dezelfde plek treffen wij een opgerold jasje aan. Het is dan 03.15 uur. […]
De lege patroonhouder wordt in beslag genomen […] onder nummer CONST/B/NEUF. […] Het [wapen] betreft een automatisch pistool […] met de inscripties Carl Walther Spec Ausf cal 9mm K. De kulas staat naar achteren en de handmatige veiligheidspal van het wapen is niet overgehaald. Wij verwijderen de lege patroonhouder en de kamer is leeg. […] Het automatische pistool […] 9mm K en de lege patroonhouder worden in beslag genomen […] onder nummer CONST/B/DIX. […]
Bij doorzoeking [van het jasje] treffen wij hierin een aansteker en een aangebroken pakje sigaretten van het merk Camel aan. De aansteker en het pakje sigaretten worden in beslag genomen […] onder nummer CONST/B/ONZE.
De kleding bestaat uit een jasje met ritssluiting, gestreept in diverse kleuren, met zwarte voering (gelet op de waarneming van het hof op foto 76 van het proces-verbaal betreffende het sporenonderzoek , leest het hof: een zwart jasje met ritssluiting, met een in diverse kleuren gestreepte voering). […] Het gestreepte jasje wordt in beslag genomen […] onder nummer CONST/B/DOUZE.”

2.5.2
Uit Frans ballistisch onderzoek bleek dat het wapen van het type Makarov is en dat de aangetroffen patroonhouders daarin passen. De bij de ‘City Burger’ aangetroffen patroon bleek geschikt te zijn voor het wapen, terwijl met betrekking tot de vijftien in beslag genomen hulzen werd geconcludeerd dat deze daarmee zijn afgevuurd. Het projectiel dat in de ‘City Burger’ werd achterhaald, is bovendien zeer waarschijnlijk en het projectiel in de scooterband zeker afgevuurd met het wapen. De conclusies zijn als volgt verwoord in het rapport.

“Het wapen en de magazijnen (verzegelde zakjes CONST/B/DIX en CONST/B/NEUF). […] Het gaat hier om een pistool dat van oorsprong van het generieke type Makarov is. […]
Voor zover bekend, behoort dit pistool tot de in Oostenrijk aangepaste Makarovs, waarvan de oorspronkelijke loop werd vervangen door een semi-afgesloten loop die geschikt is voor het afvuren van 9mm Knall-patronen, en die vervolgens in Kroatië opnieuw werden aangepast. Hierbij werd de semi-afgesloten loop vervangen door een getrokken loop, met ribben van het kaliber 9mm Kort. […]
Dit wapen functioneert volledig naar behoren. De twee magazijnen passen er uitstekend in.

[Het patroon] van [het] verzegelde zakje CONST/A/DEUX […].
[Het patroon] […] van het kaliber 9mm Kort [is] uitermate geschikt voor het wapen.

De lege hulzen van de verzegelde zakjes CONST/A/TROIS, CONST/A/QUATRE, CONST/A/CINQ, CONST/A/SIX, CONST/A/SEPT, CONST/A/HUIT, CONST/A/NEUF, CONST/B/UN, CONST/B/DEUX, CONST/B/TROIS, CONST/B/QUATRE, CONST/B/CINQ, CONST/B/SIX, CONST/B/SEPT en CONST/B/HUIT.
Op de lege hulzen van het kaliber 9mm Kort zijn identificeerbare ballistische sporen aangetroffen. […] De vergelijking is positief, aangezien de sporen op de ter plaatse aangetroffen hulzen en de vergelijkingshulzen overeenkomen. Hieruit kan worden geconcludeerd dat de vijftien hulzen zijn afgevuurd uit het in beslag genomen wapen. […]

De projectielen van de verzegelde zakjes CONST/A/DIX en CONST/A/12
De morfologische kenmerken van deze twee projectielen, met name van de kogel van het verzegelde zakje CONST/A/DIX, zijn verenigbaar met de hypothese dat het gaat om twee kogels van het kaliber 9mm Makarov. De sporen van de verheffingen die op de kogel van het verzegeld zakje CONST/A/12 zijn getrokken, komen overeen met de sporen op de vergelijkingskogels. Deze kogel is inderdaad afgevuurd uit het genoemde wapen. Voor wat betreft het projectiel van verzegeld zakje CONST/A/DIX beperken we ons slechts tot de opmerking dat het zeer waarschijnlijk is dat deze kogel uit het genoemde wapen is afgevuurd.”

2.5.3
Het Nederlands Forensisch Instituut heeft alsnog onderzoek gedaan naar het gedeformeerd projectiel dat in het raam van het Hotel Mercure is aangetroffen. Uit dat onderzoek kan onder meer worden afgeleid dat het projectiel met het in beslag genomen wapen afgevuurd kan zijn. Een en ander werd als volgt verwoord in een deskundigenrapport.

“Te onderzoeken materiaal
AABL5599NL - Vuurwapen, pistool, merk Makarov, 9mm omgebouwd naar Walther spec. Ausf, met bijbehorende houder. […]
AADL2979NL - Gedeformeerde kogel, aangetroffen in/tussen de ruit van het Mercure Hotel te Marseille. […]

Resultaten. […]
Kogel [AADL2979NL] […]
Gezien [de massa] en de uiterlijke kenmerken [past de kogel] het best bij het kaliber 9mm Browning Kort. […] In de omtrek van de […] [kogel] bevinden zich nog delen van zes naar rechts gerichte groeven. De gemeten groefbreedte is ongeveer 1,4 mm. Deze groeven zijn veroorzaakt door de velden van een loop. Dit betekent dat het betreffende vuurwapen is voorzien van een loop met zes naar rechts draaiende trekken en velden en een veldbreedte van ongeveer 1,4 mm. Het pistool [AABL5599NL] is voorzien van een dergelijke loop. […]

Conclusie […]
Voor de kogel [AADL2979NL] en het pistool [AABL5599NL] zijn de volgende hypothesen beschouwd:

Hypothese 1: De kogel [AADL2979NL] is afgevuurd uit de loop van het pistool [AABL5599NL].
Hypothese 2: De kogel [AADL2979NL] is afgevuurd uit een andere loop van hetzelfde kaliber en met dezelfde systeemkenmerken als het pistool [AABL5599NL].

De bevindingen van het vergelijkend kogelonderzoek zijn even waarschijnlijk wanneer hypothese 1 juist is, [als] wanneer hypothese 2 juist is.”

2.6 Tussenconclusie

Op grond van hetgeen onder 2.4 en 2.5 is overwogen, stelt het hof vast dat de schutter ten minste vijftien kogels heeft verschoten met het aangetroffen pistool. Anders dan de raadsman meent, kan naar het oordeel van het hof eveneens worden vastgesteld dat de aangetroffen jas aan de schutter toebehoort, nu deze in de onmiddellijke nabijheid van het pistool is aangetroffen en overeenkomt met de door [F] en [C] gegeven beschrijving. Dat de jas niet op kruitsporen is onderzocht en evenmin aan de getuigen is getoond, kan daaraan niet afdoen.

2.7 Rugzak

2.7.1
De dader heeft zijn zwarte rugzak volgens [B] achtergelaten in de buurt van het station. [B] heeft de politie daarop gewezen, zo blijkt uit zijn hierna weergegeven verklaring.

“De dader was vertrokken, maar hij had zijn zwarte rugzak in de buurt van het station achtergelaten; ik heb de politie hierop gewezen.”

2.7.2
De rugzak is, zo leidt het hof af uit de chronologie van het hierna weergegeven proces-verbaal, tussen 01.50 uur en 02.10 uur door een politieambtenaar overhandigd aan eerdergenoemde officier van politie [Franse verbalisant 4].

“Op verzoek van onze leiding begeven wij ons naar de plaats van het delict. Alwaar wij om 01.50 uur aankomen en worden opgevangen door luitenant [Franse verbalisant 5]. […]
Een kleine zwarte rugzak van het merk Eastpack wordt ons overhandigd door de politieambtenaren in uniform. Het zou gaan om het rugzakje dat de schutter droeg. […]
02.10 uur. Luitenant [Franse verbalisant 5] brengt verslag uit over de feiten aan […] de dienstdoende plaatsvervangende officier van justitie.”

2.7.3
In de rugzak werden onder meer treinkaartjes, twee mobiele telefoons, een blad papier met daarop een op naam van de verdachte gesteld e-mailadres, een rode aansteker van de ‘Little Devil’ in Tilburg, een tandenborstel en munitie van het kaliber 9mm. Dat blijkt uit het volgende proces-verbaal.

“[Er] […] wordt overgegaan tot de inventarisatie van de inhoud van de zwarte rugzak die door de schutter is achtergelaten. Het opschrift luidt Eastpack USA en de rugzak bestaat uit een groot vak en een kleiner vakje op de voorzijde met ritssluiting.

In het voorvakje:
- Een mapje met opschrift Thalys met daarin vervoersbewijzen betreffende:
1) een traject Turnhout > zone Brussel van 25.06.2008, 2e klas, zonder naam.
2) een traject Brussel > Marseille Saint Charles van 25.06.2008, vertrek 12.10 uur, aankomst 17.47 uur, inwisselbaar met mogelijke vergoeding, zonder naam. […[
Dit mapje met vervoersbewijzen wordt in beslag genomen […] onder nummer SAC/1.
- Een gsm Nokia, uitgeschakeld, zwart en grijs. […]
Deze mobiele telefoon wordt in beslag genomen […] onder nummer SAC/2.
- Een gsm Nokia, uitgeschakeld, zwart en grijs. […]
Deze mobiele telefoon wordt in beslag genomen […] onder nummer SAC/3.
- Een blad papier A4 formaat, wit, vijf keer opgevouwen, met […] [onder meer] de volgende handgeschreven [vermelding]: […] [emailadres van de verdachte]. […]
- Een rode wegwerpaansteker met opschrift “Little DEVIL stationsstrasse 27 Tilburg (NL) www.littledevil.nl”, die […] in beslag wordt genomen […] onder nummer SAC/5.

In het grote vak: […]
- Een wit-gele plastic tas met opschrift Kruitvat met daarin […] een tandenborstel van het merk Oral-B met groen handvat die […] in beslag wordt genomen […] onder nummer SAC/7. […]
- Munitie van het kaliber 9mm, niet afgeschoten, met omhulde neuskegel, met op de onderzijde de vermelding 9mm S&B, die […] in beslag wordt genomen […] onder nummer SAC/9.”

2.7.4
Uit eerdergenoemd Frans ballistisch onderzoek bleek dat het in de rugzak aangetroffen patroon geschikt is voor het wapen. Deze conclusie is als volgt weergegeven in het rapport.

“[Het patroon] van [het] verzegelde zakje […] SAC9.
[Het patroon] […] van het kaliber 9mm Kort [is] uitermate geschikt voor het wapen [CONST/B/DIX ].”

2.8 Tussenconclusie

Op grond van de omstandigheden dat verschillende getuigen de schutter een (zwarte) rugzak hebben zien dragen (vgl. overweging 2.2.6, 2.2.7, 2.2.8 en 2.2.15), dat een van die getuigen heeft verklaard dat dit de in de buurt van het station aangetroffen rugzak betreft (vgl. overweging 2.7.1) en dat de in die rugzak aangetroffen patroon geschikt is om met het pistool van de schutter te verschieten (vgl. overweging 2.7.3 en 2.7.4), stelt het hof vast dat de in beslag genomen rugzak door de schutter is gedragen. In dit verband verdient het opmerking dat het hof ten aanzien van de vindplaats van de rugzak, anders dan de rechtbank, is uitgegaan van de verklaring van [B]. De alternatieven, te weten in de snackbar dan wel in de rue Fontaine d’Arménie, vormen een onderdeel van de plaats delict. In aanmerking genomen dat niet de politie zelf, maar de getuige [B] de rugzak heeft aangetroffen, is het naar ’s hofs oordeel niet aannemelijk dat de rugzak op de alternatieve plaatsen is achtergelaten. Dat geldt temeer nu uit het onderzoek ter terechtzitting geen aanknopingspunten naar voren zijn gekomen op grond waarvan aan de verklaring van [B] zou moeten worden getwijfeld.

2.9 De aangetroffen biologische sporen

2.9.1
Blijkens een Frans biologisch onderzoek is een mannelijk profiel, nader aangeduid als P1, aangetroffen op de tandenborstel, het treinkaartje en de twee telefoons die zich in de rugzak bevonden. Deze conclusie werd in het rapport van het onderzoek als volgt verwoord.

“De genetische analyse van de tandenborstel, genaamd SAC/7, leidt tot de vaststelling dat het gaat om een masculien type, genoemd P1. […]
Het profiel P1 is ook gevonden op het treinkaartje dat is ingepakt in zakje SAC/1, […] één van de drie telefoononderdelen van zakje SAC/2 en één van de drie telefoononderdelen van zakje SAC/3.”

2.9.2
Voorts werd een mengprofiel verkregen uit materiaal van de lege patroonhouder, de aansteker en het pakje sigaretten uit de jas alsook de aansteker uit de rugzak, dat met datzelfde profiel overeenkomt. Deze conclusie werd in het rapport als volgt verwoord.
“Een profiel van een mengsel dat het profiel P1 bevat, is verkregen van zakje CONST/B/NEUF (een magazijn).

Een profiel van een DNA-mengsel dat het profiel P1 bevat, is verkregen van zakje SAC/5 (een aansteker) en CONST/B/ONZE (een aansteker en een pakje sigaretten).”

2.9.3
Op materiaal van het pistool werd een ander profiel aangetroffen, nader aangeduid als P2. Deze conclusie werd in het rapport als volgt verwoord.

“De genetische analyse van het automatisch pistool, zakje CONST/B/DIX leidt tot de vaststelling van een mannelijk type, genoemd P2.”

2.9.4
Het Nederlands Forensisch Instituut heeft het DNA-profiel van de verdachte vergeleken met het DNA-profiel van het spoor op de tandenborstel en is tot de conclusie gekomen dat deze matchen. De berekende frequentie daarbij is kleiner dan één op één miljard, oftewel de kans dat een willekeurig gekozen man deze combinatie van DNA-kenmerken heeft is kleiner dan één op één miljard. Het rapport verwoordt dit als volgt.

“Het DNA-profiel van het spoor met referentie [SAC/7] […] matcht met het DNA-profiel van [de verdachte] [RAAJ0614NL]. Dit betekent dat het sporenmateriaal met referentie [SAC/7[ […] afkomstig kan zijn van [de verdachte]. […]
De berekende frequentie van het DNA-profiel van het spoor met referentie [SAC/7] […] is kleiner dan één op één miljard. Oftewel, de kans dat een willekeurig gekozen man deze combinatie van DNA-kenmerken heeft is kleiner dan één op één miljard.”

2.9.5
Het Nederlands Forensisch Instituut heeft tevens onderzoek gedaan naar het DNA-profiel dat op het pistool is aangetroffen. Zij kwam tot de conclusie dat dit waarschijnlijk afkomstig is van [P], zo blijkt uit het hierna weergegeven rapport.

“Het DNA-profiel van het spoor met de referentie [CONST/B/DIX] […]matcht met het DNA-profiel van [P]. Dit betekent dat het sporenmateriaal met de referentie [CONST/B/DIX] […] afkomstig kan zijn van [P]. […]
De berekende frequentie van het DNA-profiel van het spoor met referentie [CONST/B/DIX] […] is kleiner dan één op één miljard. Oftewel, de kans dat een willekeurig gekozen man deze combinatie van DNA-kenmerken heeft is kleiner dan één op één miljard.”

2.9.6
[P] heeft, toen hij naar aanleiding van dit onderzoeksresultaat werd gehoord, verklaard dat hij een maand of twee voor september 2008 een 9mm wapen van de verdachte in zijn handen heeft gehad. Zijn verklaring is als volgt weergegeven.

“Ik heb wel eens een wapen [van [de verdachte]], effe kijken, een Walther, [...] gezien. Ik heb het wapen vastgehad. […] Dat is bijna een jaar geleden, ergens een maand of twee voor september 2008. […] Hij liet mij het gewoon zien in het café op het Brabantplein, Cartouche genaamd. Ik ken [de verdachte] al jaren, hij is een soort vriend. […] Het was een 9mm. Hij was niet zo groot, het was een Walther, een Duitse, een speciale uitvoering. […] [Het speciale daaraan was het] schroefdraad. […] [Daarmee bedoel ik] dat er een demper op kan. [Opmerking verbalisanten: er wordt een foto van het te Marseille aangetroffen vuurwapen getoond.] Ja, dit is hem.”

2.9.7
De verdachte heeft tegenover de politie verklaard dat hij iedere donderdag naar café Cartouche ging, zo blijkt uit het hierna weergegeven verbatim verslag van dat verhoor.

“Altijd Cartouche. […] Kijk, op donderdag gingen we altijd. Dat was de [enige] plek zeg maar waar wij altijd gewoon relaxed onszelf kon[den] zijn. Marokkaans café.”

2.9.8
De verdachte heeft ten overstaan van de raadsheer-commissaris verklaard dat de aangetroffen rugzak zijn eigendom is. Zijn verklaring luidt, voor zover hier van belang, als volgt.

“Ik [ben] […] in Marseille geweest. Ik had toen een Nokia telefoon bij mij. […] Ik ga er vanuit dat de twee telefoons die in de rugzak zaten van mij waren. U houdt mij voor dat er in die rugzak ook een tandenborstel is aangetroffen met mijn DNA erop. U vraagt mij of ik kan verklaren hoe die telefoons en die tandenborstel in die rugzak zijn terechtgekomen en u vraagt of het mijn rugzak was. Dat was mijn rugzak. […] Het kan kloppen dat er treinkaartjes in de rugzak zijn aangetroffen voor de treinreis van Turnhout naar Brussel en van Brussel naar Marseille op 25 juni 2008. Dat zullen waarschijnlijk de treinkaartjes zijn die ik heb gebruikt om naar Marseille te gaan.”

2.10 Tussenconclusie

Op grond van het voorgaande stelt het hof vast dat er biologische sporen zijn aangetroffen op de voorwerpen die zich in de rugzak en in de jas bevonden, alsook op de lege patroonhouder die in de richting van de verdachte wijzen. Indirect wijst ook het biologische spoor op het wapen in de richting van de verdachte. Het DNA-profiel van dat spoor matcht immers met het DNA-profiel van [P], die het wapen - naar het hof uit zijn verklaring begrijpt - niet lang voor de schietpartij in Marseille in handen heeft gehad toen de verdachte hem dat in café Cartouche liet zien.
Dat deze onderzoeksresultaten vanwege contaminatie niet bruikbaar zijn voor het bewijs, is gesteld noch gebleken. De raadsman heeft namelijk slechts de mogelijkheid van contaminatie naar voren gebracht zonder aan te voeren, laat staan een begin daarvan aannemelijk te maken, dat van contaminatie daadwerkelijk sprake is geweest. Die aannemelijkheid is ook niet anderszins uit het onderzoek ter terechtzitting voortgevloeid. Integendeel zelfs, indien er sprake was van bewuste contaminatie door de schutter om verdachte ten onrechte te belasten, had het in de rede gelegen dat ook het pistool sporen van verdachtes DNA zou bevatten, nu deze eenvoudig met de tandenborstel van de verdachte hadden kunnen worden aangebracht.
Voor het uitsluiten van de Franse onderzoeksresultaten, zoals door de raadsman is bepleit, zijn naar het oordeel van het hof evenmin termen aanwezig. Er bestaat geen rechtsregel die zich verzet tegen het gebruik van een buitenlands onderzoeksrapport dat een mindere verantwoording van de resultaten kent dan in Nederland gebruikelijk zou zijn. Wel is het zo dat de bewijskracht van die resultaten vanwege het ontbreken van een statistische onderbouwing niet geheel op waarde kan worden geschat, zodat daaraan geen doorslaggevende betekenis kan worden gehecht. Dat is slechts anders voor wat betreft de tandenborstel en het pistool, nu het Nederlands Forensisch Instituut daarvan de zeldzaamheid van de match alsnog heeft weten te berekenen.

2.11 Telecommunicatieonderzoek

2.11.1
De twee mobiele telefoons die zich in de rugzak bevonden, zijn respectievelijk gekoppeld aan de telefoonnummers [telefoonnummer 1] en [telefoonnummer 2]. Dat blijkt uit het volgende proces-verbaal.

“Bij een eerste onderzoek van de lijsten van Orange France met betrekking tot het telefoonverkeer kan geconstateerd worden dat SAC/2 […] het Nederlandse nummer van de lijn [telefoonnummer 1] is […] en dat SAC/3 […] het Nederlandse nummer van de lijn [telefoonnummer 2] is.”

2.11.2
Onderzoek naar het telefoonverkeer wees onder meer uit dat met het telefoonnummer [telefoonnummer 1] sms-berichten zijn verzonden op 28 juni 2008, omstreeks 23.30 uur, 29 juni 2008, omstreeks 00.57 uur, en 29 juni 2008, omstreeks 01.01 uur, terwijl met het telefoonnummer [telefoonnummer 2] een sms-bericht is uitgegaan op 29 juni 2008, omstreeks 00.49 uur. Deze informatie is als volgt weergegeven.

“Hierna volgen […] pagina’s met informatie omtrent het telefoonverkeer. […]

Waarvan proces-verbaal.”

2.11.4
Bij het versturen van deze sms-berichten werden de volgende telefoonmasten in Marseille aangestraald.

“Met betrekking tot plaatsbepaling van de antennes […] is de [volgende] informatie ontvangen:
208015002E865: Canebiere D3, Le Generali, 13001 Marseille.
2080150033F36: Bourse 2, rue H. Barbusse, 13001 Marseille.
208015003EB42: St. Charles 16, Bd. de la Liberte, 13001 Marseille.”

2.11.5
Uit algemeen toegankelijke bronnen, zoals Google Maps of een plattegrond van Marseille, is zonder noemenswaardige moeite te achterhalen dat deze telefoonmasten zich bevinden in de nabijheid van de rue Colbert, de cours Belsunce en de rue Fontaine d’Arménie. Daarom beschouwt het hof dat als een feit van algemene bekendheid.

2.11.6
De ontvangers van de sms-berichten blijken [K], [Q] en [R] te zijn. Uit de hierna weergegeven processen-verbaal blijkt namelijk dat het telefoonummer [telefoonnummer 3] van [K], het telefoonnummer [telefoonnummer 4] van [Q] en het nummer [telefoonnummer 5] van [R] was.

“Het telefoonnummer [telefoonnummer 3] bleek na CIOT bevraging op naam te staan van [K]. […] [R] [nam] contact op met het onderzoeksteam en gaf haar […] mobiel nummer [telefoonnummer 5] door.”

“[[Q] gaf als telefoonnummer op:] [telefoonnummer 4].”

2.11.7
Bij de raadsheer-commissaris heeft de verdachte verklaard dat hij in Marseille naar [K] en [R] heeft ge-sms’t en dat het kan zijn dat hij ook naar [Q] heeft ge-sms’t. Zijn verklaring houdt op dit punt het volgende in.

“Als ik in Marseille was, gebruikte ik wel eens een of beide telefoons. Ik sms’te naar mijn ex en naar [K]. U vraagt mij of ik ook vanuit Marseille heb ge-sms’t naar [Q]. En u houdt mij een bericht voor waarin staat: “Maak dat ding maar klaar vriend, dan kom ik wel tekenen. Zitten vriend is niet mijn grootste probleem. Heb een afspraak met de duivel”. Het kan zijn dat ik zoiets heb ge-sms’t naar [Q].”

2.12 De auditu verklaringen

2.12.1
[S] heeft verklaard dat [K] haar heeft verteld dat de verdachte in de periode na de diefstal bij [bedrijf] (aldus na 11 juni 2008) in Frankrijk ruzie heeft gekregen en daar gevochten dan wel geschoten zou hebben. Haar verklaring luidt als volgt.

“Ik ben vergeten om te vermelden dat ik weet dat [de verdachte] ook in Frankrijk gezocht wordt. [K] heeft mij namelijk een keer verteld dat [de verdachte] daar gevochten of geschoten heeft. […] Dit was in de periode nadat hij die overval bij [bedrijf] had gepleegd. […] Hij is een paar maanden weg geweest. Ik heb hem in die paar maanden wel een paar keer gesproken. […] Dat was volgens mij in de periode juni/juli 2008.”

2.12.2
Ook [T] heeft [K] daarover horen spreken, zo blijkt uit zijn hierna weergegeven verklaring.

“[K] heeft mij verteld dat [de verdachte] [na de diefstal op [bedrijf]] in Frankrijk is geweest […] [en] dat [de verdachte] daar iemand in zijn been heeft geschoten.”

2.13 Tussenconclusie

De aanwijzingen in de richting van de verdachte, gecombineerd met de resultaten van het telecommunicatieonderzoek en vorenomschreven de auditu verklaringen, brengen het hof tot de conclusie dat de verdachte degene is geweest die in de straten van Marseille op verschillende personen heeft geschoten.
Naar aanleiding van het verweer van de raadsman overweegt het hof nog als volgt. Dat een ander dan de verdachte voormelde sms-berichten heeft verzonden, is nog niet in het minst aannemelijk geworden. Er valt immers geen redelijke verklaring te geven voor het binnen het tijdsbestek van 23.30 uur en 01.01 uur verzenden van sms-berichten door een derde aan méérdere bekenden van de verdachte; dat geldt temeer nu een van die sms-berichten kort voorafgaand aan de schietpartij is verzonden. De verklaring van de verdachte dat hij zich in de nacht van 28 op 29 juni 2008 niet meer in Marseille bevond, stelt het hof daarom als ongeloofwaardig terzijde. De omstandigheid dat de verdachte niet door iedere getuige bij een fotoconfrontatie is herkend, betekent - zeker nu sommigen spreken van gelijkenissen en een zelfs van 100% herkenning - nog niet dat de verdachte daardoor wordt ontlast.
Het is evenmin aannemelijk geworden dat de door raadsman genoemde alternatieve verdachte, [U], de dader van de schietpartij is. Deze naam is gemeld door [V] zonder daarbij redenen van wetenschap op te geven, terwijl de Franse politie deze melding - blijkens hun mededeling dat zij de registers hebben doorzocht - tevergeefs heeft geverifieerd. Daar komt nog bij dat de melder als ‘zeer ongunstig’ bekend stond bij de Franse politie en de door hem doorgegeven omschrijving van “groot postuur en tenger” - wat daarmee ook precies wordt bedoeld - niet aanstonds met het signalement van de schutter te verenigen is. De melding kan derhalve niet het bewijs tegen de verdachte ontkrachten. Ook andere alternatieve scenario’s, zoals door de verdediging naar voren gebracht, zijn naar het oordeel van het hof niet uit het onderzoek ter terechtzitting aannemelijk geworden. Hetgeen de raadsman hieromtrent overigens heeft aangevoerd, maakt dat niet anders.

2.14 Opzet op de dood

De raadsman heeft bij wijze van een subsidiair standpunt bepleit dat, ook indien de verdachte als de dader wordt aangemerkt, geen bewezenverklaring kan volgen van poging tot moord of doodslag. Daartoe heeft hij aangevoerd dat uit het voorhanden bewijs niet blijkt dat de dader gericht heeft geschoten om [B], [C] en [D] van het leven te beroven en dat bovendien niet ieder schot met een klein kaliber handvuurwapen, ook niet wanneer daarmee een persoon wordt geraakt (zoals in het geval van [E]), als een poging tot doodslag kan worden beschouwd. Het (voorwaardelijk) opzet op de dood kan, aldus de raadsman, niet worden bewezen.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Uit de gebezigde bewijsmiddelen komt onder meer naar voren dat de verdachte met een 9mm wapen is teruggekeerd naar fast-food restaurant ‘City Burger’, dat hij daar eerst zijn wapen op een afstand van circa 4 meter heeft gericht op [B], dat het wapen weigerde toen hij vervolgens de trekker had overgehaald, dat [B] daarop is weggerend en de verdachte toen tweemaal in de richting van [B] heeft geschoten, dat de verdachte zich omdraaide en zijn wapen op [C] heeft gericht, dat [C] daarna is weggerend en dat de verdachte vervolgens opnieuw meermalen gericht op [C] en [B] heeft geschoten. Naar het oordeel van het hof kan uit deze omstandigheden wel degelijk worden afgeleid dat de verdachte meermalen gericht op [B] en [C] heeft geschoten. Het hof oordeelt daarom dat er sprake is van een volwaardig opzet van de verdachte op de dood van [B] en [C].

Uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkt verder dat de verdachte zowel in de rue Colbert als in de rue Fontaine d’Arménie meermalen heeft geschoten op de witte Peugeot 206 waarin [D] zich bevond. Dat een getuige heeft verklaard dat het leek alsof de verdachte zijn pistool naar de grond richtte en dat twee munitieonderdelen in de draagbalk van die auto zijn aangetroffen, zouden aanwijzingen kunnen zijn dat de verdachte niet het opzet had om [D] te doden. Daarmee wordt echter voorbijgegaan aan de omstandigheid dat de verdachte vanaf de rue Fontaine d’Arménie heeft geschoten in de richting van de lager gelegen rue Neuve Saint Martin en dat daar op een hoogte van vijf meter een kogel is aangetroffen in een raam van het Hotel Mercure. Het hof leidt daaruit af dat niet alleen in de richting van de onderzijde van de personenauto, maar ook hoger is geschoten.
Het hof is daarom van oordeel dat de gedragingen van de verdachte zozeer gericht waren op het mogelijke gevolg - de dood van [D] - dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte daarmee bewust de aanmerkelijke kans op dat gevolg heeft aanvaard. Het hof oordeelt dan ook dat er sprake is van een voorwaardelijk opzet van de verdachte op de dood van [D].

Uit de gebezigde bewijsmiddelen valt voorts op te maken dat [E] door de derde kogel is geraakt die de verdachte volgens hem afschoot in de richting van de twee meter verderop aanwezige [B]. Anders dan de raadsman meent, kan ingeval van het meermalen schieten naar een andere persoon in de nabije omgeving van het slachtoffer, een voorwaardelijk opzet op de dood worden aangenomen. De verdachte heeft door zo te handelen immers willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat een willekeurig slachtoffer als [E] van het leven zou worden beroofd.

Het verweer wordt daarom in al zijn onderdelen verworpen.

2.15 Voorbedachte raad

De raadsman heeft geen verweer gevoerd ten aanzien van het al dan niet bestaan van een voorbedachte raad bij de verdachte. Het hof overweegt ambtshalve dat daarvan sprake is, indien de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

Er is overigens ook niet gebleken van een plotseling opkomende drift of anderszins van contra-indicaties waaraan een dusdanig zwaar gewicht moet worden toegekend dat zulks in de weg zou staan aan het oordeel dat verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld.

Naar het oordeel van het hof kan uit de aard van verdachtes gedragingen en de vasthoudendheid ervan (het onophoudelijk schieten op vluchtende dan wel zich schuilhoudende personen), gecombineerd met het tijdsverloop, bezwaarlijk anders worden geconcludeerd dan dat er ten aanzien van [B], [C] en [D] sprake is van een besluit in vorenbedoelde zin.

2.16 Conclusie

Het vorenstaande betekent dat naar het oordeel van het hof de onder 1, 2 en 3 telkens de impliciet primair ten laste gelegde pogingen tot moord en de onder 4 primair ten laste gelegde poging tot doodslag wettig en overtuigend kunnen worden bewezen. De bewijsmiddelen leiden tot na te melden bewezenverklaring.

• Parketnummer 02/810522-09

3.1 Bekentenis ten aanzien van het doden van [K]

3.1.1
De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 28 september 2011 bekend dat hij [K] op 14 januari 2009 in hotelkamer 506 van het Mercure Hotel in Tilburg van het leven heeft beroofd. Hij heeft dat als volgt verwoord.

“Ik [heb [K] doodgeschoten in de nacht die volgde op de avond van 13 september 2009 (het hof begrijpt daarom: op 14 januari 2009) in de hotelkamer 506 van het Mercure Hotel in Tilburg]. […] Ik heb […] haar [met een vuurwapen] […] door het hoofd geschoten.”

3.1.2
Op 14 januari 2009, omstreeks 13.00 uur, werd in de badkamer van kamer 506 van het Mercure hotel te Tilburg het levenloze lichaam van een vrouw aangetroffen. Het lichaam werd ontdekt door een medewerkster van de afdeling ‘housekeeping’, waarna medewerker [W] constateerde dat de vrouw naar zijn overtuiging niet meer in leven was. Tegenover de politie heeft hij hierover de volgende verklaring afgelegd.

“Ik ben als eerste medewerker werkzaam bij Hotel Mercure Tilburg Centrum. […] Op woensdag 14 januari 2009 […] was het rond 13.00 uur, toen […] ik hoorde dat […] ik direct naar de vijfde etage van het hotel moest. Een vrouw van de house-keeping, genaamd [X] (het hof begrijpt: [X]), […] had […] gemeld dat er in [kamer 506] een vrouw was met een hoop bloed en dat [zij] […] niet meer verder durfde te kijken. [X] zou die vrouw hebben aangetroffen in de badkamer van de betreffende hotelkamer. […]
Direct nadat ik dit had gehoord, […] ben [ik] […] naar de vijfde verdieping gegaan. […] Ik ben de hotelkamer binnengelopen en ik ben direct rechtsaf de badkamer binnengelopen. […] Ik zag dat er een lichaam, kennelijk van een vrouw, voorover in het bad lag of hing. Ik zag dat de benen buiten het bad waren en dat de vrouw met haar buik op de rand van het bad hing. Wat mij verder direct opviel, was dat de vrouw blote voeten had. Aan die blote voeten viel het mij op, dat die voeten blauw/grijs gekleurd waren. Het was de kleur [op grond] waarvan ik de overtuiging kreeg dat deze vrouw al was overleden. […] Ondanks het feit dat ik ervan […] overtuigd [was] dat de vrouw was overleden, heb ik haar een tikje gegeven op of bij haar heupen. […] Een teken van leven […] bleef uit, waardoor ik helemaal was overtuigd van het feit dat de vrouw was overleden. […] Ik heb […] naar de receptie gebeld […] en […] gezegd dat ze direct de ambulance en de politie [moesten] bellen.”

3.1.3
De verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] kwamen ter plaatse en kregen van het ambulancepersoneel de bevestiging dat de vrouw was overleden. Hun relaas houdt het volgende in.

“Op […] 14 januari 2009 om 13.26 uur ontvingen wij, verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2], het verzoek van de Gemeenschappelijke Meldkamer te Tilburg om te gaan naar het Mercure hotel, gevestigd aan [adres 2] te Tilburg. […]
Bij de receptie [werd ons verteld] […] dat we op de vijfde verdieping moesten zijn, op kamer 506. […] Het ambulancepersoneel [was] al boven. […] Het ambulancepersoneel vertelde dat zij […]hadden gevoeld of de persoon mogelijk nog in leven was, maar dit was niet het geval.”

3.1.4
De vrouw werd door haar vader geïdentificeerd als [K]. Van deze identificatie werd het volgende proces-verbaal opgemaakt.

“In aanwezigheid van ons, verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4], vond er een confrontatie plaats. Confrontatie vond plaats op donderdag 15 januari 2009, omstreeks 16.15 uur, in het mortuarium Zuijlen te Breda door [de vader van K]. […] [Verbalisanten:] U heeft zojuist het stoffelijk overschot van een vrouw gezien. Wie is deze vrouw?
[De vader van K:] De vrouw die ik zojuist heb zien liggen, is mijn dochter [K], geboren [in het jaar 1986] in [geboorteplaats].”

3.2 De doodsoorzaak

3.2.1
Arts en patholoog drs. F.R.W. van de Goot heeft op 15 januari 2009 een uit- en inwendige schouwing op het lijk van [K] verricht. De dood van [K] bleek te zijn veroorzaakt door hersenfunctieverlies, dat als gevolg van een doorschot door het hoofd was opgetreden. Het obductieverslag vermeldt daarover onder meer het volgende.

“Bij sectie op het lichaam van [K] […] is het navolgende gebleken:
[…]
A. Uitwending
1. Er was links aan het voorhoofd een stervormige huidperforatie met onderliggend wondkanaal.
2. Er was rechts aan het achterhoofd een huidverscheuring met uitpuilen van hersenweefsel.
3. Er was zwelling en bloeduitstorting in de beide bovenste oogleden.
4. Er was oppervlakkige huidbeschadiging onder het rechter oog, rechts aan de neus en aan de rechter pols/onderarm.

B. Inwendig
1. Er was een schotbaan, waarschijnlijk lopende van A.1 naar A.2. Het schotkanaal verliep vrijwel horizontaal en iets naar rechts.
2. Er was een breuk van de schedel, de uitgebroken botstukken stonden naar buiten gericht.
3. Er was enige bloeduitstorting onder de schedelletsels en breuken.
4. Er was perforatie en verscheuring van hersenweefsel.
[…]
Interpretatie […]
Er was bij sectie sprake van een schotbaan. Waarschijnlijk was het inschot, links aan het voorhoofd, en het uitschot, rechts aan het achterhoofd. Het schotkanaal verliep vrijwel horizontaal. […] Gezien de bloeduitstorting was het letsel bij leven opgelopen en het verklaart het intreden van de dood zonder meer op basis van hersenfunctieverlies. Er is datering van de letsels verricht (het inschot en het letsel aan de neus). Hier werd een beeld gezien van letsel dat kort voor het intreden van de dood is opgelopen.

Conclusie
Bij [K], oud 22 jaren, was hersenfunctieverlies ten gevolge van een doorschot door het hoofd de oorzaak van het intreden van de dood.”

3.2.2
Bij een nadere rapportage is voornoemde deskundige F.R.W. van de Goot samen met de deskundige ing. R.C. Roepnarain tot de gezamenlijke conclusie gekomen dat het inschot links aan het voorhoofd en het uitschot op het achterhoofd was. Deze conclusie werd in het rapport als volgt weergegeven.

“De sectiefoto’s zijn door het deskundigheidsgebied Schotresten en de afdeling Pathologie opnieuw bekeken. Hierbij was de gezamenlijke conclusie dat het letsel links aan het voorhoofd karakteristieke kenmerken heeft van een inschot waarbij de schootsafstand gering is. Op het achterhoofd was een letsel dat vrijwel zeker als uitschot kan worden betiteld. […]

In de bemonsteringen [van de schotresten] zijn schotrestdeeltjes, afkomstig van loodhoudende munitie aangetoond. De grijze resten […] wijzen in combinatie met de vorm van het letsel op het voorhoofd van het slachtoffer [op] een schootsafstand van kleiner dan enkele centimeters.”

3.3 De toedracht

3.3.1
De verdachte heeft verklaard dat hij ruzie heeft gekregen met [K], omdat zij hem na een telefoongesprek met haar moeder vertelde dat zij naar huis moest gaan. Zij hebben elkaar uitgescholden en elkaar daarbij geduwd. [K] heeft haar tas door de kamer gegooid en hij heeft haar laarzen naar buiten gegooid. Dat blijkt uit zijn hierna weergegeven verklaring.

“Vanaf het moment dat [K] en ik [in de avond van 13 januari 2009] naar het restaurant in het hotel zijn gegaan, heeft het wapen [dat ik van [Q] had gestolen] (het hof begrijpt: het pistool van het merk Smith & Wesson van het kaliber .45 ACP) op het bureau in de hotelkamer gelegen. […]

Nadat we op de hotelkamer waren teruggekomen, heeft [K] op een bepaald moment een telefoongesprek gevoerd met haar moeder. Zij vertelde mij daarna dat zij naar huis moest, omdat haar auto de volgende ochtend zou worden gekeurd. Ik had mij erop ingesteld dat ze de hele nacht zou blijven, dus dat was inderdaad wel een koude douche. We kregen daar ruzie over. […] Ik zei op een gegeven moment ‘flikker maar op, d’r uit’. Maar als ik eenmaal een standpunt heb ingenomen, dan kan ik niet meer terug… […] We hebben elkaar toen geduwd. Ik heb haar laarzen naar buiten gegooid. Zij gooide haar tas door de kamer. [….] Omdat zij de laarzen niet wilde gaan halen, ben ik ze toen gaan halen.”

3.3.2
Een hotelgast die in een naastgelegen kamer verbleef, de getuige [Y], heeft de ruzie voor een groot deel gehoord en de nachtportier gewaarschuwd. Uit zijn verklaring kan worden afgeleid dat een en ander kort na middernacht (aldus op 14 januari 2009) heeft plaatsgevonden. Hij heeft de volgende verklaring afgelegd.

“Ik heb het [Mercure Hotel] […] geboekt voor de nacht van 13 op 14 januari 2009. [Ik zat in kamer 505. In die kamer heb ik] […] om 00.06.25 uur een sms’je verstuurd en een berichtje teruggekregen om 00.09.30 uur. […] Ongeveer 10 minuutjes later hoorde ik geschreeuw. […] Ik lag op bed en ik hoorde dat het geluid voor mijn gevoel uit de richting van het voeteneind kwam. Daar is kamer 506 gelegen. Ik hoorde dat het vermoedelijk een damesstem was. […] Het was een vrij hoge stem en het klonk voor mij hysterisch. Ik hoorde ook huilen. Ik hoorde naar mijn idee een damesstem het woord klootzak en/of eikel roepen. […] Ik hoorde dat de vrouwenstem continu [hysterisch] gillend en huilend bleef. Ik hoorde dat de vrouw al gillend riep: “Waarom gooi je … naar buiten”. […] Ik heb de receptie gebeld en duidelijk gezegd tegen die man die ik aan de lijn kreeg dat hij moest gaan kijken. […] [Tijdens dat gesprek hoorde ik] gebonk. Ik kan dit het best omschrijven alsof spullen ergens tegen aan vliegen. […] Ik weet nog dat het na het telefoontje met de nachtportier even rustig was. Ik denk ongeveer een minuut of 10.”

3.3.3
De nachtportier waar de getuige [Y] over spreekt, is de getuige [Z]. Hij is polshoogte gaan nemen en zag dat een man kamer 506 kwam uitgestormd. Deze man zei tegen hem dat het een echtelijke ruzie was, dat hij schoenen ging halen en dat de vrouw daarna naar huis zou gaan. Even later zag hij de man het hotel weer binnenkomen met een laarsje in de hand. De verklaring van [Z] is als volgt in het proces-verbaal weergegeven.

“In de avonduren [ben ik] de eindverantwoordelijke voor heel hotel Mercure en ik blijf dan ook in het hotel aanwezig tot de nachtportier in het hotel aanwezig is. […] [In de nacht van 13 op 14 januari 2009 tussen 00.00 uur en 00.15 uur] bevond ik mij in het kantoortje achter de receptie. […] Ik hoorde de telefoon een aantal keer over gaan en ik ben naar de receptie gelopen en de telefoon opgepakt. Ik zag op het schermpje van de telefoon dat er werd gebeld uit kamer 505.
Ik nam de telefoon op en ik hoorde dat ik een man aan de telefoon kreeg. Ik hoorde dat de man zei dat het niet goed ging in de kamer naast hem en dat het beter was dat er iemand ging kijken en polshoogte ging nemen. Ik vond dat de man bezorgd klonk. […]
Ik heb de man medegedeeld dat wij polshoogte zouden gaan nemen. Hierna ben ik naar de lift gegaan en voordat ik daar was, kwam ook de nachtportier [naam van de nachtportier], naar mij toegelopen. […] Ik ben samen met [naam van de nachtportier] met de lift naar de vijfde verdieping gegaan. Eenmaal boven aangekomen, dus nadat wij uit de lift waren gestapt, hoorden wij al ruzie. Ik hoorde dat twee mensen tegen elkaar aan het schelden waren. […] Ik kon duidelijk horen dat het een vrouwen- en een mannenstem betrof. […] [Ik zag] een man kamer 506 uit stormen. Ik bedoel daarmee dat de man met een stevige pas deze kamer uit kwam lopen. […] De man kwam op mij redelijk opgefokt over. […] Op het moment dat ik de man uit de kamer zag komen, stond de deur van deze kamer open. Ik hoorde vanuit de kamer, een vrouwenstem schelden. Zij gilde niet, maar zij sprak met een harde, zeg maar roepende stem. […] Ik vroeg aan de man, die op [naam van de nachtportier] en mij af kwam lopen, wat er aan de hand was. Ik hoorde hem zeggen dat het een echtelijke ruzie was en dat hij schoenen ging halen en dat de vrouw spoedig hierna, naar huis zou gaan. […] De man is direct de lift ingestapt, want die stond nog op de vijfde verdieping, en [naam van de nachtportier] en ik zijn met de trap naar beneden gegaan. Op het moment dat wij beneden aankwamen, zag ik de man buiten voor de toegangsdeur van het hotel staan. […] De deur ging open en de man kwam binnen. Ik zag dat hij een laarsje in zijn hand had. […] Ik hoorde de man nog tegen mij zeggen dat de vrouw binnen vijf minuten naar huis zou gaan.”

3.3.4
De verdachte heeft verklaard dat het probleem na zijn terugkomst in de kamer nog niet was opgelost. De verdachte verklaarde over die momenten als volgt.

“Ik kwam de kamer binnen en dacht toen nog dat ze weg zou gaan, maar dat deed ze niet. Het probleem bleef in de kamer. Er werd toen weer over en weer geduwd. Wij stonden bij het bed en volgens mij had ze haar jas aan. Ze riep naar mij dat ik niet spoorde, dat ik een debiel was. Ik heb me ook kwetsend uitgelaten, over [haar geboorteplaats] of haar moeder. Volgens mij heb ik geroepen dat ze maar moest opflikkeren naar [haar geboorteplaats]. Zij heeft mij toen geslagen en, op het moment dat ik mijn hand uitstak […], in een van mijn vingers gebeten. Vervolgens heb ik haar […] in het gezicht geslagen. Ze had gelijk een bloedneus. Dat kon ik zien. Ze is scheldend de badkamer ingelopen. […] Ik stond op dat moment aan het voeteneind van het bed, met mijn gezicht naar de badkamer, en heb mij vervolgens gedraaid om met mijn linkerhand het wapen van het bureau te pakken. Op het moment dat ik naar de badkamer liep, heb ik het wapen doorgeladen. Dat was nog in de kamer, ergens tussen het bureau en de badkamer in. Daarna ben ik naar de badkamer gelopen. […] [Ik verwachtte haar bij de spiegel.] [In de badkamer zag ik] […] [K] op haar knieën voor het bad […] zitten. Ik heb het wapen gericht en haar daarmee door het hoofd geschoten.”

3.3.5
De getuige [Y] heeft ook het vervolg van de ruzie gehoord. Hij heeft daarover het volgende verklaard.

“Ik ben op het bed gaan liggen. […] Na vijf minuten hoorde ik dat de ruzie weer oplaaide en ik hoorde twee tot driemaal een harde klap. Ik ben ervan overtuigd dat het het hard dichtslaan van een deur was. […] Ik hoorde wederom de gillende hysterisch, huilende vrouwenstem. Ik hoorde geen andere geluiden. Het huilen, gillen overheerste voor mij alles. […] Ik hoorde nog steeds geschreeuw, gehuil. Ik weet zeker dat ik de zin: “Waarom doe je mij dit aan.” heb gehoord. Ik hoorde de zin zeggen door de vrouwenstem op een angstige, huilerige manier. […] Ik weet zeker dat dit niet direct voor het “stil” worden was. […] Ik hoorde namelijk afzonderlijk van de twee tot drie deurslagen een harde knal. Deze knal was scherper van geluid [dan] het slaan van de deur. […] Het was een korte felle klap. […] Hierna was het direct stil.”

3.4 Onderzoek in de hotelkamer

3.4.1
Het lichaam van [K] werd in de badkamer in een geknielde houding aangetroffen, met dien verstande dat haar bovenlichaam voorover over de badrand hing. Bij de drempel van de badkamerdeur werd een huls en in het bad een ricochette van een ingeslagen en afketsend projectiel aangetroffen. Een volgend ricochette bevond zich in de aftimmering naast de spiegel, terwijl daarboven in het plafond een projectiel werd aangetroffen. Dat blijkt uit het hierna weergegeven sporenonderzoek.

“Het slachtoffer werd aangetroffen in de badkamer. Het lichaam bevond zich in geknielde houding, waarbij het bovenlichaam voorover hing over de rechter badrand tegenover de badkraan. […] Beide knieën en wreven rustten op de badkamervloer, terwijl het bovenlichaam ter hoogte van de buik/navel rustte op de badrand. Haar borst en hoofd hingen voorover, omlaag in het bad. […] Direct onder het hoofd en bovenlichaam van het slachtoffer lag op de badbodem een grote hoeveelheid geronnen bloed, vermengd met maaginhoud. Het bloed was uitgevloeid en in de badafvoer gelopen. […]
Juist over de drempel lag rechts op de badkamervloer een patroonhuls. Het betrof een messing huls, kaliber .45. […] In het ligbad werd een beschadiging aangetroffen. […] Gelet op de verschijningsvorm en de aard van deze beschadiging, betrof het hier een ricochette, veroorzaakt door een recent ingeslagen en vervolgens afketsend projectiel, zoals een kogel.[…] Gezien vanaf de badkamerdeur bevonden zich links van de spiegel, op de houten aftimmering en in het plafond, beschadigingen. [De beschadiging op de aftimmering] […] betrof een ricochette, veroorzaakt door een afketsend projectiel, zoals een kogel. In het verlengde, circa 8 centimeter boven deze beschadiging, was de plafondlamel geperforeerd. […] Het hart van deze beschadiging bevond zich op circa 2 centimeter van de muur. In deze opening werd een gedeformeerde kogel aangetroffen, diameter circa 12 mm, zijnde waarschijnlijk kaliber .45. […]
Aan het bovenlichaam was het slachtoffer gekleed in een […] een wit damesoverhemd. Dit overhemd was aan de voor- en bovenzijde sterk bebloed.”

3.4.2
Bij de op 31 mei 2010 gehouden schouw in de hotelkamer is geconstateerd dat de afstand van de rand van het bureau tot aan de dichtstbijzijnde deurpost van de deur van de badkamer 3,30 meter bedraagt. De jongste raadsheer heeft die afstand toen overbrugd met het nemen van vijf voetstappen. Dat blijkt uit het hierna weergegeven volgende proces-verbaal.

“In kamer 506 [van het Mercure Hotel Tilburg] […] deelt [de voorzitter] - zakelijk weergegeven - mede:
Ik heb zojuist met een meetlint de afstand van de rand van het bureau tot aan de dichtstbijzijnde deurpost van de badkamer gemeten en die afstand is 3,30 meter. […]
Ik heb […] waargenomen dat de jongste raadsheer de afstand tussen de uiterste rand van het bureau en de badkamer heeft overbrugd met het nemen van vijf voetstappen.”

3.5 Voorbedachte raad

De raadsman heeft bepleit dat de verdachte zal worden vrijgesproken van de primair ten laste gelegde moord. Daartoe heeft hij aangevoerd dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de verdachte voorbedachte raad heeft gehandeld. Het dossier bevat geen aanwijzingen dat er voor de verdachte enige (benutte) tijd voor reflectie is geweest. Het feit heeft zich in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, een impuls, voltrokken. Door diverse spanningen (het dubbelleven en de schuldeisers uit Marseille), het langdurig drank- en drugsgebruik van de verdachte en zijn heftige gevoelens jegens [K] hebben ervoor gezorgd dat hij in de laatste drie maanden voor het incident de regie over zijn leven was kwijtgeraakt. Indien hij tijd en gelegenheid had gehad om over zijn impulsieve daad na te denken, was hij nooit tot deze daad gekomen. De verdachte is namelijk nog nooit zo gek geweest op iemand. De verdachte heeft niet gehandeld als iemand die zich bewust van zijn gedragingen was, aldus de raadsman.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Voor een bewezenverklaring van moord is onder meer vereist dat de verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld. Daarvan is sprake indien de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Bij de beoordeling van dit criterium moet een weging en waardering worden gemaakt van de omstandigheden van het concrete geval, met dien verstande dat het gewicht moet worden bepaald van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van de voorbedachte raad pleiten.

In dit geval kan aan de hand van de bewijsmiddelen worden vastgesteld dat de verdachte - nadat hij [K] een bloedneus had geslagen en zij naar de badkamer was gelopen - meer van elkaar te onderscheiden handelingen heeft verricht, waarbij hij telkens de gelegenheid had anders te handelen. Het hof onderscheidt de volgende handelingen:
- de verdachte heeft zich gedraaid teneinde het op het bureau liggend wapen te pakken;
- de verdachte heeft het wapen gepakt;
- de verdachte heeft het wapen doorgeladen;
- de verdachte is naar de deuropening van de badkamer gelopen;
- de verdachte heeft zich in de deuropening geposteerd om zicht te kunnen krijgen op de plaats waar [K] zich bevond waarna hij haar ontwaarde bij het bad;
- de verdachte heeft het wapen gericht;
- de verdachte heeft de trekker van het wapen overgehaald.
De verdachte heeft hierbij, gelet op de gemaakte draai, het teruglopen en het posteren in de deuropening, een grotere afstand moeten afleggen dan de gemeten 3.30 meter tussen de rand van het bureau waar het wapen heeft gelegen en de dichtstbijzijnde deurpost van de badkamer. Met het geheel van handelen moet naar het oordeel van het hof dan ook sprake zijn geweest van een langer tijdsverloop dan de tussen het bureau en de badkamerdeur gemeten afstand (3,30 meter) doet vermoeden.

Het hof acht bewezen dat de verdachte gedurende de afzonderlijke facetten van zijn handelen tijd heeft gehad om zich te beraden op het besluit om [K] van het leven te beroven; tijd die hij naar het oordeel van het hof ook daadwerkelijk voor een dergelijke bezinning heeft kunnen benutten. Weliswaar is vastgesteld dat er sprake was van een ruzie, hetgeen een aanwijzing voor het tegendeel zou kunnen vormen, maar die ruzie is niet van dien aard dat daaraan een doorslaggevend gewicht kan worden toegekend, in die zin dat de verdachte in een drift of opwelling zou hebben gehandeld, vooral niet omdat de verdachte en [K] wel vaker (heftige) ruzie hadden. Ook voor het overige zijn naar het oordeel van het hof uit het onderzoek ter terechtzitting onvoldoende aanknopingspunten naar voren gekomen die erop wijzen dat de verdachte in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling heeft gehandeld. Een weging en waardering van de omstandigheden van dit geval brengt het hof dan ook tot de conclusie dat de verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld, in die zin dat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

Bijgevolg wordt het verweer van de raadsman verworpen.

3.6 Conclusie

Het hof oordeelt mitsdien dat het onder 1 primair ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen. De bewijsmiddelen leiden tot na te melden bewezenverklaring.

3.7 Bekentenis ten aanzien van het voorhanden hebben van wapens en munitie

3.7.1
De verdachte heeft tegenover de politie de volgende verklaring afgelegd over de wapens en de munitie die hij voorhanden heeft gehad.

“Eigenlijk ging ik de KBC in Baarle-Nassau overvallen. En je gaat het niet geloven, maar samen met [K]. Zaterdag hebben we nog geoefend vanuit de auto. […] En zo kwamen de wapens. […] [K] moest een wapen. Ik had mijn eigen ding. Maar voor [K] moest ik ook nog iets regelen. […] Ik zeg: eigenlijk zou je zo’n ding moeten hebben als [Q]. Die heeft ze met zo’n puncher. […] Ik had een afgekorte 12er superpose. […] Da’s een ingekort jachtgeweer. Maar dan met de lopen onder elkaar. […] Ik zeg: je moet eigenlijk zo’n ding als [Q] hebben, daar zit zo’n [red dot] op. Dat richt gewoon heel gemakkelijk. […]

Ik heb [het wapen van [Q]] […] de dinsdag voor het gebeurde [met [K]] (het hof begrijpt: de dinsdag voor het neerschieten van [K] en aldus op: 6 januari 2009) [uit zijn kluis gepakt]. […] [Het was] een Smith & Wesson van .45 ACP [met] […] 3 magazijnhouders. […] Zelfde pistool [als bij mijn aanhouding in Duitsland]. […] Ik heb […] een doos […] Brennik-patronen gepakt. Voor mijn eigenste… kaliber .12, een jachtpatroon. […] 25 zitten er in een doos. […] En dan op zoek naar .45 munitie. […] [Ik heb] 2 dozen [gepakt].

Het wapen [van [Q]] […] heb ik in de auto laten liggen. Mm… Die heb ik in een zak, tas, gedaan en die heb ik in de auto laten liggen. [...] [Ik heb] een Kia Carnival. […] Een afgekort jachtgeweer, ja… Dat zat […] ook nog in [die zak]. [Ook drie magazijnen en een hoop munitie.] […]
Op een gegeven moment [na het doodschieten van [K] in het Hotel Mercure Tilbrug] […] loop ik [naar buiten], naar de Kia. […] [Daar ging ik] veel kogels halen. […] De 14de (het hof begrijpt: 14 januari 2009) […] [ben ik ‘s morgens naar Duitsland vertrokken].”

3.7.2
Op 16 januari 2009 werd de Kia Carnaval van de verdachte in de gemeente Baarle-Nassau in beslag genomen. Dat blijkt uit de volgende kennisgeving van inbeslagneming.

“Op 16 januari 2009 heb ik, verbalisant [verbalisant 5], […] in Ulicoten, gemeente Baarle-Nassau, […] het volgende voorwerp in beslag genomen: 1 personenauto, merk Kia, type Carnival, kenteken [kenteken]. […] Eigenaar van het inbeslaggenomene: [de verdachte], [geboortedatum] te [geboorteplaats].”

3.7.3
Op 16 januari 2009 werd de Kia Carneval van de verdachte doorzocht. Daarvan werd het volgende proces-verbaal opgemaakt.

“Op 16 januari 2009 werd […] een onderzoek ingesteld aan een personenauto. […] Het betrof een grijze personenauto van het merk Kia, model Carnival LX, voorzien van de Belgische kentekenplaten [kenteken]. […] In de kofferbak van de auto […] werd een oranje boodschappentas […] aangetroffen. Als eerste zichtbaar bevond zich in de tas een grijze vuilniszak. In de vuilniszak bevond zich een vuurwapen. Het betrof een ingekort dubbelloops jachthagelgeweer. […]In de vuilniszak werden tevens twee losse jachthagelpatronen aangetroffen. De boodschappentas met inhoud werd vervolgens […] in zijn geheel veiliggesteld. […]

Op 18 januari 2009 werd de in de kofferbak van de auto aangetroffen boodschappentas nader onderzocht.



[De sporen werden overgedragen aan het Nederlands Forensisch Instituut.]”

3.7.4
Bij nader onderzoek aan het wapen en de munitie werd het volgende geconstateerd.

“Het in beslag genomen voorwerp was een centraalvuur dubbelloops basculerend hagelgeweer […] voorzien van één (1) trekker. […] De lopen waren op een slordige wijze substantieel ingekort. […] Het wapen is voorzien van een zgn. Duitse kolf. De houten kolf van het wapen was op een lengte van 20 centimeter afgezaagd. […]
Dit voor de jacht ontwikkelde ‘lange’ vuurwapen [is] zodanig veranderd dat het bij het dragen minder zichtbaar was. […]
Doordat het vuurwapen zodanig is gewijzigd dat het dragen minder zichtbaar is, betreft het een vuurwapen als bedoeld in artikel 2, lid 1, categorie II, sub 3 van de Wet wapens en munitie. […]

De [in beslag genomen] munitie betreft munitie die geschikt is voor vuurwapens van de categorie III en [is] derhalve munitie in de zin van […] artikel 2, lid 2, categorie III, van de Wet wapens en munitie.”

3.7.5
Op 27 januari 2009 werd in Mönchengladbach, Duitsland, het volgende onder de verdachte in beslag genomen.

“Kennisgeving van inbeslagneming.

d.d. 23 april 2009.”

3.7.6
Het pistool heeft de opschriften en de uiterlijke kenmerken van een semi-automatisch werkend pistool van het merk Smith & Wesson en is bestemd en geschikt voor het verschieten van patronen van het kaliber .45 ACP, zo blijkt uit het volgende deskundigenrapport van het NFI.

“Dit [vuurwapen, Smith & Wesson .45 van de verdachte] heeft de opschriften en uiterlijke kenmerken van een semi-automatisch pistool van het merk Smith & Wesson, model 945-1, kaliber .45 ACP, serienummer RSA3136. […] Het pistool […] is bestemd en geschikt voor het verschieten van patronen van het kaliber .45 ACP.”

3.7.7.
Er is geen proces-verbaal of rapport voorhanden waarin uitdrukkelijk is opgenomen tot welke categorie het pistool behoort. Het hof overweegt daarom als volgt. Vastgesteld is dat het pistool van het merk Smith & Wesson een semi-automatisch pistool is van het kaliber .45 ACP, dat bestemd en geschikt is om patronen van dat kaliber te verschieten. In de auto van de verdachte werden eerder ook patronen van dat kaliber aangetroffen, patronen waarvan is vastgesteld dat het munitie van categorie III betreft. Op grond van deze gegevens kan naar het oordeel van het hof worden uitgesloten dat het gaat om een wapen van categorie I of IV (het is een pistool). Eveneens kan worden uitgesloten dat het gaat om een vuurwapen van categorie II onder 2° (het is niet geschikt om automatisch te vuren), van categorie II onder 3° (niet is gebleken dat het is vervaardigd of gewijzigd dat het dragen niet of minder zichtbaar is dan wel dat de aanvalskracht wordt verhoogd) dan wel van categorie II onder 6° (niet bestemd voor het treffen van personen met giftige, verstikkende, weerloosmakende, traanverwekkende en soortgelijke stoffen).

Het hof oordeelt daarom dat het pistool als een vuurwapen van categorie III onder 1° dient te worden aangemerkt. Bij dat oordeel neemt het hof in aanmerking dat de verdachte ter terechtzitting van het hof van 7 juli 2010 heeft verklaard te blijven bij zijn bekennende verklaring met betrekking tot het voorhanden hebben van een geweer, een pistool en munitie, zoals zijn raadsman reeds had verwoord ter terechtzitting van 22 april 2010.

3.8
Evenals de advocaat-generaal en de raadsman acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan. De bewijsmiddelen leiden tot na te melden bewezenverklaring, waarbij het hof in het bijzonder overweegt dat de verdachte na zijn vertrek naar Duitsland op 14 januari 2009 door het meenemen van de Smith & Wesson en 38 patronen, dit pistool en deze patronen niet langer in Nederland voorhanden heeft gehad.


Bewezenverklaring

Op grond van de hiervoor vermelde redengevende feiten en omstandigheden en de daaraan ten grondslag liggende bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang beschouwd, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het bij parketnummer 02/610566-08, bij parketnummer 02/800696-09 onder 1 impliciet primair, 2 impliciet primair, 3 impliciet primair en 4 primair en bij parketnummer 02/810522-09 onder 1 primair en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

• Parketnummer 02/610566-08

hij op 11 juni 2008 te Breda met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in een bedrijfspand aan [adres 1] heeft weggenomen een geldbedrag van ongeveer EUR 50.000,00, toebehorende aan [A] of de firma [bedrijf], waarbij hij, verdachte, zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels.

• Parketnummer 02/800696-09

1.
hij op 29 juni 2008 te Marseille (Frankrijk) ter uitvoering van het door hem, verdachte, voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [B] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, een vuurwapen heeft gericht op die [B] en (vervolgens) met dat vuurwapen kogels in de richting van die [B] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

2.
hij op 29 juni 2008 te Marseille (Frankrijk) ter uitvoering van het door hem, verdachte, voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [C] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, een vuurwapen op die [C] heeft gericht en vervolgens met dat vuurwapen kogels in de richting van die [C] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

3.
hij op 29 juni 2008 te Marseille (Frankrijk) ter uitvoering van het door hem, verdachte, voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [D] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, een vuurwapen heeft gericht op de auto waarin die [D] zich bevond en vervolgens met dat vuurwapen kogels in de richting van die auto en die [D] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

4.
hij op 29 juni 2008 te Marseille (Frankrijk) ter uitvoering van het door hem, verdachte, voorgenomen misdrijf om opzettelijk [E] van het leven te beroven, met dat opzet met een vuurwapen een kogel in het lichaam van die [E] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

• Parketnummer 02/810522-09

1.
hij op 14 januari 2009 te Tilburg opzettelijk en met voorbedachten rade [K] van het leven heeft beroofd, immers heeft hij, verdachte, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een vuurwapen een kogel in het hoofd van die [K] geschoten, waardoor die [K] is overleden.

2a.
hij op tijdstippen in de periode 1 januari 2009 tot en met 16 januari 2009 te Tilburg en/of elders in Nederland een wapen van categorie II, te weten een geweer (dubbelloops jachtgeweer, kaliber 12), en munitie van categorie III, te weten 60 patronen kaliber .45ACP en 2 patronen kaliber 12 (merk Brenneke) en 2 patronen kaliber 12 (merk RC Italy, RC4 Special) en 25 patronen kaliber 12 (RC Prestige) en 2 hagelpatronen kaliber 12 (merk Fiocchi), voorhanden heeft gehad.

2b.
hij op tijdstippen in de periode 1 januari 2009 tot en met 14 januari 2009 te Tilburg en/of elders in Nederland een vuurwapen van categorie III, te weten een pistool (Smith & Wesson, kaliber .45 ACP), en munitie van categorie III, te weten 38 patronen kaliber .45ACP, voorhanden heeft gehad.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.


Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bij parketnummer 02/610566-08 bewezen verklaarde is als misdrijf voorzien bij en strafbaar gesteld in artikel 311, eerste lid, aanhef en onder 5°, juncto artikel 310 van het Wetboek van Strafrecht.

Dit bewezen verklaarde feit wordt als volgt gekwalificeerd:

Diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels.

Het bij parketnummer 02/800696-09 onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde is telkens als misdrijf voorzien bij en strafbaar gesteld in artikel 289 juncto 45, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.

Deze bewezen verklaarde feiten worden telkens als volgt gekwalificeerd:

Poging tot moord.

Het bij parketnummer 02/800696-09 onder 4 bewezen verklaarde is als misdrijf voorzien bij en strafbaar gesteld in artikel 287 juncto 45, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.

Dit bewezen verklaarde feit wordt als volgt gekwalificeerd:

Poging tot doodslag.

Het bij parketnummer 02/810522-09 onder 1 bewezen verklaarde is als misdrijf voorzien bij en strafbaar gesteld in artikel 289 van het Wetboek van Strafrecht.

Dit bewezen verklaarde feit wordt als volgt gekwalificeerd:

Moord.

Het bij parketnummer 02/810522-09 onder 2a en 2b bewezen verklaarde is als misdrijf telkens voorzien bij artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie. Voor zover het betrekking heeft op het wapen van categorie II en het vuurwapen van categorie III, is het strafbaar gesteld in artikel 55, derde lid, onder a van die wet. Voor zover het betrekking heeft op de munitie van categorie III, is het strafbaar gesteld in artikel 55, eerste lid van deze wet.

Het onder 2a bewezen verklaarde feit wordt als volgt gekwalificeerd:

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie, en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II.
en
Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie.

Het onder 2b bewezen verklaarde feit wordt als volgt gekwalificeerd:

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie, en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III.
en
Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de bewezen verklaarde feiten uitsluiten.


Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.


Op te leggen straf

Het hof heeft bewezen verklaard dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een moord, drie pogingen tot moord, een poging tot doodslag, het voorhanden hebben van wapens en munitie en de diefstal van een groot geldbedrag.

De rechtbank heeft de verdachte op grond van een mindere bewezenverklaring (namelijk: een moord, een poging tot moord, drie pogingen tot doodslag, het voorhanden hebben van wapens en munitie en de diefstal van een groot geldbedrag) tot een levenslange gevangenisstraf veroordeeld.

De advocaat-generaal, die is uitgegaan van een bewezenverklaring die gelijk is aan de bewezenverklaring van het hof, heeft in navolging van de rechtbank gevorderd dat een levenslange gevangenisstraf aan de verdachte wordt opgelegd.

De raadsman heeft bepleit dat de oplegging van een levenslange gevangenisstraf niet geboden is.

Het hof overweegt als volgt.

Bij de bepaling van de op te leggen straf wordt gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Daarbij wordt rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals die onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Dat in aanmerking genomen, is het op voorhand evident dat een forse bestraffing aangewezen is. Voor een enkele moord pleegt het hof immers in de regel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van ten minste twaalf jaren op te leggen, terwijl in dit geval sprake is van strafverzwarende omstandigheden en daarenboven drie pogingen tot moord, een poging tot doodslag, het voorhanden hebben van wapens en munitie en de diefstal van een groot geldbedrag aan de orde zijn.

De door de rechtbank opgelegde en door de advocaat-generaal gevorderde levenslange gevangenisstraf brengt het hof tot de volgende overwegingen.

Die sanctie wordt blijkens de rechtspraak slechts in zeer uitzonderlijke gevallen met een extreem gewelddadig karakter opgelegd, veelal in gevallen waarbij meerdere slachtoffers te betreuren zijn. In dit verband verdient opmerking dat daarvan sinds de invoering van de Wet herijking strafmaxima (Stb. 2006,11) minder snel sprake zal zijn. Bij de verhoging van de maximale tijdelijke gevangenisstraf van twintig naar dertig jaren werd immers uitdrukkelijk overwogen dat deze aanpassing werd gedaan om “rechters en officieren van justitie […] meer armslag [te geven] om recht te doen aan de ernst van bepaalde strafbare feiten zonder dat een levenslange gevangenisstraf behoeft te worden opgelegd” (Kamerstukken II 2003-2004, 28484, 10).

Tegen deze achtergrond ziet het hof zich gesteld voor de vraag of deze zaak een zo uitzonderlijk geval betreft dat het de oplegging van een levenslange gevangenisstraf rechtvaardigt, of dat met oplegging van een tijdelijke gevangenisstraf van lange duur kan worden volstaan.

Bij de beantwoording van die vraag neemt het hof allereerst de ernst van de bewezen verklaarde feiten in chronologische volgorde in aanmerking. De verdachte heeft op 11 juni 2008 een bedrag van circa EUR 54.000,00 gestolen van zijn werkgever. Vervolgens is de verdachte nog diezelfde maand met een groot deel van het gestolen geld naar Marseille gegaan om, zoals hij heeft verklaard, dit geld aan onbekend gebleven derden af te staan om wraak op hem of zijn gezinsleden te voorkomen. Na daar in de nacht van 28 op 29 juni 2008 in een fast-food restaurant bestolen te zijn, is hij weggegaan om met een aangepast automatisch pistool terug te komen. Hij heeft zich vervolgens levensgevaarlijk gedragen door in de straten van Marseille op zijn minst vijftien kogels af te vuren. Daarbij heeft hij in het bijzonder op drie personen gericht, terwijl een vierde door een van de kogels gewond is geraakt. Het mag een wonder heten dat bij deze schietpartij geen doden zijn gevallen. De verdachte heeft met zijn handelen ongetwijfeld gevoelens van angst en onveiligheid teweeggebracht bij de slachtoffers en de overige aanwezigen.
Ruim een half jaar later is er door verdachtes toedoen alsnog een dodelijk slachtoffer gevallen. [K], de 22-jarige vriendin van de verdachte, heeft in de nacht van 13 op 14 januari 2009 in het Mercure hotel te Tilburg een ruzie met de verdachte niet overleefd. De verdachte heeft in die ruzie een vuurwapen gepakt en [K] daarmee door het hoofd geschoten. Die gruweldaad heeft een abrupt einde gebracht aan haar nog jonge leven. De verdachte is ook onmiddellijk na die daad niet tot bezinning gekomen door bijvoorbeeld zichzelf bij de politie aan te geven, maar is in plaats daarvan naar Duitsland gevlucht en heeft zodoende de nabestaanden langer in onzekerheid gehouden. De verdachte heeft de familie van het slachtoffer en haar naaste omgeving een immens en onherstelbaar verdriet aangedaan. De schriftelijke slachtofferverklaring van de moeder van het slachtoffer maakt pijnlijk duidelijk wat voor enorme impact het verlies van haar dochter op haar leven en dat van haar gezinsleden heeft. De moord op [K] heeft niet alleen de nabestaanden of de medewerkers van het hotel die haar lichaam hebben moeten aantreffen, maar ook de rechtsorde ernstig geschokt. Het hof is van oordeel dat van alle feiten de moord op [K] het zwaarst aan de verdachte moet worden aangerekend.

Het hof heeft ook acht geslagen op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.
Het is gelet op de levensstijl van verdachte, zoals hij daarover ook zelf heeft verklaard, opmerkelijk te noemen dat de verdachte lange tijd buiten het zicht van politie en justitie is gebleven. Uit een uittreksel van het hem betreffend justitieel documentatieregister blijkt immers dat hij tweemaal (in 1992 en 1993) is veroordeeld voor vermogensdelicten, terwijl hij naar eigen zeggen actief is geweest in de vuurwapenhandel en kort voor de moord op [K] zelfs doende was met de voorbereidingen van een gewapende bankoverval. De verdachte is onderworpen aan psychologische en psychiatrische onderzoeken, met als laatste resultaat de dubbelrapportage van de aan het Pieter Baan Centrum verbonden psychiater J.M.J.F. Offermans en psycholoog I. Schilperoord. Deze gedragsdeskundigen hebben geconcludeerd dat er bij de verdachte geen sprake is van een ziekelijke stoornis of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens en dat hij volledig toerekeningsvatbaar moet worden geacht. Bij de verdachte is een verhoogd risico op antisociale gedragingen vastgesteld, maar dat risico wordt bepaald door de keuzes van de verdachte zelf: “Eenmaal in vrijheid kan [de verdachte] zich […] opnieuw schuldig maken aan criminele handelingen, maar hij kan eveneens besluiten daarvan af te zien.”

Alles in ogenschouw nemende, kan het hof zich niet verenigen met het standpunt van de rechtbank en de advocaat-generaal dat in dit geval een levenslange gevangenisstraf moet worden opgelegd. Hoezeer het hof ook oog heeft voor met name het leed dat aan de nabestaanden van [K] is toegebracht, toch moet het hof ook rekening houden met het belang van consistente straftoemeting. Weliswaar zijn de bewezen verklaarde feiten buitengewoon ernstig, maar naar het oordeel van het hof niet in die mate dat de terugkeer van de verdachte in de samenleving voor altijd moet worden uitgesloten.

Het hof oordeelt derhalve dat een tijdelijke gevangenisstraf van lange duur moet worden opgelegd. De concrete ernst van de bewezen verklaarde feiten en de persoon van de verdachte hebben het hof in dit geval tot het eindoordeel gebracht dat een gevangenisstraf voor de duur van 28 jaren passend en geboden is.


Maatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat [nabestaande van K] als gevolg van het bij parketnummer 02/810522-09 onder 1 bewezen verklaarde feit schade heeft geleden tot een bedrag van EUR 10.200,75 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van de crematie van [K], zijnde 20 januari 2009, tot aan de dag der algehele voldoening.

De verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor deze schade.

Het hof zal aan de verdachte ter meerdere zekerheid van de hieronder te vermelden betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij de verplichting opleggen aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer een bedrag te betalen van EUR 10.200,75, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 januari 2009 tot de dag der algehele voldoening.


Vordering benadeelde partij

De benadeelde partij [nabestaande van K] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van EUR 10.200,75, te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank heeft de vordering volledig toegewezen, zodat deze ook in hoger beroep in volle omvang aan het oordeel van het hof is onderworpen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is ook voor het hof komen vast te staan dat de benadeelde partij als rechtstreeks gevolg van het parketnummer 02/810522-09 onder 1 bewezen verklaarde handelen van de verdachte schade heeft geleden tot het gevorderde bedrag. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden; de vordering is derhalve tot dat bedrag toewijsbaar.

De proceskosten van de benadeelde partij worden ten laste van de verdachte gebracht, doch zijn tot op heden begroot op nihil.


Overweging betreffende de schadevergoedingsmaatregel en de vordering benadeelde partij

Het hof zal bepalen dat indien en voor zover de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling van de vordering van de benadeelde partij, daarmede zijn verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer in zoverre komt te vervallen en zulks vice versa (dat wil zeggen: indien en voor zover de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer, komt daarmede zijn verplichting tot betaling van de vordering van de benadeelde partij in zoverre te vervallen).


Beslag

Het hof zal ten aanzien van hetgeen in beslag is genomen en nog niet is teruggegeven, de bewaring ten behoeve van de rechthebbenden gelasten.


Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 24c, 36f, 45, 57, 287, 289, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het plegen van de bewezen verklaarde feiten.


BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het bij parketnummer 02/610566-08, bij parketnummer 02/800696-09 onder 1 impliciet primair, 2 impliciet primair, 3 impliciet primair, 4 primair en bij parketnummer 02/810522-09 onder 1 primair en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dat als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 28 (achtentwintig) jaren.

Bepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Legt aan de verdachte de verplichting op om ten behoeve van [nabestaande van K] aan de Staat een bedrag te betalen van EUR 10.200,75 (tienduizend tweehonderd euro en vijfenzeventig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 januari 2009 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 86 (zesentachtig) dagen hechtenis.

Wijst toe de vordering van de benadeelde partij [nabestaande van K] ter zake van het bij parketnummer 02/810522-0 onder 1 bewezen verklaarde tot een bedrag van EUR 10.200,75 (tienduizend tweehonderd euro en vijfenzeventig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 januari 2009 tot aan de dag der algehele voldoening, en veroordeelt de verdachte om dit bedrag aan de benadeelde partij tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt ten aanzien van de schadevergoedingsmaatregel en vordering dat de aan de verdachte opgelegde verplichting tot betaling van de vordering van de benadeelde partij vervalt, indien en voor zover door de verdachte aan de opgelegde maatregel, inhoudende de verplichting tot betaling van voormeld bedrag aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer is voldaan.

Bepaalt ten aanzien de schadevergoedingsmaatregel en vordering dat de aan de verdachte opgelegde maatregel, inhoudende de verplichting tot betaling van voormeld bedrag aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer vervalt, indien en voor zover door de verdachte aan zijn verplichting tot betaling van de vordering van de benadeelde partij, is voldaan.

Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbenden van de volgende in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen en geldbedragen: een tas (kleur geel, opdruk formido), een geldbedrag van EUR 922,00 (in personenauto [kenteken], 2 euro muntstukken), een geldbedrag van EUR 8,00 (2 euromuntstukken) en een zak (verpakkingsmateriaal, aangetroffen in de formidotas, inhoudende muntstukken).


Aldus gewezen door
mr. K.J. van Dijk, voorzitter,
mr. J.J. van der Kaaden en mr. K. van der Meijde,
in tegenwoordigheid van mr. A.P. Verhaegh, griffier,
en op 4 mei 2012 ter openbare terechtzitting uitgesproken.