We hebben 149 gasten online

Rechtbank Groningen veroordeeld Alasam S. tot 28 jaar gevangenisstraf

Gepost in Toch geen levenslang

28 jaar gevangenisstraf voor verdachte Baflozaak 

Groningen  , 5-3-2013 

De Rechtbank Noord-Nederland in Groningen heeft op 5 maart 2013 een 27-jarige man veroordeeld tot 28 jaar gevangenisstraf voor twee moorden, twee pogingen tot moord, bedreiging van drie politiemensen en een poging tot zware mishandeling van een politieagente. De feiten zijn gepleegd op 13 april 2011 in Baflo.

 Voorbedachte rade

Volgens de rechtbank waren de  handelingen dermate doelgericht en adequaat dat er vanuit moet worden gegaan dat de man daarbij tenminste enig besef had van datgene waarmee hij bezig was en de gevolgen daarvan. Dat hij zich niet meer alle handelingen kan herinneren, maakt dit niet anders. De rechtbank is daarbij van oordeel, dat verdachte tijd heeft gehad zich te beraden op het te nemen of genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling. Daarmee is sprake van voorbedachte rade. De rechtbank acht dan ook moord (twee keer) en poging tot moord (twee keer) bewezen.

Niet ontoerekeningsvatbaar

De rechtbank is van oordeel dat bij de man geen sprake is geweest van een ziekelijke stoornis of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens ten tijde van het ten laste gelegde. De rechtbank stelt vast dat de verdachte ten tijde van het ten laste gelegde niet ontoerekeningsvatbaar was. Het aan hem ten laste gelegde kan hem daarom volledig worden toegerekend. Ook gaat de rechtbank ervan uit dat de afbouw van Paroxetine geen doorslaggevende invloed op het gedrag van verdachte heeft gehad.

Gevangenisstraf

De door het openbaar ministerie geëiste levenslange gevangenisstraf biedt geen enkel perspectief ooit nog terug te keren naar de samenleving. De rechtbank is om die reden op humanitaire gronden terughoudend bij het opleggen van een levenslange gevangenisstraf. De rechtbank vindt daarom, hoewel er sprake is van zeer ernstige delicten, een levenslange gevangenisstraf voor deze verdachte een te zware straf. De ernst van de feiten rechtvaardigt wel dat een zeer langdurige gevangenisstraf wordt opgelegd. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat verdachte niet eerder ter zake levens- en geweldsdelicten is veroordeeld.

Tot slot wordt de vordering van € 6.069,11 van de benadeelde partij toegewezen.  

LJN: BZ3265, Rechtbank Groningen , 18/670213-11 Print uitspraak
Datum uitspraak: 05-03-2013
Datum publicatie: 05-03-2013
Rechtsgebied: Straf
Soort procedure: Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie: Opzet en voorbedachte raad bewezen. Verdachte volledig toerekeningsvatbaar. Veroordeling tot een gevangenisstraf van 28 jaar wegens moord op vriendin, moord op agent, twee pogingen tot moord, levensbedreiging van drie agenten en poging tot zware mishandeling van een agent.
Vindplaats(en): Rechtspraak.nl
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND 

Afdeling Strafrecht 

Locatie Groningen 

parketnummer 18/670213-11 

vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 5 maart 2013 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte 

volgens eigen opgave genaamd 
[verdachte], 
en geboren te [geboorteplaats en -land] op [geboortedag] 1985, 
thans verblijvende in Zwolle PPC te Zwolle. 

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 19 juli 2011, 13 oktober 2011, 10 januari 2012, 29 maart 2012, 26 juni 2012, 20 september 2012, 
7 december 2012, 7 februari 2013, 8 februari 2013, 11 februari 2013 en 19 februari 2013. 


Tenlastelegging 

Aan verdachte is, na nadere omschrijving van de tenlastelegging ex artikel 314a Wetboek van Strafvordering (Sv), ten laste gelegd dat: 

1. 

hij 
op of omstreeks 13 april 2011 
te [plaatsnaam], gemeente [naam gemeente], 
opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade een persoon, genaamd [slachtoffer feit 1], van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, die [slachtoffer feit 1] met een brandblusser, althans met een hard voorwerp, een of meermalen tegen/op het hoofd en/of elders tegen/op het lichaam geslagen, althans getroffen, 
tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer feit 1] is overleden; 

2. 

hij 
op of omstreeks 13 april 2011 
te [plaatsnaam], gemeente [naam gemeente], 
opzettelijk en met voorbedachten rade een persoon, genaamd [slachtoffer feit 2], van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een pistool, althans met een vuurwapen, die [slachtoffer feit 2] een of meer kogels in het hoofd en/of een of meer kogels in het bovenlichaam, althans een of meer kogels in het lichaam, geschoten, 
tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer feit 2] is overleden; 

althans, indien terzake van het vorenstaande onder 2. vermelde geen veroordeling mocht volgen, dat 

hij 
op of omstreeks 13 april 2011 
te [plaatsnaam], gemeente [naam gemeente], 
opzettelijk een persoon, genaamd [slachtoffer feit 2], van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet met een pistool, althans met een vuurwapen, die [slachtoffer feit 2] een of meer kogels in het hoofd en/of een of meer kogels in het bovenlichaam, althans een of meer kogels in het lichaam, geschoten, 
tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer feit 2] is overleden, 
welke doodslag werd vergezeld en/of voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten 
moord of doodslag op een persoon, genaamd [slachtoffer feit 1], 
en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf straffeloosheid te verzekeren; 

althans, indien terzake van het vorenstaande onder 2. subsidiair vermelde geen veroordeling mocht volgen, dat 

hij 
op of omstreeks 13 april 2011 
te [plaatsnaam], gemeente [naam gemeente], 
opzettelijk een persoon, genaamd [slachtoffer feit 2], van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet met een pistool, althans met een vuurwapen, die [slachtoffer feit 2] een of meer kogels in het hoofd en/of een of meer kogels in het bovenlichaam, althans een of meer kogels in het lichaam, geschoten, 
tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer feit 2] is overleden, 

3. 

hij 
op of omstreeks 13 april 2011 
te [plaatsnaam], gemeente [naam gemeente], 
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade een persoon, genaamd [aangever feit 3], van het leven te beroven, met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, met een pistool, althans met een vuurwapen, een of meer kogels in de richting van die [aangever feit 3] heeft geschoten en/of die [aangever feit 3] met een of meer kogels heeft getroffen, 
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; 

althans, indien terzake van het vorenstaande onder 3. vermelde geen veroordeling mocht volgen, dat 

hij 
op of omstreeks 13 april 2011 
te [plaatsnaam], gemeente [naam gemeente], 
aan een persoon (te weten [aangever feit 3]) opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade, zwaar lichamelijk letsel (een botbreuk in het linker onderbeen en/of spierletsel), heeft toegebracht, door deze opzettelijk en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg met een pistool, althans met een vuurwapen, een kogel door, althans in, het linker onderbeen te schieten; 

4. 

hij 
op of omstreeks 13 april 2011 
te [plaatsnaam], gemeente [naam gemeente], 
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade een persoon, genaamd [aangever feit 4], van het leven te beroven, met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, met een pistool, althans met een vuurwapen, een of meer kogels in de richting van die [aangever feit 4] heeft geschoten, 
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; 

althans, indien terzake van het vorenstaande onder 4. vermelde geen veroordeling mocht volgen, dat 

hij 
op of omstreeks 13 april 2011 
te [plaatsnaam], gemeente [naam gemeente], 
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon, genaamd [aangever feit 4], 
opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, met een pistool, althans met een vuurwapen, een of meer kogels in de richting van die [aangever feit 4] heeft geschoten, 
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; 

5. 

hij 
op of omstreeks 13 april 2011 
te [plaatsnaam], gemeente [naam gemeente], 
de opsporingsambtena(a)r(en) bij de regiopolitie Groningen [agent 1] en/of [agent 2] en/of [agent 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend een pistool, althans een vuurwapen,
(nadat verdachte meermalen, althans eenmaal, was toegevoegd dat hij zijn wapen moest laten vallen en/of terwijl verdachte in de richting van die [agent 1] en/of die [agent 2] en/of die [agent 3] liep en/of bleef lopen) gericht op en/of gericht gehouden op en/of gehouden in de richting van en/of getoond aan die [agent 1], en/of die [agent 2] en/of die [agent 3]; 

6. 

hij 
op of omstreeks 13 april 2011 
te [plaatsnaam], gemeente [naam gemeente], 
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon, genaamd [agent 1], 
die [agent 1] met een pistool, althans met een hard voorwerp, op en/of tegen het hoofd heeft geslagen, althans getroffen, 
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; 

althans, indien terzake van het vorenstaande onder 6. vermelde geen veroordeling mocht volgen, dat 

hij 
op of omstreeks 13 april 2011 
te [plaatsnaam], gemeente [naam gemeente], 
opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [agent 1]) , met een pistool, althans met een hard voorwerp, op en/of tegen het hoofd heeft geslagen, althans getroffen, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden. 


Personalia verdachte 

Op grond van het strafdossier en het onderzoek ter terechtzitting overweegt de rechtbank aangaande de personalia van verdachte het volgende. 
De in de aanhef van dit vonnis vermelde personalia van verdachte zijn conform de gegevens vermeld in de GBA. Deze zijn gebaseerd op de door verdachte zelf in het verleden aan de Nederlandse (justitiële) autoriteiten verstrekte gegevens. De juistheid daarvan kon nooit aan de hand van officiële stukken worden gecontroleerd, omdat verdachte vanaf zijn binnenkomst in Nederland (12 oktober 2001) nooit enig schriftelijk en verifieerbaar document aangaande zijn identiteit heeft kunnen over leggen. Aan de juistheid van de door verdachte opgegeven naam en geboortedatum kan worden getwijfeld. Zo heeft verdachte zelf op enig moment verklaard dat [naam] een bijnaam is, dat zijn voornaam [naam] of [naam] is, zijn achternaam [naam] of [naam] luidt, dat hij geboren is op [geboortedag] 1985, ongeveer in 1974 of 1975 c.q. niet weet hoe oud hij is terwijl door de politie gehoorde getuigen hebben verklaard “[naam]” te kennen onder de naam [naam] of [naam] . De getuige [getuige], die verdachte kent onder de naam [naam], heeft tegenover de politie verklaard dat hij zelf geboren is in 1976 en dat verdachte één of twee jaar ouder is, wat zou betekenen dat verdachte is geboren in 1975 of 1974. 
Voorts is ook uit deskundigenonderzoek in het kader van - kort gezegd - de (eerste) asielprocedure van verdachte gebleken, dat verdachte aanzienlijk ouder moet zijn dan op grond van de door hem zelf aanvankelijk opgegeven geboortedatum, [geboortedag] 1985, zou moeten worden aangenomen. 


Bewijsvraag ten aanzien van het onder 1 tot en met 6 ten laste gelegde 

De raadsman heeft aangevoerd dat voorafgaande aan de verhoren van verdachte op 14 april (16.00 uur) en 20 april 2011 (13.27 uur) door de politie is verzuimd aan verdachte mee te delen dat hij niet verplicht is tot antwoorden (artikel 29 Sv). Volgens de raadsman zijn hierdoor in het voorbereidend onderzoek vormen verzuimd in de zin van artikel 359a Sv die niet meer kunnen worden hersteld. Daarom dient de rechtbank te bepalen dat de tijdens deze verhoren door verdachte afgelegde verklaringen niet mogen bijdragen aan het bewijs van het ten laste gelegde. 

De rechtbank is van oordeel dat inderdaad sprake is van onherstelbaar vormverzuim als door de raadsman is gesteld. Voor de beantwoording van de vraag of de rechtbank hieraan het door de raadsman genoemde gevolg, bewijsuitsluiting, of enig ander gevolg als bedoeld in artikel 359a Sv dient te verbinden, acht de rechtbank de volgende omstandigheden van belang: 
- voorafgaande aan zijn verhoor ter zake van zijn voorgeleiding voor de hulpofficier van 
justitie op 14 april 2011 te 10.15 uur, is verdachte op zijn zwijgrecht gewezen nadat hem 
was meegedeeld waarvan hij werd verdacht (kort gezegd: de feiten als vermeld op de 
tenlastelegging), waarna verdachte verklaarde - zakelijk weergegeven - zijn vriendin en een 
politieman te hebben doodgemaakt en meer mensen verwond te hebben; 
- tussen de verhoren van 14 april en 20 april 2011, op 19 april 2011, alsmede na 20 april 
2011 is verdachte telkens (tenminste 15 keer in totaal) door de politie gehoord nadat hij 
voor aanvang daarvan telkens op zijn zwijgrecht was gewezen; tijdens die verhoren heeft 
verdachte inhoudelijk in grote lijnen en op substantiële onderdelen in gelijke zin verklaard 
over zijn betrokkenheid bij de thans ten laste gelegde feiten als in de verhoren voorafgaand 
waaraan was verzuimd de cautie te geven; 
- dit laatste geldt ook voor de verklaring die de verdachte ter terechtzitting heeft afgelegd 
nadat hem te kennen was gegeven dat hij niet verplicht was om antwoord op gestelde 
vragen te geven. 

Naar het oordeel van de rechtbank moet op grond van de hiervoor geschetste gang van zaken ervan worden uitgegaan dat verdachte vóór de verhoren van 14 april te 16.00 uur en 20 april te 13.27 uur op de hoogte was van zijn recht om te zwijgen. Gelet hierop, alsmede gelet op de inhoud van de overige verklaringen die de verdachte - na mededeling van de cautie - heeft afgelegd, kan niet worden gezegd dat verdachte in zijn belang is geschaad door het achterwege blijven van de cautie voorafgaande aan de genoemde verhoren van 14 en 20 april 2011. Naar het oordeel van de rechtbank kan dan ook worden volstaan met de vaststelling dat een onherstelbaar vormverzuim is begaan in het vooronderzoek. De rechtbank zal daaraan geen rechtsgevolgen verbinden. De verklaringen van verdachte, afgelegd tijdens de verhoren op 14 april 2011 te 16.00 uur en op 20 april 2011 te 13.27 uur kunnen dan ook voor het bewijs van het ten laste gelegde worden gebezigd. 

Standpunt van de officier van justitie ten aanzien van de ten laste gelegde feiten 

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan moord op [slachtoffer feit 1], moord op [slachtoffer feit 2], poging tot moord op [aangever feit 3], poging tot moord op [aangever feit 4], levensbedreiging van [agent 1], [agent 2] en [agent 3] en poging tot zware mishandeling van [agent 1]. Daarmee heeft de officier van justitie gesteld dat het onder 1, 2 primair, 3 primair, 4 primair, 5 en 6 primair ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen. 
Standpunt van de verdediging ten aanzien van de ten laste gelegde feiten 

De raadsman heeft gepleit voor vrijspraak van alle ten laste gelegde feiten. 
De raadsman heeft primair ten aanzien van alle ten laste gelegde feiten gesteld dat het voor een bewezenverklaring vereiste opzet niet kan worden bewezen. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat er bij verdachte ten tijde van de verweten gedragingen sprake was van een psychose, een ernstige geestelijke stoornis, waarbij ten aanzien van het onder 3, 5 en 6 ten laste gelegde daarnaast geldt dat bij verdachte iedere herinnering daaraan ontbreekt. 
Onder deze omstandigheden moet volgens de raadsman worden geoordeeld dat het bij verdachte ten tijde van zijn handelen aan ieder inzicht in de draagwijdte van zijn gedragingen en de mogelijke gevolgen heeft ontbroken, als gevolg waarvan het voor een bewezenverkla-ring vereiste 'opzet' niet kan worden bewezen en dientengevolge verdachte moet worden vrijgesproken van deze feiten. 

Ten aanzien van het onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde heeft de raadsman subsidiair gesteld dat voorbedachte raad niet kan worden bewezen. 

Meer subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat voor een bewezenverklaring van de onder 2 subsidiair ten laste gelegde gekwalificeerde doodslag is vereist dat het oogmerk heeft bestaan om bij betrapping op heterdaad van de moord/doodslag op [slachtoffer feit 1] aan zichzelf straffeloosheid te verzekeren. Uit het dossier, in het bijzonder de verklaringen van verdachte, blijkt niet dat verdachte dit oogmerk heeft gehad. 

Beoordeling 

De rechtbank heeft bij de beoordeling van hetgeen onder 1 tot en met 6 is ten laste gelegd, acht geslagen op de volgende bewijsmiddelen, zakelijk weergegeven. Daarbij wordt ieder bewijs-middel, ook in onderdelen, slechts gebezigd voor het feit waarop het blijkens de inhoud daarvan betrekking heeft. 

Een proces-verbaal d.d. 15 april 2011, opgenomen op pagina 1099 t/m 1105 (map 3) van dossiernummer 2011036931 d.d. 3 juli 2011 (hierna: het dossier), inhoudende de verklaring van [getuige 1]: 
Ik woon op de [adres] in [plaatsnaam]. Op woensdag 13 april 2011 was ik thuis. Ineens hoor ik geschreeuw, dit was omstreeks 20:00 uur. Ik kon horen dat het geschreeuw uit de gang kwam. Deze schreeuw klonk als een angstschreeuw. Ik hoorde dat het geschreeuw steeds harder werd. Bij iedere keer dat er opnieuw geschreeuwd werd, werd de schreeuw harder. Ik heb wel drie à vier keer iemand horen schreeuwen. Ik liep de gang op en dat geschreeuw ging steeds door. Ik woon dus op de bovenverdieping. Ik kon horen dat het geschreeuw van een vrouw was. Ik hoorde alleen haar schreeuwen verder heb ik niemand gehoord. Terwijl ik de gang op liep hoorde ik de vrouw "help" schreeuwen. Ik liep in de richting van de balustrade. Toen ik de eerste stap in de hal zette, hoorde ik een bonk. Toen ik halverwege de gang was, hoorde ik dat iemand een brandblusser verplaatste. Ik hoorde dat er over de tegelvloer beneden een brandblusser werd gesleept. Ik herkende dit geluid direct, omdat ik zelf ook wel eens de brandblusser over de vloer heb gesleept als ik de brandblusser gebruik als deurstopper. Tussen het horen van de eerste schreeuw en het daadwerkelijk zien van het slachtoffer zat ongeveer 2 à 5 minuten, maar maximaal 10 minuten dat kan ik moeilijk inschatten. 
Ik liep nog iets verder, ik denk dat ik ongeveer 1 à 2 meter van de balustrade was. Ik hoorde dat de vrouw steeds harder ging schreeuwen, echt een angstschreeuw. Ik hoorde een hele harde schreeuw gevolgd door een harde gedempte klap, die ik qua geluid niet kon plaatsen en daarna was het stil. Ik keek over de reling. Ik zag toen twee benen. Ik denk dat de afstand tot beneden ongeveer 3 meter is. Ik ben toen mijn appartement naar binnen gerend. Toen ik terug liep dacht ik dat ik nog een paar doffe klappen hoorde. Maar dat weet ik niet zeker. Ik dacht dat ik hoorde: "Godverdomme". Dit was een mannenstem. Het was Nederlands gesproken. Het klonk als frustratie. Ik had mijn MSN nog open staan op de PC en tikte nog snel: "Er wordt hier iemand vermoord". Ik pakte vervolgens mijn GSM en belde 112. 

Een proces-verbaal d.d. 18 april 2011, opgenomen op pagina 393 t/m 410 (map 1) van het dossier, inhoudende de relatering van [naam], hoofdinspecteur van politie: 
Naar aanleiding van het schietincident te [plaatsnaam] op woensdag 13 april 2011 werd door mij het vastgelegde meldkamerverkeer betrekking hebbende op dit incident beluisterd en al dan niet woordelijk uitgewerkt. Tevens werd de bijbehorende data verwerkt. 
Tijdstip 19.57.17 
Centralist: Meldkamer regiopolitie. 
Melder: Mijn naam is [getuige 1], ik woon op de [adres]. 
Er is zojuist iemand in de gang vermoord, met een .. ik vermoed een brand .. eh ..blusser. 
Ik hoorde iemand heel hard help schreeuwen op de gang. Ik kan zeg maar net over de trap kijken en zag iemands voeten op de grond liggen en er werd hard gebonkt. 

Een proces-verbaal (in vraag/antwoord stijl) d.d. 14 april 2011, opgenomen op pagina 996 t/m 1004 (map 3) van het dossier, inhoudende de verklaring van [getuige 2]: 
V: Wat is er gisteravond 13 april 2011 gebeurd in je appartement? 
A: Ik zat thuis, [adres] te [plaatsnaam], in mijn huiskamer en keek naar de tv. Het was rond 19.45 uur dat ik een vrouw hoorde schreeuwen. Ik hoorde dit 4 tot 5 keer. Daarna hoorde ik een geluid van metaal of zo iets wat over een vloer schuurde. Dit duurde 15 tot 20 seconden. Ik wist niet waar het geschreeuw vandaan kwam, dus ik ging buiten kijken. Op het moment dat ik weer naar binnen wilde, in mijn eigen huis, en mij omdraaide, hoorde ik weer een vrouwenstem die gilde en meteen daarop hoorde ik iets slaan. (hitting) Hierop ben ik naar de trap gelopen en keek naar beneden want volgens mij kwam daar die gil vandaan. Vervolgens ben ik de trap afgelopen en zag schuin voor het appartement [nummer] een vrouw op de grond liggen. Ik zag dat er een brandblusapparaat schuin over haar lichaam lag en ter hoogte van haar hoofd zag ik een grote plas bloed. Op het moment dat ik de vrouw zag liggen zag ik een manspersoon uit de woning van [nummer] komen. Hij reageerde heel boos op mij en begon op mij in te slaan. Ik heb mij natuurlijk verweerd en ben weggerend in de richting van mijn appartement. Ik hoorde en zag, omdat ik achterom keek, dat die man mij volgde. Halverwege de trap kwam hij nog steeds achter mij aan. 
V: Wat voor gegil hoorde je? 
A: Ik hoorde alleen maar wat lange gillen net alsof iemand heel veel pijn had. Ik hoorde geen woorden. Ik hoorde aan het gillen dat het een vrouwenstem was. 
V: Je sprak over het geluid van iets metaalachtigs, kun je dat verklaren waarom je over metaal spreekt 
A: Ik hoorde gewoon dat er iets over de betonnen vloer werd getrokken. 
Ik had dus 4 of 5 keer iemand, een vrouw, horen gillen. Daarna was het ongeveer 15 à 20 seconden stil voordat ik de laatste schreeuw hoorde. 
V: Wat kun je over het schreeuwen/gillen vertellen? 
A: Het was meer bang dan pijnlijk schreeuwen. Ik hoorde dus 3 à 4 keer iemand gillen en na iedere gil hoorde ik iets van een geluid dat leek op "hitting ". Een soort geluid alsof iemand met iets sloeg op een harde ondergrond. 
V: Je vertelde dat je hebt gevochten met die man met de dreadlocks, waar was hij dan? 
A: Ik denk in de woning van de vrouw die op de grond in de hal lag. Terwijl ik dus bij die vrouw stond op een afstand van ongeveer 1 meter zag ik hem uit haar woning komen. Ik zag dat hij uit perceel [nummer] kwam en daar woonde die vrouw die daar op de grond in de hal lag. 

Een proces-verbaal (in vraag/antwoord stijl) d.d. 27 april 2011, opgenomen op pagina 189 t/m 191 (map 1) van het dossier, inhoudende de verklaring van [getuige 2]: 
Om ongeveer 19.45 uur hoorde ik geschreeuw van een vrouw. Ik hoorde na elk geschreeuw een klap, alsof er iemand geslagen werd. Een schreeuw duurde ongeveer 3 tot 5 seconden. Ik hoorde haar tenminste 3 keer schreeuwen voordat ik naar de deur van mijn appartement liep. De tijd tussen de eerste schreeuw en het openen van de deur van mijn appartement was ongeveer 1 à 2 minuten. Ik hoorde dat metaal op de grond terecht kwam. Ik herkende het geluid van metaal dat op een hard iets terecht komt. De vloer van het appartement is Terazzo, dat is een gepolijste stenen vloer. 
V: Je bent bij de deur van je appartement. Wat hoor je? 
A: Ik heb ongeveer 20 tot 30 seconden in de deuropening gestaan en ik hoorde helemaal niets. Ik was net van plan terug te gaan naar mijn appartement omdat ik niets meer hoorde. Toen hoorde ik weer een schreeuw, gevolgd door een klap. Deze schreeuw was luider. 
Dit was de laatste schreeuw gevolgd door de laatste klap. Ik heb hem ook iets tegen de vrouw horen schreeuwen. Dat was na de klap die ik hoorde. 

Een proces-verbaal d.d. 16 mei 2011, opgenomen op pagina 1537 t/m 1542 (map 4) van het dossier, inhoudende de getuigenverklaring van [getuige 3]: 
Ik woon op de [adres] te [plaatsnaam]. Ik hoorde een schreeuw uit de richting van de hal. Dat was een meisjesschreeuw. Het lijkt me dat het na 19.00 uur was, maar het was absoluut voor 20.00 uur. Het was iets van 20 seconden stil en toen hoorde ik weer een schreeuw van een meisje. Dit was een beangstigende schreeuw. Die schreeuw duurde wel zo lang dat ik van de bank opstond en naar mijn deur liep. Ik had zelfs nog iets uit de keuken meegenomen ter bescherming. Als ik in seconden moet denken ga ik voor 15 seconden. 
De tweede schreeuw was zeker in de gang en het was veel luider dan de eerste. Het was meer dan alleen maar beangstigend. Het ging echt door merg en been. Nadat het geschreeuw opgehouden was hoorde ik nog een metaalachtig geluid. Ik heb ook nog een mannelijke stem gehoord die iets zei. Aan de toon te horen klonk het voor mij als vloeken. 
Het metaalachtig geluid klonk een beetje als een grote metalen pan die op de tegelvloer viel van een hoogte en die enige keren stuiterde. 

Een proces-verbaal (in vraag/antwoord stijl) d.d. 16 mei 2011, opgenomen op pagina 1546 t/m 1551 (map 4) van het dossier, inhoudende de getuigenverklaring van 
[getuige 4]: 
Ik woon op de [adres] te [plaatsnaam]. Ik hoorde plotseling geschreeuw. Het eerste geschreeuw klonk alsof er mensen achter elkaar aan zaten in een soort van een spel. Het geschreeuw dat ik hoorde was afkomstig van een vrouw. De tweede schreeuw was wel echt veel beangstigender en luider. Wij hebben katten en die zijn zelfs opgestaan bij de tweede gil en hadden de haren recht omhoog staan. Er zaten enige tientallen seconden tussen de twee schreeuwen. De tweede schreeuw duurde ongeveer zo lang als wij nodig hadden om van de bank op te staan en vervolgens naar de deur van ons appartement te lopen. Toen we bij de deur kwamen was het stil. Meteen daarop hoorde ik een metaalachtig geluid. Ik hoorde nog een mannenstem die aan het vloeken was. Het was iets van afschuw wat ik in die stem hoorde.
V: Je sprak over meerdere keren het metalig geluid? 
A: Net alsof iemand meerdere keren iets op de vloer gooide of stuiterde. Ik schat dat het tussen de 3 à 5 keer was. In het begin, toen we nog niet wisten wat er allemaal gebeurd was, hadden we het over het gooien van een metalen koekenpan. 

Een proces-verbaal d.d. 14 april 2011, opgenomen op pagina 247 t/m 249 (map 1) van het dossier, inhoudende de relatering van verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant]: 
Op woensdag 13 april 2011, omstreeks 22.45 uur, spraken wij met [getuige 4], wonende te [woonplaats]. [getuige 4] verklaarde ons dat hij afgelopen avond omstreeks 19.25 uur vanaf zijn woning naar [plaatsnaam] was gereden. [getuige 4] verklaarde ons dat hij de [straatnaam] inreed en dat hij tussen perceel [adres] en [huisnummer] een personenauto zag staan. De bijrijder van deze personenauto opende het rechtervoorportier en stapte uit, waardoor [getuige 4] moest remmen. [getuige 4] verklaarde ons dat hij tegen zijn zoon riep: "Wat een lul, ik had hem wel dood kunnen rijden." [getuige 4] verklaarde ons dat deze bijrijder een donkergetinte man was, niet lang van postuur, en zwart lang haar had met dreadlocks. 

Een proces-verbaal d.d. 2 mei 2011, opgenomen op pagina 590 (map 2) van het dossier, inhoudende de relatering van verbalisant [verbalisant]: 
Binnen het onderzoek werd tot op heden van twee mobiele nummers vastgesteld, dat deze mogelijk in gebruik waren bij verdachte [verdachte], namelijk [telefoonnummer] en [telefoonnummer]. 
Van 1 mobiel nummer werd vastgesteld dat dit kennelijk in gebruik was bij het slachtoffer [slachtoffer feit 1], namelijk [telefoonnummer]. 
Van genoemde nummers werden de historische gegevens opgevraagd over de periode 01-02-2011 tot en met 13-04-2011. Uit deze opgevraagde historische gegevens blijkt dat er via het toestel met het nummer [telefoonnummer]op 13 april 2011 te 19.49.20 uur een uitgaand contact is met nummer [telefoonnummer](0 eenheden). 

Een schriftelijk stuk, te weten een rapport d.d. 1 juni 2011, opgesteld door [deskundige], NFI-deskundige forensische pathologie, opgenomen als bijlage 1.7a op pagina 199 t/m 210 van bijlage A van het dossier, inhoudende: 
Bij sectie waren er circa 9 ruwrandige huidefecten op het hoofd en in de behaarde hoofdhuid in relatie met de gevonden schedelfracturen. Er was veel begeleidende bloeduitstorting. In de schedelbasis waren grote bloedvaten verscheurd, waardoor er ook bloed via de neusbijholten was ingeademd. De letsels zijn bij leven opgelopen door heftig uitwendig inwerkend botsend geweld zoals dat door slaan met één of meerdere zware en mogelijk kantige voorwerpen kan zijn opgeleverd. Er waren aan de armen en handen veel onderhuidse bloeduitstortingen en er waren breuken in beide polsen door uitwendig inwerkend mechanisch geweld zoals dat door slaan en/of stompen en/of stevig vast pakken kan zijn ontstaan. 
De gebroken polsen passen bij afweerletsels. 
Het overlijden is het gevolg van hersenfunctieverlies door de opgelopen hersenletsels. Bloedverlies en daardoor algeheel zuurstoftekort heeft aan het overlijden bijgedragen. 
De letsels aan de armen en de handen hebben aan het bloedverlies en zodoende aan het overlijden bijgedragen. 
Conclusie: [slachtoffer feit 1], 29 jaar oud geworden, is overleden als gevolg van hersenfunctieverlies en algehele weefselschade, opgelopen door herhaaldelijk ingewerkt heftig uitwendig inwerkend botsend geweld op het hoofd. 
Een schriftelijk stuk, te weten een brief d.d. 1 juni 2011 van [deskundige] voornoemd, opgenomen als bijlage 1.7c op pagina 221 en 222 van bijlage A van het dossier, inhoudende: 
Er is ten minste 9 maal heftig uitwendig inwerkend botsend geweld ingewerkt, passend bij tenminste 9 maal op het hoofd geslagen worden. 
De letsels waren ontstaan door inwerking van heftig botsend geweld zoals door met één of meerdere zware en mogelijk kantige voorwerpen kan zijn opgeleverd. Als het door u genoemde voorwerp, namelijk de brandblusser, aan die eisen voldoet, is het mogelijk dat de letsels daardoor zijn ontstaan. 

Een proces-verbaal d.d. 12 juli 2011, opgenomen als bijlage 13.1 op pagina 918 van bijlage A van het dossier, inhoudende de relatering van verbalisant [verbalisant]: 
Door mij werd de in beslag genomen brandblusser gewogen. Het gewicht is ongeveer 17,8 kilo.

Een proces-verbaal d.d. 24 mei 2011, opgenomen op pagina 898 t/m 900 (map 3) van het dossier, inhoudende de relatering van verbalisant [verbalisant]: 
Uit het onderzoek TGO [plaatsnaam] was gebleken dat door verdachte [verdachte] op woensdag 13 april 2011 te 20:08 uur met zijn mobiele telefoon met nummer [telefoonnummer]had gebeld naar respectievelijk het nummer [telefoonnummer], [telefoonnummer] en [telefoonnummer]. Genoemde telefoonnummers betreffen mobiele nummers uit [land]. 
Uit het forensisch digitaal onderzoek FD0-007 van de telefoon van verdachte [verdachte] was gebleken dat in de contactenlijst van [verdachte] zijn mobiele telefoon genoemde telefoonnummers voorkwamen. 
In de contactlijst stond achter genoemde telefoonnummers de volgende namen vermeld: 
[telefoonnummer] [neef verdachte] 
[telefoonnummer] [naam] 
[telefoonnummer] [naam] 
Op dinsdag 17 mei 2011, omstreeks 13.20 uur, werd in het bijzijn van mij, door de tolk [taal], telefonisch contact opgenomen met genoemde telefoonnummers. Alleen het telefoonnummer [telefoonnummer] werd opgenomen. 
(T=Tolk, R= [neef verdachte]) 
T: Ben je [neef verdachte]? 
R: Ja, ik ben [neef verdachte]. Mijn broer heeft probleem. 
T: Oké, wat zei hij tegen jou toen hij je belde? 
R: Hij zei dat hij probleem heeft. 
Ik vroeg hem wat voor probleem hij heeft. Toen vertelde hij mij dat hij samen met zijn blanke vriendin in de kamer aan het spelen was, toen overleed ze en dat hij niet weet wat hij moest doen. 
Ik vroeg hem om mij exact te vertellen wat was gebeurd. Hij zei dat ze alleen maar aan het spelen waren, toen ze overleed en daarom wil hij dat ik de mensen in [plaatsnaam] bel om te vertellen dat hij probleem heeft. Ik denk dat hij niet meer wist wat hij moest doen. Daarom belde hij mij. Hij was bang. Dat is wat ik van hem begreep. 
T: Wie moest je bellen? Welke mensen in [plaatsnaam]? 
R: De familie. 
T: Je zei dat je zijn broer bent. Ben je ouder of jonger dan hem? 
R: Ik ben niet volle broer van hem. Zijn vader is mijn oom. 
Hij belde me direct na het overlijden van zijn vriendin en vroeg mij om dat te vertellen. 
T: Aan wie moest u dat vertellen? 
R: Ik denk aan zijn vader, moeder en broer. 
T: Hebt u ze dat verteld? 
R: Ja, ik vertelde dat aan de jongere broer van mijn vader die hier in [woonplaats] woont. Ik zei dat [verdachte] heeft gebeld en zei dat hij probleem heeft. 
T: Hoe heet hij zegt u? 
R: [naam]. 

Een schriftelijk stuk, te weten een rapport d.d. 21 april 2011, opgesteld door [deskundige] voornoemd, opgenomen op pagina 328 t/m 339 als bijlage 2.a.4 van bijlage A van het dossier, inhoudende: 
Volgens ontvangen inlichtingen werd deze 48 jaar oud geworden man tijdens uitoefening van zijn werk als politieman op de openbare weg neergeschoten. Hij kwam ter plekke te overlijden. Er werd sectie verricht. 
Voorafgaande aan de sectie werd bij postmortaal beeldvormend onderzoek breuk van de onderkaak gezien. Er was een voor projectiel verdachte schaduw in de borst links. 
Bij sectie werden aan het lichaam drie perforaties gezien allen met het aspect van bij leven opgelopen schotletsel. Er was een doorschotverwonding door de mondholte en de onderkaak met een inschot links en een uitschot rechts. In het schotkanaal was de tong gefragmenteerd en de onderkaak gebroken. Er was een schotkanaal dwars door de borstkas van rechts naar links naar een kogel links zijwaarts in de weke delen van de borst. In het schotkanaal waren de beide longen, de lichaamsslagader en de longslagader geraakt. Er was veel bloed verloren. Het overlijden wordt door het oplopen van dit schotletsel zondermeer verklaard als gevolg van het massaal bloedverlies en door functieverlies van beide longen. 
De doorschotverwonding door de mond en kaak heeft aan het bloedverlies en daardoor aan het overlijden bijgedragen. 
Conclusie: [slachtoffer feit 2], 48 jaar oud geworden, is overleden als gevolg van bij leven opgelopen uitwendig inwerkend perforerend geweld op het lichaam. 

Een schriftelijk stuk, te weten een rapport d.d. 27 juli 2011, opgesteld door ing. [deskundige], NFI-deskundige schotrestenonderzoek, opgenomen op pagina 328 t/m 991 als bijlage 13.8 van bijlage A van het dossier, inhoudende: 
Op de schotrestenfolie waarmee de verwonding bij de linkermondhoek van het slachtoffer [slachtoffer feit 2] is bemonsterd en op de helm zijn sporen aangetroffen die wijzen op een schootsafstand tussen 25 en 100 centimeter. 

Een proces-verbaal d.d. 16 april 2011, opgenomen op pagina 1128 t/m 1130 (map 3) van het dossier, inhoudende de verklaring van [getuige 5]: 
Op woensdag 13 april 2011 bevond ik mij in mijn woning aan de [adres] te [plaatsnaam]. Het was ongeveer 20:25 uur. Ik zag toen een buitenlandse meneer lopen, die er stevig de pas in had. Hij had beide handen in zijn zakken. Ik ging naar buiten naar de man toe omdat ik dacht dat hij verdwaald was. Ik sprak de man aan […] en vroeg hem duidelijk: "Waar gaat u naar toe?" Hij keek om en zei in het Nederlands met een accent: "Naar het station." Ik zei tegen hem: "Dan moet u de andere kant op." Hij keerde om. Zijn handen bleven in zijn broekzakken en hij liep in dezelfde pas weer terug richting [plaatsnaam]. Korte tijd later hoorden mijn vrouw en ik schoten. 
Ik hoorde duidelijk drie schoten kort achter elkaar. Toen was het even stil en toen hoorde ik een vierde schot. De eerste drie schoten gingen in vier à vijf seconden. De pauze tussen de eerste drie schoten en het vierde schot was denk ik wel een minuut. 
Ik heb vervolgens op 112 Groningen gekeken. Er kwam een bericht op dat er een man gezocht werd. Deze man had eenzelfde signalement als de man die ik op mijn erf had zien lopen. 
Een proces-verbaal d.d. 16 april 2011, opgenomen op pagina 125 t/m 136 (map 1) van het dossier, inhoudende de verklaring van aangever [aangever feit 3]: 
Ik wens aangifte te doen van het feit dat ik op woensdag 13 april 2011, omstreeks 20:00 uur door een mij onbekende manspersoon nabij mijn woning op de [adres] te [plaatsnaam] met een vuurwapen beschoten ben, waarbij ik werd geraakt door een kogel in mijn linker onderbeen. 
Ik was nog op de [straatnaam]. Toen kwam daar die motorrijder aan. 
Gelijk als de motor stil staat, dan komt die zwarte man, die staat gelijk tegen hem aan. Hij heeft hem tegen het hoofd aangeslagen. De motorrijder loopt achteruit … de kruising net voorbij. Die motorrijder roept van "bij mij weg" of "stop" of "blijf bij mij weg". 
Die donkere man vliegt achter hem aan. Hij geeft hem nog een dreun. Ik heb niet gezien dat hij zijn pistool had getrokken. Maar hij had zeker zijn pistool in zijn hand. En toen heeft die vent het uit zijn handen geschopt of geslagen. 
V: Zag u dat gebeuren? 
A: Ja, dat zag ik gebeuren. 
A: Toen zag ik wel iets op de grond vallen en ik dacht verrek dat is een pistool. Op dat moment gaf die vent hem nog gelijk een schop, dat ging zo snel. En die greep dat pistool. 
V: Waar staat u op dat moment? 
A: Ik sta dan op dat moment bijna op de hoek [straatnaam] en [straatnaam]. 
V: Heeft u ook gezien wat de donkere man deed? 
A: Hij pakte het pistool en richtte dat gelijk op die motoragent. En die waggelt zo om. 
V: Hoe ver staat de donkere man dan van die motorrijder af? 
A: Lijf tegen lijf zowat. Want die motorrijder wou ook nog pakken, dat wapen of pistool, of hoe je het ook noemen wilt. Want die man die geeft hem, die drukt hem als het ware weg, zo moet je het zien. Want die zwarte man was er eerder bij als hij. 
V: Dus hij schiet. Hoe vaak schiet hij in eerste instantie op de motorrijder? 
A: Ik dacht, zeker weten doe ik het niet, maar sowieso naar mijn idee 2 keer als het geen 3 keer is. 
V: En wat ziet u daarvan als hij aan het schieten is? 
A: Daar zie ik verder niets van. Ik dacht wegwezen. 
Dan komt er een schot en word ik geraakt in mijn linkerbeen. Volgens mij, voor zover ik het aanvoelde, is er nog een schot geweest maar die is over mij heen gegaan. Later hoor ik dan wel weer een paar knallen. 

Een schriftelijk stuk, te weten medische informatie Martini Ziekenhuis d.d. 21 april 2011 betreffende [aangever feit 3], opgenomen op pagina 137 en 138 (map 1) van het dossier, inhoudende: 
Omschrijving van het letsel: kogelverwonding linker onderbeen. 

Een proces-verbaal d.d. 23 mei 2011, opgenomen op pagina 202 en 203 (map 1) van het dossier, inhoudende de verklaring van aangever [aangever feit 4]: 
Ik woon aan de [adres] te [plaatsnaam]. 
Nadat de dader op buurman [aangever feit 3] had geschoten, kwam hij in mijn richting lopen. Ik stond toen op straat, voor de oprit van [aangever feit 3]. 
Ik draaide me om en rende naar mijn garage. Ik ging naar binnen en deed de loopdeur achter me dicht, maar niet op slot. Ik pakte in de garage de bijl. Die hing aan een balk. Met de bijl in mijn hand, liep ik vervolgens weer naar de loopdeur en opende die. Ik deed een stap naar buiten, misschien een halve meter. Op dat moment stond ik oog in oog met de dader, die langs mijn auto in mijn richting kwam lopen. Ik riep iets van "Opsodemieteren!" tegen hem. 
Hij bleef stilstaan aan de rechtervoorzijde van de auto. Ik zag de arm waarin hij het pistool had naar boven gaan en stapte daarop de garage weer binnen, ik deed de loopdeur op slot. Terwijl ik in de garage naar achteren liep, hoorde ik het schot. Ik zocht vervolgens dekking achter het muurtje. 

Een proces-verbaal (in vraag/antwoord stijl) d.d. 17 april 2011, opgenomen op pagina 1018 t/m 1029 (map 3) van het dossier, inhoudende de verklaring van [aangever feit 4]: 
Ik zie links van mij een motor staan op de [straatnaam], rechts van mij zie ik twee mensen, dat blijken achteraf de politieman en de dader te zijn en nog iets verder rechts op de kruising [straatnaam] met de [straatnaam] stond mijn buurman [aangever feit 3]. Ik zag dat de dader daar de agent onder schot hield. 
V: In hoeverre heeft u kunnen zien of de agent wat in zijn handen vast had op dat moment? 
A: Niet, hij had zijn handschoenen aan en daar zat niets in. Hij had niets in zijn handen. 
V: U zegt dat de agent naar achteren in de richting van boer [getuige 5] liep, hoe ging dat precies? 
A: Gewoon rustig, best rustig naar achteren stappend met de handen in een afwerende houding. Hij riep iets van: "Niet doen" naar die dader toe. De agent maakte een afwerend gebaar. Voordat de agent zei: "Niet doen" heeft de agent nog iets anders geroepen, maar dat heb ik niet verstaan. Maar daarna vielen er schoten. 
V: U ziet de agent achteruit lopen, wat kunt u ons vertellen over de andere persoon? 
A: Ik zag dat die persoon een pistool in zijn hand had en gestrekte armen had naar voren in de richting van het gezicht van die agent. 
V: Hoe groot was de afstand tussen die agent en die persoon die het pistool vast had? 
A: Het pistool bevond zich op nog geen meter afstand van het gezicht van de agent, echt dichtbij. Die dader schiet gewoon 3 keer op de agent. Die agent wordt getroffen en wankelt naar achteren en strompelt naar de andere kant van de weg en valt languit op het gras met zijn gezicht naar beneden. 
V: Er is 3 maal geschoten op de agent, hoe omschrijft u de schoten, wat betreft de tijdsduur? 
A: Snel achter elkaar, bam, bam, bam. Gewoon drie keer achter elkaar. 
V: Wat doet de dader vanaf het moment dat hij de agent 3 keer beschoten heeft? 
A: Hij ziet op een gegeven moment [aangever feit 3]. 
Ik zag dat de dader in de richting van [aangever feit 3] liep en op [aangever feit 3] begon te schieten. In mijn beleving was [aangever feit 3] bezig om daar weg te komen. Terwijl hij probeerde weg te lopen, schoot de dader op [aangever feit 3]. 
V: Hoe hield de dader het wapen vast? 
A: Ik weet wel dat hij het met 1 hand deed, op dezelfde manier als wat hij bij de agent deed, alleen dan in de richting van [aangever feit 3]. Naar voren toe en hij schoot. [aangever feit 3] werd geraakt en viel en schreeuwde van de pijn. 
V: Waar stond de dader op het moment dat hij op [aangever feit 3] schoot? 
A: Aan het begin van de [straatnaam], ik schat 3 meter bij [aangever feit 3] vandaan. 
V: Hoe vaak werd er geschoten door de dader op [aangever feit 3]? 
A: 2 keer. 

Een proces-verbaal (in vraag/antwoord stijl) d.d. 14 april 2011, opgenomen op pagina 1089 t/m 1093 (map 3) van het dossier, inhoudende de verklaring van [getuige 6]: 
Ik zag een zwarte man op een agent aflopen. Ik zag vervolgens dat die zwarte man de agent met zijn rechtervuist naar zijn hoofd sloeg. Ik zag dat de agent de slagen van de zwarte man af probeerde te weren. Ik zag dat de agent daarbij achteruit liep. Ik hoorde daarbij tevens dat de agent tegen de zwarte man zei dat hij afstand moest houden. Tijdens het achteruit lopen van de agent zag ik dat de agent zijn wapen trok. Ik zag dat de agent zijn pistool trok. Ik zag dat de zwarte man hier in het geheel niet op reageerde. Hij bleef gewoon richting de agent lopen. Ik zag dat de agent daarbij achteruit liep, richting de boerderij van [getuige 5]. 
V: Hoeveel afstand was er tussen de agent en de zwarte man? 
A: Ik schat anderhalf tot twee meter. 
Door het openen van het raam, had ik gedurende ongeveer 10 seconden geen zicht op de beide mannen gehad. Ik zag vervolgens dat de agent zijn pistool niet meer in handen had. Ik zag dat de zwarte man nu een pistool in handen had. Ik zag dat de zwarte man het pistool in zijn rechterhand had en met gestrekte arm op de agent gericht hield. De agent en de zwarte man stonden iets voorbij de kruising [straatnaam]-[straatnaam]. Vervolgens hoorde ik enkele schoten afgaan vanuit het pistool dat de zwarte man op de agent richtte. Ik zag uit de loop van het pistool enkele flitsen komen. Deze flitsen zag ik gelijktijdig met de knallen die ik hoorde. 
Ik zag dat de politieman vooruit strompelde, richting de berm van de weg. Ik zag dat de zwarte man zich naar rechts draaide, richting de [straatnaam]. Ik denk dat hij twee passen in die richting zette. Vervolgens schoot de zwarte man nog twee maal in de richting van de [straatnaam]. 
Korte tijd daarvoor had ik mijn buurman, [aangever feit 3], richting [straatnaam] zien lopen. 
V: Wat zag je nadat de zwarte man de twee laatste schoten afvuurde? 
A: Ik zag dat de zwarte man richting onze woning kwam lopen. Op het moment dat hij net achter onze auto liep, keek hij omhoog. 
De auto stond bij ons voor het huis op de oprit. Ik ben nog een aantal seconden in mijn kamer blijven staan, in de deuropening. Toen ik daar stond hoorde ik nog een schot klinken. 

Een proces-verbaal d.d. 14 april 2011, opgenomen op pagina 1082 t/m 1088 (map 3) van het dossier, inhoudende de verklaring van [getuige 7]: 
Ik zat gisteravond thuis op de bank voor de televisie. Ik denk dat het 20:20 uur was. Ik zag buiten een motorrijder, die stopte voor ons huis. En ik zag een zwarte, een kleurling bij de motor weglopen. Die kleurling stond ongeveer anderhalf meter vanaf het voorwiel. Die kleurling liep heen en weer te drentelen. Die motorrijder was heel rustig en liep op hem af. Ik zag dat er een licht handgemeen was. Ik zag dat de handen van beide mannen naar elkaar toe gingen. Ik dacht op dat moment dat die twee mannen gewoon ruzie met elkaar hadden. 
Ik keek weer naar buiten. Ik zag dat die motorrijder en de kleurling een eindje verder in de richting van de boerderij [getuige 5] waren beland. Ze stonden beiden stil, tegenover elkaar, op ongeveer armlengte van elkaar. Ik zag toen dat die kleurling een pistool in zijn rechterhand had. Ik zag dat hij zijn arm uitstrekte en de loop van het pistool tegen het gezicht van de motorrijder aan. Ik zag namelijk dat de motorrijder het vizier van de helm omhoog had. Ik zag tevens dat die arm van de kleurling daarbij schuin omhoog wees, omdat de kleurling kleiner was dan de motorrijder. 
Ik zag dat de motorrijder afweerde met zijn handen. Ik zag namelijk dat hij zijn beide handen voor zijn gezicht bracht. Volgens mij riep hij iets naar de kleurling. Ik hoorde iets, maar ik weet niet wat hij riep. Ik zag wel paniek in zijn gezicht. 
V: Waar stonden ze op dat moment? 
A: Ze stonden op de [straatnaam], voorbij de afslag [straatnaam]. Ze stonden ter hoogte van [adres]. 
Ik hoorde drie schoten. Ik zag dat die agent niet omviel. Volgens mij ben ik op dat moment de telefoon gaan pakken om 112 te gaan bellen. Terwijl ik 112 aan de lijn had, hoorde ik opnieuw 2 schoten. Die 3 schoten vielen meteen achter elkaar. Het was snel achter elkaar. Misschien een seconde tussen elk schot. 
Ik weet wel dat ik toen ook weer naar buiten keek, via het raam van de woonkamer, ik zag dat die kleurling achter onze auto stond. Hij stond nog wel op de rijbaan. Ik zag mijn man niet, maar die was, naar later bleek op de oprit, en die hoorde ik alleen maar gillen: "Sodemieter op." Ik zag dat die kleurling daarop reageerde door de oprit op te lopen. Ik zag toen dat die kleurling het pistool nog in zijn hand had en dit richtte. Ik zag dat de kleurling het pistool richtte in de richting van onze garage. Terwijl het pistool door die kleurling nog gericht was op onze garage, hoorde ik het pistool weer afgaan. Er werd een schot mee afgevuurd. 

Een proces-verbaal sporenonderzoek d.d. 23 april 2011, opgenomen op pagina 470 t/m 484 (map 2) als bijlage 3.a.1 van bijlage A van het dossier, inhoudende de relatering van verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant]: 
Het onderzoek vond plaats op de openbare weg de [straatnaam], gelegen tussen de kruising van wegen bestaande uit de [straatnaam] en de [straatnaam] en de [straatnaam] en de [straatnaam] te [plaatsnaam]. 
Bij markeringsbordje 18 werd een pistool aangetroffen. De slede van het wapen was geopend en de houder zat in het wapen. De kolf van het wapen was bebloed en beschadigd. 
Veiliggesteld object: een vuurwapen (pistool), merk/type Walther P5. 

Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 14 mei 2011, opgenomen op pagina 539 t/m 544 als bijlage 3.a.5 van bijlage A van het dossier, inhoudende de relatering van verbalisant 
[verbalisant]: 
In de gevel aan de voorzijde van de woning [adres] zag ik een beschadiging, waarschijnlijk veroorzaakt door een kogelinslag (ongeveer op 1.8 meter hoogte). 
Ook in de gevel van de woning [adres] aan de zijde van de [adres] zag ik een beschadiging, waarschijnlijk veroorzaakt door een kogelinslag (ongeveer op 1.9 meter hoogte). 

Een proces-verbaal met foto's d.d. 8 juni 2011, opgenomen op pagina 454 t/m 460 als bijlage 2.c.1 van bijlage A van het dossier, inhoudende de relatering van verbalisanten 
[verbalisant], [verbalisant] en [verbalisant]: 
Doel van het onderzoek was om vast te stellen wat de positie van getuige [aangever feit 4] was ten tijde van het schot in zijn richting door de verdachte. Hierbij werd door ons aangenomen dat de inschotopening in de zijgevel van de garage van perceel [adres], afkomstig was van het door de verdachte afgevuurde schot in de richting van [aangever feit 4]. 
De in dit proces-verbaal opgenomen luchtfoto (foto 2) geeft een overzicht van de [straatnaam] met daarop aangegeven o.a. de woning van getuige [aangever feit 4]. Op de foto is met een gele cirkel ongeveer de positie van de verdachte aangegeven, waar getuige [aangever feit 4] hem het wapen op zich heeft zien richten. De witte cirkel is ongeveer de positie van getuige [aangever feit 4] in de garage, nadat hij de deur had gesloten en hij een knal hoorde. De rode lijn is ter illustratie van de mogelijke schotbaan tussen de positie van verdachte en een in de zijgevel van de garage van perceel [straatnaam] aangetroffen inschotbeschadiging. 
Door ons werd de constructie van de loopdeur en de kanteldeur van de garage van getuige [aangever feit 4] gefotografeerd. Wij zagen dat deze deuren bestonden uit enkelwandig plaatmateriaal van ca. 2 mm. dikte. De afstand vanaf de positie zoals getuige de verdachte heeft gezien tot de loopdeur van zijn garage, bedroeg ongeveer 11.5 meter. 
Het is aannemelijk dat als met het dienstpistool van [slachtoffer feit 2] is geschoten vanaf de positie zoals [aangever feit 4] aangaf dat de verdachte stond, en de kogel tegen de loopdeur of de kanteldeur was gekomen, deze door de deur heen gegaan zou zijn en achter de deur nog voldoende kracht had om schade aan te richten. 


Een proces-verbaal met foto's d.d. 8 juni 2011, opgenomen op pagina 462 en 463 als bijlage 2.c.2 van bijlage A van het dossier, inhoudende de relatering van verbalisant [verbalisant]: 
Het onderzoek is verricht aan de garage van de [adres] te [plaatsnaam]. Aldaar zou men een inslag van een projectiel hebben aangetroffen. Ik zag dat het mogelijk was dat als er vanaf de gesitueerde positie geschoten zou zijn, de desbetreffende inslag veroorzaakt zou kunnen zijn. 

Een proces-verbaal d.d. 27 april 2011, opgenomen op pagina 171 t/m 176 (map 1) van het dossier, inhoudende de verklaring van aangever [agent 2]: 
Ik ben op woensdag 13 april 2011 betrokken geraakt bij een schietincident te [plaatsnaam] tijdens mijn werkzaamheden als hoofdagent bij de basis politiezorg te Groningen. Ik was met mijn collega [agent 1]. We reden in een opvallende politieauto. 
Ik trek meteen mijn Walther en roep hem aan dat hij moet blijven staan. En laat dat wapen vallen. Hij loopt echter stoïcijns door. Hij reageert totaal niet. Hij dwong mij door zijn manier van handelen om mijn vuurwapen te gebruiken. Ik vond namelijk dat op het moment hij met een gestrekte arm in de richting van [agent 1] richtte, haar leven in direct gevaar was. Ik zag dat hij namelijk een wapen in zijn hand droeg. 
Ik kan alleen maar achteraf redeneren dat hij heeft geschoten omdat hij constant zijn vinger aan de trekker heeft en daarbij zijn vinger naar achteren beweegt. Tussendoor heeft de verdachte ook met getrokken pistool op mij gericht, maar ik kan de momenten niet aangeven. 
Hij richt eerst op [agent 1], dan vindt er een schotenwisseling plaats tussen ons drieën. De negroïde man loopt echter nog steeds gewoon recht door en komt in een soort negerloopje op ons af. Er was totaal geen reactie bij deze man. Er komt iemand met een getrokken wapen op je af en deze toont totaal geen emotie en luistert al helemaal niet naar wat ik tegen hem schreeuw. 
Ik zie dat de verdachte gewoon in onze auto stapt en het portier sluit. Vervolgens zie ik dat hij zich naar achteren draait en met gestrekte arm in de richting van [agent 1] wijst. Ik zie dat hij nog steeds dat wapen in zijn gestrekte arm/hand vast hield. 
Ik heb dan contact met de meldkamer en ik zie dan dat hij zijn wapen op mij richt. 
Ik heb hem in zijn gezicht gepepperd, maar ook nu weer geen enkele reactie. 

Een proces-verbaal d.d. 2 mei 2011, opgenomen op pagina 192 t/m 195 (map 1) van het dossier, inhoudende de verklaring van aangever [agent 3]: 
Ik zie de verdachte uit de politieauto stappen en ik zie dat hij het pistool dat hij in zijn hand heeft op ons richt. Met ons bedoel ik mijn collega [getuige 8] en mij. 
Ik had echt het gevoel dat het hem niks kon schelen en dat hij, als hij de kans had gehad, ons alle vier had neergeschoten. Zo kwam hij op mij over. Ik had het gevoel: Hij of ik. Ik voelde me heel erg bedreigd door die verdachte. 
Ik liep achterwaarts weg en heb mijn ogen voortdurend op de verdachte gehouden. Daardoor kon ik zien dat hij het pistool op mij gericht heeft gehad. 

Een proces-verbaal d.d. 27 april 2011, opgenomen op pagina 150 t/m 155 (map 1) van het dossier, inhoudende de verklaring van aangeefster [agent 1]: 
Op woensdag 13 april 2011, was ik in uniform gekleed, ik had noodhulpdienst, ik was herkenbaar als politieagente, we reden in een opvallend dienstvoertuig, een Volkswagen Touran. Ik was samen met mijn collega [agent 2] [agent 2]. 
Op de [straatnaam] zag ik opeens een man lopen, die aan het signalement voldeed die wij hadden doorgekregen van de meldkamer, als zijnde de verdachte van die moord van die brandblusser. Het eerste wat ik zag, volgens mij in zijn linkerhand, dat hij een vuurwapen had. We zijn gelijk uit de auto gesprongen en hebben allebei meerdere malen geroepen dat hij zijn wapen moest laten vallen. Ik zag dat hij daarop niet reageerde. 
Op het moment dat wij hem meerdere malen aanriepen, dat de verdachte het vuurwapen moest laten vallen, deed hij zijn arm, waarin hij het vuurwapen vast had omhoog. Ik zag dat hij het vuurwapen op mij richtte en ik dacht dat hij op mij zou schieten. Ik had dit gevoel omdat hij mij recht in mijn ogen aankeek. Ik zag dat hij niks te verliezen had, ik zag ook geen twijfel bij hem. Omdat hij niet reageerde op ons aanroepen en zijn wapen niet liet vallen. Het was voor mij duidelijk dat hij niet van plan was zich over te geven. 
Ik zocht dekking omdat de verdachte nog steeds zijn vuurwapen op mij richtte, ik zag nog steeds geen reactie bij de verdachte. Volgens mij liep de verdachte nog steeds op mij af. Ik voelde mij bedreigd. Ik was op dat moment bang dat hij op mij of mijn collega zou gaan schieten. 
Ik heb ergens gezien dat de verdachte de trekker overhaalde van het vuurwapen dat hij vasthield. In mijn gedachten denk ik dat hij zowel op mij als op [agent 2] richtte. 
Ik hoorde [agent 2] roepen dat de verdachte geen kogels meer had. Ik zag dat [agent 2] hem pepperde. Ik rende op hem af om hem op de grond te duwen en aan te houden. Vervolgens kreeg ik een dreun op mijn hoofd. Ik voelde een dreun. Mijn hoofd is nog steeds dik en gevoelig. Later besefte is pas dat ik hoofdpijn had. Ik hoorde later van [agent 2] dat de verdachte mij had geslagen met zijn vuurwapen, met de slede. 

Een schriftelijk stuk, te weten medische informatie betreffende [agent 1], opgenomen op pagina 169 en 170 (map 1) van het dossier, inhoudende: 
Uitwendig waargenomen letsel: barstwond behaarde gedeelte hoofd. 

Een proces-verbaal d.d. 3 mei 2011, opgenomen op pagina 196 t/m 201 (map 1) van het dossier, inhoudende de verklaring van [getuige 8]: 
[agent 1] wilde hem ook pakken maar toen ze vlak bij hem was sloeg die man haar met een pistool op het hoofd. 

Een proces-verbaal d.d. 27 april 2011, opgenomen op pagina 171 t/m 176 (map 1) van het dossier, inhoudende de verklaring van aangever [agent 2]: 
Ik zie dat hij dan met zijn wapen waarvan de slede naar achteren staat op het hoofd van [agent 1] slaat. Dit ging met kracht. 

De verklaring door verdachte op de terechtzitting van 7 februari 2013 afgelegd: 
Op 12 april 2011 werd mij duidelijk dat ik geen verblijfsvergunning op medische gronden zou krijgen. Ik voelde mij toen machteloos. Ik heb meteen [slachtoffer feit 1] gebeld. Zij is toen naar [plaatsnaam] gekomen en is die avond bij mij gebleven. Mijn stemming die avond was heel slecht. Ik kon helemaal niet slapen. [slachtoffer feit 1] probeerde mij gerust te stellen. Op woensdag 13 april 2011 ben ik om 5.00 uur kranten gaan bezorgen. Toen ik terugkwam, was [slachtoffer feit 1] weg. Ik heb geprobeerd om te slapen, maar dat lukte niet. Omdat het niet goed met mij ging ben ik naar de GGZ gegaan. In de wachtkamer heb ik [slachtoffer feit 1] weer gebeld, heb haar gevraagd bij mij te komen, en ben weggegaan. Onderweg naar huis kwam ik een vriend tegen. Hij vroeg mij hoe het met mij ging. Ik begon gelijk over de afwijzing van mijn asielaanvraag. Ik zei tegen hem dat ik niet blij was. 
Ik ben met [slachtoffer feit 1] in de auto naar [plaatsnaam] gegaan. Wij hebben samen gegeten, naar muziek geluisterd en constant over de hele situatie gepraat. Zij vond dat ik dom was, dat ik mij zo liet behandelen door de IND. Zij noemde mij "schaap". [slachtoffer feit 1] stelde voor [medewerker GGZ] te bellen om mij een prikje te geven, zodat ik kon slapen. Ik vertrouwde het niet en zei dat ik weg zou gaan. [slachtoffer feit 1] zei dat ik normaal moest doen. Zij wilde dat ik bleef, maar ik wilde per se weg. Ik heb de deur van het appartement open gedaan. [slachtoffer feit 1] trok aan mij en probeerde mij tegen te houden. Ik pakte de brandblusser die daar stond en begon haar daarmee te slaan. 
Ik kan mij herinneren dat er iemand op mij af kwam. Ik ging met hem ruziemaken. Daarna ben ik naar buiten gegaan. 
Ik kan mij niet herinneren dat ik [slachtoffer feit 1] om 19.49 uur heb gebeld. Ik heb haar in ieder geval niet gebeld toen ik bij haar op de kamer was. 
Ik kan mij herinneren dat ik op weg naar het station heb gebeld, maar ik weet niet wat ik heb gezegd. Ik liep naar het station en zag een man op een motor die op mij af kwam. Ik weet nog dat hij stopte en zijn pistool trok. Ik kan mij ook nog herinneren dat hij "stop, stop" heeft gezegd. Ik ging met hem worstelen. Ik heb zijn pistool afgepakt en ging daarmee overal met een zwaaiende beweging schieten. 
Ik keek rond en zag iemand met een bijl op mij afkomen. Ik kan me herinneren dat ik gericht op hem heb geschoten. Ik dacht: "Ik moet zo snel mogelijk weg." Ik zag politieauto's. Ik kan mij herinneren dat ik aangehouden ben. 

Een proces-verbaal (in vraag/antwoord stijl) d.d. 14 april 2011, opgenomen op pagina 2339 t/m 2344 (map 6) van het dossier, inhoudende de verklaring van verdachte: 
Ik heb een man gevraagd om de weg naar het station. Ik kwam toen een politieman op een motor tegen. Toen zei de agent dat ik moest stoppen. Ik ging toen naar de agent en toen heb ik met hem gevochten, ik heb hem toen een klap gegeven. Hij had zijn helm nog op zijn hoofd, ik sloeg door de helm. Ik heb hem een paar klappen gegeven, toen kon hij niet meer tegen mij, toen heb ik het pistool afgepakt en toen schoot ik hem met zijn eigen pistool en toen viel die op de grond. 
V: Hoe vaak heeft u hem geschoten? 
A: Vaker, ik weet het niet. 

Een proces-verbaal (in vraag/antwoord stijl) d.d. 20 april 2011, opgenomen op pagina 2419 t/m 2433 (map 6) van het dossier, inhoudende de verklaring van verdachte: 
Het is van een kleine ruzie een grote ruzie geworden. Ik voelde me niet lekker sinds dinsdag. Op dinsdag heb ik haar gebeld omdat ik mij niet lekker voelde. Ik had die dag een raar gevoel. 
V: Wat voor raar gevoel? 
A: Weet ik niet. 
V: Wat doe je er aan als je dat gevoel hebt? 
A: Als ik zo'n raar gevoel heb dan is het beter dat ik niets zeg want dan word ik snel boos en dan ben bang dat ik iets verkeerds zeg. 
V: Die woensdag zijn jullie van [plaatsnaam] naar [plaatsnaam] gereden. 
V: Hoe voelde jij je toen in de auto? 
A: Kan ik niet precies vertellen. Ik was wel wat zenuwachtig. Ik was ook bang dat [slachtoffer feit 1] me aan de kant zou zetten omdat ik uitgewezen zou worden. Ik was bang dat ze mij zou dumpen, omdat ik geen verblijfsvergunning heb. We zouden vroeg naar bed gaan. Ik heb zelf de kleren eerst uit gedaan. Ik ging op bed liggen. Toen was ze in de wc, ze kwam terug naar mij. Toen zei ze: "Nu beginnen de schapen over het hekje te springen." Toen zei ik tegen [slachtoffer feit 1]: "Wat bedoel je daarmee?" [slachtoffer feit 1] wilde het mij niet uitleggen en zei tegen mij "laat maar". Toen dacht ik, waarom leg je mij dat niet uit. Waarom niet als ik het niet begrijp. 
Ik zei: "Ik kan beter terug naar [plaatsnaam], breng me a.u.b. terug." En toen wilde ze dat niet doen. Je ziet zelf maar thuis te komen, zei ze. Ze zei: "Ik wil je niet naar huis brengen." En toen werd ik boos. 
Toen ik al buiten was, kwam ze achter mij aan, toen pak ik gewoon in een keer de brandblusser. Ik stond voor de deur van [slachtoffer feit 1] toen ik de brandblusser pakte. Ik trok de brandblusser naar mij toe. Ik pakte de brandblusser, ik heb haar geslagen. 
V: Hoe zwaar was die brandblusser? 
A: Hij was niet met één hand te tillen. 
V: Welke kracht gebruikte je toen je sloeg? 
A: Ik kon niet zo helemaal tillen, maar zover ik kon, met een zwaai. 
V: Als [slachtoffer feit 1] jou een schaap noemt, wat betekent dat voor jou? 
A: Dan voel ik me dom. 
V: Wat gebeurt er dan met je als zij dat zegt? 
A: Toen noemde ik haar ook varken. 
V: In hoeverre word je dan boos? 
A: Ik was in ieder geval echt boos. 

Een proces-verbaal (in vraag/antwoord stijl) d.d. 21 april 2011, opgenomen op pagina 2579 t/m 2588 (map 6) van het dossier, inhoudende de verklaring van verdachte: 
V: Wat maakte je nou zo boos? 
A: Waarom ik boos werd, is omdat ze mij schaap noemde. 
V: Ben je wel eens vaker zo boos geweest al vorige week woensdag? 
A: Ja, dan krijg ik ruzie. 
V: Wat is ruzie maken? 
A: Alles wat ik dan te pakken krijg daar kan ik mee slaan. 
V: Je vertelde dat je [slachtoffer feit 1] hebt geslagen. Waarom deed je dat met een brandblusser? 
A: Ik weet het niet. Het is gewoon heel kort, heel dicht bij. Ik pak gelijk en ik … 
Opmerking verbalisant: verdachte doet zijn handen omhoog en maakt neerwaartse bewegingen. 
V: Hoeveel afstand is er tussen jou en [slachtoffer feit 1]? 
A: Het is gewoon een korte afstand. 
Opmerking verbalisant: Gebaar van de verdachte ongeveer 50 - 75 centimeter. 
V: Wat deed ze toen je haar sloeg? 
A: Eh, schreeuwen. Schreeuw van "Help, help", zo heb ik het gehoord. 
V: Je pakte die brandblusser en sloeg, waar raakte je haar het eerst? 
A: Ze deed zo, op haar hoofd en armen tegelijk. 
Opmerking verbalisant: Verdachte gebaart met de beide armen voor zijn hoofd, een afweerbeweging. 
Ik had die man gevraagd: "Waar is het station?" Hij zei dat ik terug moest lopen. 
Ik pakte de telefoon. Ik sprak in mijn moederstaal, met iemand in het buitenland. 
Toen hoorde ik mensen, politieauto's van ver. Toen kwam de motoragent. Hij zegt dat ik moet stoppen. Ik bleef gewoon naar hem toe gaan, ik stop niet. Toen heb ik het pistool van hem af kunnen pakken en toen begon ik overal te schieten. Iedereen die ik zie, schiet ik op. Toen was de politie er ook. De auto, waren allemaal daar. Toen begonnen ze ook te schieten. Uiteindelijk hebben ze mij gepakt en in de ambulance gezet. 
Er kwam iemand uit zijn huis met een bijl, daar schoot ik op. 

Een proces-verbaal (in vraag/antwoord stijl) d.d. 8 juni 2011, opgenomen op pagina 2884 t/m 2899 (map 7) van het dossier, inhoudende de verklaring van verdachte: 
Ik weet wel dat ik met de brandblusser heb geslagen. Maar hoe… heb ik dat vastgehouden dat weet ik niet. Het is een zwaar ding. 
V: Waar bleek dat dan uit? 
A: Door te tillen, merk ik ook dat het zwaar is. 
V: Je vertelde dat je ruzie hebt gemaakt met een Engels sprekende man. Hoe weet je dat het een Engels sprekende man was? 
A: Ik weet niet meer wat hij precies had gezegd maar in ieder geval in het Engels verstaan. 
Hij heeft mij aangevallen omdat hij ziet dat ik ruzie heb. Toen begon ik ook met hem te vechten. En toen liet hij mij gewoon... en de trap op en eh.. ik denk dat hij toen de politie heeft gebeld. En toen liep ik zo naar buiten. 
V: Waarom ben je weggegaan? 
A: Ik was gewoon in paniek. … ja van dat ik iemand heb vermoord dat ik mijn vriendin heb vermoord … ik weet niet meer hoe ik toen dacht. 

Een proces-verbaal (in vraag/antwoord stijl) d.d. 8 juni 2011, opgenomen op pagina 2918 t/m 2927 (map 7) van het dossier, inhoudende de verklaring van verdachte: 
Ik weet zeker dat ik niet zomaar op iedereen heb geschoten. Ik weet nu niet precies op wie of hoe vaak ik heb geschoten. Maar ik heb wel geschoten. Ik heb ook sommige mensen geraakt. 
V: hoe komt het dat de man met de bijl jou opvalt? 
A: omdat ik om me heen heb gekeken. Hij heeft in ieder geval een bijl in zijn hand en liep op mij af. Toen ik geschoten heb, hij heeft dan wel gezien dat ik het pistool in mijn hand heb en toen liep hij terug. Terug naar zijn huis of zo. De schuur of zo dus. 
V: Hoe vaak heb je op hem geschoten? 
A: 1 keer denk ik. 

Een proces-verbaal (in vraag/antwoord stijl) d.d. 14 juni 2011, opgenomen op pagina 2997 t/m 3021 (map 7) van het dossier, inhoudende de verklaring van verdachte: 
Ik zag eh.. 2 agenten in de auto en eh … toen stopte hij. Stopten ze, uit de auto en dan eh begonnen ze ook op mij te schieten. 
Ik heb ook geschoten ja. Op hun. 
V: Op wie richtte jij? 
A: Ja.. op die agenten. 
V: heb je geen enkel moment gedacht van: ik moet nu stoppen? 
A: op dat moment niet nee. Pas toen ze mij pakten. En toen had ik nog steeds het pistool in mijn hand. 
V: Kun je vertellen hoe de aanhouding is gegaan? 
A: Ze hebben mij eerst op de grond gekregen. 
V: Waar was het wapen toen ze jou op de grond kregen? 
A: Was nog in mijn hand. 


De rechtbank gaat, mede op grond van de hiervoor opgenomen bewijsmiddelen, uit van het volgende scenario van hetgeen op 13 april 2011 in [plaatsnaam] is gebeurd. 
Verdachte "voelde zich niet goed" sinds dinsdag 12 april 2011, de dag dat hij te horen kreeg dat hij geen verblijfsvergunning zou krijgen. Verdachte heeft zelf verklaard dat hij zich machteloos, boos en niet blij voelde. Op enig moment in de vooravond van 13 april 2011 heeft het slachtoffer [slachtoffer feit 1] verdachte "schaap" genoemd, volgens zijn eigen verklaring, waarop verdachte boos werd en terug wilde naar [plaatsnaam]. Verdachte lag al in bed, is weer opgestaan en heeft zich aangekleed. Hij heeft aan [slachtoffer feit 1] gevraagd om hem naar [plaatsnaam] te brengen, maar [slachtoffer feit 1] wilde dat niet. 
Verdachte heeft hierop het appartement van [slachtoffer feit 1] verlaten, is naar buiten gegaan en is in de auto van [slachtoffer feit 1] gaan zitten aan de passagierszijde. [slachtoffer feit 1] kwam niet naar buiten om hem naar [plaatsnaam] te brengen. Hij heeft om 19.49 uur telefonisch contact opgenomen met [slachtoffer feit 1]. [slachtoffer feit 1] heeft niet opgenomen en verdachte is teruggegaan naar het appartement van [slachtoffer feit 1]. Daarna is er een woordenwisseling tussen verdachte en [slachtoffer feit 1] in de hal geweest. Verdachte heeft een in de hal aanwezige brandblusser gepakt en heeft [slachtoffer feit 1] daarmee ten minste negen keer op het hoofd/lichaam geslagen. Medebewoner [getuige 2] is op het geschreeuw van [slachtoffer feit 1] afgekomen en toen hij vlakbij [slachtoffer feit 1] was, zag hij verdachte uit het appartement van [slachtoffer feit 1] komen. Verdachte heeft [getuige 2] aangevallen. [getuige 2] is de trap opgevlucht richting zijn eigen appartement, verdachte is een stuk achter hem aangerend en dacht dat [getuige 2] de politie ging bellen. Hierop heeft verdachte het pand [adres] verlaten en is hij richting het station in [plaatsnaam] gelopen. Al lopend heeft hij drie keer naar [land] gebeld. Hij is het station voorbij gelopen tot op het (woon)erf van getuige [getuige 5], die verdachte de weg terug naar het station heeft gewezen. Op een gegeven moment is verdachte op de [straatnaam] geconfronteerd met een man op een motor, te weten de in burger geklede politieman [slachtoffer feit 2]. Deze politieagent wilde verdachte aanhouden. Verdachte werd agressief en heeft [slachtoffer feit 2] geslagen. In de daarna ontstane worsteling heeft verdachte het wapen van [slachtoffer feit 2] weten te bemachtigen. Verdachte heeft drie keer van dichtbij op [slachtoffer feit 2] geschoten. Daarna heeft verdachte twee keer gericht op [aangever feit 3] geschoten en heeft hij ook in de richting van [aangever feit 4] geschoten, die zijn garage invluchtte. Verdachte is met het pistool van [slachtoffer feit 2] in zijn handen verder richting het station gelopen en is in de nabijheid van het station vervolgens geconfronteerd met de geüniformeerde politieagenten [agent 1], [agent 2] en [agent 3]. Verdachte heeft het pistool op deze agenten gericht. Verdachte is meermalen onder vuur genomen door de agenten en is daarbij gewond geraakt. Verdachte is enige tijd later aangehouden. Tijdens de aanhouding heeft verdachte met het pistool, dat hij nog steeds vast had, op het hoofd van [agent 1] geslagen. 

Opzet 
Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad moet voor een geval als het onderhavige waarin met een beroep op een ernstige geestelijke stoornis bij de verdachte het opzet wordt bestreden, vooropgesteld worden dat zo`n stoornis slechts dan aan de bewezenverklaring van het opzet in de weg staat, indien bij de verdachte ten tijde van zijn handelen ieder inzicht in de draagwijdte en de mogelijke gevolgen zou hebben ontbroken, waarvan volgens de Hoge Raad slechts bij hoge uitzondering sprake zal zijn. 
De rechtbank oordeelt als volgt. Indien al ervan zou moeten worden uitgegaan dat, zoals door de verdediging is gesteld, sprake was van een handelen door verdachte terwijl hij verkeerde in een psychose, geenszins is aannemelijk geworden dat bij verdachte ten tijde van zijn handelen ieder inzicht in de draagwijdte en de mogelijke gevolgen heeft ontbroken. De navolgende omstandigheden leiden de rechtbank tot die conclusie: 
- de wijze waarop verdachte (ook) volgens zijn eigen verklaring de dood van [slachtoffer feit 
1] heeft bewerkstelligd, te weten door met twee handen een zwaar brandblusapparaat 
op te tillen en vervolgens (met een zwaai) daarmee tot negen keer en tot bloedens toe op 
het hoofd van het slachtoffer slaan totdat hij constateerde dat het slachtoffer dood was; 
- het tot driemaal toe van (zeer) korte afstand gericht vuren op het (boven) lichaam van het 
andere dodelijke slachtoffer, [slachtoffer feit 2], nadat verdachte eerst op het slachtoffer 
was toegelopen en in een worsteling met deze politieman diens dienstwapen had 
bemachtigd en onderwijl denkende: “ik heb niets te verliezen en ik maak hem maar dood” 
zoals verdachte zelf heeft verklaard ; 
- het (volgens getuigen en deels ook volgens verdachte zelf) gericht afvuren van kogels in de 
richting van de slachtoffers [aangever feit 3] en [aangever feit 4] zoals omschreven 
respectievelijk in het onder 3 en 4 ten laste gelegde; 
- het (volgens getuigen en verdachte zelf) duidelijk richten en al lopende gericht gehouden 
van het vuurwapen op agenten in uniform, ook nadat hem te verstaan was gegeven dit 
wapen te laten vallen, en het hanteren van het vuurwapen als slagwapen voor het 
verwonden van een agent op haar hoofd (ten laste gelegd respectievelijk onder 5 en 6) kort 
voor en ten tijde van zijn, verdachtes, aanhouding. 

Deze handelingen manifesteren telkens als een dermate doelgericht en adequaat handelen door verdachte, dat er vanuit moet worden gegaan dat hij daarbij tenminste enig besef had van datgene waarmee hij bezig was en de gevolgen daarvan. Dat verdachte zich thans niet (meer) alle handelingen kan herinneren, maakt dit niet anders. 
Het namens verdachte gevoerde verweer wordt verworpen. 

Voorbedachte raad 
Voor een bewezenverklaring van het bestanddeel "voorbedachte raad" moet komen vast te staan dat verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. 

De rechtbank acht het niet uitgesloten dat de ruzie tussen verdachte en [slachtoffer feit 1] zo hoog is opgelopen dat verdachte de brandblusser heeft gepakt en [slachtoffer feit 1] daarmee is gaan slaan en dat daarmee het begin van de uitvoering heeft plaatsgevonden in een hevige gemoedsopwelling. 
Verdachte moet zich echter na de eerste klap gerealiseerd hebben wat hij met het slaan van de brandblusser aanrichtte. Verdachte was zich volgens zijn eigen verklaring bewust van het niet onaanzienlijke gewicht van de brandblusser toen hij die oppakte en vervolgens op [slachtoffer feit 1] deed neerkomen. Ook moet hij toen reeds een eerste verwonding bij [slachtoffer feit 1] hebben gezien. Desondanks is hij doorgegaan met slaan. Bij elke slag heeft hij, zo moet worden aangenomen, moeite moeten doen om de brandblusser op te heffen en op [slachtoffer feit 1] neer te laten komen. Uit de bewijsmiddelen blijkt ook dat tussen de slagen soms meer, soms minder tijdsruimte zat en dat [slachtoffer feit 1] keer op keer gilde. Alle bij haar ontstane letsels zijn bij leven toegebracht. Verdachte heeft verklaard dat hij tijdens het slaan met de brandblusser [slachtoffer feit 1] om hulp hoorde schreeuwen en dat hij heeft gezien dat zij een afwerende houding aannam toen zij werd geslagen. Verdachte heeft ten minste negen keer gericht met een brandblusser van bijna 18 kilo op of tegen het hoofd en lichaam van [slachtoffer feit 1] geslagen en heeft zich moeten realiseren dat hij bezig was om [slachtoffer feit 1] dood te maken. 

Verdachte heeft na de moord op [slachtoffer feit 1] het pand aan de [straatnaam] verlaten. Toen werd hij geconfronteerd met [slachtoffer feit 2]. Verdachte heeft er voor gekozen om [slachtoffer feit 2] agressief te benaderen. Er heeft een vechtpartij plaatsgevonden waarbij hij [slachtoffer feit 2]s pistool heeft weten te bemachtigen. Ondanks waarschuwingen, de afwerende houding van [slachtoffer feit 2] en het achteruit lopen van [slachtoffer feit 2] bij verdachte vandaan, heeft verdachte drie keer gericht, vanaf korte afstand op [slachtoffer feit 2] geschoten. Daarna heeft verdachte gericht op [aangever feit 3] geschoten. Uit de verklaringen van [aangever feit 3] en [aangever feit 4] blijkt dat verdachte in de richting van [aangever feit 3] is gelopen en op het moment dat [aangever feit 3] vluchtte, twee keer op [aangever feit 3] heeft geschoten. Verdachte heeft zelf verklaard dat hij vervolgens aangever [aangever feit 4] met een bijl in zijn hand heeft zien staan. Hij heeft toen op [aangever feit 4] geschoten. Uit de verklaringen van [aangever feit 4] en zijn echtgenote blijkt dat verdachte [aangever feit 4] is achtervolgd tot op de inrit en daarna gericht heeft geschoten. Dat verdachte in het wilde weg heeft geschoten, zoals hij zelf heeft verklaard, wordt dan ook weersproken door genoemde verklaringen van aangevers [aangever feit 3] en [aangever feit 4] en door de echtgenote van [aangever feit 4]. 

De rechtbank is van oordeel, gelet op de hiervoor geschetste gang van zaken met betrekking tot het onder 1 t/m 4 ten laste gelegde, dat verdachte tijd heeft gehad zich te beraden op het te nemen of genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zoals door de raadsman is aangevoerd. In de geschetste gang van zaken zijn geen aanknopingspunten te vinden voor de door de raadsman genoemde contra-indicaties. De rechtbank is dan ook van oordeel dat er ten aanzien van het onder 1 tot en met 4 ten laste gelegde sprake is van voorbedachte raad. 

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan moord op [slachtoffer feit 1], moord op [slachtoffer feit 2], poging tot moord op [aangever feit 3], poging tot moord op [aangever feit 4], levensbedreiging van [agent 1], [agent 2] en [agent 3] en poging tot zware mishandeling van [agent 1]. 

Bewezenverklaring 

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1, 2 primair, 3 primair, 4 primair, 5 en 6 primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat 

1. 

hij op 13 april 2011 te [plaatsnaam], gemeente [naam gemeente], opzettelijk en met voorbedachten rade een persoon, genaamd [slachtoffer feit 1], van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, die [slachtoffer feit 1] met een brandblusser meermalen tegen/op het hoofd en elders tegen het lichaam geslagen, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer feit 1] is overleden; 

2. 

hij op 13 april 2011 te [plaatsnaam], gemeente [naam gemeente], opzettelijk en met voorbedachten rade een persoon, genaamd [slachtoffer feit 2], van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een pistool die [slachtoffer feit 2] een kogel in het hoofd en een kogel in het bovenlichaam geschoten, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer feit 2] is overleden; 

3. 

hij op 13 april 2011 te [plaatsnaam], gemeente [naam gemeente], ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade een persoon, genaamd [aangever feit 3], van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een pistool kogels in de richting van die [aangever feit 3] heeft geschoten en die [aangever feit 3] met een kogel heeft getroffen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; 

4. 

hij op 13 april 2011 te [plaatsnaam], gemeente [naam gemeente], ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade een persoon, genaamd [aangever feit 4], van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een pistool een kogel in de richting van die [aangever feit 4] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; 

5. 

hij op 13 april 2011 te [plaatsnaam], gemeente [naam gemeente], de opsporingsambtenaren bij de regiopolitie Groningen [agent 1] en [agent 2] en [agent 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend een pistool (nadat verdachte meermalen was toegevoegd dat hij zijn wapen moest laten vallen en/of terwijl verdachte in de richting van die [agent 1] en/of die [agent 2] en/of die [agent 3] liep en/of bleef lopen) gericht op en/of gericht gehouden op die [agent 1] en die [agent 2] en die [agent 3]; 

6. 

hij op 13 april 2011 te [plaatsnaam], gemeente [naam gemeente], ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon, genaamd [agent 1], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [agent 1] met een pistool op het hoofd 

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen onder 1, 2 primair, 3 primair, 4 primair, 5 en 6 primair meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken. 

Strafbaarheid van de feiten 

Hetgeen de rechtbank bewezen heeft verklaard, levert de volgende strafbare feiten op: 

1.     moord; 
2. primair  moord; 
3. primair  poging tot moord; 
4. primair  poging tot moord; 
5.     bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd; 
6. primair  poging tot zware mishandeling. 

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. 

Strafbaarheid van verdachte 

Standpunt van de officier van justitie 

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld, onder verwijzing naar het rapport van het Pieter Baan Centrum (hierna ook: PBC), dat niet kan worden onderbouwd dat enige relevante ziekelijke stoornis van de geestvermogens ten tijde van het ten laste gelegde een rol heeft gespeeld in de gedragingen van verdachte. Er speelde voor verdachte een aantal ingrijpende zaken op de dagen voorafgaand aan de feiten. Verdachte kreeg een dag voor de dood van [slachtoffer feit 1], op 12 april 2011, te horen dat hij niet langer legaal in Nederland mocht blijven. Uit hetgeen verdachte gedaan heeft om een verblijfstatus te verkrijgen kan worden afgeleid dat een verblijfstatus in Nederland door verdachte als erg belangrijk wordt ervaren, waarmee deze afwijzing voor hem een grote teleurstelling lijkt. Daarnaast was verdachte ontevreden met de relatie die hij met [slachtoffer feit 1] had, wat in ieder geval blijkt uit een telefonisch gesprek met voormalige vriendin [naam] op 8 april 2011, vijf dagen voor de dood van [slachtoffer feit 1], in welk gesprek verdachte heeft gezegd dat hij wilde stoppen met [slachtoffer feit 1] en haar familie. Deze omstandigheden gekoppeld aan de conclusies van het PBC-rapport, kunnen verklaren waarom verdachte op 13 april 2011 tot zijn daden is gekomen. 

De officier van justitie heeft ten aanzien van het medicijngebruik door verdachte gesteld dat het gebruik van Paroxetine niet van betekenis is voor de toerekeningsvatbaarheid van verdachte. Hoewel wellicht niet volledig kan worden uitgesloten dat het gebruik van Paroxetine het handelen van verdachte mede heeft bepaald, is de waarschijnlijkheid daarvan echter dermate gering dat er als zijnde niet aannemelijk aan voorbij gegaan kan worden. 

Standpunt van de verdediging 

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat op basis van de rapporten van het PBC en psychiater Takkenkamp moet worden geconcludeerd dat verdachte ten tijde van alle delicten heeft verkeerd in een volledige psychose. Takkenkamp komt tot die conclusie en psychiater Van de Kraats heeft ter zitting toegegeven dat hij in feite vanuit klinisch oogpunt dezelfde opvatting heeft, maar volgens de proces bewakende jurist niet tot die conclusie mocht komen. De officiële conclusie van het PBC luidt daarom dat niet kan worden uitgesloten dat er sprake is geweest van een psychose. Naast het feit dat er sprake was van een psychose, bestaat er tevens een causaal verband tussen die stoornis en de feiten, waarbij alle verschillende omstandigheden waarin verdachte verkeerde en de verschillende factoren die daar een rol in speelden niet uit het oog mogen worden verloren. Om die reden moet verdachte als volledig ontoerekeningsvatbaar worden beschouwd. 
Verdachte is niet verantwoordelijk voor het ontstaan van de psychose. Op basis van het rapport van Loonen moet geconcludeerd worden dat de afbouw van Paroxetine bij verdachte waarschijnlijk een relevant causaal verband heeft met zijn gedragingen op 13 april 2011. 

Beoordeling 

Ten aanzien van de strafbaarheid van verdachte heeft de rechtbank gelet op de volgende rapporten: 
- de rapportage van het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en 
Psychologie, locatie PBC, d.d. 4 mei 2012, opgemaakt door I. Schilperoord, psycholoog en 
G.B. van de Kraats, psychiater; 
- het psychiatrische rapport d.d. 7 januari 2013, opgemaakt door B.T. Takkenkamp; 
- het rapport d.d. 28 november 2012, opgemaakt door prof. dr. J.G. Ramaekers, hoogleraar 
gedragstoxicologie van geneesmiddelen en drugs; 
- het rapport d.d. 5 januari 2013 van prof. dr. A.J.M. Loonen, arts/klinisch farmacoloog. 

De conclusie van het PBC-rapport luidt dat niet kan worden gesproken van een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens ten tijde van de ten laste gelegde feiten. 
In het rapport is onder meer het volgende aangegeven, zakelijk weergegeven: 
Hoewel enkele getuigen hebben verklaard dat betrokkene anders dan anders was, of zich vreemd gedroeg, wijst de beschikbare informatie niet eenduidig in de richting van een psychotisch toestandsbeeld. Op de dag van het ten laste gelegde is betrokkene gezien door zijn behandelaar, op wie betrokkene geen psychotische indruk maakte. Noch op de dag zelf, noch ten tijde van de ten laste gelegde gedragingen, noch na zijn aanhouding wordt melding gemaakt van evident als psychotisch te duiden gedrag (in de zin van ernstige verwardheid, chaotisch of bizar gedrag). Op grond van de beschikbare informatie kan zodoende niet worden geconcludeerd dat betrokkene ten tijde van het hem ten laste gelegde psychotisch is geweest. 
Weliswaar was er sprake van verschillende stressoren voorafgaand aan het ten laste gelegde en zijn er ook aanwijzingen voor een reactie daarop en een zekere mate van ontregeling van betrokkene, er is echter geen grond om te concluderen tot het destijds bestaan van evidente psychopathologie bij betrokkene. 
Door de afwezigheid van diagnostische conclusies ten tijde van het betrokkene ten laste gelegde, zijn er vanuit gedragsdeskundig oogpunt geen argumenten om een vermindering van de toerekeningsvatbaarheid van betrokkene te kunnen adviseren. 

De rechtbank heeft voorts kennis genomen van het rapport van Takkenkamp, voornoemd, waarin staat vermeld dat het waarschijnlijk is dat er bij verdachte vlak voorafgaand en ten tijde van het delict sprake was van een kortdurende psychotische stoornis met paranoïde kleuring. Het valt de rechtbank op dat Takkenkamp, die volgens eigen zeggen slechts tweeënhalf uur met verdachte heeft gesproken, kennelijk in zijn advies een redenering volgt die uitgaat van het delict, in die zin dat, zoals hij ter zitting heeft verklaard, het gebeuren van 13 april 2011 dusdanig extreem is geweest dat er welhaast zeker sprake moet zijn geweest van een bij verdachte bestaande (kortdurende) psychotische stoornis. Dit als uitgangspunt nemend heeft Takkenkamp vervolgens gezocht naar wat als onderbouwing van dit uitgangspunt kon dienen. Hij heeft zich hierbij sterk laten leiden door premissen en verklaringen van verdachte, zulks terwijl zich in het dossier getuigenverklaringen en andere aanknopingspunten bevinden op grond waarvan aan de juistheid van deze premissen en de verklaringen van verdachte waarop deze premissen zijn gestoeld, ernstig moet worden getwijfeld. 

De rechtbank zal de conclusie van Takkenkamp dan ook niet volgen. Bij de beoordeling van beide rapporten kent de rechtbank meer gewicht toe aan het rapport van het PBC. Hierbij speelt mede een rol en is van belang dat het PBC-rapport een multidisciplinaire rapportage bevat. Bovendien is verdachte in het Pieter Baan Centrum gedurende zeven weken geobserveerd. Ook blijkt genoegzaam uit het PBC-rapport dat - anders dan de deskundigen Loonen en Takkenkamp lijken te beweren - alle onderzoeksgegevens in onderlinge samenhang en verband zijn beoordeeld. 

De rechtbank heeft eveneens kennis genomen van de rapporten van de deskundigen Ramaekers en Loonen. Ter zitting van 8 februari 2013 hebben beiden hun rapport toegelicht. Met betrekking tot de invloed die de afbouw van het geneesmiddel Paroxetine mogelijk heeft gehad op het gedrag van verdachte op 13 april 2011 rapporteren beide deskundigen c.q. is door deskundige Loonen ter zitting verklaard dat die afbouw mogelijk als één van meerdere factoren bijgedragen zou kunnen hebben aan de gemoedstoestand van verdachte in die zin dat hij daardoor minder stabiel zou kunnen zijn geweest. Of er daadwerkelijk invloed is geweest van de afbouw van Paroxetine op de stabiliteit van verdachte kunnen de deskundigen niet zeggen. Onder deze omstandigheden kan de rechtbank dan ook geen rekening houden met de theoretisch mogelijke gevolgen van de afbouw van de Paroxetine. 

Uit het PBC-rapport blijkt dat op grond van de beschikbare gegevens niet kan worden onderbouwd dat enige relevante stoornis ten tijde van het ten laste gelegde een rol heeft gespeeld bij verdachtes gedragingen. Uit het strafdossier kan voorts niet worden afgeleid dat verdachte in het verleden bekend was met psychoses. 
Uit de behandelingsrapportages van psychiater [psychiater] blijkt dat verdachte Seroquel kreeg voorgeschreven. Eerder kreeg hij Haldol voorgeschreven. Dat Seroquel (en eerder Haldol) werd voorgeschreven hield verband met het feit dat verdachte in de loop van zijn asielprocedure gediagnosticeerd is met PTSS (post traumatische stress stoornis). Deze PTSS zou gerelateerd zijn aan stresserende gebeurtenissen tijdens de jeugd van verdachte in [land]. [psychiater] beschouwde op enig moment de PTSS als een werkdiagnose. Op enig moment is besloten de daarmee verband houdende medicatie (Seroquel) te gaan afbouwen. Blijkens de behandelingsrapportage merkte verdachte daar weinig van. De bij de doorzoeking van de woning van verdachte aan de [adres] aangetroffen hoeveelheid Seroquel-pillen (581 ) doet de gedachte post vatten dat verdachte, gelet op de voorgeschreven en verstrekte hoeveelheid medicatie, al zeer geruime tijd voordat door zijn behandelend arts [psychiater] was besloten dit medicijn af te bouwen, feitelijk die pillen al niet meer slikte, zonder dat dat voor hem nadelige bijwerkingen en gevolgen had. Zo is in die periode nimmer gebleken van enig psychose. Ook [psychiater] constateert dat verdachte geheel geen last had van de afbouw van dit medicijn. 

De rechtbank verbindt aan het hiervoor overwogene dat verdachte niet bekend was met psychoses. Deze conclusie is niet in strijd met de inhoud van het strafdossier, waaruit het bestaan van een floride psychose op enig moment niet kan worden afgeleid. 

Over het horen van stemmen heeft verdachte tijdens de verhoren door de politie wisselend verklaard. Ter zitting heeft verdachte bij zijn ondervraging op geen enkel moment eigener beweging gewag gemaakt van het horen van stemmen ten tijde van het ten laste gelegde. 

Gelet op het bovenstaande neemt de rechtbank het advies van het Pieter Baan Centrum over in die zin dat bij verdachte geen sprake is geweest van een ziekelijke stoornis of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens ten tijde van het ten laste gelegde. De rechtbank stelt vast dat verdachte ten tijde van het ten laste gelegde niet ontoerekeningsvatbaar was. Het aan hem ten laste gelegde kan hem daarom volledig worden toegerekend. 

De rechtbank acht verdachte daarom strafbaar nu ten aanzien van verdachte geen strafuitslui-tingsgronden aanwezig worden geacht. 

Strafoplegging 

Vordering van de officier van justitie 

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte voor de onder 1, 2 primair, 3 primair, 4 primair, 5 en 6 primair ten laste gelegde feiten te veroordelen tot een levenslange gevangenis-straf. Daarbij heeft hij met name gewezen op de aard en de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan. 
Verdachte heeft zijn vriendin [slachtoffer feit 1] op zeer gewelddadige en brute wijze om het leven gebracht. Een dergelijke daad brengt gevoelens van afgrijzen, angst en onveiligheid teweeg in de samenleving. [slachtoffer feit 1] moet in de laatste momenten van haar leven doodsangsten hebben uitgestaan. Door het gewelddadige en nietsontziende optreden van verdachte heeft het gezin waaruit [slachtoffer feit 1] kwam niet alleen een dochter en zuster verloren, ook het vertrouwen en de steun die zij verdachte gaven is op een zeer grove wijze beschaamd. 
Verdachte heeft ook [slachtoffer feit 2] vermoord, die bezig was met de uitvoering van zijn werk. Ook [slachtoffer feit 2] moet doodsangsten hebben uitgestaan toen het wapen op zijn gezicht en borst werd gericht. De echtgenote, de kinderen en de overige familieleden van [slachtoffer feit 2] is zeer veel en onherstelbaar leed aangedaan. Ook op en binnen het politiekorps heeft de moord op een collega politieman een enorme invloed. Iedere medewerker van de politie realiseert zich dan weer wat de gevaren van het beroep zijn en wat iemand kan overkomen als ze, terwijl ze bezig zijn voor ons als samenleving, geconfronteerd worden met grof, onnodig, buitensporig of zelfs dodelijk geweld. 
Poging tot moord is een ernstig geweldsdelict. Verdachte heeft door zijn handelen pijn en letsel bij [aangever feit 3] veroorzaakt en diens lichamelijke integriteit aangetast. Zowel lichamelijk als psychisch heeft dat voor [aangever feit 3] ingrijpende gevolgen gehad. [aangever feit 4] is gelukkig niet geraakt. Dat het bij feit 3 en 4 bij een poging is gebleven is niet aan het handelen van verdachte te danken maar is een gelukkige samenloop van omstandigheden. Deze gebeurtenissen zullen op de slachtoffers een traumatiserend effect hebben gehad en nog hebben. De ervaring leert dat slachtoffers van dit soort gebeurtenissen hiervan psychisch nadelige gevolgen (kunnen) ondervinden. 
[agent 1], [agent 2] en [agent 3] hebben te maken gehad met de agressieve handelingen van verdachte. Verdachte heeft met een vuurwapen in hun richting gedreigd, op een moment dat zij er vanuit mochten gaan dat het wapen geladen was en toen zij wisten dat verdachte eerder al had geschoten. Verdachte is er niet voor teruggedeinsd om medewerkers van de politie die bezig waren met een overheidstaak, tijdens hun werkzaamheden te bedreigen. Ook heeft hij één van hen verwond. [agent 1] heeft aangegeven dat dit voor haar een grote impact heeft gehad, ook in haar verdere functioneren als politieagente. 

Omtrent de persoon van verdachte heeft de officier van justitie gesteld dat verdachte berekenend, instrumenteel denkend, leugenachtig en onbetrouwbaar is. 

Omdat het Openbaar Ministerie uitgaat van volledige toerekenbaarheid, is een terbeschik-kingstelling niet aan de orde. Een tijdelijke gevangenisstraf doet geen recht aan de feiten en het leed dat de nabestaanden is aangedaan. 

Standpunt verdediging 

De raadsman heeft, indien de rechtbank het verweer dat ontslag van alle rechtsvervolging moet volgen vanwege volledige ontoerekeningsvatbaarheid niet volgt, het volgende naar voren gebracht. 
De drie belangrijkste doelen van straf zijn vergelding, generale preventie en speciale preventie. Het doel van de speciale preventie heeft bij verdachte geen enkele functie. In het rapport van het PBC wordt verdachte omschreven als een man met een hoge lijdensdruk, veel schuldbesef en veel verdriet, welk beeld ook naar voren komt uit zijn verhoren. Verdachte heeft vanuit zijn schuldbesef ook daar waar mogelijk getracht dit te doen blijken richting de nabestaanden en slachtoffers. Uit de woorden die de moeder van [slachtoffer feit 1] sprak ter zitting wordt duidelijk dat de nabestaanden van [slachtoffer feit 1] in elk geval niet willen vergelden. 

De raadsman heeft tevens gesteld dat er sprake is van schending van redelijke termijn. Op grond van artikel 6 lid 1 EVRM behoren strafzaken binnen een redelijke termijn te worden afgedaan. In deze zaak zal de rechtbank uitspraak doen meer dan 22 maanden nadat verdachte werd aangehouden. Ondanks de ingewikkeldheid van de zaak is een overschrijding van de redelijke termijn met meer dan 6 maanden niet gerechtvaardigd, wat moet leiden tot een strafvermindering van 10%. 

Mocht de rechtbank verdachte verminderd of volledig ontoerekeningsvatbaar verklaren, dan kan een terbeschikkingstelling met voorwaarden worden opgelegd, zoals is geadviseerd door Takkenkamp. 

De raadsman heeft met betrekking tot de door de officier van justitie gevorderde levenslange gevangenisstraf naar voren gebracht dat levenslang in Nederland ook daadwerkelijk levenslang is. Het instrument van gratie biedt geen reële mogelijkheid voor levenlang gestraften om weer terug te keren in de samenleving. Een levenslange straf is inhumaan, uitzichtloos en perspectiefloos en leidt tot een definitieve verwijdering van de betrokkene uit de samenleving. De raadsman heeft in zijn pleitnota verwezen naar literatuur en jurisprudentie waarin kritische geluiden zijn te lezen met betrekking tot de ultieme sanctie levenslang. Gelet hierop acht de raadsman het opleggen van een levenslange gevangenisstraf in deze zaak in strijd met de artikelen 3 en 5 lid 4 van het EVRM. Onder verwijzing naar jurisprudentie heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de levenslange gevange-nisstraf slechts bij hoge uitzondering moet worden opgelegd en alleen in extreme gevallen een passende sanctie is. 

Oordeel van de rechtbank 

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting, de aangaande zijn persoon opgemaakte rapportages, het hem betreffende uittreksel uit het justitiële documentatieregister, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman. 

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. 

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan twee moorden, twee pogingen tot moord, bedreiging van drie politiemensen en een poging tot zware mishandeling van een politieagente.

Verdachte heeft [slachtoffer feit 1] op een gruwelijke wijze om het leven gebracht door haar met een brandblusser ten minste negen maal op en tegen het hoofd te slaan. Daarnaast heeft hij een politieagent tijdens de uitoefening van zijn dienst om het leven gebracht door deze van dichtbij in het hoofd en in het lichaam te schieten met een pistool. Beide slachtoffers moeten in de laatste momenten van hun leven heftige doodsangsten hebben uitgestaan. Verdachte heeft de slachtoffers het hoogst denkbare goed, te weten het leven, ontnomen. Hij heeft de nabestaanden van de slachtoffers onherstelbaar leed toegebracht, zoals ter zitting door hen is verwoord. Bovendien brengen dergelijke feiten een schok in de samenleving teweeg. En de moord op een politieman heeft binnen het politiekorps een enorme impact. 

Verdachte heeft zich daarnaast schuldig gemaakt aan twee pogingen tot moord, ernstige geweldsdelicten, door met een pistool gericht op [aangever feit 3] en [aangever feit 4] te schieten. [aangever feit 3] is daarbij in zijn been geraakt. Verdachte heeft door zijn handelen de lichamelijke integriteit van slachtoffer [aangever feit 3] aangetast. [aangever feit 3] heeft een ernstige verwonding aan zijn been opgelopen, ondervindt hiervan tot op de dag van vandaag de fysieke gevolgen en heeft ook psychische schade ondervonden, zoals hij heeft uiteengezet in zijn slachtofferverklaring. [aangever feit 4] is weliswaar niet geraakt, maar de ervaring leert dat slachtoffers van dergelijke delicten hiervan psychisch nadelige gevolgen kunnen ondervinden. 

Door drie politiemensen te bedreigen met een pistool, heeft verdachte gevoelens van onveiligheid veroorzaakt bij deze agenten. Door een agente met een pistool op haar hoofd te slaan, heeft verdachte inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van deze agente en pijn veroorzaakt. Dat de bedreiging en de poging tot zware mishandeling waren gericht tegen drie gezagsdragers, die zorgen voor de handhaving van de openbare orde en veiligheid op straat, weegt de rechtbank mee. 

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank verdachte een levenslange gevange-nisstraf zal opleggen. Een dergelijke vrijheidsbeneming biedt, gelet op de aard ervan, geen enkel perspectief ooit nog terug te keren naar de samenleving. De rechtbank overweegt dat het om die reden aangewezen is om in beginsel op humanitaire gronden terughoudend te zijn met het opleggen van een levenslange gevangenisstraf. De rechtbank acht daarom, hoewel er sprake is van zeer ernstige delicten, een levenslange gevangenisstraf voor deze verdachte een te zware straf. De ernst van de feiten rechtvaardigt naar het oordeel van de rechtbank wel dat een zeer langdurige gevangenisstraf wordt opgelegd. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat verdachte niet eerder ter zake levens- en geweldsdelicten is veroordeeld. 

Voor strafvermindering in verband met overschrijding van de redelijke termijn, zoals de raadsman heeft gesteld, is naar het oordeel van de rechtbank geen reden. Overeenkomstig de jurisprudentie van de Hoge Raad behoort een zaak waarbij de verdachte zich in voorlopige hechtenis bevindt in eerste aanleg binnen 16 maanden te zijn afgedaan, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. De zaak van verdachte heeft een aanvang genomen op 13 april 2011 en het onderhavige vonnis is gedateerd 5 maart 2013, zodat de vermelde termijn van 16 maanden met ruim vier maanden is overschreden. Dat zoals gezegd deze overschrijding naar het oordeel van de rechtbank niet noopt tot enige strafvermindering, baseert de rechtbank op de navolgende bijzondere omstandigheden. In de zaak van verdachte, die een zestal ernstige strafbare feiten betreft, hebben uitgebreide onderzoeken plaatsgevonden, zoals, naast het onderzoek door de reguliere politie die tientallen getuigen heeft gehoord, een onderzoek door de Rijksrecherche, een onderzoek door het PBC en (op initiatief van verdachte) een individuele psychiater. Daarnaast waren er mede op verzoek van de verdediging deskundigenonderzoeken naar de werking van medicijnen en heeft meermalen overleg plaatsgevonden tussen de rechter-commissaris, de raadsman en het openbaar ministerie. Ook heeft veel technisch onderzoek plaatsgevonden. Dit alles heeft veel tijd in beslag genomen, terwijl niet kan worden gezegd dat dit in overwegende mate toegerekend zou moeten worden aan het openbaar ministerie. 

Vordering van de benadeelde partij 

(feit 3, primair) 
Als benadeelde partij heeft zich in het strafproces gevoegd [aangever feit 3], wonende te [plaatsnaam]. 
De benadeelde partij heeft schriftelijk opgave gedaan van de inhoud van de vordering en van de gronden waarop deze berust. De vordering bestaat uit € 2.569,11 aan materiële schade en € 3.500,= aan immateriële schade. 

Standpunt van de officier van justitie 

De officier van justitie heeft gevorderd dat de vordering volledig zal worden toegewezen. 

Standpunt van de verdediging 

De raadsman heeft met betrekking tot de materiële schade gesteld dat de post "tuinonderhoud" ten bedrage van € 343,32 moet worden afgewezen, omdat er ten aanzien van deze kosten geen nauw verband is met het delict. Dat [aangever feit 3] onderhoudswerkzaamheden aan zijn tuin heeft moeten laten uitvoeren door een hoveniersbedrijf, kan ook te maken hebben met andere factoren, zoals de leeftijd van [aangever feit 3]. 

Beoordeling 

De rechtbank is van oordeel dat de gestelde schade voldoende aannemelijk is geworden en dat verdachte daarvoor aansprakelijk is. De rechtbank acht de gehele vordering derhalve gegrond en voor toewijzing vatbaar. 
De rechtbank acht daarnaast oplegging van de schadevergoedingsmaatregel aangewezen, nu verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade. 


Toepasselijke wettelijke voorschriften 

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 24c, 36f, 45, 57, 285, 289 en 302 van het Wetboek van Strafrecht. 

BESLISSING 

De rechtbank: 

Verklaart het onder 1, 2 primair, 3 primair, 4 primair, 5 en 6 primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen zoals hiervoor is aangegeven, te kwalificeren als voormeld en verklaart het bewezen verklaarde strafbaar. 

Verklaart verdachte voor het bewezen verklaarde strafbaar. 

Verklaart het onder 1, 2 primair, 3 primair, 4 primair, 5 en 6 primair meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij. 

Veroordeelt verdachte voor het bewezen- en strafbaar verklaarde tot: 

een gevangenisstraf voor de duur van 28 (achtentwintig) jaren. 

Beveelt dat bij de tenuitvoerlegging van deze straf de tijd die veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, in mindering zal worden gebracht tenzij die tijd op een andere straf in mindering is gebracht. 

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij 

(feit 3, primair) 
Wijst de vordering van de benadeelde partij [aangever feit 3] toe en veroordeelt de veroordeelde tot betaling aan de benadeelde partij van een bedrag van € 6.069,11 (zegge: zesduizend negenenzestig euro en elf eurocent). 
Veroordeelt de veroordeelde tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil. 

Verplicht de veroordeelde aan de Staat te betalen een geldbedrag van € 6.069,11 (zegge: zesduizend negenenzestig euro en elf eurocent) ten behoeve van de benadeelde partij 
[aangever feit 3], bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 65 dagen hechtenis. Toepassing van de vervangende hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op. Dit bedrag bestaat uit € 2.569,11 aan materiële schade en € 3.500,= aan immateriële schade. 

Heeft de veroordeelde voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 6.069,11 ten behoeve van de benadeelde partij, dan vervalt de verplichting om dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen. Dit geldt ook omgekeerd: heeft de veroordeelde de vordering van de benadeelde partij betaald, dan vervalt de verplichting tot betaling van dit bedrag aan de Staat. 

Dit vonnis is aldus gewezen door mrs. L.H.A.M. Voncken, voorzitter, L.M.E. Kiezebrink en P.H.M. Smeets, rechters, in tegenwoordigheid van A.W. ten Have-Imminga als griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 5 maart 2013. 

De Wet Herziening Gerechtelijke Kaart is op 1 januari 2013 in werking getreden. De rechtbanken Assen, Groningen en Leeuwarden vormen met ingang van die datum tezamen de nieuwe rechtbank Noord-Nederland. Het rechtsgebied van deze rechtbank beslaat de provincies Drenthe, Fryslân en Groningen. De zaak wordt daarom verder behandeld en beslist door de rechtbank Noord-Nederland.