We hebben 147 gasten online

Levenslang Lucia de Berk deel 1

Gepost in Lucia de Berk

Levenslang Lucia de Berk

De zaak tegen Lucia de Berk groeide uit tot de grootste dwaling in de Nederlandse Rechtsgeschiedenis. Lucia is onschuldig en werd toch veroordeeld tot levenslange gevangenisstraf. Inmiddels dient bij het Gerechtshof te Arnhem een herzieningsprocedure welke medio 2009 tot een uitspraak zal leiden.

zie ook de website www.luciadeb.nl

Rechtbankzaken Lucia de Berk

Tussenvonnis

LJN: AE8436, Rechtbank 's-Gravenhage , 09/757337-01 en 09/092180-02 Print uitspraak
Datum uitspraak: 08-10-2002
Datum publicatie: 08-10-2002
Rechtsgebied: Straf
Soort procedure: Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaats(en): Rechtspraak.nl
 
Uitspraak
RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE
SECTOR STRAFRECHT

MEERVOUDIGE KAMER
(TUSSENVONNIS)

parketnummers 09/757337-01 en 09/092180-02 (ter terechtzitting gevoegd)
rolnummers 1 en 2 's-Gravenhage, 8 oktober 2002


De rechtbank 's-Gravenhage, rechtdoende in strafzaken, heeft het navolgende tussenvonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],
geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],
wonende te [woonplaats], [adres],
thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting voor vrouwen, Huis van Bewaring Breda te Breda.


De terechtzitting.

Het onderzoek is gehouden ter terechtzittingen van 20 juni 2002 en 17, 18, 19, 23 en 24 september 2002.

De verdachte, bijgestaan door de raadsman mr. A.P. Visser, advocaat te 's-Gravenhage, is verschenen en gehoord.

De officieren van justitie, mr. Degeling en mr. Remmerswaal, hebben primair gevorderd dat het onderzoek ter terechtzitting wordt geschorst en dat de zaak wordt terugverwezen naar de rechter-commissaris in verband met observatie van de verdachte in en een dubbelrapportage door het Pieter Baan Centrum.
Subsidiair hebben de officieren van justitie gevorderd dat verdachte wordt vrijgesproken van het haar bij -gewijzigde- dagvaarding met parketnummer 09/757337-01 (verder te noemen dagvaarding I) onder 26 primair telastgelegde en dat verdachte terzake van de haar bij -gewijzigde- dagvaarding I onder 1 primair, 2 primair, 3 primair, 4 primair, 5 primair, 6 primair, 7 primair, 8 primair, 9 primair, 10 primair, 11 primair, 12 primair, 13 primair, 14 primair, 15 primair, 16 primair, 17 primair, 18 primair, 19, 20 primair, 25 primair en 26 subsidiair telastgelegde, alsmede terzake van het haar bij dagvaarding met parketnummer 09/092180-02 (verder te noemen dagvaarding II) onder 1 primair, 2, 3 en 4 primair telastgelegde wordt veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf.

De telastlegging.

Aan verdachte is telastgelegd - na wijziging van de telastlegging ter terechtzitting van 20 juni 2002 en 23 september 2002- hetgeen is vermeld in de ingevoegde fotokopieën van de dagvaardingen, gemerkt A1 en A2, en van de vorderingen wijziging telastlegging, gemerkt A3 en A4.

Heropening en schorsing van het onderzoek ter terechtzitting.

Bij de beraadslaging is de rechtbank gebleken dat het onderzoek ter terechtzitting niet volledig is geweest.

De rechtbank zal om die reden het onderzoek heropenen en schorsen voor onbepaalde tijd.

Verdachte is tegen een eerder door de rechter-commissaris gegeven bevel tot overbrenging ter observatie in het Pieter Baan Centrum in hoger beroep gekomen. Bij uitspraak d.d. 19 februari 2002 heeft de meervoudige raadkamer in strafzaken van deze rechtbank het op dat moment - mede in aanmerking genomen dat verdachte zich tot dan toe steeds op haar zwijgrecht had beroepen - niet opportuun geoordeeld verdachte over te brengen ter observatie naar het PBC.
Bij gelegenheid van het onderzoek ter terechtzitting is bij herhaling dit punt opnieuw aan de orde geweest. De officieren hebben dan ook primair gevorderd dat het onderzoek ter terechtzitting wordt geschorst teneinde die observatie van verdachte te doen plaatsvinden. Verdachte en haar raadsman hebben telkens aangegeven de noodzaak van observatie niet in te zien en verdachte zelf heeft volhard in haar eerder in genomen standpunt geen medewerking te willen verlenen aan een dergelijke observatie.
Bij het sluiten van het onderzoek ter terechtzitting heeft de rechtbank medegedeeld dat zij, gelet op het aantal en de complexiteit van de aan verdachte telastgelegde feiten, de beantwoording van de vraag naar de noodzakelijkheid van observatie van verdachte zou betrekken bij de beraadslaging in raadkamer.
Na beraadslaging in raadkamer acht de rechtbank het noodzakelijk dat een onderzoek naar de geestvermogens van de zich in voorlopige hechtenis bevindende verdachte wordt ingesteld. Mede in aanmerking genomen hetgeen door de klinisch en forensisch psycholoog dr. Drs. L.E.E. Ligthart in zijn rapportage d.d. 30 januari 2002 omtrent de persoon van verdachte is opgemerkt alsmede hetgeen door de forensisch psychiater mevrouw drs. L.A. Vink in haar consultverslag van 17 december 2001 omtrent verdachte is gerapporteerd is de rechtbank daarbij van oordeel dat dit onderzoek naar de geestvermogens van verdachte niet voldoende op een andere wijze kan plaatsvinden. Zij zal derhalve op de voet van het bepaalde in artikel 317 van het Wetboek van Strafvordering bevelen dat verdachte ter beantwoording van de gebruikelijke vragen omtrent de persoonlijkheid, verdachtes geestvermogens en toerekeningsvatbaarheid en de aan te bevelen straf en/of maatregel ter observatie zal worden opgenomen in het Pieter Baan Centrum te Utrecht, van welk persoonlijkheidsonderzoek door twee gedragsdeskundigen op de gebruikelijke wijze rapport zal worden uitgebracht.
De rechtbank merkt in dit verband nog op dat waar het overbrengen ter observatie van verdachte naar het PBC uitgebreid ter terechtzitting aan de orde is gekomen en verdachte en haar raadsman derhalve reeds in de gelegenheid zijn gesteld om ter zake te worden gehoord er geen verdedigingsbelang wordt geschonden om het bevel aanstonds te geven.

De rechtbank acht het voorts noodzakelijk dat terzake van het bij dagvaarding I onder 1 telastgelegde feit nader onderzoek wordt verricht, te weten het horen door de rechter-commissaris van de getuige [getuige 1], kinderarts/kindercardioloog verbonden aan het Juliana Kinderziekenhuis te 's-Gravenhage. Aan deze getuige dient te worden gevraagd wanneer [slachtoffer 1] in de periode van 1 juli 2001 tot en met 4 september 2001 -mede aan de hand van het originele en volledige medische dossier van [slachtoffer 1]- digoxine toegediend heeft gekregen en in welke dosering.
De rechtbank acht het noodzakelijk te beschikken over het originele en volledige medische dossier van [slachtoffer 1] en beveelt om die reden dat deze stukken aan het dossier dienen te worden toegevoegd.
Voorts is de rechtbank van oordeel dat -aan de hand van de eventuele data en doseringen die zullen worden genoemd in de nog af te leggen verklaring van de getuige [getuige 1]- aan het Nederlands Forensisch Instituut dient te worden gevraagd of de resultaten met betrekking tot de aangetoonde aanwezigheid van digoxine in het bloed uit de gaasjes, zoals vermeld in het NFI rapport d.d. 5 september 2002, een verklaring kan vinden in de (eventuele) data van eerdere toediening en dosering. Bij de beantwoording van de hiervoor geformuleerde vraag dient het Nederlands Forensisch Instituut met name ook te betrekken hetgeen in het rapport d.d. 5 september 2002 is uiteengezet over het detectiebereik van de gehanteerde HPLC-MS methode.
De rechtbank is van oordeel dat verdachte en haar raadsman in de gelegenheid moeten worden gesteld -desgewenst- een contra-expertise te doen verrichten door prof. dr. F.A. de Wolff, of een andere door hen aan te wijzen deskundige.

De rechtbank acht het noodzakelijk dat terzake van het bij dagvaarding I onder 6 telastgelegde feit nader onderzoek wordt verricht, te weten het horen door de rechter-commissaris van de getuige [getuige 2], kinderarts verbonden aan het Juliana Kinderziekenhuis. Aan de getuige dient te worden gevraagd wanneer [slachtoffer 2] in de periode van 1 januari 2001 tot en met 23 februari 2001 -blijkens het originele en volledige medische dossier van [slachtoffer 2] - het medicament Stesolid toegediend heeft gekregen en in welke dosering.
De rechtbank acht het noodzakelijk te beschikken over het originele en volledige medische dossier van [slachtoffer 2] en beveelt om die reden ook ten aanzien van [slachtoffer 2] dat deze stukken aan het dossier dienen te worden toegevoegd.
Voorts is de rechtbank van oordeel dat aan het Nederlands Forensisch Instituut dient te worden gevraagd of de aangetoonde aanwezigheid van desmethyldiazepam het resultaat kan zijn van toegediende oxazepam, nu het Nederlands Forensisch Instituut eerder heeft gerapporteerd dat oxazepam nauwelijks wordt omgezet in desmethyldiazepam en prof. dr. D.R.A. Uges ter terechtzitting van 17 september 2002 heeft verklaard niet met een dergelijke eventuele omzetting bekend te zijn.
Voorts dient aan het Nederlands Forensisch Instituut -aan de hand van de eventuele data en doseringen die zullen worden genoemd in de nog af te leggen verklaring van de getuige [getuige 2]- te worden gevraagd of het resultaat met betrekking tot de aangetroffen desmethyldiazepam in het bloed, zoals vermeld in het NFI rapport d.d.19 juni 2002, een verklaring kan vinden in de (eventuele) data van eerdere toediening en dosering van Stesolid.

De rechtbank acht het noodzakelijk dat terzake van het bij dagvaarding I onder 13 telastgelegde feit nader onderzoek wordt verricht, te weten het horen door de rechter-commissaris van de getuige [getuige 3], de chirurg/opleider in het Rode Kruis ziekenhuis.
Laatstgenoemde heeft tegenover de politie op 8 november 2001 verklaard dat er een half uur voor het overlijden geen bijzonderheden waren (proces-verbaal nummer PL 1524/2001/38017, p. 17 e.v. van de ordner met onder andere feit 13). Aan de getuige dient te worden gevraagd waarop deze bovengenoemd deel van zijn verklaring heeft gebaseerd.
De rechtbank acht het noodzakelijk te beschikken over het originele en volledige medische dossier van [slachtoffer 3] en beveelt om die reden ook dat deze stukken aan het dossier dienen te worden toegevoegd.

De rechtbank stelt derhalve de stukken in handen van de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank, opdat:

A. deze, omtrent bovengeformuleerde kwesties, als getuigen zal horen:
1. terzake van het bij dagvaarding I onder 1 telastgelegde feit:
[getuige 1], kinderarts/kindercardioloog verbonden aan het Juliana Kinderziekenhuis te 's-Gravenhage;
2. terzake van het bij dagvaarding I onder 6 telastgelegde feit:
[getuige 2], kinderarts verbonden aan het Juliana Kinderziekenhuis;
3. terzake van het bij dagvaarding I onder 13 telastgelegde feit:
[getuige 3], chirurg/opleider in het Rode Kruis ziekenhuis;

B. de originele en volledige medische dossiers van [slachtoffer 1], [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] aan het dossier worden toegevoegd.

C. aan het Nederlands Forensisch Instituut terzake van de bij dagvaarding I onder 1 en 6 telastgelegde feiten bovengenoemde vragen worden gesteld;

D. opdat terzake van het bij dagvaarding I onder 1 telastgelegde feit verdachte en haar raadsman in de gelegenheid worden gesteld een eventuele contra-expertise te doen verrichten door prof. dr. F.A. de Wolff, of een andere door hen aan te wijzen deskundige.

De rechtbank schorst het onderzoek voor een langere dan de in artikel 282, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering gestelde termijn, doch niet langer dan drie maanden, om de klemmende reden dat bedoelde onderzoeken niet binnen een maand kunnen worden voltooid.


Beslissing.

De rechtbank,

heropent het onderzoek ter terechtzitting;

beveelt, omdat zij zich gelet op het vorenstaande omtrent de persoon van verdachte onvoldoende voorgelicht acht, op grond van artikel 317 van het Wetboek van Strafvordering dat verdachte ter beantwoording van de gebruikelijke vragen omtrent de persoonlijkheid, verdachtes geestvermogens en toerekeningsvatbaarheid en de aan te bevelen straf en/of maatregel ter observatie zal worden opgenomen in het Pieter Baan Centrum te Utrecht, van welk persoonlijkheidsonderzoek door twee gedragsdeskundigen op de gebruikelijke wijze rapport zal worden uitgebracht;

benoemt in deze zaak tot deskundige:
Drs. M. Drost, geneesheer-directeur, of een ander beëdigd deskundige verbonden aan het Pieter Baan Centrum te Utrecht, die door het Gerechtshof te Amsterdam beëdigd is als gerechtelijk deskundige, teneinde een onderzoek in te stellen naar de geestvermogens van verdachte ter beantwoording van de vraag:

a. welke de persoonlijkheid van de verdachte is;
b. of, ten tijde dat de telastegelegde feiten zouden zijn begaan, bij verdachte gebrekkige ontwikkeling en/of ziekelijke storing van haar geestvermogens bestond en, zo ja, of die feiten aan verdachte dientengevolge niet of niet ten volle kunnen worden toegerekend;
c. welke straf en/of maatregel, uit psychiatrisch oogpunt beschouwd, aanbeveling verdient;

bepaalt dat dit onderzoek heden zal aanvangen en zal plaatsvinden te Utrecht en/of elders;

verzoekt de deskundige een met redenen omkleed schriftelijk verslag uit te brengen;

schorst het onderzoek ter terechtzitting voor onbepaalde tijd;

met bevel tot oproeping van verdachte tegen het tijdstip van de nog nader te bepalen terechtzitting, met kennisgeving van dat tijdstip aan de raadsman;

verwijst de zaak in verband met de onder A, B, C en D vermelde doelen naar de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank.


Dit tussenvonnis is gewezen door
mrs Kalk, voorzitter,
Van Kempen en Kuijer, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. Van der Putten, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 8 oktober 2002.

parketnummers 09/757337-01 en 09/092180-02 (t.b.g)
[verdachte]