We hebben 247 gasten online

Lucia de Berk deel 7a

Gepost in Lucia de Berk

De Hoge Raad verklaart de herzieningsaanvraag gegrond en verwijst de zaak naar het gerechtshof Arnhem. De tenuitvoerlegging van de opgelegde straf wordt opnieuw opgeschort. Ook de Hoge Raad vindt dat het oordeel van professor Meulenbelt - dat de baby een natuurlijke dood is gestorven -een nieuw feit (zgn. novum) is dat moet leiden tot een nieuwe beoordeling van alle levensdelicten, waarvoor Lucia de B. is veroordeeld.

Eerste gedeelte

Den Haag, 7 oktober 2008 - Op 18 juni 2004 heeft het hof ’s-Gravenhage Lucia de B. in hoger beroep voor zeven moorden en drie pogingen tot moord op patiënten en voor een aantal vermogens- en valsheidsdelicten en meineed veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf en TBS.
Tegen deze uitspraak van het hof heeft Lucia de B. beroep in cassatie ingesteld. Op 14 maart 2006 (LJN
AU5496, NJ 2007, 345) heeft de Hoge Raad de bestreden uitspraak vernietigd, maar uitsluitend wat betreft de strafbaarheid en de sanctieoplegging, met verwijzing van de zaak naar het hof Amsterdam. Het beroep is voor het overige verworpen.
Het hof Amsterdam, dat dus alleen over de strafoplegging moest beslissen, heeft op 13 juli 2006 (LJN
AY3864) Lucia de B. strafbaar verklaard voor de bewezenverklaarde feiten en haar veroordeeld tot levenslange gevangenisstraf.

Naar aanleiding van het strafproces tegen Lucia de B. heeft prof. dr. A.A. Derksen zich gewend tot de Commissie Evaluatie Afgesloten Strafzaken (hierna: CEAS), de zogenoemde commissie-Buruma, met het verzoek een onderzoek te verrichten in deze zaak. De CEAS heeft een onderzoek noodzakelijk geacht en een driemanschap benoemd. In zijn rapport adviseerde het driemanschap het College van procureurs-generaal om bij de Hoge Raad een herzieningsaanvrage in te dienen.
Op 26 oktober 2007 heeft de procureur-generaal bij de Hoge Raad van het College van procureurs-generaal het verzoek ontvangen om te beoordelen of in het rapport van het driemanschap aanleiding kan worden gevonden tot het indienen van een vordering tot herziening.
Naar aanleiding van dit verzoek heeft advocaat-generaal mr. G. Knigge op 31 maart 2008 een rapport uitgebracht. Het onderzoek van de advocaat-generaal is in het bijzonder gericht geweest op de moord op een baby op 4 september 2001 in het Juliana Kinderziekenhuis in ’s-Gravenhage.

De advocaat-generaal heeft in de in het CEAS-rapport neergelegde bevindingen geen grond gezien voor het indienen van een vordering tot herziening.
De resultaten van het door de advocaat-generaal zelf geëntameerde onderzoek zijn voor hem aanleiding geweest om op 17 juni 2008 een vordering tot herziening in te dienen bij de Hoge Raad.
De raadsman van Lucia de B., mr. A.A. Franken, advocaat in Amsterdam, heeft de eindconclusie van de advocaat-generaal onderschreven.
(Zie voor het verloop van deze zaak tot nu toe de website
rechtspraak.nl / dossiers / Lucia de B
).

Herzieningsprocedure
Onder bijzondere omstandigheden is het mogelijk dat inbreuk wordt gemaakt op het uitgangspunt dat een onherroepelijk veroordeling door de strafrechter definitief is. Dat is het geval als een aanvrage tot herziening van zo’n veroordeling wordt gedaan en na onderzoek gegrond wordt bevonden. Dat kan, als het gaat om een nieuwe feitelijke omstandigheid (een zogenaamd ‘novum’) die bij het onderzoek op de terechtzitting de rechter niet is gebleken en die het ernstige vermoeden wekt dat die, als de rechter daarmee bekend was geweest, tot vrijspraak zou hebben geleid.

De bewijsvoering van het hof ’s-Gravenhage met betrekking tot de moord op de baby
Het hof heeft in de eerste plaats bewezenverklaard dat Lucia de B. op 4 september 2001 opzettelijk en met voorbedachte raad een baby in het Juliana Kinderziekenhuis heeft vergiftigd met digoxine. Kort samengevat is het hof van de volgende feitelijke toedracht uitgegaan.
Wat de doodsoorzaak betreft heeft het hof geoordeeld dat buiten redelijke twijfel vaststaat dat sprake was van een onnatuurlijke dood, te weten digoxinevergiftiging. Digoxine is een stof die invloed heeft op de hartfunctie. Een eenmalige overdosis digoxine heeft volgens het hof geleid tot een fatale hartstilstand. Het hof heeft dat bewijs in hoofdzaak gebaseerd op (a) de uit het (bij een obductie uit het lichaam van de baby veiliggestelde) bloedmonster verkregen waarde van de aangetroffen digoxine, (b) de schriftelijke registratie (trendtables) van de monitor waarop de baby die avond en nacht voor het overlijden was aangesloten, (c) de klinische gegevens en de ziektegeschiedenis van de baby en (d) hetgeen daarover door getuigen en deskundigen is verklaard.
Uit het bloedmonster was bij onderzoek een hoge concentratie digoxine verkregen. Het hof heeft dat monster zeer betrouwbaar geacht. In de visie van het hof heeft dit bloedmonster uitermate belangrijke rol gespeeld bij de bewezenverklaring van de moord.
Uit de trendtables heeft het hof afgeleid dat een hartstilstand is opgetreden die onmiddellijk gepaard is gegaan met een ademstilstand. Dit wijst volgens het hof op digoxinevergiftiging.
Wat het tijdstip van toediening van de overdosis digoxine betreft heeft het hof aangenomen dat er twee periodes zijn geweest waarin de monitor niet was aangesloten. In de eerste periode waarin de monitor afgekoppeld zou zijn geweest, zou lichamelijk onderzoek van de baby hebben plaatsgevonden. Voor de tweede periode heeft het hof geen verklaring kunnen vinden. Het heeft de toediening van digoxine door Lucia de B. daarom in die periode gesitueerd.

De vordering tot herziening
De vordering van de advocaat-generaal is niet gericht tegen de veroordeling wegens de vermogens- en valsheidsdelicten en de meineed. De vordering betreft de bewijsvoering door het hof ’s-Gravenhage met betrekking tot de levensdelicten. Het onderzoek van de advocaat-generaal heeft zich geconcentreerd op de bewezenverklaarde moord op de baby in het Juliana Kinderziekenhuis in ’s-Gravenhage. De advocaat-generaal heeft een integrale multidisciplinaire herbeoordeling laten uitvoeren van de omtrent het overlijden van de baby beschikbare gegevens door prof. dr. J. Meulenbelt, internist, intensivist en toxicoloog, hoofd van het Nationaal Vergiftigingen Informatie Centrum (onderdeel van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu). Prof. Meulenbelt heeft samen met andere deskundigen op basis van alle toxicologische, pathologische en klinische bevindingen uit het dossier de vraag herbeoordeeld of de baby is overleden als gevolg van een acute digoxinevergiftiging.

De vordering houdt in de eerste plaats in dat ten aanzien van de moord op de baby in het Juliana Kinderziekenhuis in ’s-Gravenhage sprake is van een novum.
Deze aanvrage tot herziening steunt op drie omstandigheden, te weten:
(i) de informatie uit de grafische registratie van de gegevens van de monitor waarop de baby voorafgaand aan haar overlijden was aangesloten (trendgraphs);
(ii) het oordeel van prof. Meulenbelt over de representativiteit van het monster bloederig vocht dat bij obductie uit het lichaam van de baby is veiliggesteld;
(iii) het oordeel van prof. Meulenbelt met betrekking tot de mogelijkheid van een natuurlijke doodsoorzaak.
De vordering houdt in de tweede plaats in dat vanwege de samenhang in de bewijsvoering ook de veroordelingen ten aanzien van de andere levensdelicten moeten worden herzien.
De advocaat-generaal heeft daarom op 17 juni 2008 een aanvrage tot herziening ingediend voor alle levensdelicten.

Uitspraak van de Hoge Raad
De Hoge Raad heeft de aanvrage tot herziening voor de veroordelingen voor de levensdelicten gegrond verklaard.

De resultaten van het door de advocaat-generaal verrichte onderzoek ondergraven volgens de Hoge Raad in wezenlijke mate de bewijsvoering van het hof ten aanzien van de bewezenverklaarde moord op de baby in het Juliana Kinderziekenhuis in ‘s-Gravenhage.
Daarbij komt het meeste gewicht toe aan het oordeel van prof. Meulenbelt dat op grond van het klinisch beloop kan worden gesproken van een natuurlijk overlijden. Er was wel digoxine in het lichaam van de baby aanwezig, maar het is volgens prof. Meulenbelt niet waarschijnlijk dat digoxine heeft bijgedragen aan het overlijden.
Dat oordeel moet als een novum worden aangemerkt. Temeer omdat dat oordeel van prof. Meulenbelt niet los kan worden gezien van de overige uitkomsten van het onderzoek van de advocaat-generaal. Die uitkomsten roepen op een tweetal andere punten twijfel op aan de juistheid van die bewezenverklaring. Dat betreft in de eerste plaats het oordeel van het hof omtrent de betrouwbaarheid van het onderzochte bloedmonster en de daarin gevonden digoxinewaarde. Er is twijfel gerezen aan de representativiteit van dat bloedmonster. Het tweede aspect betreft het oordeel van het hof omtrent de tijdspanne waarbinnen door de veroordeelde digoxine zou zijn toegediend. Het hof heeft die toediening gesitueerd in de tweede periode waarin de baby die avond en nacht niet op de monitor was aangesloten.
Daarbij heeft voor het hof een rol gespeeld dat het voor het afkoppelen van de monitor in die periode geen verklaring heeft gevonden. Naar het zich thans laat aanzien kan die tweede monitorloze periode echter worden verklaard doordat de baby in die periode lichamelijk is onderzocht.

De aanvrage is dus wat betreft de veroordeling voor deze moord gegrond. De Hoge Raad deelt de conclusie van de advocaat-generaal dat de samenhang in de bewijsvoering van alle levensdelicten meebrengt dat de aanvrage ook ten aanzien van de andere levensdelicten gegrond moet worden verklaard.

Gevolgen van deze uitspraak
De Hoge Raad heeft bevolen dat de tenuitvoerlegging van de opgelegde levenslange gevangenisstraf wordt opgeschort.
De Hoge Raad heeft de zaak verwezen naar het hof Arnhem. Dit hof zal de zaak opnieuw moeten behandelen en onderzoek moeten doen naar de levensdelicten. Het kan vervolgens de eerdere veroordelingen handhaven of vernietigen en dus alsnog van een of meer levensdelicten vrijspreken of voor een of meer van die levensdelicten veroordelen. Het hof moet in ieder geval nog een straf bepalen voor de vermogens- en valsheidsdelicten en de meineed.

Dit is een samenvatting van de uitspraak van de Hoge Raad van 7 oktober 2008. Bij verschil tussen deze samenvatting en de volledige uitspraak is laatstgenoemde bindend.

Den Haag, 7 oktober 2008
mw. mr. E. Hartogs, griffier
tel 070-3611236


LJ Nummer

Bron: Hoge Raad der Nederlanden
Datum actualiteit: 7 oktober 2008

 

 

LJN: BD4153, Hoge Raad , 08/01492 H  
Datum uitspraak: 07-10-2008
Datum publicatie: 07-10-2008
Rechtsgebied: Straf
Soort procedure: Herziening
Inhoudsindicatie: Herziening Lucia de B. De AG heeft in het rapport van de Commissie Evaluatie Afgesloten Strafzaken (CEAS) geen grond gezien voor het indienen van een herzieningsverzoek maar heeft o.g.v. door hemzelf geëntameerd onderzoek een vordering tot herziening ingediend. HR herhaalt relevante overwegingen tav de grondslag voor herziening van HR LJN BA1024. De vordering tot herziening heeft betrekking op de onder 1 bewezenverklaarde moord op een baby en steunt op de omstandigheden dat (i) de informatie uit de grafische registratie van de gegevens van de monitor waarop de baby voorafgaand aan haar overlijden was aangesloten (trendgraphs); (ii) het oordeel van prof. Meulenbelt over de representativiteit van het monster bloederig vocht uit de gaasjes die bij obductie uit het lichaam van de baby zijn veiliggesteld; (iii) het oordeel van prof. Meulenbelt met betrekking tot de mogelijkheid van een natuurlijke doodsoorzaak. De HR bespreekt die omstandigheden en oordeelt op grond daarvan dat het oordeel van prof. Meulenbelt dat o.g.v. het klinisch verloop van een natuurlijk overlijden kan worden gesproken als een novum moet worden aangemerkt. HR: De resultaten van het door de AG verrichte onderzoek ondergraven in wezenlijke mate de bewijsvoering van het Hof t.a.v. de bewezenverklaarde moord op de baby. Daarbij komt het meeste gewicht toe aan het oordeel van prof. Meulenbelt dat o.g.v. het klinisch beloop kan worden gesproken van een natuurlijk overlijden. Dat oordeel moet als een novum worden aangemerkt. Temeer omdat dat oordeel niet los kan worden gezien van de overige uitkomsten van het onderzoek van de AG. Die uitkomsten roepen op 2 andere punten twijfel op aan de juistheid van die bewezenverklaring. Daaruit volgt dat de aanvrage wat betreft feit 1 gegrond is. De HR deelt de conclusie van de AG dat dit, gelet op de samenhang in de bewijsvoering van alle levensdelicten, meebrengt dat de aanvrage ook t.a.v de andere levensdelicten gegrond moet worden verklaard.
 
Uitspraak
7 oktober 2008
Strafkamer
nr. 08/01492 H

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op een vordering tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 18 juni 2004, nummer 22/001810-03, en een in kracht van gewijsde gegaan arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 13 juli 2006, nummer 23/001403-06, betreffende:
L. I. Q. DE B., geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1961, verder te noemen: de veroordeelde, ingediend door de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden.

1. Het verloop van de zaak

1.1. De Rechtbank te 's-Gravenhage heeft de veroordeelde bij vonnis van 24 maart 2003 (LJN AF6172) ter zake van vier moorden, drie pogingen tot moord, een aantal vermogens- en valsheidsdelicten en meineed veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf. Dat vonnis is vernietigd door het Gerechtshof te 's-Gravenhage bij arrest van 18 juni 2004 (LJN AP2846). Het Hof veroordeelde haar ter zake van zeven moorden, drie pogingen tot moord, een aantal vermogens- en valsheidsdelicten en meineed tot een levenslange gevangenisstraf en heeft daarbij bevolen dat de veroordeelde ter beschikking zal worden gesteld met bevel tot verpleging van overheidswege.
Tegen deze uitspraak van het Hof is beroep in cassatie ingesteld. Bij arrest van 14 maart 2006 (LJN AU5496, NJ 2007, 345) heeft de Hoge Raad de bestreden uitspraak vernietigd, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ter zake van de strafbaarheid van de veroordeelde en de sanctieoplegging, met verwijzing van de zaak naar het Gerechtshof te Amsterdam. Bij arrest van 13 juli 2006 (LJN AY3864) heeft dit Hof het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het Hof onderworpen, vernietigd, de veroordeelde strafbaar verklaard ter zake van de bewezenverklaarde feiten en haar veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf.

1.2. Naar aanleiding van het strafproces tegen de veroordeelde heeft prof. dr. A.A. Derksen zich tot de Commissie Evaluatie Afgesloten Strafzaken (hierna: CEAS) gewend met het verzoek tot het verrichten van een onderzoek als bedoeld in art. 2 Instellingsregeling CEAS in de zaak tegen de veroordeelde. De CEAS heeft een onderzoek noodzakelijk geacht en aan een door haar benoemd driemanschap een zestal vragen voorgelegd. In zijn rapport adviseerde het driemanschap het College van Procureurs-Generaal een herzieningsaanvrage te entameren. Op 26 oktober 2007 heeft de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad naar aanleiding van het rapport van het driemanschap van het College van Procureurs-Generaal het verzoek ontvangen om te beoordelen of in dat rapport aanleiding kan worden gezien tot het indienen van een vordering tot herziening als bedoeld in art. 458, eerste lid, Sv.

1.3. Naar aanleiding van dat verzoek heeft de Advocaat-Generaal Knigge op 31 maart 2008 een rapport uitgebracht (hierna: het Rapport).
Het onderzoek van de Advocaat-Generaal is in het bijzonder gericht geweest op de moord op een baby op 4 september 2001 in het Juliana Kinderziekenhuis te 's-Gravenhage (het onder 1 bewezenverklaarde feit).
Het onderzoek betrof in de eerste plaats het door de CEAS geconstateerde verschil van opvatting bij deskundigen omtrent de interpretatie van postmortaal gemeten digoxine-concentraties. In de tweede plaats is overeenkomstig het advies van de CEAS onderzoek gedaan naar sterftecijfers in de periode voorafgaande aan de indiensttreding van de veroordeelde bij het Juliana Kinderziekenhuis te 's-Gravenhage. Het derde onderdeel bestond uit onderzoek naar de juiste plaatsing in de tijd van de verschillende gebeurtenissen kort voorafgaand aan het overlijden van de baby. Ten slotte heeft de Advocaat-Generaal een deskundige ingeschakeld voor een integrale multidisciplinaire herbeoordeling - op basis van alle toxicologische, pathologische en klinische bevindingen uit het dossier - van de vraag of de baby is overleden ten gevolge van een acute digoxinevergiftiging.
Onder leiding van Recherche-Officier van Justitie mr. H.J. Donker is onderzoek verricht naar (de werking van) de monitor waarop de baby was aangesloten en daaromtrent is gesproken met medewerkers van de leverancier van de monitor. Dit onderzoek betrof onder meer de zogenoemde trendtables en trendgraphs. Voorts is ook een aantal destijds door het Hof gehoorde getuigen(- deskundigen) nader gehoord. De uitkomsten van dat onderzoek zijn vervat in een rapport van mr. Donker van 11 maart 2008.
De Advocaat-Generaal heeft het Nederlands Forensisch Instituut en het bestuur van de Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen verzocht om advies over een in te schakelen Nederlandse deskundige. Over de keuze van de deskundige is voorts overleg gevoerd met de raadsman van de veroordeelde. Overeenkomstig de gegeven adviezen heeft de Advocaat-Generaal voor de integrale herbeoordeling het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu benaderd.
Van dit Rijksinstituut maakt het Nationaal Vergiftigingen Informatie Centrum deel uit. Dit centrum staat onder leiding van prof. dr. J. Meulenbelt, internist-intensivist-toxicoloog. Hij heeft de integrale multidisciplinaire herbeoordeling uitgevoerd. Hij heeft daarbij als deskundigen geraadpleegd: prof. dr. A.J. van Vught, kinderarts-intensivist, dr. L.A. van Ginkel, analytisch chemicus, en dr. P. van Zoonen, analytisch chemicus. De herbeoordeling is neergelegd in een op 28 februari 2008 uitgebracht rapport. Over onderdelen van de herbeoordeling is door de Advocaat-Generaal een second opinion verkregen van prof. J. Tytgat, toxicoloog, verbonden aan de Katholieke Universiteit van Leuven (België).

1.4. De Advocaat-Generaal heeft in de in het CEAS-rapport neergelegde bevindingen geen grond gezien voor het indienen van een vordering tot herziening.
De resultaten van het door de Advocaat-Generaal zelf geëntameerde onderzoek zijn voor hem aanleiding geweest om op 17 juni 2008 een vordering tot herziening in te dienen.

2. De vordering tot herziening

De vordering tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De vordering berust in de eerste plaats op de stelling dat ten aanzien van de onder 1 bewezenverklaarde moord op een baby in het Juliana Kinderziekenhuis te 's-Gravenhage, sprake is van omstandigheden als bedoeld in art. 457, eerste lid aanhef en onder 2°, Sv. De vordering strekt zich voorts uit tot de veroordelingen ten aanzien van de andere levensdelicten. De vordering is niet gericht tegen de veroordeling wegens de vermogens- en valsheidsdelicten en die ter zake van de meineed.
Bij brief van 10 juli 2008 heeft de raadsman van de veroordeelde, mr. A.A. Franken, advocaat te Amsterdam, gereageerd op de vordering van de Advocaat-Generaal. Daarin wordt de eindconclusie van de vordering onderschreven. Voorts wordt in die brief gewezen op een tweetal aanvullende, de vordering ondersteunende omstandigheden.

3. De grondslag voor een herziening

Als grondslag voor een herziening, voor zover hier van belang, kan slechts dienen een - hierna als novum aangeduide - omstandigheid die bij het onderzoek op de terechtzitting de rechter niet is gebleken en die het ernstige vermoeden wekt dat, ware zij bekend geweest, het onderzoek der zaak zou hebben geleid tot vrijspraak van de veroordeelde.
De aard van het onderhavige rechtsmiddel brengt mee dat de aangevoerde grond voor herziening niet reeds bij de eerdere berechting mag zijn gebleken. In dat geval is immers geen sprake van een novum, maar van een omstandigheid die de rechter die de veroordeling uitsprak, in zijn oordeel heeft kunnen betrekken.
Voorts kan het novum slechts een omstandigheid van feitelijke aard betreffen. Een mening, overtuiging of gevolgtrekking kan in het algemeen niet als een omstandigheid van feitelijke aard worden aangemerkt. Dat brengt mee dat het oordeel van een deskundige in beginsel - behoudens bijzondere omstandigheden - slechts dan als een novum kan gelden indien deze deskundige is uitgegaan van feiten en/of omstandigheden van feitelijke aard welke niet bekend waren dan wel niet geacht kunnen worden bekend te zijn geweest aan de rechter die de uitspraak heeft gewezen waarvan herziening wordt gevraagd. Daarbij verdient opmerking dat aan de omstandigheid dat de deskundige op wiens bevindingen de bewezenverklaring in belangrijke mate steunt, nadien tot een ander oordeel komt, in beginsel meer gewicht kan worden toegekend dan aan een - van die deskundige afwijkend - oordeel van een andere deskundige (vgl. HR 18 maart 2008, LJN BA1024).

4. Beoordeling van de vordering

4.1.1. De in de vordering ontwikkelde gronden voor herziening betreffen de bewijsvoering met betrekking tot de levensdelicten. In zoverre ziet de vordering op het arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage (LJN AP2846). Wat betreft die bewijsvoering en de bewezenverklaringen van de levensdelicten - behoudens die van feit 1 - wordt in het onderhavige arrest met verwijzing naar dat arrest volstaan.

4.1.2. De vordering heeft in de eerste plaats betrekking op het onder 1 bewezenverklaarde feit. De desbetreffende bewezenverklaring luidt als volgt:
"dat zij op 04 september 2001 te 's-Gravenhage opzettelijk en met voorbedachten rade een persoon genaamd (...) van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, die (...) een grote hoeveelheid digoxine toegediend, tengevolge van welke handeling voornoemde (...) is overleden;"

4.2. De ten aanzien van dat feit door het Hof aangenomen toedracht kan, voor zover hier van belang, als volgt worden samengevat.

4.2.1. Wat de doodsoorzaak betreft heeft het Hof geoordeeld dat "buiten iedere redelijke twijfel verheven is komen vast te staan dat sprake was van een onnatuurlijke dood, te weten een digoxinevergiftiging" (overweging 5.27).
Een eenmalige, niet lege artis toegediende overdosis digoxine heeft volgens het Hof tot een fatale contractie van de hartspier van de baby geleid en haar overlijden veroorzaakt. Het Hof heeft dat oordeel in hoofdzaak gebaseerd op a) de uit het veiliggestelde bloedmonster verkregen waarden, in het bijzonder de waarde van digoxine, b) de schriftelijke registratie (trendtables) van de monitor, waarop de baby voorafgaand aan haar overlijden was aangesloten, c) de klinische gegevens van de baby alsmede de ziektegeschiedenis en d) hetgeen omtrent een en ander door getuigen en deskundigen is verklaard.
De concentratie digoxine in het bloedmonster dat is verkregen uit de bij de tweede obductie uit het lichaam van de baby veiliggestelde gaasjes, bedroeg volgens het Hof 19 µg/l. Die concentratie kan, aldus het Hof, geen residu zijn van de aan de baby tot 16 juli 2001 op therapeutische basis toegediende digoxine en past evenmin bij een chronische toediening van digoxine tot aan haar overlijden. Het Hof heeft daarbij de betrouwbaarheid van het desbetreffende bloedmonster "buiten kijf" geacht. Dat oordeel heeft, aldus het Hof, "bij de bewezenverklaring van de moord op (...) een uitermate belangrijke rol gespeeld" (overweging 10.1.2). Het Hof heeft op grond van de trendtables vastgesteld dat om 02.46 uur een forse daling van de hartfrequentie is opgetreden en reeds om 02.53 uur sprake was van een asystolie (hartstilstand). Het heeft uit die trendtables en de verklaring van de arts-assistent [getuige-deskundige 3] van 19 februari 2004 afgeleid dat die hartstilstand onmiddellijk gepaard is gegaan met een ademstilstand (overweging 10.1.20).

4.2.2. Wat betreft het tijdstip van toediening van de overdosis digoxine is het Hof van het volgende uitgegaan.
Het heeft op grond van de trendtables aangenomen dat er twee monitorloze periodes zijn geweest, te weten (een deel van) de periode tussen 00.46 en 01.14 uur en (een deel van) de periode tussen 01.16 uur en 01.59 uur. Het heeft op grond van de verklaring van de kinderarts [getuige-deskundige 5] ter terechtzitting in hoger beroep van 9 februari 2004, de verklaring van de arts-assistent [getuige-deskundige 3] ter terechtzitting van het Hof van 19 februari 2004 en de verklaringen van de verdachte aangenomen dat in de eerstgenoemde periode het die avond en nacht aan de baby verrichte lichamelijk onderzoek heeft plaatsgevonden, dat ongeveer 15 à 20 minuten heeft geduurd.
De tweede periode laat zich aldus het Hof niet verklaren. Het heeft de toediening van digoxine daarom gesitueerd in de tweede periode.

4.3. De vordering tot herziening steunt op een drietal omstandigheden (vordering par. 3.7), te weten:
(i) de informatie uit de grafische registratie van de gegevens van de monitor waarop de baby voorafgaand aan haar overlijden was aangesloten (trendgraphs);
(ii) het oordeel van prof. Meulenbelt over de representativiteit van het monster bloederig vocht uit de gaasjes die bij obductie uit het lichaam van de baby zijn veiliggesteld;
(iii) het oordeel van prof. Meulenbelt met betrekking tot de mogelijkheid van een natuurlijke doodsoorzaak.

4.4. Die in de vordering aangeduide onderwerpen zullen hierna worden besproken, waarbij de volgorde van de vordering wordt aangehouden.

4.4.1. De informatie uit de grafische registratie van de gegevens van de monitor

4.4.1.1. Uit het in opdracht van de Advocaat-Generaal verrichte nader onderzoek omtrent de werking en de interpretatie van de door de monitor geregistreerde en daarna uitgeprinte trendtables en trendgraphs is het volgende gebleken.
De trendtables geven waarden aan die op een ingesteld tijdsinterval (in dit geval een kwartier) worden geregistreerd. Het is geen gemiddelde over de intervalduur. Trendgraphs behelzen een doorlopende weergave en geven dus een vollediger beeld dan de trendtables.

4.4.1.2. Genoemd onderzoek wijst uit dat de periodes waarin de monitor uitgeschakeld/afgekoppeld is geweest op grond van de trendgraphs nagenoeg exact kunnen worden vastgesteld. Uit die trendgraphs volgt dat dat het geval is geweest van
00.58 tot 01.04 en van 01.20 tot 01.50 uur.
Het Hof heeft zich wat betreft de monitorloze periodes gebaseerd op de, onder de bewijsmiddelen opgenomen trendtables en spreekt uitdrukkelijk telkens van "(een deel van)" de uit die trendtables afgeleide periodes. Dat ligt ook voor de hand omdat in de trendtables de gegevens met tussenpozen worden geregistreerd. Daarvan is het Hof zich blijkens de bewijsvoering ook bewust geweest.
Weliswaar heeft de verdediging in hoger beroep aangevoerd dat de trendgraphs wezen op een korte eerste monitorloze periode, maar zij heeft het Hof niet geconfronteerd met de uit die trendgraphs blijkende tijdspanne van zes minuten. De precieze interpretatie van de trendgraphs - waarvoor specialistische kennis is vereist - en dan meer in het bijzonder in relatie tot hetgeen in de trendtables is vastgelegd, is in hoger beroep niet uitdrukkelijk voorwerp van onderzoek geweest. Een en ander vormt een aanwijzing dat het Hof niet ervan op de hoogte was dat uit de trendgraphs volgt dat de desbetreffende periode slechts zes minuten bedroeg.

4.4.1.3. Die periode van zes minuten valt niet te rijmen met de aanname van het Hof dat in die periode het lichamelijk onderzoek, dat 15 tot 20 minuten in beslag nam, heeft plaatsgevonden.
Het lijkt thans eerder waarschijnlijk dat dat onderzoek in de tweede monitorloze periode is verricht. Zoals in het Rapport van de Advocaat-Generaal is uiteengezet (par. 4.3.1) kan daarvoor bevestiging worden gevonden in verklaringen die in het nader onderzoek zijn afgelegd, met name in die van de kinderarts [getuige-deskundige 5].
Het Hof heeft de toediening van digoxine gesitueerd in de tweede monitorloze periode. Daarbij heeft voor het Hof een rol gespeeld dat het voor het afkoppelen van de monitor in die periode geen verklaring heeft gevonden. Naar het zich thans laat aanzien kan die tweede periode echter worden verklaard doordat de baby toen lichamelijk is onderzocht.
Daardoor ontstaat twijfel aan het door het Hof in het verband van zijn bewijsredenering gegeven oordeel dat die tweede periode zich niet laat verklaren.

4.4.2. De representativiteit van het monster bloederig vocht

4.4.2.1. Het Hof heeft de betrouwbaarheid van het bloedmonster en dus de representativiteit van het "bloed" uit de gaasjes, "buiten kijf" geacht. In zijn arrest heeft het onder 10.1.2 het volgende overwogen:
"Het hof stelt voorop dat het de met de immunochemische methoden gemeten concentraties in het bij de gerechtelijke sectie veiliggestelde bloed uit de gaasjes, zoals dr. Lusthof van het Nederlands Forensisch Instituut en prof. dr. De Wolff het ter terechtzitting van 11 mei 2004 hebben uitgedrukt, voor waar aanneemt. De betrouwbaarheid van het betreffende bloedmonster staat, na hetgeen door laatstgenoemde daaromtrent in zijn deskundigenbericht d.d. 16 maart 2004 is gerapporteerd, buiten kijf. Ook dit wordt door de verdediging niet langer in twijfel getrokken. Deze vooropstelling heeft bij de bewezenverklaring van de moord op (...) een uitermate belangrijke rol gespeeld, hetgeen hieronder nog nader zal worden uiteengezet. Dat bedoelde concentraties voor waar dienen te worden gehouden behoeft, gezien met name de diverse door het Nederlands Forensisch Instituut uitgebrachte rapporten, het reeds genoemde deskundigenbericht van prof. dr. De Wolff en de door hem en dr. Lusthof ter terechtzitting van 5 februari 2004 en 11 mei 2004 afgelegde verklaringen, welke door het hof alle tot bewijs zijn gebezigd, nauwelijks nog motivering. In de kern komt het hierop neer dat (...) dat bloed, mede gelet op de gemeten insulineconcentratie, representatief kan worden geacht voor op een gebruikelijke wijze verkregen postmortaal bloed (...)."

4.4.2.2. In dit opzicht houden de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen het volgende in.
Dr. Lusthof (NFI) heeft in zijn rapport van 5 september 2002 vermeld dat het bloed uit de gaasjes is onderzocht op insuline. Hierbij werd, aldus die deskundige, geen verhoogde concentratie insuline aangetroffen (bewijsmiddel 8.3.1.34). Dat gegeven is, volgens de deskundige prof. De Wolff in zijn rapport van 16 maart 2004, "een indicatie dat het 'bloed uit de gaasjes' representatief mag worden geacht voor op een gebruikelijke wijze verkregen postmortaal bloed". Aan de betrouwbaarheid van de door het NFI gerapporteerde waarden in dat bloed behoefde volgens dat rapport "niet (...) te worden getwijfeld" (bewijsmiddel 8.3.1.39).
Vervolgens verklaarde prof. De Wolff ter terechtzitting in hoger beroep van 11 mei 2004 dat "als je de waarde van het bloed voor waar aanneemt, er in ieder geval vlak voor het overlijden een hoge dosis [digoxine] moet zijn toegediend" (bewijsmiddel 8.3.1.42).
Dr. Lusthof heeft zich in zijn door het Hof tot het bewijs gebezigde rapporten niet met zoveel woorden uitgelaten omtrent de representativiteit van het bloed. Zijn op 11 mei 2004 ter terechtzitting in hoger beroep afgelegde verklaring houdt dienaangaande in: "Als je de waarde van het bloed voor waar aanneemt, moet er in ieder geval vlak voor het overlijden een hoge dosis [digoxine] zijn toegediend" (bewijsmiddel 8.3.1.41).

4.4.2.3. Ten aanzien van de representativiteit van het desbetreffende "bloed" houdt de tot het rapport van prof. Meulenbelt behorende lijst met door hem beantwoorde vragen het volgende in:
"1. Kan, met het gerechtshof in deze zaak, worden aangenomen dat het onderzochte bloed - in het bijzonder gelet op het feit dat daarin geen verhoogde concentratie insuline werd gemeten - representatief is voor op de gebruikelijke wijze verkregen postmortaal bloed?

Antwoord 1
Het onderzochte vocht, aangeduid als het onderzochte 'bloed', kan niet als representatief gezien worden voor op de gebruikelijke wijze verkregen postmortaal bloed.
De reden is dat er twee obducties hebben plaatsgevonden en er pas bij de tweede obductie monsters voor toxicologische analyses zijn genomen. Tussen de twee obducties in kan contaminatie en postmortale redistributie zijn opgetreden, die de gevonden analyse resultaten kunnen hebben beïnvloed (zie hieronder).

Gevolgen eerste obductie
Het vocht dat is gebruikt voor de analyses is geen bloedmonster maar vocht verkregen door gaasjes uit te knijpen, die te midden van at random in het lichaam teruggelegde organen hebben gelegen. Deze organen zijn circa 50 uren daarvoor uit het lichaam genomen voor weging en globale inspectie. De organen zijn ook ingesneden om macroscopisch te beoordelen of de organen een normaal aspect hadden en om een monster voor microscopisch onderzoek te nemen (zie obductieverslag patholoog-anatoom [getuige-deskundige 20], datum 04-09-01, 13.00 uur; 9,25 h na overlijden). De organen (longen, hart, lever, nieren, ingewanden) zijn vervolgens teruggelegd in de romp waar zich ook de gaasjes bevonden.
Door het uitnemen van de organen zijn alle grote bloedvaten geopend en is het bloed uit de bloedvaten gelopen. Bij de eerste sectie is het meeste bloed verwijderd. Bij de tweede sectie bevond zich in het lichaam vrijwel geen bloed meer (zie ook het verhoor tijdens de rechtszitting 09-02-2004 van patholoog-anatoom [getuige-deskundige 32], pagina 5; en verhoor patholoog-anatoom [getuige-deskundige 20] tijdens de rechtszitting 19-02-2004, pagina 11 en 12).
De tweede obductie vond plaats op 06-09-2001, 14:45 uur; circa 60 uur na overlijden en 50 uur na de eerste obductie. Doordat ook de organen zijn ingesneden zal vocht (= weefselvocht) uit de organen zijn gelopen. Bovendien was de maag geopend, waardoor maaginhoud het vocht in de buikholte kan hebben gecontamineerd. Daarnaast is er mogelijk ook uit de lymfebanen vocht in de romp gelopen (zie verhoor tijdens de rechtszitting 09-02-2004 van patholoog-anatoom [getuige-deskundige 32], pagina 9). Daar het middenrif niet meer te onderscheiden was bij de tweede sectie, kon het aanwezige vocht zich door de hele romp verplaatsen, in het bijzonder als men zich realiseert dat het lichaam na de eerste sectie ook nog enkele keren is verplaatst. Hierdoor kan er contaminatie van vocht en organen zijn opgetreden, die in normale anatomische verhoudingen niet kan plaatsvinden.

Insuline
Op grond van het feit dat de gevonden verhouding tussen c-peptide en insuline normaal is en de concentraties in het vocht van de gaasjes zich in de normale range bevinden, mag niet zomaar aangenomen worden dat het hier om bloed gaat. Hieronder wordt een aantal factoren aangegeven waar men rekening mee moet houden.
Bij de eerste obductie is ook de alvleesklier ingesneden. In de alvleesklier wordt insuline geproduceerd. Zolang insuline in de alvleesklier opgeslagen is, blijft het gebonden aan het c-peptide (pro-insuline). Zodra insuline vanuit de alvleesklier in de bloedbaan komt, wordt het c-peptide afgescheiden van de insuline. Het c-peptide en de insuline komen dan in de bloedbaan. Door de concentraties c-peptide en insuline in het bloed te meten, wordt soms nagegaan of insuline van buitenaf het lichaam is ingebracht of dat het in het lichaam (endogeen) is geproduceerd. Bij een in verhouding lage c-peptideconcentratie en hoge insulineconcentratie in bloed, wordt aangenomen dat insuline van buitenaf in het lichaam is gebracht.
Bij deze casus kan vocht uit de opengesneden alvleesklier in de buikholte zijn gelopen (zie ook verslag dr. K.J. Lusthof, 05-09-2002, pagina 4). Het vocht in de gaasjes kan met proinsuline, insuline en c-peptide zijn gecontamineerd.
Of bij de bepaling van de insulineconcentratie wel of geen pro-insuline werd gemeten, kan alleen worden aangegeven indien bekend is welke analysetechniek is gebruikt om de insulineconcentratie te bepalen. Er zijn analysetechnieken die heel specifiek insuline of proinsuline kunnen meten. Een aantal andere analysetechnieken kunnen dit niet. (...)"

4.4.2.4. De eindconclusie van prof. Meulenbelt luidt, voor zover hier van belang:
"Het vocht in de gaasjes kan niet als representatief worden beschouwd voor normaal verkregen postmortaal bloed. De uitslagen verkregen uit het vocht van de gaasjes kunnen niet gebruikt worden bij de evaluatie of hier sprake is van een digoxinevergiftiging. (...) Wel is er sprake van digoxine aanwezigheid in het lichaam, die niet te verklaren valt uit de aangereikte stukken over het klinisch beloop."

4.4.2.5. Prof. Tytgat heeft in zijn brief van 20 maart 2008 aan de Advocaat-Generaal in dit opzicht het oordeel van prof. Meulenbelt onderschreven. Zijn conclusie luidt dat "men wetenschappelijk gezien niet anders kan dan te besluiten dat het 'bloederig vocht' niet representatief is in vergelijking met normaal verkregen postmortaal bloed".

4.4.2.6. Tot de stukken in de herzieningsprocedure behoort een brief van 2 mei 2008 van prof. De Wolff aan de Voorzitter van het College van Procureurs-Generaal.
Die brief is geschreven naar aanleiding van de toezending aan prof. De Wolff van het Rapport van de Advocaat-Generaal. Naar aanleiding van het daarin vermelde oordeel van prof. Meulenbelt met betrekking tot de representativiteit van

het bloed houdt die brief onder meer in:
"Het doet mij genoegen te constateren dat de meeste van mijn conclusies over digoxine bij baby X door dit onderzoek zijn bevestigd.
(...)
Over de representativiteit van het bloederig vocht uit de gaasjes (pp. 79 - 83) schreef ik in mijn rapportage aan de rechter-commissaris op 12 september 2002 reeds: Ik kan mij zonder nadere gegevens over het 'bloed uit de gaasjes' van (...) geen oordeel vormen over de mate van de intoxicatie. Als dit materiaal qua samenstelling (...) inderdaad overeenstemt met bloed, dan is de conclusie dat hier sprake is van een ernstige intoxicatie met digoxine."

4.4.2.7. Het voorgaande roept de vraag op of uit het oordeel van prof. De Wolff dat aan de betrouwbaarheid van de door het NFI gerapporteerde digoxinewaarden in het bloed "niet behoeft te worden getwijfeld", mag worden afgeleid dat hij daarmee ook het bloedmonster representatief acht voor op een gebruikelijke wijze verkregen postmortaal bloed. Het Hof heeft het oordeel van prof. De Wolff kennelijk in die zin geïnterpreteerd. Het lijkt thans veeleer aannemelijk dat hij bij dat oordeel veronderstellenderwijs van die representativiteit is uitgegaan.

4.4.3. De mogelijkheid van een natuurlijke doodsoorzaak.

4.4.3.1. Prof. Meulenbelt is wat betreft de doodsoorzaak in zijn rapport tot de volgende conclusie gekomen: "Het overlijden is het gevolg van toenemende insufficiëntie van de ademhalingsfunctie bij een al ernstig zieke zuigeling met weinig lichamelijke reserve bij multipele lichamelijke problematiek. Het overlijden kan medisch goed verklaard worden uit het klinisch beloop. Op grond van het klinisch beloop kan men spreken van een natuurlijk overlijden. Klinisch waren er geen specifieke aanwijzingen voor een digoxinevergiftiging. (...) Er was digoxine in het lichaam aanwezig, maar het is niet waarschijnlijk dat digoxine heeft bijgedragen aan haar overlijden."

4.4.3.2. Voor zover prof. Meulenbelt dat oordeel heeft gebaseerd op dezelfde gegevens die ook het Hof ter beschikking hebben gestaan, levert dat oordeel niet zonder meer een novum op. Er doet zich hier evenwel een bijzondere omstandigheid voor.

4.4.3.3. Prof. Meulenbelt heeft zijn conclusie onder meer bereikt op grond van zijn vaststelling dat uit de trendgraphs blijkt dat eerst de ademfrequentie daalde en toen de hartfrequentie. Het Hof heeft evenwel voor zijn oordeel dat de baby een onnatuurlijke dood is gestorven tot uitgangspunt genomen dat eerst een hartstilstand is opgetreden. Het heeft het "onnatuurlijke" van die omstandigheid benadrukt door opneming van bewijsmiddel 8.3.1.12. De daarin weergegeven verklaring van de kinderarts [getuige-deskundige 5] houdt aan het slot in: "Op grond van de informatie van de monitor was volgens ons eerst het hartritme verlaagd en vervolgens de ademhaling. Een voor ons op dat moment onverklaarbare situatie, want normaal gaat het andersom".
Prof. Meulenbelt rapporteert onder meer dat de sterke veranderingen in hart- en ademfrequentie op de trendtables minder goed worden teruggezien dan in de trendgraphs.

4.4.3.4. Daarbij komt nog het volgende. De hiervoor onder 4.4.2.6 genoemde brief van 2 mei 2008 van prof. De Wolff aan de Voorzitter van het College van Procureurs-Generaal houdt onder meer in:
"Het meest significante verschil tussen mijn rapportage en die van Prof. Meulenbelt is het feit dat laatstgenoemde op grond van de hem ter beschikking staande stukken tot de conclusie komt dat een natuurlijke doodsoorzaak waarschijnlijk is (Knigge, p. 77), terwijl ik in mijn rapportage aan het Gerechtshof 's-Gravenhage van 16 maart 2004 schreef: De gemeten digoxineconcentratie in postmortaal bloed en lever kan het intreden van de dood door hartstilstand verklaren. Het aan het overlijden voorafgaande beeld kan - zeker ten dele - worden verklaard uit een digoxineoverdosering.
Dit verschil in conclusies laat zich eenvoudig verklaren. Mijn conclusie in de rapportage aan het Gerechtshof 's-Gravenhage dat een niet-therapeutische dosis digoxine moet hebben bijgedragen tot het overlijden, was gebaseerd op de volgende criteria:
(1) een forse hoeveelheid digoxine die niet kon worden verklaard uit de therapeutische toedieningen tot 50 dagen vóór het overlijden (bevestigd door alle door Mr Knigge geraadpleegde experts; pp. 44-46),
(2) de processen-verbaal van verhoor van de kindercardioloog [getuige-deskundige 35] (6 september 2001 en 12 november 2002), de hoogleraren Kindergeneeskunde [getuige-deskundige 1] (12 en 29 oktober 2001) en [getuige-deskundige 37] (24 januari 2002), en de dienstdoende arts [getuige-deskundige 3] (8 augustus 2002), waarin expliciet is beschreven dat er sprake was van een onverwacht overlijden na het optreden van een bradycardie (vertraagde hartfrequentie) en een verbreed QRS-complex in het electrocardiogram. Deze effecten passen bij een overdosis digoxine. Uit geen van deze verklaringen is naar voren gekomen dat een ademstilstand zou zijn voorafgegaan aan een hartstilstand. Dit is ook bevestigd door de kinderarts [getuige-deskundige 5] tijdens haar verhoor op 9 februari 2004: Normaal stopt eerst de ademhaling en dan pas het hart. Nooit andersom, ook als het kind een hartkwaal heeft.
Prof. Meulenbelt concludeert tot een waarschijnlijk natuurlijk overlijden met name omdat er mede blijkens de hem ter beschikking gestelde trend graphs en trend tables eerst een ademstilstand en vervolgens een hartstilstand zou zijn opgetreden. Dat zou inderdaad pleiten tegen een hartstilstand door een overdosis digoxine als primaire doodsoorzaak. Of hem de in de vorige alinea genoemde processen-verbaal ter beschikking zijn gesteld is mij onbekend. Voor het opstellen van mijn rapportage van 16 maart 2004 heb ik in ieder geval niet over de trend graphs en trend tables beschikt.
(...)
De discrepantie in de conclusies van collega Meulenbelt en van mij zijn - in ieder geval ten dele - veroorzaakt doordat wij niet over hetzelfde dossier hebben beschikt."

4.4.3.5. De Hoge Raad acht het op grond van deze mededelingen van prof. De Wolff aannemelijk dat hij niet heeft beschikt over de trendgraphs en dus geen kennis droeg van het daaruit blijkende - voor zijn oordeelsvorming relevante - gegeven dat een ademstilstand voorafging aan een hartstilstand.

4.4.3.6. Op grond van het voorgaande moet ervan worden uitgegaan dat het Hof niet van de thans door prof. Meulenbelt aan de trendgraphs ontleende feitelijke toedracht, te weten het als eerste optreden van een ademstilstand, op de hoogte is geweest.
Daarom moet, mede tegen de achtergrond van hetgeen hiervoor onder 4.4.1 en 4.4.2 is overwogen, het oordeel van prof. Meulenbelt dat op grond van het klinisch beloop van een natuurlijk overlijden kan worden gesproken als een novum worden aangemerkt.

5. Slotbeschouwing en conclusie

5.1. De resultaten van het door de Advocaat-Generaal verrichte onderzoek ondergraven in wezenlijke mate de bewijsvoering van het Hof ten aanzien van de onder 1 bewezenverklaarde moord op de baby in het Juliana Kinderziekenhuis te 's-Gravenhage. Daarbij komt het meeste gewicht toe aan het oordeel van prof. Meulenbelt dat op grond van het klinisch beloop kan worden gesproken van een natuurlijk overlijden. Dat oordeel moet als een novum worden aangemerkt. Temeer omdat dat oordeel van prof. Meulenbelt niet los kan worden gezien van de overige uitkomsten van het onderzoek van de Advocaat-Generaal. Die uitkomsten roepen op een tweetal andere punten twijfel op aan de juistheid van die bewezenverklaring. Dat betreft in de eerste plaats het oordeel van het Hof omtrent de betrouwbaarheid van het onderzochte bloedmonster en de daarin gevonden digoxinewaarde. Er is twijfel gerezen aan de representativiteit van dat bloedmonster. Het tweede aspect betreft het oordeel van het Hof omtrent de tijdspanne waarbinnen digoxine zou zijn toegediend. Het Hof heeft die toediening gesitueerd in de tweede periode waarin de baby die avond en nacht niet op de monitor was aangesloten. Daarbij heeft voor het Hof een rol gespeeld dat het voor het afkoppelen van de monitor in die periode geen verklaring heeft gevonden. Naar het zich thans laat aanzien kan die tweede monitorloze periode echter worden verklaard doordat de baby in die periode lichamelijk is onderzocht.

5.2. Uit het voorgaande volgt dat de aanvrage wat betreft feit 1 gegrond is. De Hoge Raad deelt de conclusie van de Advocaat-Generaal dat dit, gelet op de samenhang in de bewijsvoering van alle levensdelicten, meebrengt dat de aanvrage ook ten aanzien van de andere levensdelicten gegrond moet worden verklaard.

6. Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart de aanvrage tot herziening gegrond;
beveelt, voor zover nodig, de opschorting of schorsing van de tenuitvoerlegging van voormelde arresten van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 18 juni 2004 en het Gerechtshof te Amsterdam van 13 juli 2006, voor zover de veroordeelde daarbij is veroordeeld ter zake van het onder 1, 2 primair, 5 primair, 6 primair, 7 primair, 8 primair, 9 primair, 10 primair, 13 primair en 16 primair tenlastegelegde;
verwijst de zaak naar het Gerechtshof te Arnhem, opdat de zaak op de voet van art. 467, eerste lid, Sv wat betreft de voormelde feiten opnieuw zal worden behandeld en afgedaan teneinde hetzij het gewijsde te handhaven, hetzij met vernietiging daarvan recht te doen en daarbij mede voor de overige feiten (22 primair, 23 primair, 24, 25 en 26 primair) op de voet van art. 476, tweede lid, Sv de straf te bepalen.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema, W.A.M. van Schendel, W.M.E. Thomassen en H.A.G. Splinter-van Kan, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 7 oktober 2008.


24 juni 2008
Strafkamer
nr. S 08/01492 H

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

naar aanleiding van een vordering tot opschorting van de tenuitvoerlegging als bedoeld in art. 470, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering van een in kracht van gewijsde gegaan arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 18 juni 2004, nummer 22/001810-03 en een in kracht van gewijsde gegaan arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 13 juli 2006, nummer 23/001403-06, betreffende:
[L.I.Q. de B.], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1961, verder te noemen: de veroordeelde.

1. De uitspraken waarvan herziening is gevraagd

1.1. Het Gerechtshof te 's-Gravenhage heeft de veroordeelde in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Rechtbank te 's-Gravenhage van 24 maart 2003 - ter zake van zeven moorden, drie pogingen tot moord, een aantal vermogens- en valsheidsdelicten en meineed veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf en daarbij bevolen dat de veroordeelde ter beschikking zal worden gesteld met bevel tot verpleging van overheidswege.

1.2. Tegen deze uitspraak van het Hof heeft de veroordeelde beroep in cassatie ingesteld. Bij arrest van 14 maart 2006 heeft de Hoge Raad de bestreden uitspraak vernietigd, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ter zake van de strafbaarheid van de veroordeelde en de sanctieoplegging, met verwijzing van de zaak naar het Gerechtshof te Amsterdam. Het beroep is voor het overige verworpen.

1.3. Het Gerechtshof te Amsterdam heeft bij arrest van 13 juli 2006 het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het Hof onderworpen, vernietigd, de veroordeelde strafbaar verklaard ter zake van de bewezenverklaarde feiten en haar veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf.

2. De herzieningsprocedure

In een rapport van de Advocaat-Generaal Knigge van 31 maart 2008 is aangekondigd dat een vordering tot herziening zal worden ingediend. Dit rapport, dat als bijlage bij de vordering is gevoegd, is voor de Staatssecretaris van Justitie aanleiding geweest aan de veroordeelde een strafonderbreking toe te kennen voor een periode van drie maanden met ingang van 2 april 2008.
Op 17 juni 2008 is door de Advocaat-Generaal een vordering tot herziening bij de Hoge Raad ingediend. De vordering berust op de stelling dat sprake is van een omstandigheid als bedoeld in art. 457, eerste lid aanhef en onder 2º, Sv.
De Advocaat-Generaal heeft daarbij tevens gevorderd dat de Hoge Raad hangende de beslissing op de aanvrage tot herziening de tenuitvoerlegging van het gewijsde zal opschorten.

3. Beoordeling

3.1. Art. 470, derde lid, Sv bepaalt dat de Hoge Raad, hangende de beslissing op de aanvrage tot herziening, te allen tijde de tenuitvoerlegging van het gewijsde kan opschorten. Onder opschorting moet schorsing van de tenuitvoerlegging worden begrepen.

3.2. De Hoge Raad acht, gelet op de inhoud van de hiervoor onder 2 genoemde stukken, grond aanwezig om - hangende de beslissing op de aanvrage tot herziening - de tenuitvoerlegging van de einduitspraken waarvan herziening is gevraagd op te schorten.

4. Beslissing

De Hoge Raad beveelt de opschorting van de tenuitvoerlegging van het arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 18 juni 2004, nummer 22/001810-03 en het arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 13 juli 2006, nummer 23/001403-06.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema, W.A.M. van Schendel, W.M.E. Thomassen en H.A.G. Splinter-van Kan, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, in raadkamer van 24 juni 2008.
Conclusie
Nr. 08/01492 H
Mr. Knigge
Zitting: 17 juni 2008

Vordering tot herziening inzake:

L.I.Q. de B.

Inhoudsopgave

1. Inleiding

2. Afronding onderzoek en definitief oordeel
2.1 De representativiteit van het monster bloederig vocht
2.2 De interpretatie van de digoxineconcentratie in de hersenen
2.3 Het schrijven van prof. De Wolff
2.4 Conclusie

3. Is naar geldend recht sprake van een novum?
3.1 Probleemstelling
3.2 Het kader: een wettelijke regeling die ter discussie staat
3.3 De derde dwalingsvorm
3.4 De rek in de regeling
3.5 "Den rechter niet gebleken"
3.6 Een ander deskundigenoordeel
3.7 Conclusie

4. De strekking van de vordering
4.1 Inleiding
4.2 De vermogensdelicten en de valsheidsdelicten
4.3 's-Hofs bewijsvoering ten aanzien van de levensdelicten
4.4 De acht met schakelbewijs bewezen levensdelicten
4.5 De poging tot moord op Z.
4.6 Conclusie

5. Vordering en opgave bewijsmiddelen

6. Samenvatting

1. Inleiding

1.1 L.I.Q. de B. (hierna: mevr. De B. of: de veroordeelde) is bij arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 18 juni 2004(1) veroordeeld tot levenslange gevangenisstraf en terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege. Het Hof achtte zeven moorden en drie pogingen tot moord wettig en overtuigend bewezen en veroordeelde haar ook ter zake van kort gezegd diefstal, valsheid in geschift, medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd, het onder ede een valse verklaring afleggen en verduistering, meermalen gepleegd. Bij het op het door de veroordeelde ingestelde cassatieberoep gewezen arrest van 14 maart 2006(2) vernietigde de Hoge Raad het arrest van het Hof, maar alleen ten aanzien van de beslissingen aangaande de strafbaarheid van de veroordeelde en de sanctieoplegging. De Hoge Raad verwees de zaak naar het Gerechtshof te Amsterdam teneinde deze in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw te berechten en af te doen. Hierdoor ging het arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage wat de bewezenverklaring betreft in kracht van gewijsde. Vervolgens werd de veroordeelde op 13 juli 2006(3) door het Gerechtshof te Amsterdam veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf. Tegen dit arrest werd geen cassatie ingesteld.

1.2 Op 25 oktober 2007 heeft een driemanschap van de Commissie Evaluatie Afgesloten Strafzaken in deze zaak een rapport uitgebracht aan het College van procureurs-generaal. Het College heeft het rapport vervolgens aan de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad overhandigd en hem daarbij verzocht het rapport te beoordelen en in de volle breedte te bezien of hij daarin aanleiding ziet een herzieningsverzoek in te dienen bij de Hoge Raad. Dit heeft geleid tot mijn rapport van 31 maart 2008, dat op 2 april 2008 openbaar is gemaakt. De inhoud van dit rapport, dat als bijlage I bij deze vordering is gevoegd, wordt hier als ingelast beschouwd.

1.3 In genoemd rapport (hierna: het Rapport) ben ik op grond van uitgevoerd onderzoek tot het voorlopig oordeel gekomen dat de veroordeling niet in stand kan blijven ten aanzien van in ieder geval feit 1, de moord op de baby X. Dit oordeel was nog slechts voorlopig, omdat het onderzoek niet geheel was afgerond. Inmiddels heb ik de door mij verzochte aanvullende rapportage van prof. dr. J. Tytgat ontvangen. Deze rapportage zal hierna worden besproken, samen met de reeds ontvangen aanvullende deskundigenberichten van prof. R. Aderjan en prof. J. Meulenbelt. Voorts is nog een afschrift ontvangen van een schrijven van prof. dr. F.A. de Wolff, gericht aan de voorzitter van het College van procureurs-generaal. De bespreking van een en ander leidt niet tot een wijziging in mijn voorlopig oordeel. De onderhavige herzieningsvordering is daarvan de consequentie.

1.4 In het Rapport werden twee belangrijke vragen onbesproken gelaten. De eerste vraag is hoe mijn oordeel dat in deze zaak sprake is van een novum zich verhoudt tot de bestaande jurisprudentie op dit punt. Het gaat daarbij in het bijzonder om de vraag of en in hoeverre vastgehouden moet worden aan het uitgangspunt dat een ander deskundigenoordeel geen nieuwe "omstandigheid" vormt in de zin van art. 457 lid 1 sub 2e Sv. De tweede vraag is hoe ver de vordering strekt. In het bijzonder is de vraag of de vordering, die "in ieder geval" betrekking heeft op feit 1 (de moord op de baby X.), zich ook dient uit te strekken tot de andere levensdelicten waarvoor de veroordeling is uitgesproken. Op beide vragen zal in het onderstaande een antwoord worden gezocht. Een en ander mondt uit in de vordering met daarbij een opgave van de bewijsmiddelen waarop zij steunt.

2. Afronding onderzoek en definitief oordeel

2.1 De representativiteit van het monster bloederig vocht

2.1.1 Prof. Meulenbelt oordeelde dat het monster bloederig vocht niet representatief was voor op de normale wijze verkregen bloed.(4) Dit oordeel werd door prof. Tytgat onderschreven. Dit betekent dat op grond van dit monster geen betrouwbare uitspraken kunnen worden gedaan over de digoxineconcentratie in het bloed ten tijde van het overlijden. Zoals ik in mijn rapport schreef, sluit dit oordeel niet uit dat die concentratie in werkelijkheid aanmerkelijk hoger was dan de gemeten concentratie van 7,4 µg/L. Juist het feit dat sprake was van verdunning met vocht waarin geen hoge digoxineconcentraties te verwachten zijn, zou erop kunnen wijzen dat de gemeten concentratie voor een belangrijk deel valt toe te schrijven aan bloed met een hoge concentratie aan digoxine. Volgens prof. Meulenbelt evenwel was het zeer waarschijnlijk dat de gaasjes in nauw contact waren geweest met de nieren of het hart, zodat de gemeten concentratie daaraan kan worden toegeschreven. Dit waarschijnlijkheidsoordeel baseerde hij echter mede op de ziektegeschiedenis en op zijn interpretatie van de digoxineconcentraties die in de weefsels waren gemeten. Dat leek te impliceren, zo stelde ik, "dat het op zich genomen niet zeer waarschijnlijk genoemd kan worden dat de gaasjes uitgerekend met de nieren of het hart in contact zijn geweest en dus dat de mogelijkheid dat een toxische digoxineconcentratie in het bloed aan het meetresultaat heeft bijgedragen op zich een serieuze mogelijkheid vormt".

2.1.2 Ten einde hierover meer duidelijkheid te verkrijgen, is aan prof. Tytgat onder meer de vraag voorgelegd hoe waarschijnlijk hij het "op zich" acht - dus los gezien van de vraag of op grond van andere gegevens een acute digoxinevergiftiging al dan niet waarschijnlijk moet worden geoordeeld - dat het meetresultaat van 7,4 µg/L hoofdzakelijk is toe te schrijven aan contaminatie en diffusie vanuit organen met een hoge digoxineconcentratie. Het aanvullende rapport van prof. Tytgat waarin deze vraag werd beantwoord, liet langer op zich wachten dan aanvankelijk was voorzien. Op 20 mei 2008 werd het op diezelfde dag gedateerde rapport per e-mail toegezonden.

2.1.3 Prof. Tytgat gaat eerst in op de mogelijkheden die er zijns inziens zijn. Hij acht het daarbij niet mogelijk dat de gemeten digoxineconcentratie in het monster geheel is toe te schrijven aan vocht uit organen, het maagdarmkanaal en de lymfebanen, ten gevolge van diffusie. Anders gezegd: het kan niet anders dan dat bloed aan het meetresultaat heeft bijgedragen. Tegelijk echter acht prof. Tytgat het mogelijk dat het bloed geen wezenlijke bijdrage aan het meetresultaat heeft geleverd, hetgeen betekent dat dit resultaat te verenigen is met een lage bloedconcentratie digoxine ten tijde van het overlijden.(5) Op deze punten stemt het oordeel van prof. Tytgat overeen met dat van prof. Meulenbelt.

2.1.4 Met betrekking tot de vraag waarom het ging, namelijk hoe waarschijnlijk de laatstgenoemde mogelijkheid is te achten, antwoordt prof. Tytgat dat het op grond van de beschikbare gegevens niet wetenschappelijk verantwoord is hierop "een waarschijnlijkheidspercentage (m.a.w. een statistische kansberekening)" te "plakken". Meer duidelijkheid op dit punt lijkt aldus niet te zijn te krijgen.

2.1.5 Aan zijn antwoord voegt prof. Tytgat nog toe dat het "belangrijker" is om toch te proberen de beschikbare digoxineconcentraties te interpreteren, rekening houdend met de relevante parameters en de beschikbare casuïstiek. Hij stelt zich daarover een wetenschappelijke mening te hebben gevormd, maar die niet in het verslag te hebben opgenomen vanwege de vraagstelling, die juist inhield niet vooruit te lopen op de vraag of een digoxinevergiftiging "alles bij elkaar" genomen aannemelijk is. Desgewenst is prof. Tytgat bereid die mening in een ander verslag te formuleren.

2.1.6 Ik heb het niet opportuun gevonden thans om nadere rapportage te verzoeken. Daarmee is niet gezegd dat het in een later stadium - waarbij ik in het bijzonder denk aan de procedure na verwijzing door de Hoge Raad - niet zinvol zou kunnen zijn om prof. Tytgat naar zijn oordeel te vragen.

2.2 De interpretatie van de digoxineconcentratie in de hersenen

2.2.1 Het tweede punt waarop het onderzoek nog niet geheel was afgerond, betrof de interpretatie van de gemeten digoxineconcentratie (8-10 µg/kg) in de hersenen van de baby X. Zoals in het Rapport is uiteengezet, oordeelde prof. Meulenbelt dat deze concentratie zou kunnen pasen bij verschillende opties, waaronder een éénmalige overdosering van digoxine zeer kort voor het overlijden. Die optie achtte prof. Meulenbelt alles afwegende echter niet waarschijnlijk. Dit vooral omdat de gemeten concentratie relatief hoog is. Nu had die relatief hoge concentratie ook de aandacht van prof. Aderjan getrokken. Hij leek daarin juist een aanwijzing te zien dat de digoxineconcentratie in het bloed ten tijde van het overlijden zeer hoog is geweest, hetgeen duidt op een recente toediening. Hij wees er in dit verband op dat hersenen doordrenkt plegen te zijn met bloed, zodat de concentratie digoxine in het bloed het meetresultaat beïnvloedt. Vanwege het belang van de kwestie is prof. Aderjan om nadere opheldering gevraagd. In zijn antwoord hield hij vanwege de beperkte informatie waarover hij beschikte vele slagen om de arm. Desalniettemin bevestigde hij dat sprake kan zijn geweest van "possible high digoxin concentration in blood causing or contributing to the values measured".(6)

2.2.2 Het oordeel van prof. Aderjan is aan prof. Meulenbelt voorgelegd met de vraag of hij daarin aanleiding zag zijn oordeel op dit punt bij te stellen of te nuanceren. Tegelijk is het mogelijke verschil van mening tussen prof. Meulenbelt en prof. Aderjan ook aan prof. Tytgat voorgelegd.

2.2.3 Het nadere rapport van prof. Meulenbelt kwam op 21 maart 2008 per e-mail binnen.(7) Prof. Meulenbelt zag geen reden zijn oordeel bij te stellen of te nuanceren. Hij wijst daarbij onder meer op twee verschillende in de literatuur beschreven casus van kinderen die een natuurlijke dood stierven acht resp. negen uur nadat aan hen een therapeutische oplaaddosis digoxine was toegediend. De gemeten digoxineconcentraties in de hersenen waren in die gevallen vergelijkbaar of zelfs hoger. Prof. Meulenbelt wijst er ook nog op dat de bloedconcentratie tijdens de distributiefase (die hij stelt op 6 - 10 uur) hoger is dan de veel gehanteerde therapeutische grenswaarde van 2 µg/L dat de digoxine in het bloed aan het meetresultaat heeft bijgedragen, wil - zo begrijp ik - dus niet zeggen dat die digoxine enkele minuten voor het overlijden is toegediend. De conclusie van prof. Meulenbelt is dan ook dat "op basis van deze digoxineconcentraties in de hersenen niet geconcludeerd [kan] worden dat er een toxische overdosis aan [X.] is toegediend".

2.2.4 Het antwoord van prof. Tytgat was vervat in zijn reeds genoemde rapport van 20 mei 2008. Op de vraag of hij onderschrijft dat de gemeten digoxineconcentratie in het hersenmonster kan zijn veroorzaakt door in het monster aanwezig bloed met een hoge concentratie niet gedistribueerde digoxine, antwoordt prof. Tytgat dat hij dit in theorie mogelijk acht, maar bij deze mogelijkheid vanuit praktisch oogpunt vraagtekens plaatst. Hij stelt daarbij dat de gemeten concentratie lager is dan verwacht zou mogen worden bij een acute ernstige digoxine-intoxicatie. Of sprake is geweest van een zeer recente toediening van digoxine, acht hij vanwege de vele onzekere factoren "vatbaar voor speculatie". Hij meent dat het nuttig is de klinische gegevens in het oordeel te betrekken.

2.2.5 Ik concludeer dat de meningen van prof. Meulenbelt en prof. Tytgat niet of nauwelijks uiteenlopen. Voor zover er al een verschil van mening is tussen deze twee deskundigen en prof. Aderjan, betreft het de vraag hoe serieus de mogelijkheid van de toediening van een overdosis digoxine vlak voor het overlijden moet worden genomen. Ik wijs er daarbij op dat prof. Aderjan zich voorzichtig opstelt. Hij lijkt weliswaar niet zo ver te gaan als prof. Meulenbelt, die de mogelijkheid van een zeer recente toediening "niet waarschijnlijk" oordeelt, maar stelt zich aan de andere kant niet op het standpunt dat die mogelijkheid wél waarschijnlijk is. Hoe prof. Aderjan zou hebben geoordeeld als hij over dezelfde gegevens als prof. Meulenbelt had beschikt, is daarbij onzeker.

2.2.6 Ik acht het niet opportuun dit punt thans nader uit te spitten. Dat neemt weer niet weg dat daaraan in een later stadium aandacht zou kunnen worden besteed. Prof. Aderjan heeft zich bereid verklaard desgewenst nader te rapporteren.

2.3 Het schrijven van prof. De Wolff

2.3.1 Op 22 mei 2008 ontving ik per e-mail van prof. F.A. de Wolff een aangehechte kopie van een brief die hij eerder aan de voorzitter van het College van procureurs-generaal zond. In deze e-mail schreef prof. De Wolff dat hetgeen op de eerste anderhalve pagina van deze brief is geschreven wellicht van enig belang is voor het onderzoek inzake mevr. De B.

2.3.2 In de bedoelde anderhalve pagina spreekt prof. De Wolff allereerst zijn genoegen uit over het feit dat "de meeste" van de destijds door hem getrokken conclusies over digoxine bij de baby X. worden bevestigd door het door mij ingestelde onderzoek. Vervolgens schrijft hij dat "het meest significante verschil" tussen zijn rapportage en die van prof. Meulenbelt is dat de laatste op grond van de hem ter beschikking staande stukken tot de conclusie komt dat een natuurlijke doodsoorzaak waarschijnlijk is, terwijl hij (prof. De Wolff) had geconcludeerd dat de gemeten digoxineconcentraties het intreden van de dood door hartstilstand konden verklaren.

2.3.3 De verklaring voor dit verschil is volgens prof. De Wolff gelegen in het feit dat hij niet over dezelfde informatie beschikte als prof. Meulenbelt. Hij wijst er daarbij op dat hij zich heeft gebaseerd op medische rapporten en getuigenverklaringen van de behandelende artsen waaruit nergens "naar voren [is] gekomen dat een ademstilstand is voorafgegaan aan de hartstilstand". De artsen verklaarden juist dat eerst het hart was gestopt. Prof. De Wolff schrijft vervolgens dat prof. Meulenbelt tot een natuurlijke doodsoorzaak concludeerde "met name omdat er mede uit de hem ter beschikking gestelde trend graphs en trend tables eerst een ademstilstand en vervolgens een hartstilstand zou zijn opgetreden. Dat zou inderdaad pleiten tegen een hartstilstand door overdosis". Prof. De Wolff voegt daaraan toe dat hij niet over de trend graphs en de trend tables beschikte en noemt dit "opmerkelijk". Het schrijven dat de hem toegezonden stukken destijds begeleidde, hield namelijk in: "Hierbij zend ik U (...) de stukken inzake Lucia de B., te weten: het complete medische dossier van [X.] (...)". Een en ander mondt uit in de volgende conclusie: "De discrepantie in de conclusies van collega Meulenbelt en van mij zijn - in ieder geval ten dele - veroorzaakt doordat wij niet over hetzelfde dossier hebben beschikt."

2.3.4 Uit deze brief kan worden afgeleid dat prof. De Wolff het oordeel van prof. Meulenbelt niet alleen niet aanvecht(8), maar ook dat hij dat oordeel vanwege het verschil in informatiepositie voor het betere houdt, zodat hij in zoverre op zijn eerdere als deskundige in de zaak gegeven oordeel terugkomt. In het licht van de uitleg die in de jurisprudentie van de Hoge Raad aan het begrip 'novum' is gegeven, is dat inderdaad niet zonder betekenis. Zie daarover hierna, onder de punten 3.1.6, 3.6.1 en 3.6.13 e.v.

2.4 Conclusie

2.4.1 In mijn rapport concludeerde ik op grond van de resultaten van het ingestelde onderzoek dat de bewijsvoering door het Hof op essentiële punten geen stand kan houden. Aan die conclusie voegde ik toe dat dit wellicht niet tot herziening zou hoeven leiden als desondanks op grond van de beschikbare gegevens boven redelijke twijfel verheven moet worden geacht dat het betrokken kindje aan digoxinevergiftiging is overleden.(9) Mijn voorlopig oordeel was dat die situatie zich niet voordeed. Dat laatste is door de aanvullende rapportage van prof. Tytgat niet anders geworden. Die rapportage versterkt veeleer de ernstige twijfel aan 's-Hofs oordeel dat sprake was van digoxinevergiftiging. Ook het schrijven van prof. De Wolff ondergraaft dat oordeel.

2.4.2 Er is derhalve geen reden om op mijn voorlopige oordeel terug te komen. Dat (thans definitieve) oordeel is "dat de resultaten van het door mij noodzakelijk geachte onderzoek, bezien tegen de achtergrond van het in dubio pro reo beginsel en beschouwd in het licht van de gebezigde bewijsconstructie, het ernstig vermoeden wekken dat het Hof mevr. De B. van de tenlastegelegde moord op [de betrokken] baby zou hebben vrijgesproken".(10)

3. Is naar geldend recht sprake van een novum?

3.1 Probleemstelling

3.1.1 De resultaten van het uitgevoerde onderzoek roepen ernstige twijfel op aan de juistheid van de veroordeling, in ieder geval voor zover die veroordeling betrekking heeft op de bewezenverklaarde moord op de baby X. Toch is het de vraag of die ernstige twijfel naar geldend recht een grond tot herziening oplevert. In art. 457 Sv zijn de herzieningsgronden limitatief opgesomd. De enige grond die in casu in aanmerking komt is het zogenaamde novum. Deze herzieningsgrond wordt in art. 457 lid 1 sub 2e Sv omschreven als "eenige omstandigheid die bij het onderzoek op de terechtzitting den rechter niet was gebleken en die op zich zelve of in verband met de vroeger geleverde bewijzen met de uitspraak niet bestaanbaar schijnt in dier voege dat ernstig vermoeden ontstaat dat ware zij bekend geweest, het onderzoek der zaak zou hebben geleid tot [onder meer] vrijspraak."

3.1.2 De wet eist derhalve een omstandigheid die de rechter niet was gebleken, een omstandigheid waarmee hij onbekend was. Er moet, zo pleegt men kortweg te zeggen, sprake zijn van een nieuw feit, een novum. Aan de eis van een nieuw feit als basis voor de onderhavige herzieningsgrond wordt in de jurisprudentie van de Hoge Raad betrekkelijk strak de hand gehouden. De restrictieve uitleg van het begrip "nieuw feit" kent twee aspecten die in casu van belang zijn. Het eerste aspect betreft de nieuwheid van het feit, het tweede aspect het feitelijke karakter van het feit. Op beide aspecten zal kort worden ingegaan.

3.1.3 De vraag of sprake is van een omstandigheid die de rechter niet was gebleken, pleegt de Hoge Raad te beantwoorden aan de hand van het dossier dat de rechter ter beschikking stond. Alle feiten die in dat dossier zijn te vinden, zijn in beginsel niet nieuw. De rechter wordt geacht daarmee bekend te zijn geweest.(11) Als het dossier omvangrijk en onoverzichtelijk is, kan dat uitgangspunt het karakter van een fictie krijgen. De consequentie lijkt te moeten zijn dat feitelijke gegevens die de rechter over het hoofd heeft gezien geen grond voor herziening vormen, ook als op grond daarvan ernstig aan de juistheid van de veroordeling moet worden getwijfeld. Hetzelfde geldt als de rechter het desbetreffende gegeven wel heeft gezien, maar niet op waarde heeft weten te schatten. De twijfel aan de juistheid van de uitspraak is ook dan niet gebaseerd op een nieuw feit.

3.1.4 De omstandigheid waarmee de rechter onbekend was gebleven, moet feitelijk van aard zijn. Een (andere) mening, overtuiging of gevolgtrekking levert in het algemeen dan ook niet een novum op. In dit verband is in het bijzonder van belang dat volgens de jurisprudentie van de Hoge Raad een deskundigenoordeel dat is gebaseerd op feiten die de rechter reeds bekend waren, in beginsel geen grond voor herziening kan opleveren. Alleen in geval van "bijzondere omstandigheden" kan dit anders zijn.(12)

3.1.5 Als strak en stijf aan deze beide uitgangspunten zou worden vastgehouden, kan van een novum in deze zaak moeilijk worden gesproken. Het deskundigenoordeel van prof. Meulenbelt is immers geheel gebaseerd op een integrale bestudering van het dossier dat ook de rechter ter beschikking stond. Ook voor de andere deskundigenberichten die door mij zijn ingewonnen, geldt dat zij zijn gebaseerd op de gegevens uit het dossier.(13) Tot de stukken van het geding behoorden ook de trend graphs. Het Haagse Gerechtshof kan het bestaan daarvan moeilijk over het hoofd hebben gezien nu de verdediging daarop ter terechtzitting een beroep heeft gedaan(14), maar de precieze betekenis ervan lijkt niet tot het Hof te zijn doorgedrongen. In elk geval lijkt te moeten gelden dat de argumenten voor herziening die daaraan kunnen worden ontleend, niet zijn gebaseerd op een nieuw (de rechter onbekend gebleven) feit. Er is "slechts" sprake van andere conclusies dan die het Hof uit de hem ter beschikking staande gegevens heeft getrokken.

3.1.6 Het is niet zo dat het door mij ingestelde onderzoek in het geheel geen nieuwe "feitelijke" feiten heeft opgeleverd. De getuigenverhoren die in het kader van het tijdpad-onderzoek zijn afgenomen (Rapport, hoofdstuk 4) leveren nieuwe gegevens op, maar voor zover die gegevens twijfel oproepen aan de juistheid van de veroordeling, gaat het in wezen slechts om de bevestiging van het ernstige vermoeden dat al aan de trend graphs (waarmee de getuigen zijn geconfronteerd) kon worden ontleend. Het doet dan ook geforceerd aan om de verklaringen van de gehoorde getuigen aan te merken als het novum waarop herziening kan worden gebaseerd. Misschien kunnen de schriftelijke verklaringen van prof. De Wolff en dr. Lusthof, inhoudende dat het Hof hun ter terechtzitting afgelegde verklaringen onjuist heeft geïnterpreteerd, als nieuwe omstandigheden van feitelijke aard worden aangemerkt. Daarbij geldt echter dat deze nieuwe verklaringen niet de kern van de zaak raken. Zij komen namelijk bovenop de ernstige twijfel die al op grond van de trend graphs was gerezen aan de juistheid van het door het Hof aangenomen tijdstip van toediening. Het doet weer geforceerd aan het novum aan die verklaringen op te hangen. Ten slotte wijs ik op het hiervoor, onder 2.3 besproken schrijven van prof. De Wolff, waaruit wellicht afgeleid kan worden dat deze deskundige het oordeel van prof. Meulenbelt in grote lijnen onderschrijft. Dit schrijven komt daarmee in de buurt van een intrekking van de eigen deskundigenverklaring en daarmee in de buurt van de enige uitzondering die de Hoge Raad tot nu toe heeft aanvaard op het uitgangspunt dat een ander, niet op nieuwe gegevens berustend deskundigenoordeel geen novum kan opleveren.(15) Het doet weer geforceerd aan om in deze verklaring van prof. De Wolff het novum te zien, en niet in het rapport van prof. Meulenbelt zelf. Vergelijk hierna, onder 3.6.13 e.v.

3.1.7 De vraag is derhalve of aan de genoemde uitgangspunten moet worden vastgehouden. Daarbij zij dadelijk opgemerkt dat reeds de bestaande jurisprudentie van de Hoge Raad enige aanzetten tot nuancering biedt. Zo kan zoals gezegd in geval van "bijzondere omstandigheden" worden afgeweken van het uitgangspunt dat een ander deskundigenoordeel geen novum oplevert. Dat biedt mogelijkheden tot een verdergaande versoepeling. De vraag is echter ook of de genoemde uitgangspunten niet zelf zouden moeten worden bijgesteld.

3.1.8 Met het oog op de beantwoording van deze vraag volgen hierna beschouwingen van algemene aard, die derhalve niet direct betrekking hebben op de onderhavige zaak. De toespitsing van het betoog op de zaak is te vinden onder de punten 3.5.5 t/m 3.5.10 en onder de punten 3.6.20 en 3.6.21.

3.2 Het kader: een wettelijke regeling die ter discussie staat.

3.2.1 Zoals de verouderde spelling en het archaïsche taalgebruik doen vermoeden, is de wettekst waarin het novum als herzieningsgrond is neergelegd niet van recente datum. Die tekst dateert uit 1899, toen art. 375 in het toenmalige Wetboek van Strafvordering werd opgenomen. Dat artikel keerde in het nieuwe, in 1926 in werking getreden wetboek vrijwel ongewijzigd terug.(16) Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de formulering van het novum mede werd ingegeven door beduchtheid dat het gezag van de rechter door herziening zou worden aangetast. De erkenning dat de rechter fouten had gemaakt, zou een motie van wantrouwen tegen de veroordelende rechter vormen. Alleen met de erkenning van fouten die voortvloeiden uit onbekendheid van de rechter met de feiten had de wetgever geen moeite. In dat geval treft de rechter immers geen blaam. Die rechter zou op grond van de nieuwe feiten ook zelf tot het oordeel zijn gekomen dat de veroordeling onjuist was. Dat moest derhalve het criterium voor herziening zijn.(17)

3.2.2 De gedachte dat het gezag van de rechter overeind blijft als gemaakte fouten niet worden erkend, spreekt tegenwoordig nog weinigen aan. Dat komt wellicht omdat het rechterlijk gezag steeds minder met het ambt gegeven is, maar verdiend moet worden door de wijze waarop het ambt wordt uitgeoefend. Het vermogen om fouten openlijk te erkennen, zou het gezag van de rechterlijke macht dan ook wel eens eerder kunnen versterken dan verzwakken. Hoe dit ook zij, de kritiek op dit aspect van de wettelijke regeling neemt toe. De blik wordt daarbij vooral op Engeland gericht. Elke unsafe conviction zou aan herziening onderworpen moeten kunnen worden.(18) Die kritiek heeft ook de aandacht van de wetgever getrokken.(19) De Raad voor de Rechtspraak heeft zich inmiddels uitgesproken voor een verruiming van de wettelijke regeling.(20)

3.2.3 Intussen mag niet uit het oog worden verloren dat ook de critici onderkennen dat met een restrictieve herzieningsregeling een gewichtig maatschappelijk belang is gemoeid. Dat belang pleegt kort en krachtig te worden verwoord met het adagium litis finiri oportet: aan de rechtstrijd moet eens een einde komen. Het strafproces verliest zelf zowat alle betekenis als de beslissing die uiteindelijk valt niet onherroepelijk is maar telkens opnieuw ter discussie wordt gesteld. Zowel de direct betrokkenen als de samenleving in haar geheel hebben recht op zekerheid. Die zekerheid vereist dat men zich bij de gegeven beslissing neerlegt, óók of juist als zij niet iedereen overtuigt. Daarbij komt dat de "oneindigheid" van het proces een premie stelt op inadequaat procederen. De destijds bij de totstandkoming van het oude art. 375 Sv al uitgesproken waarschuwing dat de herziening niet mag ontaarden in een verkapt (risicoloos) hoger beroep of cassatieberoep, is nog steeds actueel. Een beperkte herzieningsregeling dwingt de verdachte ertoe zijn argumenten tijdig naar voren te brengen om zo te voorkomen dat de rechter dwaalt. Ten slotte zij erop gewezen dat oneindig doorprocederen een groot beslag legt op de capaciteit van het justitiële apparaat.

3.2.4 Onzeker is waarop de kritiek op de geldende herzieningsregeling uitloopt. Daarop kan hier geen voorschot worden genomen. Wel kan worden opgemerkt dat ook indien het concept van de unsafe conviction ten grondslag gelegd zou worden aan een gewijzigde herzieningsregeling, betrekkelijk 'harde' criteria zullen moeten worden ontwikkeld aan de hand waarvan kan worden uitgemaakt of van een dergelijke dubieuze veroordeling sprake is. Nog steeds geldt immers dat voorkomen moet worden dat de herziening wordt misbruikt als een vorm van risicoloos hoger beroep of beroep in cassatie. Nog steeds geldt ook dat het beslag dat herzieningsprocedures op het justitiële apparaat leggen, binnen aanvaardbare grenzen moet blijven. Een en ander vergt een zorgvuldige afweging.

3.2.5 Over de noodzaak van houvast biedende criteria nog het volgende. Het feit dat de verdachte zijn onschuld steeds is blijven volhouden, kan op zich bezwaarlijk een grond voor herziening opleveren. Als het anders was, zou van het litis finiri oportet niets overblijven. Om die reden kan ook het feit dat op de veroordeling kritiek mogelijk is, bezwaarlijk een grond voor herziening vormen. Vóór de rechter vonnis wees, was er volop gelegenheid tot debat. Dat de verdediging ongelijk kreeg, wil niet zeggen dat haar argumenten onzinnig waren. Wel kan gezegd worden dat de rechter andere argumenten zwaarder liet wegen. Met dat oordeel hoeft men het niet eens te zijn. Men moet zich er wel bij neerleggen. Anders kan van de rechter net zo goed geen beslissing worden gevraagd. De argumenten die vooraf voor vrijspraak pleitten, zijn er na de uitspraak nog steeds. Dat op grond daarvan kritiek op de veroordeling kan worden geventileerd, kan moeilijk een reden voor herziening vormen. Daarbij zij aangetekend dat de advocaat die zijn ter zitting gehouden (niet onzinnige, plausibel klinkende) pleidooi voor vrijspraak na de uitspraak blijft uitdragen, min of meer vrij spel heeft. Een officier van justitie die hem tegenspreekt, is er niet meer. Daardoor kan er gemakkelijk het beeld ontstaan dat de veroordeelde ten onrechte is gestraft. In een mediacratie, waarin het beeld alles overheersend is geworden, is dat niet onbedenkelijk. Alleen "harde", houvast biedende criteria kunnen dan voorkomen dat de grond onder het litis finiri oportet wordt weggespoeld.

3.2.6 Juist de gedachte dat aan de rechtsstrijd een einde moet komen, maakt dat het feit dat over de juistheid van de uitspraak verschillend kan worden geoordeeld - dat op die uitspraak kritiek kan worden uitgeoefend - geen reden voor herziening kan vormen. Dat leidt tot de volgende, niet onbelangrijke constatering. Het uitgangspunt van de Hoge Raad dat een andere mening, overtuiging of gevolgtrekking in het algemeen geen grond voor herziening oplevert, vindt zijn grondslag rechtstreeks in het adagium litis finiri oportet. Dat uitgangspunt kan dan ook nog steeds ten volle worden onderschreven. Er moet méér zijn dan alleen een andere mening, met hoeveel verve die mening ook wordt verkondigd. De eis van een nieuw feit kan worden gezien als een vertaling van die gedachte.

3.2.7 Logisch dwingend is die vertaling niet (waarom zou het méér dat nodig is uitsluitend uit een nieuw feit kunnen bestaan?), maar misschien wel praktisch noodzakelijk. In deze benadering vormt de eis van een nieuw feit het noodzakelijke houvast dat de herzieningsrechter bij gebrek aan beter geboden wordt. Zonder "hard" criterium kan moeilijk voorkomen worden dat de rechtsstrijd weer oplaait. De vraag of de veroordeling moet worden herzien, valt dan namelijk al gauw samen met de vraag of die veroordeling terecht is. Voor de beantwoording van die vraag is nodig dat het proces wordt heropend.

3.2.8 Het is dus minder juist om de eis van een nieuw feit uitsluitend te beschouwen als een overblijfsel van een verouderd gedachtegoed. Dat de handhaving van het gezag van de rechter reden vormt voor het in stand laten van foutieve beslissingen is, zo zagen wij, niet meer van deze tijd. Er is dus geen goede grond om nog langer vast te houden aan de gedachte dat herziening alleen kan volgen in gevallen waarin de rechter geen blaam treft. Dat kan reden vormen om de wettelijke regeling en de invulling die daaraan in de jurisprudentie is gegeven, bij te stellen. Tegelijk moet men oppassen dat het kind niet met het badwater wordt weggegooid.

3.2.9 Waartoe leidt dit alles? In de eerste plaats tot de vaststelling dat de wettelijke regeling zoals die thans geldt, het kader vormt waaraan de Hoge Raad bij de beoordeling van de onderhavige herzieningsvordering is gebonden. Dat betekent dat alleen herziening kan volgen als sprake is van een novum zoals dat in art. 457 lid 1 sub 2e Sv is omschreven. In de tweede plaats tot de vaststelling dat bij de uitleg van de geldende wet moet worden vastgehouden aan het uitgangspunt dat een andere mening, overtuiging of gevolgtrekking in het algemeen geen grond voor herziening kan opleveren. Voor zover de eis van een novum op dat uitgangspunt is gebaseerd, kan daaraan onverkort worden vastgehouden. In de derde plaats tot de vaststelling dat bij de uitleg van de wettelijke regeling afstand moet worden genomen van de gedachte dat de fout niet in de feilbaarheid van de rechter mag worden gezocht. Dat biedt ruimte om de bestaande jurisprudentie bij te stellen of in elk geval te nuanceren. De mogelijkheden daartoe zullen in het onderstaande worden verkend.

3.3 De derde dwalingsvorm

3.3.1 Bij de totstandkoming van de huidige wettekst in 1899 lijkt de wetgever te zijn uitgegaan van een tweedeling in foutieve vonnissen. Aan de ene kant vonnissen die het gevolg waren van rechtsdwaling, aan de andere kant vonnissen die het gevolg waren van een feitelijke dwaling. Rechtsdwaling kon nimmer tot herziening leiden.(21) Dit was een type fout waarvoor de rechter blaam treft: hij moet immers als geen ander het recht kennen. In hoeverre dat het argument is geweest om de rechtsdwaling buiten de deur te houden, is overigens niet duidelijk. Uit de wetsgeschiedenis blijkt in elk geval van een ander argument. Herziening mocht geen "termijnloos" cassatieberoep worden.(22) Door dat argument wordt de blaam bij wijze van spreken op de schouders van de veroordeelde gelegd. Hij heeft zijn recht verspeeld omdat hij heeft nagelaten tijdig beroep in cassatie in te stellen.

3.3.2 Feitelijke dwaling als herzieningsgrond achtte de wetgever wel aanvaardbaar. Daarbij speelde zoals wij reeds zagen een rol dat dit type fout de rechter niet verweten kan worden. Hij kon het immers ook niet helpen dat bepaalde feiten niet eerder boven water waren gekomen. Strijards heeft erop gewezen dat de wetgever zich hierbij sterk liet leiden door de gedachte dat de werkelijkheid een gegeven is dat onafhankelijk van het rechterlijk oordeel bestaat. De onveranderlijke werkelijkheid kan slechts meer of minder goed door de rechter zijn gekend.(23) In die benadering past dat het novum wordt gezien als een 'feitelijk' feit, als een onderdeel van een gegeven realiteit dat door een communicatiestoornis, een gebrek in de zintuigelijke waarneming van de werkelijkheid, de rechter niet heeft bereikt.

3.3.3 Door die benadering viel een categorie fouten als het ware tussen de wal en het schip. Ik doel op de fouten die de rechter kan maken bij de selectie en de waardering van het bewijsmateriaal. Die selectie en die waardering is mede afhankelijk van de kennis en de kunde van de rechter. En daarmee kan van alles mis zijn. De gevolgtrekkingen die de rechter maakt, kunnen onlogisch zijn en de vooronderstelingen waarvan hij uitgaat niet deugen. Zijn kennis kan tekortschieten om de relevantie van bepaalde feiten te doorgronden. De rechter kan ook gegevens eenvoudig over het hoofd zien, hetgeen ook bij de meest zorgvuldige bestudering van het dossier kan gebeuren. Mogelijk is ook dat de rechter feiten negeert, juist doordat de bestudering van het dossier tot een "tunnelvisie" heeft geleid waarin die feiten niet passen. De rechter is tenslotte ook maar een mens, en daarmee een bron van fouten.

3.3.4 De hier genoemde categorie fouten lijkt op de rechtsdwaling in zoverre het daarbij ook gaat om een rechterlijk tekort bij de beoordeling van de feiten. Het argument dat de veroordeelde maar in cassatie had moeten gaan, gaat hier echter niet op. Het is immers vaste jurisprudentie dat in cassatie niet over de selectie en de waardering van het bewijsmateriaal kan worden geklaagd. De Hoge Raad laat de feitenrechter binnen ruim getrokken grenzen "vrij" in de bewijswaardering en eist alleen in een beperkt, zij het toenemend aantal gevallen dat de rechter zijn beslissing op dit punt motiveert. In het verlengde van deze - met de aard van de cassatierechtspraak samenhangende - waarderingsvrijheid die de feitenrechter wordt gelaten, ligt dat in cassatie niet met succes een beroep kan worden gedaan op feiten in het dossier die met de uitspraak niet te verenigen zijn. Feiten die de rechter niet heeft vastgesteld (en waarop door de verdediging geen beroep is gedaan), staan in cassatie niet vast.(24)

3.3.5 Rekent de Hoge Raad als cassatierechter fouten bij de selectie en de waardering van het bewijsmateriaal dus tot het domein van de feiten, als herzieningsrechter doet hij dat niet. Hij rekent die fouten dan tot het oordeel van de rechter, dat niet ter discussie staat zolang zich geen nieuwe "feiten" voordoen. Een beroep op een foute beoordeling van het bewijsmateriaal stuit zoals wij zagen in herziening af op het uitgangspunt dat een mening, oordeel of gevolgtrekking geen feitelijke omstandigheid vormt.

3.3.6 Deze derde vorm van dwaling bleef in 1899 als gezegd buiten beeld. Daarbij speelde mogelijk een rol dat de rechterlijke overtuiging destijds sterk werd gezien als een persoonlijk en subjectief gevoel van de rechter, dat zich niet aan regels liet binden.(25) Nog in de vergadering van de Nederlandse Juristenvereniging van 1886 toonde de meerderheid zich een voorstander van het bewijsstelsel van de conviction intime, waarbij de "bloot gemoedelijke overtuiging" van de rechter, net als het geval is bij juryrechtspraak, een voldoende basis voor veroordeling vormt. In die benadering valt over de rechterlijke overtuiging niet te twisten. Als men de overtuigingsvorming ziet als een ongrijpbaar proces dat zich in het hoofd van de rechter voltrekt, als een proces dat niet logisch is en niet te beredeneren valt, kan men daarop ook geen kritiek hebben. De rechter is overtuigd of hij is dat niet. Daar heeft men zich bij neer te leggen, net als bij het oordeel van de jury.

3.3.7 Ook al kennen wij een negatief-wettelijk bewijsstelsel, waarbij de rechter is gebonden aan het wettig bewijsrecht, de gedachte dat de rechter voor het overige "vrij" moet worden gelaten, is lange tijd overheersend geweest. Voor zover het daarbij gaat om een afkeer van dwingende bewijsregels is dat niet ten onrechte. De vrijheid die de rechter wordt gelaten, is echter, zo laat Dreissen zien, niet gecompenseerd door de ontwikkeling van een bewijstheorie en daarop gebaseerde motiveringseisen.(26) Dat heeft niet alleen gevolgen voor de controle in cassatie, maar ook voor de mogelijkheden van herziening. Als de rechter zijn oordeel niet motiveert, en een bewijstheorie ontbreekt op grond waarvan die motivering kan worden beoordeeld, kunnen beoordelingsfouten niet manifest worden. Zij bestaan dan in de praktijk eenvoudig niet.

3.3.8 In 1899 was van een bewijstheorie en van motiveringseisen zeker nog geen sprake. Het is dus niet zo gek dat de wetgever destijds aan de derde dwalingsvorm voorbijging. De vraag daarbij is of het in 1899 veel anders had gekund. Een bruikbare bewijstheorie dient gebaseerd te zijn op deugdelijke wetenschappelijke kennis. En daaraan lijkt het destijds te hebben ontbroken. Er zat dus misschien niet veel anders op dan dat de bewijswaardering werd overgelaten aan het gezonde verstand van de rechter. Tegenwoordig echter redt de rechter het niet meer met zijn gezonde verstand alleen. Dat komt door (wat ik zou willen noemen) de verwetenschappelijking van de bewijsvoering die sinds 1899 is opgetreden. Die verwetenschappelijking kent twee aspecten.

3.3.9 Het eerste aspect betreft de opkomst van de rechtspsychologie. De toegenomen kennis op dit terrein onderstreept hoe feilbaar het gezonde verstand is. Het vertrouwen in het oordeel van de rechter is daardoor niet versterkt, hetgeen weer heeft geleid tot een groeiende behoefte aan een betere verantwoording van dat oordeel in het vonnis. De rechtspsychologie heeft ook criteria aangedragen die houvast bieden bij de waardering van het bewijsmateriaal en op grond waarvan die waardering achteraf kan worden gekritiseerd. Daardoor zijn beoordelingsfouten in beeld gekomen. Zij blijken te bestaan.

3.3.10 Het tweede aspect betreft de opkomst van het technisch bewijs, die weer in de hand is gewerkt door de toegenomen kennis op het terrein van de natuurwetenschappen. De waardering van dat technische bewijs vraagt om specialistische kennis, waarover de rechter doorgaans niet beschikt. Hij heeft deskundigen nodig die de stille getuigen voor hem laten spreken. De toegenomen afhankelijkheid van wetenschappelijke kennis maakt het rechterlijk oordeel vatbaar voor kritiek vanuit de desbetreffende wetenschap. Het kan daarbij gaan om een gebrek in de kennis van de deskundige waarop de rechter zich verliet, maar ook om het negeren van ontlastend bewijs waarvan de relevantie zonder deskundige bijstand gemakkelijk kan worden gemist. Ook hier kunnen beoordelingsfouten dus manifest worden.

3.3.11 De geschetste ontwikkeling roept de vraag op of het nog langer verantwoord is om de derde dwalingsvorm te negeren. Ik meen van niet. Ik merk daarbij op dat het buitensluiten van deze dwalingsvorm, anders dan bij de rechtsdwaling het geval is, niet lijkt te heben berust op een principiële keuze van de wetgever. Het was meer dat van dit type fout in de praktijk niet kon blijken. Voor zover meespeelde dat het gezag van de rechter niet mocht worden aangetast, gaat het om een achterhaald argument waarop niet langer een beroep kan worden gedaan (hiervoor, onder 3.2).

3.3.12 Het antwoord op de vraag of en in hoeverre beoordelingsfouten tot herziening kunnen leiden, moet gezocht worden binnen het geldende wettelijke kader (hiervoor, onder 3.2.9). De vraag is dus hoeveel ruimte dat kader biedt. Het gaat daarbij om twee punten. In de eerste plaats om de eis dat de rechter onbekend moet zijn geweest met de omstandigheid die als novum wordt opgevoerd. Zie daarover paragraaf 3.5. In de tweede plaats om de vraag hoe feitelijk die omstandigheid dient te zijn. Daarover gaat paragraaf 3.6. Eerst evenwel enkele relativerende opmerkingen (3.4).