We hebben 93 gasten online

Pleitaantekeningen Mr. Franken & Mr. Visser regiezitting Gerechtshof Arnhem Lucia de Berk 9 december 2009

Gepost in Lucia de Berk

BOHLER FRANKEN KOPPE WIJNGAARDEN

GERECHTSHOF TE ARNHEM

Meervoudige strafkamer 9 december 2009, 09.00 uur Parketnummer: 21-004292/08

Pleitaantekeningen

Van: mr. A.A. Franken en mr. A.P. Visser

In de strafzaak tegen: Lucia Isabella Quirina DE BERK

Inleiding

1. Sinds de regiezitting van 5 februari 2009 zijn meer dan negen maanden verstreken. Die maanden zijn nuttig gebruikt, in die zin dat belangrijke onderzoeksresultaten aan het dossier zijn toegevoegd. Aan de opdrachten die uw gerechtshof in het tussenarrest van 19 februari 2009 heeft geformuleerd, is voldaan.

2. Intussen valt het wachten Lucia om begrijpelijke redenen zwaar. In het reclasseringsrapport, dat nog steeds actueel is, zijn de problemen die zij ondervindt goed beschreven. Daarom is de doelstelling van de verdediging voor deze regiezitting eenvoudig: het is nu zaak dat op heel korte termijn duidelijkheid wordt geboden. Dat betekent dat de verdediging aandringt op een snelle behandeling en voorts dat het verzoek wordt herhaald om op voorhand te vernemen wat volgens het openbaar ministerie en het gerechtshof de insteek van die inhoudelijke behandeling zal zijn.

3. Op die wens en dat verzoek kom ik straks terug. Voor de onderbouwing daarvan moet in ieder geval aandacht worden besteed aan de recente onderzoeksresultaten. Die bevindingen maken namelijk naar het oordeel van de verdediging duidelijk dat een snelle behandeling niet ten koste zal gaan van de waarheidsvinding en de noodzaak van een zorgvuldig proces, en dat er niets aan in de weg staat dat zowel het openbaar ministerie als uw gerechtshof zich op voorhand uitspreekt over de wijze waarop de feiten zullen worden behandeld.

4. Ik breng in dat verband allereerst, maar kort, de algemene uitgangspunten in herinnering, die de verdediging op de regiezitting van 5 februari 2009 heeft geformuleerd. De herzieningsbeslissing brengt mee dat het ernstige vermoeden bestaat dat Amber Zuiderwijk niet is vermoord, maar dat zij een natuurlijke dood is overleden. Ten aanzien van de andere levensdelicten die bewezen zijn verklaard, is zogenoemd schakelbewijs van doorslaggevend belang geweest. Met het wegvallen van de cruciale schakel die de dood van Amber Zuiderwijk volgens het Haagse gerechtshof was, geldt daarom ook ten aanzien van de andere feiten dat het ernstige vermoeden bestaat dat Lucia daarvoor ten onrechte is veroordeeld. Daar komt bij dat voor die feiten geldt dat een natuurlijke oorzaak van overlijden of van een levensbedreigend incident aannemelijk is, en door deskundigen ook is aangewezen. En tot slot is van meet af duidelijk geweest dat ieder direct bewijs voor betrokkenheid van Lucia bij de ten laste gelegde feiten ontbreekt. De enkele vaststelling dat Lucia dienst had bij een aantal van die feiten — en dus niet bij alle feiten — is natuurlijk niet voldoende, zoals Knigge in de herzieningsprocedure reeds terecht heeft opgemerkt.

5. Welke lessen kunnen nu worden getrokken uit de onderzoeken die sinds de regiezitting van 5 februari 2009 zijn uitgevoerd?

De recente onderzoeksresultaten

Meulenbelt over Amber Zuiderwijk

6. In zijn rapport van 20 juli 2009 is de hoogleraar Meulenbelt tot de volgende conclusies gekomen ten aanzien van het overlijden van Amber Zuiderwijk:

a. het overlijden is het gevolg van toenemende insufficiëntie van de ademhalingsfunctie bij een al ernstig zieke zuigeling met weinig lichamelijke reserve bij multipele lichamelijke problematiek, en kan dus medisch goed worden verklaard uit het klinische beloop (p. 3);

b. de ernstig verhoogde en sterk wisselende ademhalingsfrequentie die uit de trend graphs blijkt, duidt erop dat Amber Zuiderwijk in de uren voor haar overlijden het moeilijk heeft om, ondanks de zuurstoftoediening, de zuurstofsaturatie te handhaven (p. 3-4);

c. de trend graphs laten zien dat kort voor het overlijden eerst de ademfrequentie daalt en kort daarna de hartfrequentie, en die verschijnselen passen goed bij uitputting (p. 4).

7. Meulenbelt heeft dus nog een keer duidelijk gemaakt dat het overlijden van Amber Zuiderwijk medisch goed verklaarbaar is, en een natuurlijke oorzaak heeft. Dat was ook al zijn uitvoerig onderbouwde conclusie in het rapport van 28 februari 2008, uitgebracht in het kader van de herzieningsprocedure op verzoek van advocaat-generaal Knigge. Ik breng in herinnering dat Meulenbelt in dat rapport ook uiteen heeft gezet dat het niet waarschijnlijk is dat de digoxine in het lichaam van Amber Zuiderwijk heeft bijgedragen aan haar overlijden. De concentraties digoxine in de organen zijn daarvoor (lang) niet hoog genoeg, terwijl bovendien klinisch geen specifieke aanwijzingen voor een digoxinevergiftiging zijn geconstateerd (rapport van 28 februari 2008, p. 42).

Aderjan en Tytgat over Amber Zuiderwijk

8. Het rapport van Aderjan van 21 oktober 2009 maakt allereerst duidelijk dat en waarom het zogenoemde "bloederig vocht in de gaasjes" niet als een representatief monster kan worden beschouwd (p. 15-19). Het is, zo schrijft hij, forensisch onverantwoord om dat bloederige vocht als representatief te typeren (p. 16). Hij neemt dan ook uitdrukkelijk afstand van De Wolff, die heeft betoogd dat de meetwaarden in dat bloederig vocht gelijk zijn te stellen aan meetwaarden in bloed (p. 31 e.v.). Vervolgens heeft Aderjan inzichtelijk gemaakt dat de gevonden concentraties hoe dan ook te laag zijn voor een intoxicatie met digoxine, en hij komt tot de volgende conclusie (p. 39-40):

"De beschikbare gegevens leiden tot de conclusie dat niet alleen het klinisch verloop, maar ook de samenstelling van de relatief geringe digoxinewaarden (resp. de equivalenten daarvan) in de orgaanweefsels van Amber S. Zuiderwijk niet duiden op een vergiftiging.

De oorzaak voor het feit dat er zich in de weefsels digoxine bevond (waarbij deze stof op het tijdstip van overlijden niet noodzakelijkerwijs meer actief geweest hoeft te zijn) kan gezien de lange digoxinehalfwaardetijden en de doorgaans complexe ziekenhuispraktijk zeer uiteenlopend van aard zijn en teruggaan tot een aantal dagen voor de desbetreffende gebeurtenis."

9. In zijn rapport van 20 november 2009 schrijft Tytgat dat hij de mening van Meulenbelt deelt dat de reële mogelijkheid bestaat dat Amber Zuiderwijk door uitputting is overleden en dat het overlijden kan worden gezien in de ziektegeschiedenis (p. 5). Over de digoxine-concentratie kunnen geen betrouwbare uitspraken worden gedaan, aldus ook Tytgat, omdat het monster "bloederig vocht in de gaasjes" niet als een representatief biologisch staal kan worden beschouwd (p. 6). Bovendien onderschrijft Tygtat het oordeel van Meulenbelt dat de aangetroffen concentraties digoxine te laag zijn om een causaal verband met het overlijden van Amber Zuiderwijk te kunnen vaststellen (p. 6).

Meulenbelt over Achraf el Ghadouani

10. In een rapport van 20 juli 2009 heeft Meulenbelt ook de reanimatie van Achraf el Ghadouani beoordeeld. Ik citeer zijn slotsom

"Op grond van de mij ter beschikbare gegevens, kom ik niet tot de conclusie, dat bij dit incident medicijnen een rol hebben gespeeld. Retrognatie (terugwijkende kaak, toevoeging SF), slikstoornissen, luchtweginfectie met slijmvorming en mogelijk regurgitatie uit de maag (opgeven van maaginhoud, toevoeging SF), waarin zich voedsel bevond, bij een patiënt in rugligging hebben geleid tot partiële of gehele obstructie van de ademweg. Daarnaast moet rekening worden gehouden met een beperkte longfunctie, gezien de ontslagbrief van het AMC Amsterdam en de bloedgassen bepaald in het JKZ (...). Bovendien was hij bekend met een verminderde hartfunctie. De ademstilstand en naar mijn mening daarop volgende hartstilstand kunnen verklaard worden door de multipele problemen hier opgesomd."

11. De integrale beoordeling van deze reanimatie door Meulenbelt leidt wederom tot een heldere conclusie: een natuurlijke oorzaak voor dit levensbedreigende incident is aannemelijk, en iedere aanwijzing voor een niet-natuurlijke oorzaak ontbreekt.

Meulenbelt over Ahmed Noory

12. In zijn rapport van 20 juli 2009 over Ahmed Noory bespreekt Meulenbelt eerst de intoxicatie op 25 januari 2001 als gevolg van een overdosering chloralhydraat. Hij heeft in dat verband verschillende scenario's uitgewerkt. Zie ik het goed, dan acht hij het derde scenario het meest waarschijnlijke: bij vergissing is in de ochtend in plaats van chloorhexidine aan Ahmed Noory chloralhydraat gegeven. Meulenbelt wijst erop dat zowel de verpleegkundige Koolwijk (in een verklaring) als de arts-assistent De Boer (in de medische status) aanvankelijk chloorhexidine en chloralhydraat door elkaar heeft gehaald (p. 14). Hij voegt eraan toe dat uit de beschikbare gegevens niet is op te maken wie die vergissing heeft gemaakt: een medewerker van de apotheek die de medicatie heeft klaargelegd, de dagverpleegkundige of iemand anders (p. 15).

13. Bovendien wijst Meulenbelt erop dat reeds een extra dosis van 625 mg chloralhydraat voldoende is om de hoge spiegel in de namiddag van 25 januari 2001 te verklaren. Dat is belangrijk, omdat volgens de voorschriftenlijst van de artsen een extra gift van 625 mg aan Achmed Noory mocht worden gegeven (p. 17). Zo nodig mocht zelfs tweemaal per dag een extra dosis van 625 mg worden toegediend.

14. Als wordt uitgegaan van een extra dosis van 625 mg chloralhydraat die de gemeten concentratie kan verklaren, dan moet dus worden vastgesteld dat deze gift binnen de grenzen valt die de betrokken artsen hebben getrokken. Dat is een belangrijke aanwijzing. Van een opzettelijke poging om Achmed Noory van het leven te beroven, kan onder die omstandigheden geen sprake zijn. Bovendien merkt Meulenbelt terecht op dat niet kan worden vastgesteld wie de dosis in de ochtenduren van 25 januari 2001 heeft toegediend. Ik herhaal dat de stelling dat Lucia daarvoor verantwoordelijk is niet door enig feit kan worden onderbouwd.

15. Vervolgens heeft Meulenbelt het overlijden van Achmed Noory op 23 februari 2001 onderzocht. Opnieuw kan over zijn conclusies geen misverstand bestaan (p. 28):

"Het overlijden op 23-02-2001 is vermoedelijk tot stand gekomen door een combinatie van sedativa, die in een te korte tijd aan Ahmed zijn toegediend. De sedativa zoals deze zijn verantwoord in de status en afgetekend door de verpleegkundigen, kunnen het overlijden tot gevolg hebben gehad. Ahmed liep extra risico wegens zijn verminderde longfunctie, malacie (slap skelet van de luchtwegen) van het larynxgebied (keelgebied) en afwijkende stembanden. Bovendien had hij diffuus gezwollen slijmvliezen van de lagere luchtwegen, gepaard gaande met roodheid en collaberen van de luchtwegen, een beeld passend bij een diffuse bronchitis (ontsteking van de luchtwegen)."

16. Het beeld dat Meulenbelt schetst, laat niets aan duidelijkheid te wensen over.

De combinatie van medicijnen die Achmed Noory op 23 februari 2001 is toegediend, op voorschrift van de artsen, heeft een zodanige impact gehad op zijn ademhalingsfunctie dat het uiteindelijk de dood tot gevolg kan hebben gehad (p. 26-27).

De informatie van de Nederlandse Vereniging voor Pathologie

17. Tegenover het Haagse gerechtshof heeft de verdediging reeds uitvoerig betoogd dat een onverklaarbare en onverwachte dood niet betekent dat dus sprake is van een niet-natuurlijke dood, en dat dit zeker niet zonder obductie kan worden vastgesteld. Dat gerechtshof dacht daar anders over. De advocaat-generaal heeft daarover nadere vragen gesteld aan de Nederlandse Vereniging van Pathologie. De pathologen die vervolgens hebben gereageerd zijn eensluidend in hun oordeel: het is onverantwoord en beslist onjuist om zonder obductie menselijk handelen als oorzaak te zien van een onverwachte en onverklaarbare dood. In de reacties wordt verwezen naar onderzoeken waaruit bijvoorbeeld blijkt dat na een obductie moet worden vastgesteld dat de klinische diagnose in veel gevallen (25 tot 33 %) niet volledig of niet juist is, terwijl ook na obductie in veel gevallen (42-63 %) geen duidelijke verklaring voor het overlijden kan worden gevonden. De onjuistheid van het door het Haagse gerechtshof gehanteerde uitgangspunt staat daarmee vast.

Hoe nu verder?

18. De deskundigen Meulenbelt, Aderjan en Tytgat hebben eensluidend gerapporteerd dat de veronderstelling dat Amber Zuiderwijk is vergiftigd met digoxine niet past bij de gevonden concentraties en bij het klinisch beloop. Een natuurlijke oorzaak, zoals uitvoerig gedocumenteerd in met name de rapporten van Meulenbelt, is de oorzaak van haar overlijden geweest. Meulenbelt heeft voorts duidelijk gemaakt dat de reanimatie van Achraf el Ghadouani en de dood van Achmed Noory ten onrechte als strafbare feiten — als poging tot moord en mood — aan Lucia de Berk zijn toegeschreven. Bij de dood van Achmed Noory kan op zichzelf worden gedacht aan verwijtbaar handelen van de betrokken artsen — die immers teveel sederende middelen hebben voorgeschreven en onvoldoende rekening hebben gehouden met het complexe ziektebeeld van de patiënt — maar hoe dan ook is duidelijk dat Lucia de Berk hiermee niets te maken heeft. Ten aanzien van de intoxicatie van Achmed Noory met chloralhydraat heeft Meulenbelt uiteengezet dat een extra dosis van 625 mg, die volgens de doktersvoorschriften mocht worden gegeven, reeds voldoende is om de coma te verklaren en dat het zeer wel mogelijk is dat in de ochtend van dit incident een vergissing is gemaakt. Door wie dan ook, voeg ik eraan toe. Het enkele feit dat Lucia die ochtend dienst had, betekent natuurlijk niet dat zij die vergissing heeft gemaakt. Er is niets, helemaal niets dat daarop wijst. En daarboven komt dan nog bijvoorbeeld de algemene vaststelling dat zonder een obductie gewoon niet mag worden vastgesteld dat aan het overlijden een niet-natuurlijke oorzaak ten grondslag ligt, terwijl ook na een obductie de doodsoorzaak vaak een raadsel zal blijven.

19. De herzieningsbeslissing van de Hoge Raad betekent reeds dat het ernstige vermoeden bestaat dat Lucia de Berk moet worden vrijgesproken van de haar ten laste gelegde levensdelicten. De recente onderzoeksresultaten versterken dat ernstige vermoeden, en breiden de grondslag daarvoor uit: niet alleen bij Amber Zuiderwijk, maar ook bij Achmed Noory (tweemaal) en Achraf el Ghadouani is nu duidelijk waarom het gerechtshof in Den Haag ten onrechte Lucia de Berk verantwoordelijk heeft gehouden.

20. Dat betekent dat nu snel duidelijkheid kan — en wat mij betreft ook: moet - worden geboden. Ik dring dus in de eerste plaats aan op een snelle behandeling. Ik heb mijn agenda meegenomen, en wat mij betreft kan vandaag een datum voor de inhoudelijke behandeling worden vastgesteld.

21. De consequentie daarvan is dat naar het oordeel van de verdediging eventuele nadere onderzoekswensen van het openbaar ministerie niet moeten worden gehonoreerd. In juridische termen: met het thans beschikbare materiaal kunnen nadere onderzoekshandelingen niet meer als noodzakelijk worden beschouwd.

Het zou het openbaar ministerie sieren als de vertegenwoordigers die vandaag ter terechtzitting aanwezig zijn dat met zoveel woorden uitspreken.

22. Daarmee kom ik toe aan mijn verzoek aan het openbaar ministerie en uw gerechtshof om op voorhand aan te geven hoe de inhoudelijke behandeling vorm wordt gegeven. Het is naar mijn oordeel volstrekt duidelijk dat de onderzoeksresultaten die door de Commissie Evaluatie Afgesloten Strafzaken, in de loop van de herzieningsprocedure en sinds de regiezitting van 5 februari 2009 zijn verkregen allemaal ondubbelzinnig uitwijzen dat Lucia de Berk groot onrecht is aangedaan door haar te veroordelen voor een tiental levensdelicten en dat zij door uw gerechtshof van die feiten moet worden vrijgesproken. Als het openbaar ministerie en uw gerechtshof dat oordeel onderschrijven en dat vandaag ook uitspreken, dan behoeft voor de inhoudelijke behandeling niet veel tijd te worden uitgetrokken. Als voor iedereen op voorhand de uitkomst duidelijk is en de waarheidsvinding niet vraagt om een gedetailleerde en uitvoerige behandeling van feiten die eerder al uitputtend zijn besproken, dan is het allereerst een kwestie van proceseconomie om de zaak kort en krachtig af te doen. Maar bovenal komt mijn voorstel tegemoet aan de gerechtvaardigde belangen van Lucia de Berk. Met haar gezondheidsituatie en de noodzaak om zoveel mogelijk spanning te vermijden, moet rekening worden gehouden. En tot slot is van belang dat de kosten van de rechtsbijstand die mr. Visser en ik aan Lucia de Berk verlenen in dat geval beperkt kunnen blijven.

23. Dat geldt niet als wij wederom ieder detail uit het omvangrijke dossier moeten bestuderen en een uitvoerig pleidooi moeten houden. Als dat moet omdat het openbaar ministerie of uw gerechtshof niet op voorhand duidelijkheid willen verschaffen, dan doen wij dat uiteraard. Maar dat kost veel tijd, en zal de Staat in het kader van de gefinancierde rechtshulp veel geld kosten. Het zal veel spanning bij Lucia de Berk opleveren, die voor haar kwetsbare gezondheid niet bevorderlijk is. En ik kan niet inzien hoe die aanpak nog relevant kan zijn voor de waarheidsvinding, gelet op hetgeen ik hiervoor heb opgemerkt. Maar wij kunnen, willen en mogen geen enkel risico lopen. Daarom verzoek ik met klem om op voorhand aan te geven wat uw gerechtshof van de verdediging verwacht, gelet op de verwachte uitkomst van de zaak.

Verzocht wordt deze pleitaantekeningen te hechten aan het proces-verbaal van de terechtzitting.