We hebben 337 gasten online

Politie zat fout bij priesters in pedofoliezaak

Gepost in Misbruik RKK

Joep Dohmen in NRC 6 oktober 2010

Rotterdam, 6 okt. Justitie heeft in 1980 en 1985 ten onrechte strafzaken geseponeerd tegen twee pedofiele priesters die zelf seksueel misbruik van een groot aantal kinderen hadden toegegeven. Eén van de priesters ging daarna door met het misbruik.

Harm Brouwer, voorzitter van het College van procureurs-generaal, zegt dat beide sepots „geen juiste beslissingen zijn geweest”. Hij reageert op het boek Vrome zondaars van Joep Dohmen, redacteur van NRC Handelsblad, dat vandaag verschijnt.

Volop bewijs

In beide misbruikzaken – in Zuid-Holland en Limburg – was volop bewijs. Naast de bekentenis van de daders waren er talrijke getuigenverklaringen. De priesters mochten, na voorwaardelijke seponering van hun zaak, naar een klooster.

In het boek meldt oud-bisschop Jo Gijsen van Roermond (1972- 1993): „Wij hadden bepaalde contacten met officieren van justitie in Roermond en Maastricht om zaken voor te leggen. Dan vroegen wij om een zaak eens te bekijken en ons te adviseren wat wij moesten doen.”

Het Openbaar Ministerie (OM) zegt niet op de hoogte te zijn van de informele contacten die de RK Kerk onderhield met officieren.

Volgens advocaat Richard Korver, voorzitter van de stichting LANZS die juridische bijstand aan slachtoffers van zedenmisdrijven geeft, past het sepot van ‘panklare’ misbruikzaken tegen priesters in een cultuur die het OM tot in de jaren tachtig kenmerkte: „Slachtoffers die misbruik wilden melden, werden afgeserveerd. Het viel zogenaamd niet te bewijzen of men werd niet geloofd. Het OM probeerde vooral de verhoudingen met de Kerk goed te houden. Veel officieren van justitie waren trouwe katholieken. Dat gold ook voor rechters.” Het OM bestrijdt dat er een cultuur van toedekken was en vindt dat de uitspraken van Korver „geen hout snijden”.

Diskrediet

Emeritus hoogleraar strafrecht Jan Reijntjes, in de jaren zeventig en tachtig officier van justitie in Roermond en Maastricht, zegt dat bij justitie destijds de opvatting heerste dat instituties als Kerk en overheid niet nodeloos in diskrediet moesten worden gebracht. „Die opvatting was op zichzelf niet onjuist, maar inmiddels is het besef toegenomen dat vervolging nodig kan zijn, ook al schaadt dat de goede naam van de instituties. Dat besef was er vroeger veel minder”, aldus Reijntjes.

Uit Vrome zondaars blijkt dat ook de politie soms meewerkte om misbruikzaken uit de publiciteit te houden. En als het al tot processen tegen kerkdienaren kwam, waren de straffen mild. In 1960 kreeg de pastoor van het Zeeuwse Hansweert één maand voorwaardelijk en 100 gulden (45 euro) boete voor het regelmatig misbruiken van een misdienaar.

Het boek concludeert dat de overheid faalde bij het vervolgen en bestraffen van kerkelijke misbruikers.