We hebben 224 gasten online

Misbruik onttrok zich aan historisch onderzoek

Gepost in Misbruik RKK

De samenstellers van een jubileumboek over de Broeders van Liefde in Eindhoven (2007) plaatsen kanttekeningen bij de meldingen van seksueel misbruik.

door Ad Maas en Peter Thoben n Opinie Eindhovens Dagblad 18 maart 2010

Momenteel woedt een ongekende storm over ons land (en een deel van de westerse wereld) waarin seksueel misbruik (vaak van lang geleden) in katholieke organisaties publiek gemaakt wordt. Het lijkt ons goed de mediahysterie in een realistischer perspectief te plaatsen. Voorop stellen wij dat bepaalde soorten misbruik nog altijd de volle aandacht verdienen.

Een slachtoffer verklaarde in het ED van 12 maart dat in het boek `Ten dienste van de medemens. Nederland en de Broeders van Liefde' (2007) hier veel te weinig aandacht aan is besteed. Als redacteuren hebben wij inderdaad 'zijn' melding van seksueel misbruik niet concreet in het boek willen opnemen. Hier volgt een passage (het slachtoffer citeert één stukje daaruit in het ED) om aan te geven hoe wij daarmee meenden om te moeten gaan:

'Een eïs in verband met de gepubliceerde teksten was dat de informatie gedocumenteerd en controleerbaar moest zijn. Daaraan hebben de auteurs uitstekend voldaan. Ongetwijfeld zijn er ook in de Congregatie van de Broeders van Liefde situaties geweest die verdrietig en pijnlijk waren voor leerlingen en leraren, patiënten en verplegers, medewerkers en leidinggevenden, die buiten de archieven bleven of gehouden werden. Dat gebeurde, net als in andere organisaties. De situaties worden niet ontkend of gebagatelliseerd. Ze onttrekken zich wel aan het historisch onderzoek dat voor deze publicatie werd verricht'.

Voor de publicatie van het boek gebeurde het volgende: een mevrouw meldde zich met informatie over het seksuele misbruik dat haar man is aangedaan, maar die man wilde onder geen enkele voorwaarde met name genoemd worden. Hij had ook nooit een officiële klacht ingediend. Van het ED kreeg hij wel de gelegenheid (evenals enkele andere personen) om zijn verhaal anoniem te vertellen. Wij wisten ondertussen wel dat zich mensen bij het ED gemeld hadden en lieten ook weten dat wij met die anonimiteit niet meer konden dan wat in de zojuist geciteerde passage staat. Het gesprek met de slachtoffers publiceerde het ED na enkele maanden

en wel op de dag dat het 200-jarig bestaan van de Broeders van Liefde op Eikenburg gevierd werd. Het boek en de expositie in Museum Kempenland waren toen al gerealiseerd.

Maar stel nu eens dat het artikel was verschenen op een moment dat het nog als bron gebruikt zou kunnen worden, wat moet je dan met een krantenartikel met anonieme beweringen? Deze vraag staat geheel los van het mogelijk traumatisch leed dat mensen is aangedaan.

Het zojuist beschreven incident toont aan dat niet alleen de misbruikers kozen voor stilzwijgen maar veelal ook de slachtoffers. Er waren erg weinig getuigenissen, zoals de roman `Een boek zonder liefde' (1956) van Theo Vesseur. In dat boek staat alles over wat nu als nieuws gemeld wordt.

Een ander gezichtspunt is dat klakkeloos uitgegaan wordt van een verband tussen seksueel misbruik en latere levensproblemen. Er zijn vele jongeren die in de Nederlandse pensionaten nergens last van hebben gehad (ook hun getuigenis daarvan is niet zonder risico), anderen die wel iets meegemaakt hebben maar geen verband zien met latere problemen (idem dito), en ook kinderen die ontwikkelingsproblemen opgelopen hebben of aangedaan zijn. Zonder enige twijfel- mede afhankelijk van de persoon in kwestie - hebben er traumatiserende ervaringen plaatsgevonden.

Maar een goed therapeut of psychiater is voorzichtig met het leggen van directe verbanden. Zo zullen er situaties zijn dat betreffende jongeren thuis geen enkel gehoor hebben gekregen en na een zekere klacht onverwijld teruggestuurd werden naar de instelling. Ook is er een verband met de persoonlijkheid in kwestie: wat bij de een amper indruk maakt, kan bij een ander een schok van jewelste teweegbrengen. De commissie Deetman zal gedwongen zijn om de gemelde gevallen via een lijst van objectieve criteria in kaart te brengen. Het is te hopen dat een belangeloos pedagoog of psychiater daarin zijn verantwoordelijkheid zal nemen. Ook hier zal trouwens het punt terugkomen of er wel van openbaarheid sprake kan zijn.

Nog een aspect in deze problematiek is de huidige tendens om het seksueel misbruik te zeer bij katholieke instellingen neer te leggen. Er zijn genoeg recente verhalen over misbruik in scholen, sportclubs, families en gezinnen. Om een vergelijking te maken: de zwemleraar in 's-Hertogenbosch heeft mogelijkerwijs meer slachtoffers (ook nu oppassen met dat woord) gemaakt dan een bepaald klooster in honderd jaar.

Opvallend is ook dat de normale menselijke wijsheid ons totaal verlaten lijkt te hebben. Het is niet zo verschrikkelijk vreemd dat personen mede aan de hand van hun contacten een bepaalde seksuele zelfbevrediging zoeken. Wie werpt de eerste steen? Pedofilie is door bepaalde maatschappelijke richtingen in de jaren 1960-1980 gepropageerd als normaal ('moet kunnen'). Ook is de vraag relevant of een aantal kinderen momenteel een schok oploopt door het gebeuren zelf of door de maatschappelijke reacties. Wie dit alles probeert te overzien, komt tot de conclusie dat vooral machtsmisbruik en machtswellust traumatiserend kunnen werken. Die 'relaties' kunnen op seksueel terrein plaatsvinden, maar ook daar buiten. Wie dat meemaakt is ongetwijfeld daadwerkelijk een slachtoffer.

De auteurs zijn samenstellers van het jubileumboek `Ten dienste van de medemens. Nederland en de Broeders van Liefde', Eindhoven 2007 (uitverkocht).