We hebben 152 gasten online

Tucht, troost en tranen

Gepost in Misbruik RKK

Vooral in het begin moest ik s’nacht veel huilen. Dan werd je getroost door de broeders. Die namen je apart, streelden je. En gingen daarin heel ver.

Wim Doesborgh en Serge Sekhuis in Spectrum, Eindhovens Dagblad zaterdag 13 maart 2010

Met de groeiende stroom berichten over seksueel misbruik door religieuzen in de jaren vijftig en zestig van de vorige eeuw, komt ook de wereld van de oude jongensinternaten weer tot leven. Een wereld waarin discipline, ijver en prestaties groot werden geschreven, maar ook verdriet, vernedering en heimwee. `Internisten van destijds' kijken terug.

Op een kwade nacht in de koude winter van 1968. werd het de 11-jarige Huub Reumkes uit Brunssum opeens te veel. Heimwee. He melschreiend heimwee. Hij hield het niet meer uit op het internaat Bleijerheide in Kerkrade, waar de broeders franciscanen met strenge hand regeerden. In zijn nachtkleding glipte Huub uit de slaapzaal, verliet onopgemerkt het gebouw en liep helemaal naar huis, tien kilometer ver. Naar zijnmoeder,die hem, een halfjaar eerder naar Bleijerheide had gestuurd. Halfbevroren deed hij daar zijn verhaal. Van de ijzeren discipline, de lijfstraffen en van de broeders die hem zo raar betastten als ze hem weer eens wilden `troosten'.

Reumkes, 53 inmiddels, vertelt in tranen zijn verhaal: „Mijn moeder zette me onder de douche, maakte warme melk met anijs voor me klaar en... zette te me achter op de fiets om me weer terug te brengen naar het internaat. Ik moest me niet zo aanstellen, zei ze, de broeders wisten echt wel wat ze deden. Ik heb het mijn moeder nooit vergeven. Ze heeft vijf jaar van mijn leven afgenomen. Het is ook nooit meer goed gekomen tussen haar en mij. Heimwee werd in veel jongensinternaten in de jaren vijftig, zestig met een hoofdles ter geschreven. De tot in het extreme doorgevoerde discipline, de hermetische geslotenheid van het naar binnen gekeerde internaatsleven en de soms broerige spanningen van de mannen- en jongenswereld waren voor sommige ‘internen’ ondraaglijk.

Ook Sef Huberts (65) uit Arcen bezocht drie jaar het internaat in Kerkrade. En kreeg verschrikkelijke heimwee. „Vooral in het begin moest ik 's nachts veel huilen. Dan werd je getroost door de broeders. Die namen je apart, streelden je. En gingen daarin heel ver. Ze betastten intensief mijn hele lijf. Ik heb het thuis wel eens verteld, maar mijn vader en moeder geloofden het niet. In de weekends dat ik naar huis mocht, benauwde me dan continu het idee dat ik zondagavond weer op de trein zou worden gezet, terug naar het internaat. Soms verstopte ik me, op zolder bij de tuinders in Venlo, waar we toen woonden. Maar ze vonden me altijd."

Het internaat, geleid door religieuzen. Een wereld die voorgoed voorbij leek toen de twintigste eeuw op slot ging. Ware het niet dat de echo van dubieuze seksuele praktijken van sommige religieuzen en de angsten en herinneringen van jongeren van toen nu pas in volle omvang naar boven komen. Het roept de tijd van het kostschoolbestaan in volle hevigheid terug. Van het regime dat geen millimeter ruimte bood buiten de regels en voorschriften van de broeders en paters. Van de tucht, de harde lijn, de onvoorwaardelijke gehoorzaamheid.

Dat herinnert zich bijvoorbeeld Frits Jacobs uit Heerlen, die van 1963 tot 1967, tot zijn 15e, op het kleinseminarie Sainte Marie van de paters montfortanen in Schimmert zat. Een doordeweekse dag in het leven van deze jongens begon om zeven uur 's ochtends. Een kwartier later moesten ze gewassen en aangekleed in de kapel zijn. Jacobs: „Daarna snel je bed opmaken en om acht uur ontbijten. We zaten steeds met twaalven aan lange tafels, de oudste jongens in het midden, de jongste aan de uiteinden. Daarna weer naar de kapel voor de dankzegging. Dan school, tot half drie, weer naar de kapel. Tussen drie en zes verplicht in de studiezaal. Warm eten. Na het eten mochten de kleinsten een uurtje televisie kijken, de groteren moesten weer naar de studiezaal. Acht uur kapel, negen uur in bed. Elke dag hetzelfde ritme. Op zondag drie keer naar de kerk. 's Middags konden je ouders een uurtje op bezoek komen. Dingen die je ouders voor je hadden meegenomen, werden gecontroleerd en als de broeders vonden dat het niet goed voor je was, namen ze het af"

Ook Piet Beckers (73), die zijn leven lang werkzaam was als timmerman, kan de kostschool wel dromen. De Heibloem in zijn geval, een klooster van de Broeders met de Blauwe Koorden in Heythuysen. Drie jaar zat hij er intern, van 1951 tot 1954. „Een Spartaanse tijd", zegt hij. „Zomer en winter wasten we ons met koud water. En je moest met je hele hoofd onder de kraan. Een broeder bleef erbij staan om het in de gaten te houden. Het was een streng regime, maar ik heb er wel prima mijn vak geleerd. Uit heel Nederland kwamen er jongens naar toe voor de opleiding, kinderen uit middenstandsgezinnen vooral. Je kon er voor timmerman leren, maar ook voor schilder, bakker of smid. De school stond hoog aangeschreven." Discipline en tucht werden door veel jongeren inderdaad ook als iets prettigs ervaren, iets positiefs.

Neem Ad Lutters, oud-gemeentesecretaris van Maastricht. Geboren als zoon van een politieman in Swalmen verhuisde hij vanwege vaders beroep nogal eens, kwam terecht in Thorn en Gennep om van daaruit te belanden op het internaat van het Gymnasium Immaculatae Conceptionis van de franciscanen in Venray.

„Ze waren er streng", zegt Lutters, die van 1956 tot 1963 in Venray onderwijs kreeg. „Je kreeg snel straf en bij het minste of geringste werd je bijvoorbeeld uitgesloten van het voetballen. Maar je kreeg er ook een fantastische opleiding. Er was een fijne saamhorigheid onder de jongens en er was ook biten de studie veel te doen. Er was een zwembad, je kon veel sporten. In principe was je er voor een opleiding tot priester of kloosterling. Dat heb ik daarna ook drie jaar gedaan, in het klooster. Totdat ik tijdens mijn studie filosofie, ik was toen 22, alsnog besloot iets anders te proberen."

Met aftrek van de vakanties zat je tien van de twaalf maanden op kostschool, zes jaar lang. „En dan is het logisch dat je troost en aanhankelijkheid zoekt bij de mensen die op dat moment de leiding hebben. De broeders hadden in feite de taak van onze ouders overgenomen. Een bemoedigende arm op je schouder of zo, ja dat zal het geweest zijn. Niks om je over op te winden. Ik heb nooit gemerkt dat er zich dingen hebben voorgedaan zoals die nu in zo grote getale naar buiten komen", zegt Lutters.

Maar anderen hebben op het gebied van tucht en troost minder fijne ervaringen opgedaan. Opnieuw Sef Huberts; „De broeders zagen letterlijk alles. Neem de boterhamworst. Die kregen we tot vervelens toe elke morgen op ons brood. En ik lustte dat helemaal niet. Op een morgen heb ik een stukje worst stiekem onder de tafel gegooid. Ik kon het niet door mijn keel krijgen. Had iemand het gezien? Ik dacht van niet. Totdat 's nachts een broeder de slaapzaal op kwam, naast mijn bed kwam staan en me aantikte “Meekomen!”. Ik moest naar het lokaal met de wasbakken, mijn onderbroek uitdoen. De broeder na het koord af dat nij om zijn middel droeg en gat me daarmee een flink pak slaag. Dat ging altijd zo. Je had iets gedaan, een paar tellen langer gedouched dan de minuut die daarvoor stond, gepraat als het niet mocht of iets anders waarvan je je niet eens bewust was. Dan kreeg je 's nachts de rekening gepresenteerd."

Reumkes uit Brunssum kijkt met afschuw terug op de kostschooltucht. Natuurlijk waren er leuke dingen, zoals die keer dat hij prins carnaval van de kostschool werd en voor een staatsiefoto mee mocht naar een fotograaf in de stad. Maar de meeste tijd was het kommer en kwel, bezweert Reumkes.

„Je was geen naam, maar een nummer. Ik had nummer 167. Dat stond op de stoel in de eetzaal, op je bed, in je sokken, in je on-derbroek. En o wee, als die onderbroek in je kastje niet volgens de voorgeschreven regels was opgevouwen. Dan kreeg je met een lineaal gepetst."

„Tussen de middag werd er gegeten, aan lange tafels en zonder te praten", zegt Piet Beckers. „Alles kwam uit eigen tuin. Onbespoten. Regelmatig zaten er spinnen of andere dieren in de soep of sla. De Frühlingsoep was het beruchtst, een soort groentesoep, waar werkelijk van alles in dreef. Op een keer zag ik een worm uit mijn brood kruipen, centimeters groot. De broeder naast me hield me in de gaten: ik moést die boterham opeten. Uiteindelijk heb ik de jongen naast mij een gulden gegeven en heeft hij het voor me gedaan." Huub Reumkes: „Wij waren het thuis goed gewend, lekker eten, alles op tafel. Dan viel het op kostschool erg tegen. Niet echt smakelijk, veel kool en bruine bonen. Maar je mocht er absoluut niets van vinden. Op een dag was ik zo dom te zeggen dat mijn spek koud geworden was.. De broeder in de eetzaal werd woedend. Hij nam mijn bord weg, wachtte tot iedereen klaar was en de zaal verlaten had, keek of mijn eten ook echt helemaal koud was geworden en liet me dat daarna alleen opeten. En een mep kon ik krijgen. Met de vlakke hand keihard tussen de ribben. Dat leverde, anders dan, een pak op je kont, geen blauwe plekken op en dus geen sporen.,,

Meer nog dan de tucht, overviel de jongens de seksuele toenadering door de zieleherders. Nu eens subtiel, dan weer in volle hevigheid.

Beckérs: „In het weekend mochten we douchen. Samen. Dan zeiden de broeders steeds: denk je er ook aan goed je piemeltje te wassen. Soms boden ze aan dat voor je te doen. Of begonnen ze je ineens te kussen.

Ik weet nog dat ik eens apart werd geroepen door een van de broeders. Ik moest mijn broek uitdoen en laten zien hoe ik precies mijn plasser waste, hoe ik het velletje terugtrok. Laat maar eens zien, zei hij, en daarna nog een keer en nog een keer. Hij kreeg er geen genoeg van.

Eens per maand mocht je op zondag bezoek ontvangen. Mijn moeder kwam dan langs. Ik heb haar ooit verteld wat sommigen van de broeders met de kinderen deden. Ze kon het niet geloven. Ze was bang dat ik van school zou worden gestuurd als we een klacht zouden indienen. Ik heb veel gehuild daar. Een van de broeders deed de tuin. Elke zondag lokte hij een van ons naar zijn tuinhuisje, zette die jongen op een veilingkistje, trok zijn zwarte leren jas aan en vertelde, terwijl hij achter je ging staan en tegen je op ging rijden, hoe hij vroeger een Harley Davidson-motor had gehad. Dat soort dingen, het heeft me compleet van mijn geloof doen vallen."

Reumkes heeft traumatische ervaringen van de broeders die fysiek van alles van hem wilden. „'s Nachts op slaapzaal. Als de broeder niet kwam voor straf, was het wel voor een lichamelijke eis. Ik herinner me een broeder Otto. Die stond opeens naast je bed: `Licht uit! Alles uit!' zei hij zachtjes in je oor. Moest je met hem mee naar een kamertje waar hij sliep, midden in de grote zaal, waar we met z'n zestigen lagen. Daar moesten de jongens allerlei seksuele handelingen met hem verrichten. Maar toen ik aan de beurt was, rende ik op het laatste moment altijd weg. Met het risico dat ik de volgende dag weer straf kreeg. Het was een hel."

Bij Reumkes kwam de verwerkingsklap na de kostschool. “Ik heb gespoten, gesnoven, alle dingen gedaan die God verboden heeft. Heb jaren in de gevangenis gezeten. Totdat ik een vrouw trof die me gelukkig weer op het rechte pad heeft gebracht. Militaire dienst? De jongens daar vroegen of ik het zwaar vond, maar ik heb ze uitgelachen. Na mijn ervaringen op het internaat, was de diensttijd een heerlijke tijd. Later, veel later, ben ik nog eens teruggeweest naar dat internaat, waar de broeders inmiddels waren vertrokken. Ik heb het kerkhof bezocht en heb de namen gelezen van de broeders die mij dat alles hebben aangedaan. Je verdiende loon, siste ik dan. Ik heb dat hele internaat mijn leven lang meegesleept."