We hebben 125 gasten online

Deel 1b De R.K.Kerk en de 'Bedrijfsongevallen'

Gepost in Misbruik RKK

bisschoppen als struisvogels

3) Twee voorbeelden van misbruik door priesters binnen nonnenkloosters aan de hand van ervaringen van 2 ex nonnen.

Ik vond het zeer opmerkelijk dat ik in de twee boeken die ik heb gelezen over nonnen die na een aantal jaren uittraden passages stonden die te maken hadden met een ongebruikelijke rol van priesters ten opzichte van de ex nonnen. Te opvallend eigenlijk. Het eerste boek waaruit ik passages heb gehaald is het boek van Annick Verslegers

EX-NON het mysterie van het kloosterleven ontluisterd.

Een harde confrontatie met de weinig ontziende en goed geoliede machine van de kerk. Wie haar de rug toekeert, mag geen naastenliefde meer verwachten ISBN 9056171526 Ik heb vooral die passages er uit gehaald die handelen over de rol van de priesters, sex en kloosterlingen.

Pagina 94 t/m 96 Ik was een spontane, blije, fiere non. Tot ik op zekere dag onverwacht in de spreekkamer werd ontboden. En 'onverwacht' betekende bijna zonder uitzondering 'slecht nieuws'. Eerwaarde vader, de algemene overste van onze congregatie, wilde een gesprek onder vier ogen met me hebben. Dat was, zo buiten de jaarlijkse 'visitatie' toch wel heel uitzonderlijk. Ik spoedde me verontrust naar de spreekkamer. Eerwaarde vader had dit initiatief persoonlijk genomen, zo beweerde hij, om me dringend te verzoeken mijn fiere, spontane manier van doen wat te matigen. Ik viel uit de hemel. Volgens hem waren er enkele mannen in de naaste omgeving die mijn houding 'uitdagend' vonden. Ik wist niet waar ik het had, ik had toch nooit aanleiding gegeven tot wat dan ook? Met de enkele mannen die in de normaalschool rondliepen, had ik amper een woord gewisseld. Wie waren dan die 'enkele mannen' uit mijn naaste omgeving? Ik kon er maar enkele bedenken en het was werkelijk te gek om los te lopen: een gehuwde leraar, de portier van ongeveer zestig jaar, de rector van de zusters en van de normaalschool en nog een priester, die biechtvader was en zijn maaltijden vaak in het klooster gebruikte. Ik kon me niet voorstellen wie van de vier met een dergelijke klacht naar de overste was gegaan. En als iemand dat had gedaan dan had die weliswaar een 'kuisheidsprobleem', maar ik toch allerminst. Het was voor het eerst dat me, in bedekte termen, binnen het klooster werd gezegd dat ik wel aantrekkelijk werd gevonden en dat hield, voor een non, nogal wat complicaties in. Het gesprek was kort maar hield een onmiskenbare waarschuwing in. Totaal in de war verliet ik de spreekkamer. Omdat ik me nergens anders kon terugtrekken om hierover na te denken, ging ik naar de kapel. Hoe kon ik dit probleem oplossen? Was het wel een probleem? Wie had een probleem? Spookte ik in de gevoelens en fantasieën van mannen rond? Was ik aantrekkelijk voor het andere geslacht? Was een leven als non wel voor me weggelegd? Moest ik op bevel alles wat nog enigszins persoonlijk aan me was, compleet verloochenen? Hoe meer ik nadacht, hoe meer ik geneigd was me niet te veel van deze waarschuwing aan te trekken. Het was werkelijk te gek om los te lopen.

Moeder Overste heeft nooit laten merken dat zij op de hoogte was van dit rare gesprek. Welke man of mannen dan wel belangstelling voor me hadden opgevat ben ik nooit te weten gekomen

Pagina 151 Liefde en seksualiteit mochten dan in de jaren 60 van de vorige eeuw heel natuurlijke, bespreekbare begrippen geworden zijn, in kloosters bleef dat soort onderwerpen absoluut taboe. In hoofdstuk 6 Puriteinse maagd pagina 155

De zusters zullen de personen met dewelke zij in betrekking zijn, bijzonderlijk de personen van het andere geslacht, niet sterlings in het aangezicht bezien, of met lichtzinnige en wereldse gesprekken houden. Zij zullen onder elkaar geen nutteloze aanraking hebben en misplaatste gemeenzaamheid trachten te vermijden.

Pagina 166/167/168

Maar alweer hing er een zwaard van Damocles boven mijn hoofd. Ik werd in de spreekkamer ontboden. Zenuwachtig klopte ik aan, een zware mannenstem riep me binnen. Een priester die me totaal vreemd was, wachtte me op. In een rustig gesprek werd me duidelijk gemaakt dat er ernstige problemen rond mijn persoon waren gerezen. Drie van zijn onderdanen, priesterstudenten, waren overdonderd door mijn vrouwelijke charme. De drie werkten tijdens de weekeinden als Caritashelpers op mijn afdeling. Ik had wel gemerkt dat ze heel vriendelijk en voorkomend waren, maar iedereen op mijn afdeling ging vlot en joviaal met elkaar om. De onderlinge rivaliteit tussen de drie studenten was naar verluidt zo groot geworden dat ingrijpen noodzakelijk was

Ik hoorde het donderen in Keulen, ik was totaal in de war. Uiteindelijk vroeg de priester of ik met dit gegeven rekening houden. Dit gesprek was slechts een manier om grotere moeilijkheden te vermijden Toen ik de deur van de spreekkamer dichttrok ging ik regelrecht naar mijn kamer. Ik wilde alleen zijn en het gesprek tot me laten doordringen. Wat moest ik hier nu weer mee? Veel plezier beleefde ik niet aan het besef dat Ik zo'n indruk op die mannen had gemaakt, want er fIitsten wel vooral onheilspellende gedachten door me heen. Welke consequenties zouden aan dit gesprek verbonden zijn? Het onheil liet niet lang op zich wachten. Nog diezelfde avond had ik een lang gesprek met de overste. Volgens haar moesten er dringend maatregelen getroffen worden om verdere problemen te voorkomen. Mijn overste zou er nog een nachtje over slapen en natuurlijk ook contact opnemen met het algemeen bestuur om eventuele stappen te bespreken. Nog voor het weekend, wanneer de drie weer op de afdeling zouden verschijnen, werd ik overgeplaatst. Daar was helemaal niets tegen in te brengen. Pagina 209 De kerstijd brak aan die we o.a. besteden aan innerlijke verdieping. en bleef onvindbaar. Mijn overste had vlug in de gaten dat er iets niet klopte. De brieven werden altijd tijdens de recreatie uitgedeeld. Als er weer een dikke enveloppe voor mij bij was werd ik extra geobserveerd, daarom wachtte ik met lezen totdat ik alleen was. De pater was meer dan twintig jaar ouder dan ik. Op zijn avances kon en wilde ik niet ingaan. Toch bracht deze situatie me af en toe in de war. . Mijn overste nam geen initiatief om over deze eigenaardige situatie te praten. Ikzelf zweeg in alle talen om over dit vervelend maar af en toe vleiend onderwerp. Op een dag werd ik bij de overste ontboden. Ik dacht dat ik op de rooster zou worden gelegd, maar ik had verkeerd gegokt. De overste was zéér vriendelijk en ik was meteen ongerust: hier zat een addertje onder het gras. Er werd me voorzichtig duidelijk gemaakt dat het algemeen bestuur nieuwe plannen met me had. Wat stond me nu weer te wachten? Er was toch een zeker gemis vastgesteld, dat me ervan weerhield mijn functie optimaal te kunnen uitoefenen. In het bejaardentehuis was een belangrijk deel van de bewoners Fransprekend en die taal beheerste ik niet….. Men stuurde me vervolgens naar een Franstalig klooster om de taal te leren… Na twee maanden …tijdens het middagmaal werd ik aan de telefoon geroepen. Ik schrok me een hoedje, want ik dacht dat er misschien slechts nieuws was van de familie. Stom van verbazing hoorde ik de stem van de verliefde pater door de telefoon. Ik kon mijn oren niet geloven. Hoe had hij mij gevonden. Wat moest ik daarmee doen?. Ik probeerde hem op andere gedachten te brengen maar mijn stem alleen al was voldoende om hem nog meer op hol te laten slaan. Op geregelde tijdstippen , maar niet langer overdreven, schreef hij brieven. Hij stuurde ook cassettes met ongetwijfeld fantastische klassieke muziek en voegde daar nog een hele beschrijving aan toe. De teksten kon ik lezen maar had geen toestel om de muziek ook af te spelen. Af en toe stuurde ik een dankwoordje met een kort verhaal hoe het me verging. Inmiddels had Annick besloten uit de orde te stappen omdat ze tot de overtuiging was gekomen dat de zogenaamde “meerwaarde” van deze levensvorm door de Kerk was uitgevonden (248) omdat die visie in een doordachte strategie paste. Een strategie die op macht en invloed was gericht en door een hiërarchische structuur werd gedragen. Het christendom was door de eeuwen heen niet vies geweest van machtsmisbruik, net als eender welk instituut ook.

Meer dan ooit wordt het celibaat vandaag de dag in vraag gesteld. Het celibaat is door de kerk in het leven geroepen als onderdeel an een bewuste strategie, maar hoeveel slachtoffers heeft die strategie niet gemaakt? De meeste jonge mannen en vrouwen die hun leven in dienst stelden van God en de Kerk, hebben menige zielen strijd doorstaan ter wille van een ideaal dat vaak een bijzonder valse indruk wekt. Het celibaat als hoogste goed, maar voor wie? Mensen die elk persoonlijk gevoel vermoorden in de hoop op een betere toekomst in het Rijk der Hemelen.

Toen ze moeder overste meedeelde dat ze wilde uittreden moest ze haar studie onmiddellijk stopzetten. Annick weigerde en wende zich tot de bisschop. Deze steunde haar niet en Annick vertelde de bisschop dat ze zich tot de media zou wenden met mijn verhal. Citaat:”wat zou een onnozel nonnetje, te vertellen kunnen hebben dat de media zou interesseren?.De verliefdheden van verschillende priesters misschien, met namen en woonplaatsen en de persoonlijke ellende die ik daardoor had meegemaakt. Hoe kon de kerkleiding zo’n hypocriet gedrag met de mantel der liefde bedekte, terwijl ik als onschuldig slachtoffer vanwege mijn eerlijkheid tot verbanning werd veroordeeld. Zo’n verhaal had de vicaris niet verwacht. Hoe meer ik vertelde hoe zenuwachtiger hij werd.”. Uiteindelijk mocht Annick eerst haar studie afmaken en daarna uittreden.

 Het tweede voorbeeld dat ik tegenkwam was van de hand van Karen Armstrong Auteur van verschillende bekende boeken zoals ‘Een geschiedenis van God’ en ‘Mohammed , een westerse poging tot begrip van de Islam en Jeruzalem een geschiedenis van een heilige stad.

Karen Armstrong heeft ook een boek geschreven met als titel: 

“Door de nauwe Poort” ISBN 9041401660

waarin ze haar zeven kloosterjaren - een spirituele ontdekkingsreis – beschrijft. Het is uit “Door de nauwe Poort” waaruit ik een aantal passages heb gehaald die voor zichzelf spreken. 

p. 256 /258 Een paar weken later stond ik in de hal. Het was tien voor zeven in de morgen. Als jongste lid van de communiteit moest ik de kapel om kwart voor zeven verlaten, naar beneden gaan om op de priester te wachten die soms de mis kwam lezen, en mijn meditatie op een van de stoelen de hal besluiten. 'Ringg.' Er werd kort en discreet aangebeld. Ik stond en opende zwijgend de deur. Meneer pastoor stapte binnen. Het was een grote, dikke man van achter in de zestig. Hij had een kaal, glimmend hoofd met een paar zwarte slierten haar die hij zorgvuldig over zijn schedel had gedrapeerd en bruine sproeten op zijn hoofd. Normaal gesproken knikte hij me vriendelijk toe en ging de trap op naar de sacristie, omdat hij natuurlijk de regels over de Grote Stilte kende. Maar deze morgen bleef hij halverwege de hal staan. 'Zuster?' fluisterde hij me toe­ Ja meneer pastoor.' ‘Ja, dat hoorde tot mijn taak. Eerst moest ik de bel luiden om de paar studentes die in het hospitium woonden en de au pairs op te roepen voor de mis en vervolgens naar de sacristie gaan om de kaarsen op het altaar op te steken. 'Wanneer ik de bel heb geluid.' ‘Goed’, zei hij. Waarom zegt hij dat? vroeg ik me af. Kalm betrad ik de sacristie. In de kapel installeerden de nonnen zich voor de mis.

Ze knielden neer en openden hun missaal. Ik liep door om de waspit aan te steken.

De pater rustte uit in de hoek. ‘Zuster.' Ik keerde me naar hem toe. Hij was vanmorgen kennelijk in een praatgrage stemming. Wat was er met hem aan de hand? 'Ik geloof niet dat ik dit misgewaad goed heb aangetrokken. Ik krijg het niet naar beneden. Zou jij het even over mijn schouders willen trekken?' ‘Natuurlijk, meneer pastoor.' Ik stapte op hem af. Het misgewaad zat een beetje scheef. Het was gemaakt voor een slanke man. Ik trok eraan en keek of het goed zat. Plotseling sloot hij mijn handen in de zijne en drukte ze tegen zijn schouders. Geschrokken keek ik hem scherp aan. Hij had zijn ogen gesloten en het leek wel alsof hij moeite had met ademhalen. Was hij soms ziek? Álles goed met u, meneer pastoor? Zal ik iemand halen?' Hij zuchtte. Een huiverende zucht. Dan opende hij zijn ogen en lachte nerveus­ 'Ja, ja, prima, ik was alleen even wat duizelig.' 'Wilt U niet even gaan zitten, meneer pastoor? Zal ik eerwaarde moeder halen”?­ 'Nee', nee! God zegene je. Nee, er is niets met me aan de hand.' Hij hield mijn handen nog steeds tegen zijn schouders aangedrukt. Ik probeerde ze weg te trekken. Plotseling greep hij ze stevig vast, kneep er even hard in en drukte er een snelle kus op voordat hij ze ten slotte losliet. Ik staarde hem verbaasd aan. 'Dank je dat je voor me hebt gezorgd’. ‘Het gaat weer prima met me. Ga maar gauw.' Lichtelijk in de war liep ik door de deur van de sacrastie het priesterkoor in en stak de kaarsen aan.

Pagina 261/265

Huishoudelijk werk. Een dag in het begin van mei. Zonlicht viel door het raam van de wasruimte waardoor de rode tegels glommen toen ik de was eraf wreef. Een tikje op mijn schouder. Ik sprong op en keek in het gezicht van moeder Praeterita. “Zuster, meneer pastoor wil je spreken in de gastenkamer.' 'Mij, . eerwaarde moeder?' Een verkapte blik die betekende: een religieuze superieure moet zich nooit bemoeien met het persoonlijke geweten van een van haar ondergeschikten als zij bij een priester wil biechten. Ik zag wat ze dacht, maar ik had meneer pastoor niets te zeggen. Ik had zorgen, problemen zelfs. Het leek alsof ik voortdurend opstandig was en me moest forceren in het gareel te blijven dat moest ik! Maar hem had ik niets te zeggen! Vermoeid betrad ik de gastenkamer, de kleine met het matglazen raam. Hij zat te ontbijten en in de kamer hing een warme geur van koffie en spek. Het witte tafellaken lag vol kruimels en overal erop verspreid stond serviesgoed. Ik dacht terug aan die vreemde scène in de sacristie toen hij ziek was geweest en zich zo raar had gedragen. Misschien wilde hij zijn excuses maken. Ik ging op een harde stoel naast de deur zitten. Joviale opmerkingen: schitterende examenresultaten,jij knappe meid! – genieten van het zomersemester - dacht terug aan de tijd dat hij zelf nog student was - vroeg zich af of ik zin had bij het koor van zijn parochiekerk te komen - kon ik niet zingen? - onzin, natuurlijk, hij wist zeker dat ik het kon - moest maar eens praten met eerwaarde moeder - nonnen zouden meer betrokken moeten zijn bij het parochieleven - kom me eens opzoeken - praat er eens over - Vaticanum twee enzovoorts...

Ik stond op om weg te gaan, verbijsterd over zijn gejaagde, ononderbroken woordenvloed zonder dat hij een moment zijn mond hield voor een antwoord en zonder dat hij acht sloeg op mijn gestamelde uitvluchten. Ik keek hem aan. Zijn voorhoofd was nat en glimmend. Hij giechelde zenuwachtig. Ik zag dat hij zijn tanden niet in had. Hoe kon hij eten zonder zijn tanden?

'Ik moet gaan, meneer pastoor.' Hij stond op en deed alsof hij de deur voor me wilde openen. 'Ik moet om negen uur aan het werk in de bibliotheek.' Hij moest onder grote spanning staan. Misschien was het zijn hart, arme man. Er was iets mis met zijn ademhaling. Ze was onregelmatig en ging met horten en stoten.

'Fijn om je gezien te hebben, zuster...' zei hij waarop hij zweeg, zijn hand aan de deurknop. 'We moeten over het koor praten... over betrokkenheid... 0 God!'

Met een schok voelde ik hoe ik werd verpletterd onder het gewicht van zijn om me heen geslagen armen die me tegen de deur drukten. Verstijfd en bevend van walging wendde ik me af in een poging zijn klamme voorhoofd niet te zien, zijn frommelende handen niet te voelen en de geur van rotte eieren van zijn adem niet te ruiken. Misselijk makende golven van walging... mijn lichaam... zijn oude lichaam. Handen bespikkeld als padden... hoe kwam ik hier weg?

Deze episode werkte als een verontrustend commentaar door in mijn studie van de moderne roman waar ik in de paasvakantie mee was begonnen. Deze studie was niet verplicht maar ik had deze romanschrijvers zo vaak horen noemen dat ik het gevoel had ze zelf te moeten ontdekken om te proberen enkele van de enorme gaten in mijn opvoeding te vullen. Ik had moeder Praeterita niet om toestemming gevraagd.

Terwijl ik in de bibliotheek schuldbewust William Golding en Angus Wilson zat te lezen, begon ik een nieuwe wereld te ontdekken, de wereld buiten de kloostermuren. En de wereld van de seks

De seksuele episoden die in The Pyramid en Pincher Martin werden beschreven bevestigden mijn idee van seks als iets afschuwelijks en beangstigends. Ik dacht terug aan de afkeer die ik voelde toen ik Anthony en Suzie' elkaar al die jaren geleden had zien kussen: het gefrummel aan elkaar, het botsen van tanden en de walgelijke uitwisseling van speeksel. De vochtige handen van Anthony die Suzies nek kneedden. En dan was er, nog maar kort geleden, die ontmoeting met meneer pastoor in de gastenkamer. Wat was het goed dat ik al die akelige dingen had moeten afzweren..

Maar deze romans deden meer dan dat bevestigen. Ze prentten mijn geest een aantal levendige beelden in die onuitwisbaar leken. Wanneer ik neerknielde in de kerk zag ik niets anders voor me dan deze beelden van in onmogelijke posities verstrengelde ledematen en hijgende, schokkende lichamen die mijn wangen deden gloeien en mijn ingewanden vloeibaar maakten.

Hoe ik het ook probeerde, ik kon deze beelden, waarvan ik misselijk werd maar waar ik me tegelijkertijd in met afschuw vervulde fascinatie toe voelde aangetrokken, niet van me af zetten.

Plotseling kwam seks mijn leven weer binnen die er al jarenlang geheel uit verdwenen was. Natuurlijk had ik een kant-en-klare categorie voor deze ervaring.

Toen we tijdens ons noviciaat waren onderricht over de gelofte van kuisheid, waren wij voor dergelijke verzoekingen van onze reinheid gewaarschuwd. Ik wist nog hoe de kalme, ascetische stem van moeder Walter ons had verteld dat verleiding zelf geen zonde was: niemand van ons kon iets doen aan de gedachten die in haar opwelden.

Het was pas een zonde als we deze gedachten bewust aanmoedigden en ervan genoten. Zolang we tegen dergelijke verleidingen vochten, braken we onze gelofte niet. Wat ze ons niet had verteld, was dat dit gevecht om reinheid je alleen maar dieper in deze beelden verstrikte. Ik merkte dat ik ermee worstelde alsof ik zelf in de greep van obscene omhelzing verkeerde en door deze gevoelens, die ik niet in mijn macht had, werd onteerd. Telkens wanneer ik me tegen de beelden van deze paringen verzette, speelde ik ze op een of andere manier na, en ondanks mijn schuldgevoelens genoot ik daarvan.

Op kalmere momenten ontdekte ik dat het echt verontrustende van deze verleidingen was dat ze mijn fundamentele onwetendheid onthulden. Ja, lichaam vleide zich tegen lichaam, mannen en vrouwen kreunden hijgden, maar wat deden ze nou precies? Mijn kennis van het mannelijk lichaam was beperkt tot vaag herinnerde en kuise plaatjes uit de lessen kunstgeschiedenis op school.

Ik had er geen flauw benul van hoe dat vreemde lichaam seksueel functioneerde, en ik zag wel in dat zonder deze hoogst belangrijke informatie mijn kennis van seks absoluut ontoereikend was. In feite stelde, nu ik er toch over nadacht, mijn kennis van mijn eigen lichaam ook niets voor. Jarenlang had ik mechanisch geluisterd naar de behoeften ervan en me er met hand en tand tegen verzet.

Maar ik had mezelf nooit gezien als een seksueel wezen. Hoe had ik een gelofte van kuisheid kunnen afleggen met zo'n vaag idee van wat ik opgaf?

Natuurlijk was dat nu een academische vraag; ik had mijn gelofte afgelegd en was vast van plan me eraan te houden. Daar kwam bij dat mannen voor mij onwerkelijke wezens waren geworden, Mijn onkunde over hun lichaam werd geëvenaard door mijn onkunde over hen als mens.

Vrouwen begreep ik en met hen kon ik omgaan, maar behalve mijn vader en Anthony had ik eigenlijk nooit andere mannen gekend.

Ze hadden nooit deel uitgemaakt van mijn wereld.

Sinds ik non was, waren de enige mannen die ik had gezien priesters die, hun mysterieuze lichamen gehuld in misgewaad en habijt, het heilige ritueel van de mis volvoerden, Of ze waren een oor dat naar me toegekeerd was aan de andere kant van het rooster van de biechtstoel, een onpersoonlijke stem die me een penitentie oplegde en de woorden van absolutie herhaalde. De gedachte seks te hebben met een man was onmogelijk, Ik voelde me meer aangetrokken tot het konijn uit het biologieboek op school. Maar als dat zo was, waar kwam dan die enorme opwinding vandaan die deze tantaliserende romans hadden opgewekt? Nog verontrustender was het feit dat deze sensaties niet helemaal nieuw waren. Ze leken verbonden te zijn met mijn ervaring van lichamelijke penitentie, met mijn verlangen naar genegenheid en warmte waar ik al zo lang tegen vocht, en zelfs met momenten van gebed waarop het leek alsof mijn geest even rustte in God. Wat betekende dit allemaal?

De schrijfster die de diepste invloed op me had, was Iris Murdoch Achter de bizarre capriolen van haar karakters ontdekte ik een filosofie van menselijke liefde die intelligent en overtuigend was, zelfs al leek zij volkomen in strijd te zijn met alles wat me was geleerd. De positieve wijze waarop in The Bell over homoseksualiteit werd gesproken schokte me maar fascineerde me ook en leidde tot nieuwe beelden die zich voegden bij de obscene pantomime in mij hoofd. Maar nog beangstigender was haar suggestie dat religieuze ervaringen een gesublimeerde vorm van seksualiteit konden zijn en dat seks nooit helemaal kon worden verdrongen. Zij kon de kop opsteken en je overweldigen wanneer je dat het minst verwachtte, en de kracht ervan kon religieuze aspiraties in één klap vernietigen.

Religie leek inderdaad een heel dun vernisje te' zijn, en geheel in de macht van deze dwingende verlangens van het lichaam. Ik moest weer denken aan de sproetige handen van meneer pastoor die over mijn schouders kropen. En wat te denken van de plotselinge uitbarstingen van seksuele gevoelens in mezelf? Waar hadden ze zich al deze jaren verborgen gehouden? Sluimerde de seksualiteit in mij als een gekooid wild dier, klaar om op een dag toe te slaan en mijn roeping te vernietigen? Het probleem was dat ik er te weinig van afwist om te weten hoe ik me op een dergelijke aanval moest voorbereiden. Ik probeerde de ideeën van Iris Murdoch te verwerpen als werelds en mijn .aandacht niet waard. Maar wanneer ik neerknielde in de sierlijke kleine kloosterkapel werd ik gekweld door gevoelens van twijfel en angst Was mijn verlangen non te worden een soort pubervlucht voor de seksualiteit geweest? Of had mijn besef van de lelijkheid van mijn ongevormde lichaam me doen geloven dat ik niet geschikt was voor de liefde , zodat ik mezelf uit de seksuele arena had teruggetrokken om te voorkomen dat ik mijn leven lang zou worden afgewezen? Het doet er niet toe, zei ik tegen mezelf. Zelfs als het waar is, kan een religieuze roeping beginnen met allerlei onwaardige motieven, Het enige criterium voor een echte roeping is dat zij via de orde wordt bekrachtigd door de kerk Zoals mijn roeping. God wil dat ik non ben. Ik wil non zijn.

Maar wanneer ik 's nachts lag te worstelen met deze duistere en heimelijke ' gevoelens, voelde ik nog steeds een nieuwsgierigheid die mijn lichaam in een vreselijke strijd verwikkelde. Ik voelde hoe leeg het was en hoe het in nieuwe en krachtige taal, zijn eigen taal, om bevrediging schreeuwde, Hoe het verlangde naar warmte en contact en daar nadrukkelijk uiting aan gaf. Nee, zei ik tegen mezelf. Dit is een verzoeking. Maar deze redenering was oppervlakkig. Wat was het wijs van kloosterorden nonnen te waarschuwen voor erotische literatuur, Het was zo'n eenzame strijd. Zij vervulde me van begeerten en van een schaamte die ik nooit zou kunnen toegeven aan anderen Hoe kon ik deze intieme, smerige gevoelens die mijn geest in bezit hadden genomen, opbiechten, terwijl ik intussen uitzag naar een paar romans die ze opnieuw zouden opwekken?

Pagina 269/271

Met de stoffer en blik in mijn hand kwam ik de trap naar de voorhal af en stond plotseling oog in oog met moeder Praeterita. Ze wenkte me. 'Zuster, meneer pastoor wil met je praten. Hij zit in de kleine gastenkamer te ontbijten.' '0, nee, eerwaarde moeder!' Ik trok wit weg en voelde dat misselijke gevoel in mijn maag weer opkomen. 'Wat zei je daar; antwoordde ze koud. Geschokt. Tartte ik haar echt? 'Ik bedoel... alstublieft, eerwaarde moeder, ik ga liever niet.' 'Waarom niet?' 'Omdat... omdat...' Ik keek haar aan; ze voelde niets, ze begreep niets, ze was onstoffelijk en onaards. Vlees en bloed leken al van haar geweken te zijn. Ze bestudeerde intussen de kroonluchter in de voorhal. Het grootste deel van de tijd was ze er gewoon niet helemaal bij. 'Ik... ik... denk dat hij te dol op me is.' Ze keek me verbijsterd aan. Haar mond viel open zoals hij altijd leek te doen wanneer ze verbaasd was. Voor één keer keek ze me aan. Ik keek strak terug. Behalve dat mijn eigen verlegenheid me ervan weerhield openhartig met haar te praten, wist ik ook dat ze wat ik haar te vertellen had nooit zou snappen. Dat ging haar begrip te boven. 'Hoe bedoel je, te dol op je?' Ik voelde dat ik bloosde. 'Hoe durf je zo aanmatigend te zijn! Meneer pastoor offert zijn tijd op om je te helpen en dan durf jij een dergelijke insinuatie te doen. Hij is een heilige man, zuster; hij laat zijn gevoelens niet met hem op de loop gaan. Hij kent het belang van zelfbeheersing - veel beter dan jij.' 'Het zijn niet alleen maar gevoelens. Het is niet..niet gezond wat er tussen ons gebeurt. Ze keek me aan en bloosde. Ze trok haar lange, aristocratische" Romeinse neus op, de neusgaten wijdopen alsof ze iets onaangenaams roken. Dan, klik. Ik hoorde hoe ze in haar hoofd een knopje omdraaide. Vervolgens keek ze me weer aan, kalm nu. Even had ze het volkomen begrepen, had ze het afstotende gezien. Maar de complicaties – het te' moeten vertellen aan de superieuren van meneer pastoor, erover te moeten praten, erover te moeten nadenken... Dus had ze haar geest uitgeschakeld. Zodat hij niet meer werkte. Zoals haar in haar kloosterleven zo vaak was geleerd te doen. 'Zuster,' - haar woorden waren als ijsblokjes, haar ogen stonden hard -'ik beveel je naar meneer pastoor te gaan. Nu.' Ik stond daar met mijn rug tegen de deur. Mijn hand aan de deurknop. 'Ga zitten, zuster? Nee...' Het verlegen lachje, de tandeloze mond, het lichte kloppen van zijn hart op zijn slaap. Vochtige ogen, vochtig van... wat? Handen die trilden terwijl hij doorbrabbelde. Hij vond dat ik bleek zag; misschien wilde ik op een dag wel een autoritje met hem maken naar het platteland. Nee, ik had het niet te druk, daar was hij zeker van. Eerwaarde moeder zou het zeker goedvinden. Ze maakte zich zorgen over mij en hij kon me helpen. Arm kind -zag er zo gespannen uit. Je weet toch dat ik er altijd ben, zuster, altijd als je me nodig hebt. O zuster. Nu stond hij naast me. Ik keek gehypnotiseerd naar zijn gretige, verschrikte gezicht. 'Je laat me je toch wel helpen, zuster, mijn liefje?' Een padachtige hand greep naar mijn schouder. Nicotinevingers streelden mijn wang. 'Zuster, zuster.' En dan mijn stem, trillend van afschuw: 'Ga weg, raak me niet aan!' en de deur sloeg dicht met een daverende klap die de rust van het klooster verstoorde, en ik vloog weg, weg van de misselijkheid en de folterende begeerte in hem en de angst in mezelf. In de slaapzaal ging ik, hijgend en nog steeds bevend op mijn bed zitten. Wat kon ik doen? Tot wie kon ik me om hulp wenden? Arme meneer pastoor. Wat was er met hem gebeurd? Al jarenlang priester en nu dit;jonge nonnen betasten in de sacristie, in de gastenkamer van het klooster. Een uiting van radeloosheid. Een suïcidale uiting van waanzin­ Ik had me voorgenomen om na het huishoudelijk werk van deze morgen de geseling te doen. Het was weer tijd. De laatste maanden had ik er een groeiende weerzin tegen gevoeld. Maar nu... herinnerde ik me Moeder Walters advies de geseling te zien als een middel om mijn hartstochten in bedwang te houden. Het zou me vast helpen niet zo te worden als meneer pastoor.

Ik nam het zweepje uit zijn etui en trok de gordijnen rond mijn cel dicht. Dan bekeek ik mezelf. Als van een afstand. En sloeg mezelf, harder, steeds harder, tot het bloed door mijn aderen joeg. De opwinding. De bevrijding. Het woord dat ik een halfuur geleden tegen moeder Praeterita had gebruikt - ongezond - trof me als een mokerslag.

Was dit echt de manier? Had het de communiteit ervan kunnen weerhouden verliefd te worden op een kat? Had het meneer pastoor echt geholpen? Of had het de hartstochten in een onnatuurlijke richting geslagen? Een moment lang keek ik naar het zweepje. Dan stopte ik het kalm weg.

Pagina 284/287 Pagina 284/287 Zuster wat weet jij van seks?

Ik schoot omhoog. Zij ook. We keken elkaar aan, geschrokken van het taboewoord. Maar het woord was gevallen en kon niet meer worden ingeslikt Ik keek haar nieuwsgierig aan. De toon van haar vraag wees er niet op dat ze eigenlijk bedoelde:

'Ik denk dat je ziekte voor een groot deel te wijten is aan seksuele problemen; laat mij proberen ze voor je op te helderen Nee, zij was degene die opheldering zocht. Bij mij. De jongste non in dit klooster! Nu begreep ik waarom ze het mij had gevraagd. Dat was omdat ik had geschreeuwd en in elkaar was gezakt. Ik was, in elk geval voor een moment absoluut buiten de perken gegaan. Ik stond buiten de hechte rijen van de orde. Daarom kon ze mij dit onbeschroomder vragen dan een ander. Ze keek me nog steeds aan, hangend aan mijn lippen. Wachtend. 'Och, nou ja, u weet wel. De gewone dingen, denk ik,' zei ik afwerend­ 'Ja, maar wat!' Haar stem klonk gespannen.

‘Ja, wat eigenlijk? Ik keek terug op de afgelopen jaren. Biologielessen over het konijn. Al dat ontwijken van de ware feiten door ons te vertellen hoe 'heilig' seks was onder een paar stringente en essentiële voorwaarden.

Dat afschuwelijke gebrabbel van meneer pastoor in de gastenkamer. Wat kon ik haar vertellen? Alleen wat ik pas in Oxford had ontdekt. Los van al die verwarde indrukken moest ik toegeven dat ik eigenlijk niets wist. 'Ik geloof niet dat ik er erg veel van afweet,' bracht ik ten slotte uit. 'Ik bedoel wat voor soort dingen wilt u weten?'

'Nou ja, niet de biologie ervan. Maar de details. Die brengen me in de war zei ze terwijl ze wild met haar handen zwaaide om haar verbijstering uit te drukken. 'Ik bedoel, in wat voor houding doe je het?

Ik sprak met moeder Gemma en zij wist het ook niet. Maar ze zei dat ze ergens had gelezen datje het in elke houding kunt doen.' . 'Eerlijk, moeder, ik weet het ook niet.' 'Het is eigenlijk vreselijk,' zei ze terwijl ze met een frons in haar voorhoofd voorover leunde.

Het kostte haar geen moeite meer erover te praten. Tenslotte moet ik met tienermeisjes over seks praten. Ik zou ze leiding moeten geven, ze raad moeten geven. Maar weet je, ik denk dat sommige oudere meisjes meer van seks weten dan ik. Veel meer.

Wanneer ben jij ingetreden?' 'In 1962.' 'Ja,' zei ze terwijl ze gemakkelijk ging zitten en tegen zichzelf knikte, 'Voordat alles begon, Je weet wel, de anticonceptiepil, de tolerante samenleving.'

Ik wist niets van dat alles, realiseerde ik me. De jaren zestig waren totaal langs me heengegaan in het novicenhuis en de afzondering van de religieuze opleiding. Gezien het besluit dat ik moest nemen, maakte dit me verschrikkelijk bang

Ze stond op, begon weer door de kamer te lopen en staarde dan uit het raam. Zich van me afwendend zei ze hees van verlegenheid: 'Maar het gaat niet alleen daarom, weet je, als ik eerlijk ben. Het gaat om mezelf.

'Wat bedoelt u?' Ik kon haar verwarring duidelijk voelen, als een sterke geur die in de kamer hing. Ik voelde me hulpeloos en onzeker. Ze kwam naar me toe en ging op het bed zitten, weer een soort vrijheid die ongehoord was in het kloosterleven. Maar op dit moment leek dat van geen enkel belang.

'Ik denk dat ik me soms gefrustreerd voel. 0 ja, ik weet dat het een offer is, enzovoorts. Dat betekent kuisheid nu eenmaal. Maar soms voel ik me zo raar - dan word ik helemaal trillerig en zenuwachtig. Net als een oude vrijster. Natuurlijk weet ik dat de regel zegt dat we onszelf als engelen moeten maken. Maar het is hard werken om een engel te zijn.' 'Het is onmogelijk.' Ik verbaasde mezelf erover hoe helder ik die voor We zaten zwijgend bij elkaar, ieder verzonken in haar eigen gedachten. Kwam al dat bloeden, flauwvallen en overgeven, vroeg ik me plotseling af, doordat ik mezelf ertoe dwong het onmogelijke te bereiken? 'Maar wat is het antwoord dan?' vroeg ik na een tijdje. 'Ik bedoel, ik denk niet echt dat het onmogelijk is celibatair te leven. Sommige mensen, zoals moeder Katherine, maakt het niets uit.' 'Misschien kunnen er minder mensen echt celibatair leven dan gewoonlijk wordt gedacht,' zei moeder Melinda langzaam. 'In het evangelie staat dat het er maar weinigen zijn die het kunnen.' We keken elkaar aan zonder de persoonlijke consequenties voor ieder van ons onder woorden te durven brengen. Dan leidde ze het gesprek welbewust in een onpersoonlijker richting Vorig jaar heb ik een cursus gedaan. Bij een priester die ook psycholoog is. Hij praat overal met nonnen die in de war zijn. Misschien zou jij eens met hem moeten gaan praten, Maar ik weet zeker dat ze je niet zullen laten gaan. Hij zei dat de traditionele manier om nonnen op te leiden erop gericht is ze in een prepuberale staat te houden door hen als kinderen te behandelen - je weet wel, doe wat je gezegd wordt, geen enkele verantwoordelijkheid, niet over seks praten, geen mannen, geen vrijheid. ‘Een afschuwelijke gedachte, vind je ook niet.' Dat was het ook. 'Maar ik begrijp wat hij bedoelt.' 'Ik ook. En vervolgens zei hij dat wanneer nonnen ongeveer mijn leeftijd hebben, het vaak allemaal naar buiten komt. En dat soort rusteloosheid en frustratie erg sterk kan worden. Omdat een non ergens haar onbewuste weet dat als ze kinderen wil krijgen, het nu of nooit is. Daarom hebben veel nonnen die achter in de dertig zijn de neiging uit te treden.' 'Dat is te begrijpen. Maar maakt die uitleg het makkelijker om ermee om te gaan?'

'Nee', niet echt. Jij verkeert op het moment in een bepaalde toestand en ik denk dat je allerlei theorieën hebt over waarom dit is gebeurd. Maar schiet je daar wat mee op? Je hebt nog steeds die gevoelens.

,"Gevoelens tellen niet,'" antwoordde ik, maar ik hoorde hoe ik ironische aanhalingstekens in mijn stem legde. 'Dat doen ze wel, weet je. Dat is iets dat ik heb geleerd. Vergeet dat nooit.' Ze stond op. 'Je ziet doodsbleek, zuster. Heb ik je erg vermoeid? Neem me niet kwalijk dat ik je juist nu met mijn problemen heb lastig gevallen. Terwijl je zelf problemen genoeg hebt.'

'Dat geeft niet,' zei ik. 'U hebt me een paar dingen duidelijker kunnen maken. Dat is niet leuk. Maar wel nodig. Dank u wel.'Ze keek me aan.

'Pas goed op jezelf,' zei ze. En weg was ze.

De conclusies die getrokken kunnen worden uit deze twee beschrijvingen zijn de volgende:

a) Het is te opvallend dat in twee boeken van uitgetreden nonnen priesters grenzen overschrijden. Hoe veel vaker zal het zijn voorgekomen maar werd er niet over gesproken.

b) Uit beide beschrijvingen blijkt duidelijk dat de keuze om als non door het leven te gaan door beide ex nonnen genomen werden zonder dat men van het 'echte leven' kennis had genomen.

c) De opvattingen over seksualiteit binnen die kloostergemeenschappen was in wezen een negeren dat seksualiteit een integraal onderdeel van ieder menselijk leven is.

Geen wonder dat nu ook berichten naar buiten komen over nonnen die in staat van beschuldiging zijn gesteld.

Nu ook Amerikaanse nonnen vervolgd wegens seksueel misbruik

LOUISVILLE - De crisis binnen de rooms-katholieke kerk naar aanleiding van seksueel misbruik door geestelijken geldt voornamelijk het gedrag van priesters, maar er zijn inmiddels ook verscheidene rechtszaken aangespannen tegen nonnen. Zo hebben vorige maand in Louisville, Kentucky, zeven mensen klachten ingediend tegen de Sisters of Charity of Nazareth, een orde die onder meer een weeshuis leidde.

De zaak speelt in de marge van beschuldigingen aan het adres van een gestorven priester, Herman J. Lammers, die inwonend kapelaan was van het weeshuis St. Thomas-St. Vincent, dat van 1952 tot 1983 door de orde werd geleid. Lammers wordt beticht van mishandeling en verkrachting. Nonnen van dezelfde instelling zouden zich echter evenzeer ernstig hebben misdragen.

De ingediende klachten zijn merendeels afkomstig van vrouwen, in leeftijd variërend tussen de 38 en 72, die zeggen dat zij door de zusters zijn mishandeld en met leren riemen zijn geslagen. Sommigen werden gedwongen naakt voor anderen te staan. Soms werden zij zonder eten opgesloten.

Landa Mauriello-Vernon, die zelf een zaak heeft aangespannen tegen een non van een nonnenschool in New England, zegt dat het buitengewoon moeilijk is het publiek ervan te overtuigen dat "niet alle vrouwen veilig zijn" . Zij leidt een campagne om meer bekendheid te geven aan de problematiek die het gevolg kan zijn van seksueel misbruik door geestelijken en heeft daarvoor een netwerk opgericht met een website: het Overlevenden Netwerk van Slachtoffers van Geestelijken.

De zaken tegen de nonnen van het weeshuis in Louisville en die van Mauriello-Vernon zijn niet de enige. In mei dienden in Boston negen personen een klacht in omdat zij op een katholieke dovenschool door nonnen zijn misbruikt.

De Sisters of Charity of Nazareth is een 192 jaar oude orde van 650 nonnen die actief zijn op terreinen als onderwijs, gezondheidszorg en sociale dienstverlening in de Verenigde Staten, India, Belize, Nepal en Botswana. De orde en zijn advocaten ontkennen dat er bewijzen zijn van seksueel misbruik in het weeshuis, dat eigendom was van het aartsbisdom, of in drie scholen die in de klachten worden genoemd. De instelling nam in februari 2003 de richtlijn aan dat een beschuldigde non in het geval van een volledig onderzoek van haar taak wordt ontheven. Slechts een van de zusters die in de stukken worden genoemd is nog in leven en maakt deel uit van de gemeenschap.

De advocaat William McMurry speelde vorig jaar een belangrijke rol bij een schikking met het aartsbisdom van Louisville in een misbruikzaak tegen priesters waarbij 243 klagers in totaal 25,7 miljoen dollar smartengeld toegewezen kregen. Volgens McMurry, die de belangen van de meeste van de zeven eisers in de nieuwe zaak behartigt, gaat het bij het proces tegen de leiding van het voormalige weeshuis in wezen om gruwelijker klachten dan die van de 243 parochianen, omdat de wezen geen alternatief hadden. In hun geval waren hun eerste verzorgers de daders. "Zij waren gevangenen van een kindernachtmerrie", aldus McMurry.

Het tehuis had een maximumcapaciteit van 450 kinderen en het aantal klachten kan dus nog oplopen. Onder de zeven eisers zijn vijf biologische zussen die het afgelopen voorjaar na een halve eeuw werden herenigd. Zij realiseerden zich na de reünie dat zij slachtoffer zijn van hetzelfde soort misbruik. 

 Zie verder deel 1c