We hebben 293 gasten online

4) Straffen waar is dat goed voor?

Gepost in Strafrecht in Historie

4.1 Straffen waar is dat goed voor?

4.2 Vragen en opdrachten

 

4.1 Straffen waar is dat goed voor?

 

In 1949 werden in Nederland drie oorlogsmisdadigers ter dood veroordeeld. Deze straf was voor oorlogsmisdadigers tijdelijk opnieuw ingesteld. Het waren de Duitsers Fischer en Aus der Fünten, die een belangrijk aandeel hadden gehad in de deportatie en vernietiging van Nederlandse joden, en Kotälla, bekend als 'de beul van Amersfoort', een meester in mishandelingen en folteringen van gevangenen in het concentratiekamp daar. In 1951 kregen deze 'heren' gratie! Hun straf werd omgezet in levenslange gevangenisstraf. Ze kwamen in de gevangenis van Breda en werden de 'Drie van Breda' genoemd. In 1979 werd Kotälla om gezondheidsredenen vrijgelaten. In 1988 zaten de 'Twee van Breda' nog steeds gevangen.

 

Over die letterlijk levenslange gevangenisstraf wordt - met tussenpozen - al gedurende 60 jaar gediscussieerd. De discussie daarover kan inzicht geven in het doel van straffen. Het gaat hier dus niet over die zaak zelf.

 

In 1972 laaide de discussie op naar aanleiding van het voornemen van de toenmalige regering de 'Drie van Breda' gratie te verlenen, dat wil zeggen vrij te laten. De minister van Justitie, van Agt, zei toen: “Het is de vraag of wij kunnen accepteren dat deze drie ons brengen tot verzaking ( = het niet toepassen) van een der grondbeginselen van onze strafrechtpleging. Tot deze grondbeginselen hoort de regel dat een gevangenisstraf moest worden beëindigd wanneer zij ontaardt in een vrijheidsberoving, die noch uit oogpunt van speciale en generale preventie ( = in het algemeen voorkomen van misdaden; bij speciaal het afschrikken van de dader, opdat die het niet weer zal doen) noch uit het oogpunt van beveiliging van de maatschappij zin heeft”.

 

Dit was ook het oordeel van professor Huisman, toen voorzitter van de Coornhert Liga, de vereniging voor strafrechthervorming. In een rechtsstaat mogen mensen niet tot hun dood worden opgesloten, aldus Huisman.

 

De tegenstanders van gratiëring wezen er vooral opdat het psychisch lijden van duizenden oorlogsslachtoffers hierdoor verergerd zou worden.

 

Op de Tweede Kamer maakten die laatste argumenten indruk: de meerderheid verklaarde zich tegen gratiëring. Toen het Wetboek van Strafrecht in 1886 werd ingevoerd was één van de nieuwigheden de cellulaire opsluiting van misdadigers gedurende de eerste vijf jaar van hun straftijd.

 

Vijf jaar gevangenis straf was destijds minder zeldzaam dan tegenwoordig en cellulair betekende ook cellulair.. Op het dagelijks luchten na werden gevangenen de hele dag in cellen opgesloten waarin zij sliepen en werkten. De ramen waren van matglas voorzien. Het enige contact met medemensen bestond uit het bezoek van prekende geestelijken, zalvende leden van het Genootschap tot Zedelijke Verbetering der Gevangenen,. strenge bewaarders, autoritaire directeuren en - als zij het geluk hadden dat hun familie in de buurt woonde - zeer incidenteel van ouders of echtgenoten. Elk contact met de medegevangenen was verboden, hetgeen benadrukt werd door hen te verplichten op de gangen een kap te dragen waarin slechts twee gaten voor de ogen uitgespaard waren.

 

Het luchten gebeurde op cirkelvormige plaatsen die als een taart in partjes verdeeld was, zodat ook daar elk sociaal contact onmogelijk was. De godsdienstoefeningen mochten zij bijwonen in cellulaire kerken waarin iedere gevangene in een hokje zat met uitzicht op de geestelijke. De gevangenen konden elkaar niet zien en op spreken stonden zware disciplinaire straffen zoals opsluiting op water en brood in nog duisterder strafcellen of, zoals in de strafgevangenis van Leeuwarden tot aan de Tweede Wereldoorlog was toegestaan, lijfstraffen.

 

Het waarom ervan werd fraai verwoord door de schepper van het toen nieuwe wetboek, minister Modderman:

 

“In de cel wordt hij niet slechter en heeft de kans te verbeteren; in de gemeenschap - vraag het den eerste den besten gevangenisgeestelijke - staat de valsche schaamte het berouw in den weg en voedt men elkander op in het kwaad. Door de cel wordt dus niet alleen het belang van het individu maar ook dat van de maatschappij ten krachtigste bevordert zij is én strenger en meer humaan”.

 

Kort daarna echter begon een discussie over de zin van het cellulaire systeem. De tegenstanders ervan beweerden dat niet in de eenzaamheid maar juist in het volle leven overtreders tot betere inzichten zouden geraken. Mits zij zich maar aan bepaalde leefregels zouden houden bijvoorbeeld drankverbod, kroegverbod, verbod om bepaalde mensen te ontmoeten, verhuisplicht. ..

 

Dit noemde men de voorwaardelijke veroordeling, die in 1905 in het Wetboek van Strafrecht als mogelijkheid werd opgevoerd naast het cellulaire systeem Ook kwam er de voorwaardelijke invrijheidstelling nadat tweederde van de straftijd is verstreken.

 

Oorspronkelijk betekende dit dat iemand na ‘goed gedrag’ eerder in vrijheid werd gesteld, maar bij terugvallen in kwaad opnieuw moest gaan 'zitten'.

 

Dat laatste gebeurt tegenwoordig niet meer. In de tijd tussen de twee wereldoorlogen kwam er steeds meer twijfel aan het nut van eenzame opsluiting..

 

In 1929 werd het na een wet mogelijk dat aan sommigen contact met hun medegevangenen werd toegestaan via gemeenschappelijke arbeid en gymnastiek oefeningen

 

Pas in 1951werd cellulaire opsluiting als grondslag van het.Nederlandse strafstelsel opgeheven. Vooral de ervaringen van verzetsmensen in de Tweede Wereldoorlog hadden tot die wijziging bijgedragen. In plaats,van de verbeteringsgedachte kwam toen de resocialisatiegedachte. Dit kwam tot uiting in artikel 26 van de Beginselenwet Gevangeniswezen uit 1951:

 

De gevangenis straf behoort mede dienstbaar te zijn aan de voorbereiding der gedetineerden ( = gevangenen) in het maatschappelijk leven.

 

Dit betekende een grote verbetering,voor de gevangenen. Dit kun je merken als je het interieur, van een ouderwetse gevangenis met dat van een moderne vergelijkt. Ook werd weekendverlof moqelijk en ontstonden er zogenoemde 'open' gevangenissen voor speciale,gevallen. bijvoorbeeld alcoholisten.

 

Dat gevangenisstraf desondanks nog geen pretje is bewijzen de volgende cijfers. – Per jaar maken gemiddeld bijna 7 gedetineerden een eind aan hun leven. In 1984 werden 45 gevangenen opgenomen in een psychiatrische inrichting, 131 brachten zichzelf moedwillig verwondingen toe, 30 slikten overmatig veel medicijnen, 6 namen reinigingsmiddelen tot zich, 6 sprongen over de reling, 93 probeerden zich op te hangen, 49 slikten ' vreemde voorwerpen ' in, 128 weigerden enige tijd voedsel tot zich te nemen en 7 stichtten brand. Als gevolg van deze voorvallen moesten 20 gevangenen naar een ziekenhuis worden overgebracht.

 

In de jaren ’70 kon men een radicale terugdringing van het aantal vrijheidsstraffen zien. Dit had te maken met het denkklimaat van veel Nederlanders in die tijd. Ook liet de rechter zich vaker adviseren door deskundigen als maatschappelijk werkers, psychologen en psychiaters. In plaats van straffen werden vaak therapieën voorgeschreven.

 

Lange tijd had Nederland per 100.000 inwoners van 15-65 jaar het kleinste aantal gevangenen ter wereld. In 1975 was dat 36, maar dit was in 1985 opgelopen tot 58 per 100.000 inwoners. Inmiddels heeft de regering besloten het aantal gevangeniscellen drastisch uit te breiden. Dit vindt men het antwoord op de toegenomen criminaliteit. Zou dat waar zijn?

 

De straffen zijn overigens steeds minder vrijheidsstraffen geworden. Werd in de vorige eeuw nog 71% van alle misdrijf veroordelingen een gevangenisstraf opgelegd. In 1980 was dat bij nauwelijks meer dan 24% het geval. Sinds kort kunnen namelijk voor veel strafbare feiten geldboetes worden opgelegd. Bij verkeersovertredingen zijn die al heel normaal geworden. Daarnaast zijn er de laatste jaren zogenaamde alternatieve straffen gekomen, bijvoorbeeld jongeren die het interieur van een jeugdhonk vernield hebben moeten dit helpen opknappen. .Andere werd opgedragen te.gaan helpen in een verpleeg – of bejaardenhuis.De bedoeling van een dergelijke straf is wel duidelijk.

 

4.2 Vragen en opdrachten:

 

 

 

1) Wat is volgens jouw het doel van straffen?

 

2) Noem een paar argumenten voor bestraffing?

 

3) Welk argument voor bestraffing zal bij oorlogsmisdadigers hebben meegespeeld?

 

4) Welk nieuw argument voor straf werd door minister Modderman gegeven?

 

5) Waarom was eenzame opsluiting in de ogen van de overheid destijds zo’n ‘humane’ straf?

 

6) De criminoloog Franke verklaarde in NRC Handelsblad van 30 augustus 1986: “ De resocialisatiegedachte kan ‘tegenwoordig door vrijwel geen gevangenisdeskundige meer geformuleerd worden zonder er cynisch bij te lachen” Kun je daarvoor een verklaring geven?

 

7) De beperking van de vrijheidsstraffen in de jaren ’70 heeft te maken met het denkklimaat in Nederland in die jaren”. Verklaar die uitspraak.

 

8) Welke “klimaats’- verandering zie je in dit opzicht in de jaren ’80?

 

9) Waarom zijn er meer geldstraffen in plaats van vrijheidsstraffen gekomen?