We hebben 190 gasten online

6) Lange weg naar gelijk recht voor alle onderdanen

Gepost in Strafrecht in Historie

6.1 De Romeinse rechtspraak

6.2 Enkele belangrijke veranderingen in de Middeleeuwen

6.3 De Vuurproef

6.4 Godsoordelen

6.5 Lange weg naar gelijk recht voor alle onderdanen

6.6 Veelheid van recht

6.7 Vragen en opdrachten

 

6.1 De Romeinse Rechtsspraak

 

De Romeinen brachten een rechtsspraak tot stand die een voorbeeld zou worden voor later tijden.

 

Wat is er zo bijzonder aan de rechtspraak van de Romeinen?

 

1) De rechten en plichten van de burgers werd in wetten vastgelegd.

 

2) Deze rechten en plichten waren voor alle burgers gelijk, of ze nu rijk of arm waren, veel of weinig macht hadden.

 

Hoewel de regels voor wat goed en wat slecht is, per land en per periode kunnen verschillen, meenden de Romeinen dat er bepaalde beginselen zijn die voor alle mensen en voor alle tijden gelden.

 

Enkele voorbeelden:

 

a) als iemand ergens van wordt beschuldigd, moet hij toch als onschuldig worden beschouwd tot zijn schuld is bewezen;

 

b) de regering van een staat moet de rechtspraak overlaten aan rechters die onafhankelijk van de regering zijn (anders zou een burger in een conflict met de regering altijd verliezen);

 

c) de verdachte moet de gelegenheid krijgen zich tegen de aanklacht te verdedigen;

 

d) niemand mag worden gestraft voor wat hij denkt.

 

Deze beginselen van het Romeinse recht werden over het rijk verspreid.

 

 

6.2 In de Middeleeuwen kwamen er enkele belangrijke veranderingen:

 

1) Elk Germaans volk bracht zijn eigen recht mee. Zodat in elke Germaanse staat in Europa andere regels golden;

 

2) op den duur lukte het de leiders van de Germaanse volken niet binnen hun staten overal hetzelfde recht te handhaven:ieder domein ontwikkelde eigen rechtsgewoonten;

 

3) onder invloed van Germaanse gebruiken ging men er niet meer vanuit dat alle mensen voor de wet gelijk waren; de adel en de geestelijken werden voor eenzelfde vergrijp verschillend gestraft.

 

De geestelijken vielen in de Middeleeuwen niet onder de gewone rechtsspraak, maar onder speciale kerkelijke gerechtshoven. Ook andere mensen konden met de kerkelijke rechtsspraak te maken krijgen: iemand kon in de ban worden gedaan.

 

6.3 De Vuurproef

 

De gerechtigheid van Keizer OttoDirk Bouts, 1475

 

godsoordeel

 

Hierboven is het volgende verhaal uitgebeeld: een vrouw doet een beroep op een koning: hoewel haar echtgenoot onschuldig was, is hij onthoofd op grond van een beschuldiging van de vrouw van de koning. De vrouw van de terechtgestelde toont de onschuld van haar man aan door een vuurproef. In aanwezigheid van de koning houdt zij een gloeiend hete staaf ijzer vast, terwijl ze het hoofd van haar echtgenoot in haar rechterhand heeft. De koning stelt haar in het gelijk en laat op de achtergrond zijn vrouw op de brandstapel terechtstellen.

 

6.4 Godsoordelen

 

De invloed van de Kerk op de gewone rechtspraak was zeer groot. Dit bleek vooral bij het godsoordeel. Soms was het voor een rechter onmogelijk vast te stellen wie schuldig was. In zo’n geval werd God om een oordeel gevraagd; men was ervan overtuigd dat God de misdadiger zou aanwijzen.

 

Naast het tweegevecht, waarbij God de onschuldige liet winnen, bestond de vuurproef. Men moest bijvoorbeeld over negen rijen gloeiende ploegscharen lopen of door een brandstapel gaan. Als er niets gebeurde of als de wonden snel genazen, was de verdachte onschuldig.

 

In de late Middeleeuwen kreeg men meer aandacht voor de rechtspraak van de Romeinen. Onderzoekers lazen dat de Romeinen de rechtspraak heel anders regelden en gingen pleiten voor veranderingen in de rechtspraak van hun tijd. Het godsoordeel werd toen afgeschaft, en men liet als belangrijkste bewijsmiddelen de bekentenis en de getuigenverklaringen gelden. Hierbij gold de Romeinse regel: één getuige,geen getuige’, (pas als er minstens twee getuigen waren, achtte men iets bewezen). Een uitzondering werd gemaakt, wanneer de verdachte bekende. Het besluit om de verdachte alleen te veroordelen alls hij had bekend, bracht helaas met zich mee, dat men ging martelen. De pijnbank werd sinds de middeleeuwen beschouwd als een werktuig dat normaal was bij de rechtspraak.

 

6.5 Lange weg naar gelijk recht voor alle onderdanen

 

Wie zich wilde zuiveren van een beschuldiging, had vanouds het recht te vragen om een godsoordeel door tweegevecht. Dit oudste bewijsmiddel in het strafproces berustte op de overtuiging dat God niet zou toestaan dat de schuldige won . ' ... zoo wie de waarheid begeert, dat hij die hebben zal als het herkomen is (gewoonterecht is); dat is te verstaan, dat hem de baljuw eenen dag van recht leggen zal in wat ambacht(rechtsgebied) de misdaad gevallen is, en daar zal hem de baljuw af aanspreken met eenen kemp (kampvechter) met schilde, met klippen (knuppel) en ... blootshoofds ..." aldus een bepaling uit het Hollands landrecht. Een ieder die dat wilde, mocht zich aan zo'n gewelddadig godsoordeel onderwerpen. Wanneer de beschuldigde niet zelf met een beroepskampvechter aankwam, betekende zo'n uitdaging echter meestal ook de nederlaag.

 

Landsheer

 

Dergelijk recht was inderdaad gewoonterecht, zoals het landrecht het zelf stelde; het ontleende zijn gezag aan de traditie. Sinds het uiteenvallen van het Karolingische rijk met zijn centrale staatsgezag had elk rechtsgebied (stad of heerlijkheid) zijn eigen gewoonterecht verder ontwikkeld. De landsheer bemoeide zich daar zo weinig mogelijk mee. Het was aan de rechtbank het toe te passen of - waar nodig - te ' vinden'.

 

Steden, waterschappen en andere rechtspersonen die niet van oudsher hadden bestaan, probeerden zelf zoveel mogelijk recht te scheppen en de landsheer werd daar liefst buiten gehouden. Zo werkten allerlei groepen en bestuurlijke eenheden naast elkaar. In overgangssituaties leverde dat dan ook onveranderlijk moeilijkheden op, die niet zo gemakkelijk waren op te lossen, of het moest door de landsheer gebeuren.

 

De groei naar een gelijk recht voor het gehele gebied van een landsheer vond echter maar uiterst langzaam plaats en dan nog op heel beperkte schaal.

 

Baljuw

 

In Holland liet de graaf de rechtspraak, voor zover die hem te doen stond, al in de loop van de dertiende eeuw over aan een soort van ambtenaren, de baljuwen, die erop toezagen of de graaf wat betreft zijn inkomsten en het beheer van zijn goederen aan zijn trekken kwam. Deze baljuwen bleven nooit lang in hun ambt, omdat de landsheer niet graag had dat zij op hun beurt macht zouden krijgen.

 

De baljuwen presideerden onder meer de ‘mannen-vierschaar ', oorspronkelijk een door vierscharen (banken) ingeperkte ruimte, waarbinnen de rechters zetelden. Dergelijke vierscharen vormden op hun beurt weer een hoger gerechtshof voor de gerechten die geleid werden door een schout. Van deze schouten waren er ongeveer evenveel als er parochies bestonden. In de steden werden ze terzijde gestaan door schepenen, voortgekomen uit de burgerij.

 

6.6 VEELHEID VAN RECHT

 

“In de 'grote steden' van de middeleeuwen kende iedereen iedereen," heeft de historicus Pirenne geschreven. Zo groot waren die steden dan ook niet. Dertigduizend inwoners telde Utrecht, de grootste stad benoorden Maas en Schelde. Zo'n kleine bevolkingsconcentratie vormde binnen zijn muren een gesloten rechtsgemeenschap, gefundeerd op de stadsrechten die de landsheer aan de plaats had verleend en op de POORTERSEED, de eed van trouw die de burgers moesten afleggen aan de stad.

 

De saamhorigheid van de poorters onderling was in veel opzichten te vergelijken met de familieband in het recht van de Germaanse stammen. Volgens het recht van menige middeleeuwse stad gold de band die de poorters bond als sterker dan de band van het bloed. Een poorter, die tegen de wil van zijn medepoorters de stad verliet om familieleden bij te staan in een rechtszaak, kon zich schuldig maken aan een strafbaar feit!

 

Vreemdelingen, dat wil zeggen niet-poorters, werden sterk gediscrimineerd. Volgens het Zwolse stadsrecht van omstreeks 1400 werd een burger, die binnen de stad een vreemdeling doodde,-beboet. Bracht hij, binnen of buiten de stad, een medeburger ter dood, dan wachtte hem verbanning: het doden van een medepoorter gold als zo'n ernstige inbreuk op de stadsvrede, dat de dader het verblijf in de stad moest worden ontzegd.

 

De middeleeuwse stad ontwikkelde haar wetten en haar rechtspraak met een grote mate van zelfstandigheid, waardoor aanzienlijke verschillen ontstonden van stad tot stad. Wie in Soest zonder reden de noodklok luidde, kreeg volgens het recht van omstreeks 1250 een half pond boete. Het des nachts plegen van hetzelfde feit in Utrecht kon de dader bekopen met de dood.

 

Naast de stedelijke rechtsstelsels kende men het gewoonterecht voor het platteland, het leenrecht voor de adel en het canonieke of kerkelijke recht voor de geestelijkheid.

 

Eenheid in deze verscheidenheid werd gebracht door de toenemende invloed van het Romeinse recht en het streven naar centralisme van de Bourgondische heersers.

 

Tot in de late middeleeuwen hield men zich in het strafproces bij het ACCUSATOIRE stelsel. Klager en beschuldigde waren hierin gelijkwaardige partijen en de rechter baseerde zijn uitspraak op hetgeen zij hem voorlegden. Zelf onderzocht hij niets. Zonder een aanklager (de benadeelde partij) vond er geen proces plaats. Was de benadeelde dood, dan sprak zijn familie voor hem.

 

Tegen het einde van de middeleeuwen werd het INQUISITOIRE proces gebruikt.

tortuur

De rechter zocht nu zelf actief de waarheid, zich daarbij vooral baserend op getuigenverklaring en bekentenis. En omdat een bekentenis altijd als doorslaggevend werd beschouwd, was daarmee de voorwaarde geschapen voor het veelvuldig toepassen van de tortuur, meestal via de pijnbank. Deze wijze van procederen, die zich met het oude idee van de saamhorigheid van de poorters slecht verdroeg, werd in de zestiende eeuw algemeen aanvaard.