We hebben 381 gasten online

18) Overzicht toepassing straffen van de 14e tot het eind van de 18e eeuw

Gepost in Strafrecht in Historie

Bron: Straffen door de eeuwen heen. De beul, het tuchthuis en de gevangenis 

Auteur: H. Steensma ISBN 9062072135

18.0 OVERZICHT TOEGEPASTE STRAFFEN VAN DE 14E TOT HET EIND VAN DE 18E EEUW

18.1 Schema van de straffen

18.2 De levensstraffen

18.3 De lijfstraffen

18.4 De Middeleeuwse gevangenis

 18.1 Schema van de straffen die gedurende de 14e eeuw tot aan het einde van de 18e eeuw in de Nederlanden werden toegepast.

DOODSTRAFFEN: :

a. Onthoofding.

b. Ophanging.

c. Wurging.

d. Verbranding.

e. Ketelstraf.

f. Radbraking.

g. Levende begraving.

h.Verdrinking.

LIJFSTRAFFEN:

1. Verminkende straffen:

a. Afhakken van ledematen.

b. Verminking van tong, neus, oren of ogen

2. Straffen aan huid en haar:

a. Geseling.

b. Kaalscheren van het hoofd.

c. Brandmerking

ONTERENDE STRAFFEN:

a. Staan aan de schandpaal.

b. Zitten op de kaak.

c. Zitten in de schandmantel.

d. Dragen van de schandstenen.

e. Slepen van de schandslede.

BOETEDOENINGEN:

a. Bede om vergiffenis in het openbaar.

b. Offeren van een of meerdere kaarsen.

c. Het doen van een strafbedevaart

VRIJHEIDSSTRAFFEN:

a. Verbanning.

b. Galeistraf.

c. Gevangenisstraf

VERMOGENSSTRAFFEN:

a.Verbeurdverklaring.eten

toepassing straf 1

Als vóór 1795 iemand de doodstraf had verdiend, dan werd hij opgehangen of doodgeslagen, onthoofd of gevierendeeld. Op deze afbeelding zien we echter iemand die werd verbrand. Dat gebeurde slechts bij hoge uitzondering, want het was de straf voor hardnekkige ketters!

In 1534 werden de wederdopers Hendrik Roll en Griegen Bildesnider op het Vrijthof aan een staak gebonden en in een strooien huisje verbrand.

toepassing straf 2

Verschillende lijfstraffen. Bij het radbraken sloeg men met een rad iemands armen en benen kapot. De ledematen braken doordat er een houten balk onder lag.De man links wordt met paard en slede uit de stad naar de galg gesleept. Als ter dood veroordeelde zou hij immers de grond bezoedeld hebben door te voet te gaan. Met een gloeiende nijptang knijpt de beul stukken uit zijn rug. Daarna zal hij worden opgehangen.

18.2 De levensstraffen

Misdaad en straf zijn twee begrippen die door de jaren heen onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden.

De Romeinse geschiedschrijver Tacitus (55 - 105) beschrijft in zijn "Germania" de straffen die in gebruik waren bij de Germaanse volkeren die eertijds in stamverband ons land bewoonden: Overlopers naar de vijand en verraders werden opgehangen aan een dorre, bladerloze boom, verachtelijke dieren, honden en wolven, werden naast het slachtoffer gehangen om tot uitdrukking te brengen dat ook hij verachtelijk was. Schanddaden moesten verborgen blijven en daarom werden ontuchtelingen in een moeras geworpen, over het dode lichaam gooide men takken en biezen.

De opkomst van de steden en heerlijkheden deed een bijzonder wreed strafstelsel ontstaan om de mensen er van te weerhouden strafbare daden te doen, de lijf - en levensstraffen deden hun intrede.

Eenheid in het strafstelsel bestond niet, bij gebrek aan landelijke wetboeken strafte de rechter dan ook: "soe dat behoert in een land van goede justitie".

Een verdachte moest bekennen, desnoods op de pijnbank zodat het kwaad vergolden kon worden. Ernstige misdaden werden gestraft met een van de doodstraffen:

Onthoofding.

Ophanging.

Radbraking.

Levende begraving.

Worging.

Verbranding.

Verdrinking

Het ophangen aan de galg was min of meer de straf voor de gewone man, aanzienlijken, hoge militairen en mensen van adel werden onthoofd. Ongetwijfeld was onthoofding de mildste van alle doodstrafvormen als het tenminste maar niet gebeurde door de scherprechter van Haarlem, Evert Jansz., die zo onhandig met het beulszwaard stuntelde dat hij zijn slachtoffers onnoemlijk veel leed berokkende.

De ergste doodstrafvorm waartoe iemand veroordeeld kon worden was radbraken: aan handen en voeten op het radbraakkruis vastgebonden werd de veroordeelde letterlijk door de beul kapotgeslagen. Veelal onthoofde de scherprechter het slachtoffer nadien en zette het hoofd op een ijzeren pin op het radbraak-kruis.

Vrouwen werden aan een paal gewurgd waarbij de wurging soms op bevel van de rechters onderbroken werd, direct daarna moest de beul met de executie doorgaan.

Verbranding aan een staak gebeurde met heksen en ketters waarbij heksen "tot asse" verbrand werden omdat men het risico niet "de lopen dat het dode lichaam van een heks met hekserij door zou gaan. De terechtstelling van ketters werd veelal beëindigd als de slachtoffers door rookverstikking om het leven waren gekomen. Niet alleen heksen en ketters werden eer tijds vervolgd, ook een groot aantal homofielen zijn in vroeger jaren om"de sonde van sodomie" om het leven gebracht. Werden de terechtstellingen van homofielen aanvankelijk geheim gehouden, later gebeurden deze meer en meer in het openbaar.

Verdrinking was ook een straf die voornamelijk aan vrouwen werd toegepast..

Valsemunters werden tot de ketelstraf veroordeeld, in een grote ketel met een gloeiend hete vloeistof werden ze gestikt.

Het Crimineel Wetboek voor het Koninkrijk Holland deed vele wrede doodstraffen in 1809 verdwijnen, dit wetboek bepaalde dat de doodstraf slechts op twee manieren ten uitvoer mocht worden gebracht: door middel van de strop (ophanging voor mannen en verwurging voor vrouwen0 of door onthoofding.

De latere, voor ons land van kracht zijnde Code Pénal schreef één executiewijze voor en wel onthoofding door middel van de guillotine.

Na de bevrijding werd de galg weer in ere hersteld totdat in 1870 de doodstraf werd afgeschaft.

Executies van de levensstraffen gebeurden in het openbaar op een daartoe bestaand of van te voren opgericht schavot voor het stadhuis of op het marktplein, in ieder geval op een plaats waar veel mensen de terechtstelling bij konden wonen en .. er lering uit te trekken.

De man die uit naam van de overheid belast was met de voltrekking van het vonnis was de “meester van den scherpen zwaarde” ofwel “scherprechter”,

In de volksmond werd hij echter kortweg beul genoemd.

Een scherprechter werd door het stadsbestuur benoemd en ontving ook een salaris van de stad. Erg geliefd was een beul niet, soms moest hij beschermd worden tegen volkshaat en sommige steden kenden verordeningen om hem hiertegen te beschermen.

De laatste scherprechter van ons land was een zekere Dirk Jansen, tevens laarzenmaker in Amsterdam. Dirk Jansen kwam uit een befaamde scherprechtersfamilie: zijn oom Gerardus Jansen was stadsscherprechter van Amsterdam en ook zijn broer was beul. Toen zijn oom Gerardus in 1826 stierf solliciteerde Dirk naar de open post maar omdat hij pas 25 jaar oud was vond men hem kennelijk nog te jong om als zelfstandig scherprechter op te treden. Toch assisteerde hij al vanaf zijn 18e jaar bij executies!

Jacobus Ras, scherprechter van Overijssel werd benoemd te Amsterdam. Toen deze Ras in 1837 stierf dong Dirk Jansen opnieuw naar deze baan en nu met succes. Bij Koninklijk Besluit werd in 1851 bepaald dat er in Nederland slechts twee scherprechters zouden zijn: één in Amsterdam en één in Arnhem. Toen de beul te Arnhem ontslagen werd in 1854 was Dirk Jansen Nederlands enige scherprechter. Veel doodstraffen heeft Jansen evenwel niet hoeven te voltrekken, het zullen er nog geen tien zijn geweest.

De laatste executie die scherprechter Dirk Jansen moest verrichten was op 31 oktober 1860 toen hij Joannes Nathan in Maastricht op moest hangen. Joannes had zijn schoonmoeder, ene weduwe Driesen vermoord en was daarom ter dood veroordeeld.

Om half tien op die dag verliet Joannes Nathan het gevangenishuis van Maastricht, naast hem liep een geestelijke, voor hem Dirk Jansen en achter hem een beulsknecht. Gendarmes zorgden voor de bewaking. De terecht-stelling was geen publieke vermakelijkheid zoals dat in de middeleeuwen het geval was: Nathan liep door doodstille staten, in de huizen waren de gordijnen gesloten, kinderen werden binnen gehouden. Ook voor het stadhuis waar het grote sombere schavot was opgesteld viel een beklemmende stilte toen de droeve stoet naderde. Naast het schavot was een vertrekje ingericht waar de veroordeelde zijn laatste geestelijke bijstand ontving. Toen het tien uur sloeg beklom Nathan, vergezeld van de geestelijke het schavot, de beulsknecht ontdeed Nathan van zijn schoenen waarna Dirk Jansen hem de strop om de hals legde en op het valluik liet plaatsnamen. Enkele ogenblikken later deed de scherprechter het luik kantelen en was de laatste openbare terechtstelling in ons land voorbij. Hoewel Jansen dit zelf nog niet wist hoefde hij nimmermeer het grote zwarte schavot te beklimmen, wel werd ook na 1860 verschillende malen de doodstraf uitgesproken, door de Koning werd echter steeds gratie verleend.

Was een terechtstelling op zich al bijzonder wreed, de wijze waarop een beul - in opdracht van de rechters en vastgelegd in het vonnis - moest handelen met het dode lichaam van een terechtgestelde getuigde van geen enkel respect of eerbied.

Lichamen van geëxecuteerden werden"buyten gebracht" d.w.z. naar het galgeveld gesleept op een"horde" een soort gevlochten slede van tenen of eenvoudigweg vastgebonden aan de staart van een paard. Op dat Galgeveld werden de lichamen van terecht gestelde tentoongesteld: aan de galg, op het rad of aan de paal. Deze lichamen bleven daar op het galgenveld totdat ze vergaan waren: "de vogelen des hemels ten prooye gelaten en tot afschrick van het algemeen".

deel 18 guillotine

De doodstraf bleef in de Franse tijd bestaan. Zij werd echter maar op een manier toegepast: onthoofding. De beul kreeg een machine, de guillotine, om zijn taak zo snel en zo humaan mogelijk uit te voeren

18.3 De lijfstraffen

deel 18 brandmerken onthoofden verbanden

Brandmerken ,onthoofden en afhakken van vingers.

De beul had de beschikking over een groot aantal werktuigen om een lijfstraf te voltrekken. messen, priemen, tangen, bijlen, roeden, brandijzers behoorden tot dit assortiment. Afhakken van een hand of van vingers was de straf voor hen die meineed of valse getuigenis afgelegd hadden, godslastering of laster werd bestraft met het doorsteken of afsnijden van de tong. Op landlopers, bedelarij en kleine diefstallen stond een straf zoals het afsnijden van een oor - of oren -, het afsnijden van de neus of splitsen van de neus.

Tot schade en schande kon iemand veroordeeld worden tot een van de volgende straffen:

Staan aan de schandpaal;

Zitten op de kaak;

Zitten in het schandblok;

Dragen van schandstenen;

Dragen van de schandton;

Slepen van de schandslede;

Zitten in de huik.

Het lijken lichte straffen doch niet te onderschatten zijn de lichamelijke gevolgen omdat geselen en brandmerken in de meeste gevallen aan deze onterende straffen vooraf gingen. Bovendien kon iemands eer en goede naam een flinke deuk krijgen.

In de late Middeleeuwen komt de pijnbank in zwang, niet als strafwerktuig maar als middel om een verdachte te laten bekennen.

deel 18 wipgalg

Bij het pijnlijke verhoor gebruikte men na de duimschroeven zwaardere middelen. Hier een wipgalg. De verdachte werd tijdens de ondervraging aan zijn op de rug gebonden handen opgetrokken naar het plafond, soms ook nog met een gewicht aan zijn voeten. Dan liet men hem vallen tot vlak boven de vloer. De schok die volgde was zeer pijnlijk, vaak brak bovendien het schoudergewricht.

Afgrijselijk waren de folteringen: Uitrekken, aandraaien van duim- en scheenschroeven, vastbinden met natte leren riemen, het laten druipen van brandend kaarsvet op het lichaam, vol laten lopen met zout water.

deel 18 brandijzers

 Bij het verhoren van verdachten ging het er weinig zachtzinnig aan toe. Wie niet meteen bekende, kreeg de duimschroeven aangelegd, tenminste bij voldoende bewijs van schuld. Hij moest dan zijn duimen in de openingen zetten, waarna de vleugelmoer werd aangedraaid

Het tortuur werd voor ons land in 1798 afgeschaft, de lijfstraffen, uitgezonderd het geselen, in 1854. deze laatstgenoemde lijfstraf werd bij wet op 4 april 1870 afgeschaft Boetedoeningen behoorden eertijds ook tot het schema van straffen.

Boetes, in vroeger jaren opgelegd, konden bestaan uit het moeten leveren van een aantal stenen voor bijvoorbeeld een overheidsgebouw maar ook geldboeten waren in gebruik.

18.4 De Middeleeuwse gevangenis

Reeds in de Merovingische tijd waren er in ons land gevangenissen: sombere kille kerkers, onder burchten en kastelen die voornamelijk dienden om er krijgsgevangenen in op te sluiten.

deel 18 wegslepen gevangene

De middeleeuwse stad richtte haar gevangenis in onder het stadhuis, in de stadspoorten en soms kende een stad en gebouw, speciaal als gevangenis gebouwd.

De ze gevangenissen werden gebruikt voor verschillende “soorten” gevangenen: misdadigers die op de dag van hun terechtstelling wachten, gegijzelden om schulden, personen die een boete niet wilden betalen en de gevangenis diende als strafinstituut voor ketters. Vooral tijdens de kettervervolgingen raakten de gevangenissen overvol.

Zat er iemand in de gevangenis om een “boete”uit te zitten dan moest deze zelf zijn gevangeniskost betalen. Gegijzelden om schulden moesten onderhouden worden door hen op wiens verzoek ze in de gevangenis waren gezet. Ze genoten meer voorrechten dan criminele gevangenen.

Als vrijheidsstraf kwam verbanning veel voor, soms voor jaren maar soms ook levenslang. Meestal werd de verbannene gebrandmerkt welk teken als herkenningsteken diende.