We hebben 170 gasten online

26) Jeugdstrafrecht Deel 1

Gepost in Strafrecht in Historie

26.1 De schaduw van Joop

26.2 Bij niemand ging de alarmbel af

26.3 ‘Dood peuter was fatale afloop van kinderruzie’

26.4 Ook kind onder twaalf verdiend straf

26.5 Jeugdige crimineel lijkt stoer maar is vaak labiel

26.6Gevangen tussen straf en zorg

26.7‘Aardige jongens’ sloegen fietser in blinde drift bijna dood

26.8 Jordi H. een wandelende tijdbom

26.9 Jongen (8) in kliniek na poging tot doodslag

26.10 Jonge daders

26.1) DE SCHADUW VAN JOOP

Uit de Volkskrant van 19 juli 2000 door Mark van Driel

Dominique en Cheryl hebben vorig jaar de vriend van hun moeder om het leven gebracht. De toen 12 jarige Dominique en zijn 15 jarige zus probeerden haar te beschermen tegen zijn uiterst gewelddadige gedrag. De moeder van de kinderen hoopt op betere tijden: kan worden voorkomen dat Dominique en Cheryl het moeizame levenspad van haar en hun oma volgen?

Dominique kan zich de scheldpartij vlak voor de fatale messteken nog herinneren. 'Moet ik het zeggen', vraagt hij opgewonden. Zijn ogen schitteren; even vergeet hij de croissants waarop hij steeds hongerige blikken heeft geworpen. Hij kijkt naar zijn moeder, die zo vaak is uitgescholden dat de woorden haar niet meer lijken te raken. Zijn zus Cheryl aait de Rottweiler -pup en probeert niet te luisteren. 'Ik weet nog precies wat -ie zei', zegt Dominique en hij flapt de belediging eruit.

Dominique kan goed luisteren, schreef de Groningse jeugdinrichting 't Poortje minder dan twee weken nadat hij joop Tollenaar, de 41-jarige vriend van zijn moeder had gestoken. De kliniek observeerde de '12- jarige scholier uit Gouda in de periode dat sommige kranten hem afschilderden als de held die zijn moeder redde van haar belager. 't Poortje concludeerde: Dominique staat open voor wat anderen zeggen, komt heel onbevangen over, laat niet over zich heen lopen en 'weet goed wat wel en niet mag'. Dominique is 't Poortje niet vergeten, al is er bijna een jaar verstreken sinds hij tien dagen doorbracht met een groep jeugdige delinquenten die hem wijsmaakten dat zijn straf zou bestaan uit een 'ballenprik'. Het was een grap, weet hij nu. De rechter zal hem geen chemicaliën voorschrijven, 'hè mam?'.

Maar welke straf hangt de middelbare scholier wel boven het hoofd? Tot ontsteltenis van zijn 34-jarige moeder Marjan, de hulpverleners die zich bemoeien met het gezin en enkele hoogleraren kinderrecht laat de rechtszaak al ruim tien maanden op zich wachten.

Dominique:'Het is net of het niet echt is gebeurd.' Dominique kan zich de eerste ontmoeting met Joop niet herinneren, Cheryl wel. Ze was twaalf toen haar moeder thuis kwam met een nieuwe vriend, een grote, fors gebouwde glazenwasser met tatoeages. Buurtbewoners omschrijven hem als 'een beer van een vent'. Cheryl, nu bijna 16 jaar en net begonnen als caissière in een warenhuis, schrok. 'Toen ik hem zag, kreeg ik pijn in mijn buik.' Haar angstige voorgevoelens bleken juist, vertelt ze op nauwelijks twee meter afstand van de plek waar Joop de dood vond. Ze is verlegen, houdt de handen voor de mond als ze praat en slaat de licht opgemaakte ogen vaak neer. Maar soms vertelt ze zo fel over wat zich afspeelde in de Goudse woning, dat haar moeder ervan schrikt.

Cheryl heeft haar gevoelens lang verborgen gehouden. Nog geen vier maanden na de kennismaking met Joop kwam haar moeder thuis met een lichte hersenschudding en een bont en blauw geslagen gezicht, zegt Cheryl. Het was het begin van een patroon dat jaren zou voortduren. Marjan ('ik leek de elephant woman wel') verzon de eerste keer nog een smoes, maar haar dochter trapte daar niet in. Met een slok op was de meestal werkloze glazenwasser niet te houden. Hij sloeg zijn vriendin zo vaak dat ze er bijna luchtig over vertelt ('kloing, daar lag ik weer in de hoek') en hij dwong haar tot seks ('dan gaf hij een harde bonk op het bed en moest ik komen'). De smeekbeden van Marjan 'brachten Joop niet tot inkeer. Ook de gevangenis hielp niet. Het voortdurende geweld tegen haar (en tegen politiemannen die hem kwamen arresteren) leverde hem in drie jaar tijd twee veroordelingen op, eenmaal tot negen maanden cel en eenmaal tot vier maanden. Van psychiatrische hulp had hij na een paar dagen genoeg. Zelfs een poging van de broers van Marjan om hun zuster te beschermen, maakte geen indruk. Ze sloegen Joop met een honkbalknuppel een gebroken arm. Marjan 'Als hij geen andere vriendin had, was ik de pineut. Ik moest hem wel terugnemen. Wat kun je? Naar de politie gaan? Die komt hem halen en laat hem weer gaan. Dan stond hij weer voor de deur en nam ik hem terug. Binnen heb ik meer controle over hem dan buiten, dacht ik steeds. Ik dacht: als ik maar zorg dat hij rustig is, dan is dat voor de kinderen het beste.' Schaamte over de huiselijke moeilijkheden weerhield Marjan ervan hulp te zoeken. Ze deed zoveel mogelijk alsof ze 'straalgelukkig' was. Ze probeerde zichzelf te redden, zoals ze als kind had geleerd.

Haar moeder, met wie ze geen contact meer heeft, kreeg kinderen van drie verschillende, allerminst zachtzinnige mannen. Een van haar stiefvaders betastte haar van jongs af aan. Nadat ze het ouderlijke huis had verlaten, lag het geluk evenmin voor het oprapen. De relatie met de vader van Cheryl - het vriendje met wie ze op 15-jarige leeftijd ging samenwonen - verliep stormachtig. Inmiddels heeft ze, net als haar moeder, drie kinderen met verschillende vaders. De jongste, Cheyenne, is 6. 'Drie kinderen, drie vaders. Dan weet je wel wat er over je wordt gezegd. je bent een hoer.'

Haar verleden was Joop te veel. Hij kon de gedachten aan haar ex-geliefden niet de baas, zegt de moeder van Joop. Zij waarschuwde haar zoon ('voor ons was hij een schat') herhaaldelijk om weg te blijven bij Marjan. 'Eens een losbol, altijd een losbol. We zelden:

"Jongen, het wordt nog je dood." Maar hij was geobsedeerd door die vrouw.' Als Joop dronk, ontplofte hij bijna van jaloezie. Het patroon was voorspelbaar, weet Cheryl die op vrijdagavond vaak thuis bleef. Ze hoopte dat haar aanwezigheid zou voorkomen dat er ruzie zou ontstaan. Haar opzet mislukte vaak; het laatst op vrijdagavond 3 september vorig jaar. Het was een roerige week geweest, zegt Marjan, die op dat moment werkte bij afvalbedrijf BFI. Tussen de,vechtpartijen had ze Joop gevraagd waarom hij haar bleef slaan. 'Vind je het dan niet erg dat ik bang voor je ben?', vroeg ze. Hij wuifde het bezwaar weg. 'Hij vond dat ik overdreef. Hij zou me nooit doden.' Op vrijdag kondigde hij een kloppartij aan. 'Hij zei: Ik ga me bezatten. Als je thuiskomt, kun je lachen.'

Joop wachtte haar komst niet af. Rond kwart over zes reed hij naar BFI en trok Marjan onder de ogen van collega's aan haar haren mee. Op de terugweg ramde hij een vangrail voor hij de straat binnen reed en haar het huis binnentrok. Het was zacht zomerweer. Op de stoep zaten buren te genieten van de zon.

Cheryl en Dominique wisten dat het fout zat. Ze hadden de ruzie in de auto door toeval kunnen volgen via de mobiele telefoon van Marjan. Cheryl: 'Ik zat de Yes te lezen toen de telefoon ging. Ik riep mama, maar ze zei niks. We hoorden Joop schelden.'

Na binnenkomst ging het slaan door. Cheryl en Dorninique werden in de open keuken gedrongen en zagen dat Joop hun moeder tegen de grond schopte. Hij beukte haar hoofd tegen de grond. Ze waren bang, ook al had Joop hun nooit geslagen. 'We keken elkaar aan', zegt Cheryl, voordat ze in korte en heldere zinnen herhaalt wat ze de politie tien maanden geleden heeft verteld.

Ze pakte een vleesmesje ('iets groter dan een aardappelmesje') uit de keukenla. Terwijl Dominique toekeek stak ze het in de rug van Joop. De dronken glazenwasser sloeg haar tegen de grond. Er was sprake van 'bewustzijnsvernauwing geheel gericht op de agressie van Joop', schreef het Haags Ambulatorium in een psychologisch rapport over Cheryl.

Dominique schrok enorm, zegt hij. Zijn toon is opgewonden, hij ratelt alsof hij een spannende film navertelt. Hij vertelt hoe hij een broodmes greep en het in Joops nek stak . Hij raakte vermoedelijk een slagader. Toen haalde Joop het mes eruit en kwam er een dikke stroom bloed. Hij was heel dronken. Daar wordt bloed slapper van, toch?'

Marjan had nauwelijks door wat er gebeurde. Ze dacht dat het bloed uit haar eigen hoofd kwam. Terwijl Joop zijn wond probeerde te stelpen, vluchtte ze met de kinderen naar buiten. Toen hij even later op de stoep verscheen en in elkaar zakte, dacht ze: 'Aansteller.' Ze vermoedde dat hij een act opvoerde voor de inmiddels gearriveerde politie. Een week later heeft ze het bloed van de stoep geboend.

Joops dood heeft rust gebracht, zeggen Cheryl en Dominique. Ze hoeven niet meer bang te zijn. Maar de schaduw van Joop hangt nog over het huis. Ze zijn bang voor straf. 'Ik ben er trots op dat jullie me hebben beschermd', zegt hun moeder, 'maar er is wel iemand overleden.'

Beide kinderen, die geen crimineel verleden hebben, worden geplaagd door visioenen van een langdurig verblijf in de cel. De sussende woorden van de gezinsvoogd en andere hulpverleners (zij denken dat de kinderen handelden uit noodweer) helpen nauwelijks. Op straat zijn ze uitgemaakt voor moordenaar en dus vrezen ze de rechtszaak. Dat is begrijpelijk, zegt kinderrechter en hoogleraar jeugdrecht P. Vlaardingerbroek. Hij vindt het onverantwoord dat de strafzaak pas eind augustus, bijna een jaar na het delict, plaatsvindt. 'Normaal gesproken moet binnen een half tot driekwart jaar een proces zijn geweest. Kinderen moeten de kans krijgen om een traumatische gebeurtenis te verwerken. Daarbij hoort eén zitting en een eventuele straf.'

OOK Marjan zit in de spanning. ‘Mijn kinderen zijn mijn alles, zegt ze. ‘Ik weet dat ik geen modelmoeder ben, maar ik heb wel hart voor ze.' Bovendien, zegt ze, heeft ze de belangrijkste les geleerd. Ze moet praten over wat haar dwars zit en hulp zoeken als de moeilijkheden haar boven het hoofd groeien. Dat, denkt ze, is de enige manier om te voorkomen dat haar kinderen het levenspad volgen dat zij en haar moeder hebben afgelegd. Vooral haar dochters baren Marjan zorgen. De jeugd van de gesloten Cheryl is bijna een kopie van haar eigen tienerjaren, behalve dat ze er op 15-jarige leeftijd nog niet vandoor is gegaan met een vriendje. En ook Cheyenne moet in het oog worden gehouden. De vroegwijze 6-jarige gaat soms op bezoek bij de vlakbij wonende oma en de stiefvader die Marjan als kind betastte. Ze betwijfelt of de man zijn pedofilie neigingen heeft afgeleerd door 'een pilletje van de dokter', zoals Cheyenne eens zei. Ze had de woorden van haar oma overgenomen.

En dan spookt er nog een vraag door Marjans hoofd. Wat heeft Cheyenne gezien van de laatste mishandelingen en de steekpartij?

Ze was op straat aan het spelen, maar stond bij de deur van de woonkamer toen Marjan met Dominique en Cheryl naar buiten vluchtte. Het meisje bleef als versteend staan. Ze wilde niet mee. Marjan hoort haar nog vragen om een stuk speelgoed, terwijl het keukenzeil rood kleurde door het bloed van Joop. 'Ik wil mijn wagen', riep ze. 'ik wil mijn wagen!'

26.2) BIJ NIEMAND GING DE ALARMBEL AF

Nrc 3 juli 1999 DANIELA HOOGRIEMSTRA

Klachten over twee Enschedese zusjes die kinderen zouden misbruiken waren al jaren bij instanties bekend. Maar ze waren meisjes, en zo jong. 'Dan verwacht je niet dat het ernstig is.'

ENSCHFDE, 3 JULI. De driejarige dochter van Bea Wijma uit Enschede kwam in het voorjaar van 1995 thuis met een eigenaardig verhaal. De zusjes Deborah (9) en Melissa (7) van een paar huizen verderop deden aan "kontje likken" bij haar vriendinnetjes. Het zoontje van Wijma wist zich ook iets te herinneren: wijzend naar zijn piemel zei hij dat Deborab en Melissa daar aan sabbelden bij vriendjes.

Wijma: "Toen Deborah had gedreigd haar huis in de fik te steken als ze het zou vertellen, begreep ik plotseling de steeds terugkerende vraag van mijn zoontje: 'Mam, kan iemand 's nachts je huis in brand steken?"' Een buurtgenote trof Deborah in diezelfde periode aan bovenop haar zoontje. Wijma ging in juli 1995 naar de politie. Aangifte doen kon niet, omdat Deborah en Melissa onder de twaalfjaar waren.

"Bij niemand van ons ging de alarmbel af", zegt M. Kroeze, coördinator Jeugd en Zedenzorg in Twente. "Het waren meisjes en ze waren nog heel jong. Dan verwacht je niet dat het ernstig is."

De politie besprak de zaak in september 1995 in het 'Consultatieteam' waar vertegenwoordigers van de Kinderbescherming, Maatschappelijk Werk en de Riagg in zitten.

Het team, bedoeld om de samenwerking te bevorderen, sprak af dat de Riagg zich met het gezin zou bezighouden. Gezien de problemen in het gezin, werd Deborah op advies van de Riagg doordeweeks in een internaat geplaatst. Verder bleef alles bij het oude.

Wijma: "Een jaar na de eerste melding trof een Marokkaanse vader zijn zoontje aan bovenop Melissa. Toen ik het jongetje vroeg waarom hij dat deed, zei bij: 'dat moet ik van die meisjes'."

Sandra Kaspers kwam in 1996 in de wijk wonen. In het voorjaar van 1997 zei haar dochter bij het omdoen van een luier dat ze pijn had. Kaspers: "Ze zei: 'ik moest van Melissa mijn broek uitdoen omdat ze met een stokje naar binnen wilde'." Steeds doken nieuwe klachten op over de meisjes.

Wijma belde zich suf met de Jeugd en Zedenzorg, maar niemand deed iets, zegt ze. "Ik wilde dat er iets gebeurde. Wij hadden het vermoeden dat ze bij andere kinderen nadeden wat bij ben thuis gebeurde. Ze wilden altijd met jongere kinderen spelen, liefst met kinderen die nog niet konden praten. Ik heb de moeder van de meisjes een keer gevraagd of zij niet wilde weten wat er aan de hand was. Ze zei dat ze haar dochter ook al eens met zalf had moeten behandelen omdat alles van onderen rood was. Maar op andere momenten lachte ze ons gewoon uit, zei ze dat we hen toch niks konden maken."

De hele buurt was bang, volgens Wijma. Vooral voor de vader van het gezin die regelmatig dreigde mensen dood te steken als ze naar de politie zouden gaan.

Wijma: "Mijn kinderen stonden 's nachts voor het raam te kijken of het huis niet in brand werd gestoken. Van een van de buren hoorde ik dat de zusjes een keer met een mes hebben gedreigd. Als ze buiten speelden, moesten we er bij gaan zitten. Ze konden niet meer alleen naar school lopen’.

Kroeze van de Jeugd en Zedenpolitie: "Toen er nieuwe meldingen kwamen, hebben.we aan de Riagg gevraagd of de behandeling was begonnen. Ja, dat was het geval. Meer konden ze vanwege hun beroepsgeheim niet zeggen. Wij wisten op een zeker moment wel dat het ernstig was wat er in dat gezin gebeurde, maar we stonden machteloos."

De meldingen over de meisjes waren onvoldoende om een politieonderzoek naar incest te starten, zegt Kroeze. "Als je met ; onvoldoende bewijzen probeert zo'n zaak rond te maken, loopje het risico dat het gezin zich verder afsluit."

De Riagg deed wat het kon, zegt Riagg -circuitmanager A. Holkers. Naast de plaatsing in een internaat van de oudste dochter, werd voor enkele uren in de week een gespecialiseerde gezinshulp geregeld. "Wij hadden geen aanwijzingen voor incest", zegt hij. "En zolang de ouders meewerken met de behandeling, hoef je bij de Kinderbescherming niet aan te komen."

Eind 1996 probeerde de vader van de meisjes zijn huis in brand te steken ,De man kreeg drie maanden cel.

Ook dat was voor de politie geen reden om de Kinderbescherming in te schakelen zegt Kroeze. Als je niet kunt aantonen 'dat hij met die brand zijn kinderen wilde beschadigen" is daar geen geldige reden voor."

In de buurt liep de situatie ondertussen uit de hand. In de speeltuin kwam het tot een vechtpartij tussen Wijma, haar man en de vader van Deborah en Melissa, die volgens Wijma provoceerde door zijn

dochters op de andere kinderen af te sturen. "Ik was op het punt gekomen dat ik tegen de politie zei: 'Ik hak die man in mootjes en Iever hem zo bij jullie af op het bureau'."

Niet de brandstichting, niet de aanhoudende stroom klachten over het gedrag van de dochters, maar het feit dat de ouders niet meer meewerkten aan de behandeling van hun dochter gaf de doorslag om de Kinderbescherming in te schakelen.

"Toen zij hun oudste dochter tegen ons advies in uit het internaat haalden, was de maat vol", zegt Riagg -manager Holkers.

In januari 1997 meldde de Riagg de zaak officieel aan bij de Kinder-bescherming. Holkers: "Het is vreemd dat het toen nog anderhalf jaar duurde voordat actie is ondernomen."

Eind 1997 is de familie verhuisd naar een andere wijk in Enschede. Daar ging het misbruik door. In de eerste maanden van 1998 zijn dertien kinderen door de zusjes geprikt met gebruikte injectienaalden die op straat waren gevonden. Deze kinderen zijn begin vorige maand getest op Aids. Ze bleken niet besmet.

De kinderrechter heeft door toedoen van de Kinderbescherming in het midden van 1998 beslist tot ondertoezichtstelling en een uithuisplaatsing van de meisjes. Volgens een woordvoerder van de Kinderbescherming duurde dat anderhalf jaar omdat tijd nodig was om dossierkennis te verzamelen, een extern onderzoek te doen naar de psychologische ontwikkeling van de meisjes, eigen onderzoek te doen naar de relatie van de ouders met de meisjes en de Ondertoezichtstellingsprocedure in gang te zetten. We moeten zeer zorgvuldig te werk gaan. 'Als ouders niet goed meewerken, kan het soms lang duren", zegt de woordvoerder.

Op 17 mei van dit jaar zijn de zusjes op grond van in totaal 35 meldingen van seksueel misbruik aangehouden. De aanklacht betreft ondermeer het onder dwang in de anus en vagina steken van stokjes. De politie heeft excuses aangeboden aan de ouders van de misbruikte kinderen. Niet voor de inhoudelijke aanpak van de zaak, maar voor de slechte communicatie met de ouders, zegt een woordvoerder. "We hebben onvoldoende geïnformeerd over wat er in gang was gezet." Kroeze van Jeugd en Zedenzaken heeft geleerd van de zaak, zegt hij. "In het vervolg zullen wij de signalen eerder serieus nemen." Deborah, nu 13, wacht in een jeugdhuis van bewaring de behandeling van haar rechtszaak af. Melissa, nu 11, is in een forensisch orthopedagogisch instituut geplaatst. Over onderzoek naar de ouders van de zusjes wil de politie geen mededelingen doen.

26.3) ‘DOOD PEUTER WAS FATALE AFLOOP VAN KINDERRUZIE’

Twee negen jarige jongens uit Lelystad veroorzaken de dood van een driejarig meisje. Tragisch ongeluk of moord? Een uit de hand gelopen pestpartij, zegt de Raad voor de Kinderbescherming.

JOKE MAT in NRC 12 maart 1998

Lelystad 1 2 MAART 1998 Een..bizar uit de band gelopen pesterij".

Zo ziet Jelle Kleistra, unitmanager strafzaken van de Raad voor de Kinderbescherming Lelystad - Zwolle, de zaak waarbij twee jongens van negen in Lelystad de dood van de driejarige Daisy Kruijswijk veroorzaakten."Deze jongens zijn daders van strafbare feiten, maar ook slachtoffers". zegt Bart van Dekken. praktijkleider in de zaak. Slachtoffer van een geweldig mediacircus."

Veel media vergeleken de zaak zijns inziens ten onrechte met die van de James Bulger, die in 1993 door twee jongens van tien werd meegelokt en vermoord. Een golf van publieke verontwaardiging was het gevolg; de jongens kregen vijftien jaar celstraf. Dat was veel meer willens en wetens van tevoren gepland". zegt Van Dekken. ..Er was een drang tot gewelddadig handelen aanwezig waarvan hier geen sprake is."

Feit is dat het gedrag van de twee jongens in Lelystad vermoedelijk was aangemerkt als moord of doodslag als ze volwassen waren geweest. Volgens de vrijgegeven politierapportage speelden zowel de jongen als het meisje op 5 februari bij een bevroren sloot in de wijk Jol, zonder toezicht van volwassenen.

Michael en Kevin spraken af om Daisy te gaan pesten. Ze stuurden haar het ijs op en verhinderden haar met geweld (slaan, duwen, schoppen') weer op de kant te klimmen. Ze wisten dat het ijs onbetrouwbaar was, aldus hun verklaring aan de politie. Het meisje zakte er doorheen. werd pas na enkele minuten door een voorbijganger uit het water gehaald en overleed drie dagen later. [)e jongens zijn aangehouden en verhoord, maar zullen niet worden gestraft omdat ze jonger zijn dan twaalf en nog niet onder het jeugdstrafrecht vallen.

Voor de nabestaanden van het meisje en een deel van de buurten Jol en Galjoen was dat onverdraaglijk. Daisy 's ouders namen een advocaat in de arm om schadevergoeding en uithuisplaatsing af te dwingen, enkele buurtbewoners organiseerden een handtekeningen - actie om de jongens en hun familie uit de buurt te krijgen. Van Dekken keurt die actie af. "Dat lijkt te tenderen op het mechanisme: 'Geen moordenaars in de wijk'."

Kleistra noemt de zaak .,beyond punishment".We gaan de jongens hulp bieden om ze de kans te geven zich te ontwikkelen tot een volwaardig lid van de maatschappij. Dat wil niet zeggen dat we ze beschermen en omzwachtelen." De jongens krijgen behandeling dooreen kinderpsychiater en daarnaast door een maatschappelijk werker. orthopedagoog en l of psycholoog. De hulp wordt

gecoördineerd door een gezinsvoogd, die zolang de kinderrechter het nodig vindt het gezag over de jongens zal delen met de ouders.

De behandeling is geen surrogaatstraf benadrukt Kleistra, maar ook weer niet geheel vrijblijvend. "Als de ouders niet meewerken kunnen we hen daartoe dwingen."

Uit onderzoek blijkt niet dat de (gewelds)criminaliteit onder kinderen onder de twaalf toeneemt.

Volgens de Raad voor de Kinderbescherming staat het geval in Lelystad op zichzelf. De drie kinderen die op dezelfde school zaten, zouden elkaar al een halfjaar, jennen en pesten", aldus een persbericht van het openbaar ministerie. Het OM bevestigt dat het driejarige meisje hierin ook een aandeel had."Bij het meisje was het meer verbaal", aldus een woordvoerder die hierover verder niets kwijt wil. Hoe onwaarschijnlijk het ook klinkt, gek is dat niet. vindt orthopedagoog Frank Buffing, werkzaam bij de kinderbescherming in Amsterdam. ..Een kind van drie kan zeker pesten. Eigenlijk zijn mensen als ze 24 maanden oud zijn het agressiefst van hun hele leven

In een kinderdagverblijf wordt wat af geknepen en geduwd”.

Buffing signaleert een dubbele houding van volwassenen te aanzien van agressiviteit bij kinderen. Aan de ene kant zeggen ze dat agressiviteit niet goed is. Aan de andere kant is het zaterdags langs de lijn ook Hup! Knal die bal erin!"

In hoeverre vertoonden de twee negenjarige jongens normaal pestgedrag? Vast staat dat het vóór 5 februari niemand was opgevallen. De ruzie tussen de kinderen was bij politie, Raad noch school bekend. Na 5 februari schakelde de Raad voor de Kinderbescherming, die bij minderjarige daders onderzoek verricht en de kinderechter maatregelen kan voorstellen, direct een kinder - en jeugdpsychiater in.

,.Als je een kind van drie met stokken ervan weerhoudt de kant op de klimmen, hoe zit het dan met je geweten. Dat was voor ons de eerste vraag". zegt Bart van Dekken.

Normaal gesproken valt pesterij buiten het Justitiële werkterrein van de Raad voor de Kinderbescherming. .Op scholen komt het heel veel voor. Juist daarom is het niet zo dat iedere pester onder toezicht wordt gesteld". zegt Buffing. Van Dekken: ..Bij de civiele afdelingen van de Raad komen landelijk dagelijks tientallen meldingen binnen van leerkrachten dat een kind 'niet lekker in zijn vel' zit. Als hij dan ook nog stinkt of rare kleren draagt is het al gauw de pispaal van de klas. Maar zo'n leerkracht noemt dat dan vaak geen 'pesten', dat is onderdeel van een groter probleem."

Het is bekend dat 'pesters' in het algemeen een laag zelfbeeld hebben. "Als je van jezelf vindt dat je niet zoveel waard bent, kan het prettig zijn om macht uit te oefenen om je in elk geval zo een beetje goed te voelen", zegt Buffing. Volgens Kleistra speelde in Lelystad ook mee dat de twee jongens elkaar in hun pestgedrag versterkten. Buffing meent dat de oorzaak van het gedrag van de jongens in Lelystad moet worden gezocht in een gestoorde ontwikkeling in de richting van crimineel gedrag. "We hebben ons afgevraagd". zegt Kleistra", of dit had kunnen gebeuren in elk groepje kinderen dat een beetje aan het pesten is. Dat is niet zo."

Factoren die kunnen duiden op een gestoorde ontwikkeling zijn onder meer: geweld in of buiten het gezin, impulsief gedrag, problemen op school, veel driftbuien en psychische problemen van ouders. Welke factoren bij de jongens in Lelystad een rol hebben gespeeld is niet bekend. Ook hiervoor geldt dat niemand het nog had opgemerkt of

gemeld bij een officiële instantie.

Van Dekken ziet hierin een symptoom van afgenomen sociale controle. ..We leven in het Veronicatijdperk: Ik ben jong en ik wil wat. Of iets schadelijk is voor een ander komt op de tweede plaats." Kleistra wijst op een gebrek aan “sociale cohesie". Zonder Lelystad te willen stigmatiseren constateert hij dat de wijk waar het drama zich voltrok een nieuwbouwwijk is waar bewoners zich niet sterk betrokken voelend bij elkaar..,Ook zie je dat de correctie verschuift van ouders naar overheid". zegt Kleistra. "Vroeger werden de ouders gebeld als een kind iets uithaalde. nu is dat al gauw de politie." Beleidsmedewerker C. van der Waag van de Raad vindt dat meer aandacht voor pesten geen kwaad kan. 'Pest - interventie- programma's' op scholen zijn gericht op zowel de pester als de gepeste. Buiten school is er helemaal geen aanpak van het pesten. ”Iemand moet ermee voor de draad komen". zegt Van der Waag. ..

Anders gebeurt er niets."

26.4) OOK KIND ONDER TWAALF VERDIEND STRAF

NRC 14-4-98 Menke Bol;criminoloog en ontwikkelingspsycholoog

Als het aan het CDA ligt wordt de leeftijd waarop kinderen straf- rechtelijk vervolgd kunnen worden, verlaagd van twaalf naar tien jaar. Dit plan heeft bij de paarse partijen grote weerstand opgeroepen.

Misschien is dat te verklaren uit het feit dat het voorstel onderdeel uitmaakt van een manifest voor de veiligheid, dat als geheel een sterk repressieve sfeer ademt. Hierdoor wordt de schijn gewekt dat het CDA ook zeer jonge kinderen hard wil aanpakken. Als dat inderdaad de achterliggende gedachte is, zijn de bezwaren terecht. Er zijn echter wel degelijk goede argumenten voor het verlagen van de ondergrens en zelfs om die grens helemaal los te laten ondanks drie veelgehoorde bezwaren die tegen afschaffing van de ondergrens worden aangevoerd. Het eerste bezwaar luidt dat verlaging van de ondergrens tot een nodeloze uitbreiding van het strafrecht leidt.

Bij sommige mensen bestaat de vrees dat officieren en rechters al te gretig zullen gaan straften indien zij daartoe de kans krijgen, en dat zij daarbij andere (niet-strafrechtelijke) mogelijkheden onbenut zullen laten. Wanneer echter de strafsoorten en maxima voor jonge kinderen worden aangepast aan hun leeftijd, hoeft voor zo'n aanzuigende

werking niet te worden gevreesd. Daar komt bij dat verreweg de meeste kinderzaken worden afgedaan op het niveau van de politie of de officier van justitie. Uit wetenschappelijk onderzoek blijkt dat juist bij kinderen door vroeg, snel optreden kan worden voorkomen dat zij verder ontsporen.

Een ander veelgehoord bezwaar is dat kinderen niet via het strafrecht zouden moeten worden aangepakt. Het kan toch ook wel via het civiele recht? Men kan, zo wordt gezegd, beter de hele gezinssituatie aanpakken, want het delict is meestal alleen maar een symptoom van misstanden thuis. Het is natuurlijk goed om hulp te bieden aan gezinnen die in problemen verkeren, alleen al uit een oogpunt van criminaliteitspreventie. Als echter de aanleiding voor het contact met politie of justitie een delict is, dan moet in eerste instantie op dat delict worden gereageerd. Een keuze voor de strafrechtelijke benadering betekent dat het kind de bijbehorende rechtsbescherming krijgt. En terecht, want als men weet dat het aanwenden van straf (per definitie leedtoevoeging) onontbeerlijk is, dan moet men garanties inbouwen voor een maximale bescherming van de rechten van het kind. Daarnaast blijft natuurlijk altijd de mogelijkheid open van een civielrechtelijke bemoeienis met het hele gezin. Het straffen van jonge kinderen moet zuiver pedagogisch zijn en mag niet vergelding als doel hebben, zo luidt een derde tegenwerping tegen het verlagen van de leeftijd. Het is opmerkelijk dat door juristen vaak een tegenstelling wordt gezien tussen vergelden enerzijds en verbeteren anderzijds: in het strafrecht voor volwassenen ligt het accent op vergelding, in het jeugdstrafrecht ligt het accent op gedragsbeïnvloeding. Maar is hier niet eerder sprake van een gradueel verschil dan van een tegenstelling? Het gaat immers niet om een keus tussen vergelden of verbeteren. Eerder is in het kader van de verbetering de vergelding een belangrijk element. Als vergelding op die manier wordt aangewend, kan ook zeker sprake zijn van een humane strafrechtspleging. En misschien wel alléén maar dan.

Het vergeldend element gaat met de leeftijd zwaarder wegen.

Het strafrecht ondervindt wat dat betreft steun vanuit de psychologie: het jonge kind is het meest beïnvloedbaar en heeft dus genoeg aan een relatief milde straf De mogelijkheden tot resocialisatie nemen af met de leeftijd. Als men nu weet dat de resocialisatie bevorderd kan worden met behulp van straf, dan is het heel goed te verdedigen dat ook jonge kinderen die een misdrijf begaan, van overheidswege

worden gestraft. Daarbij hoeft men zich niet meteen kleine kinderen achter tralies voor te stellen. Een keus voor de strafrechtelijke benadering hoeft niet weg te nemen dat het soort straf en de intensiteit van de straf pedagogisch verantwoord zijn. Zo zouden zeer jonge kinderen van ingrijpende straffen (bijvoorbeeld jeugddetentie) kunnen worden uitgesloten. Ook hoeft een keuze voor het strafrecht niet te betekenen dat bij de tenuitvoerlegging geen psychologen of pedagogen betrokken zouden kunnen zijn. Integendeel. In de praktijk wordt trouwens al aan de ondergrens gemorreld. Zo verwijst de politie kinderen jonger dan twaalf jaar regelmatig door naar een zogeheten Halt - project. Niemand schijnt zich te verzetten tegen dit strafrechtelijk sanctioneren van jonge kinderen, terwijl de wettelijke basis ontbreekt. Natuurlijk is het wenselijk om het strafrecht als uiterste middel te blijven zien. Dat hoeft echter voor politie en justitie niet te betekenen: de zaak eerst uit de hand laten lopen en dan veel later nog eens een poging doen om de jongeren weer in het gareel te krijgen. Vaak is het dan al te laat. Dus moeten politie en rechterlijke macht de wettelijke mogelijkheid krijgen om óók ten aanzien van kinderen onder de twaalf voor de strafrechtelijke weg te kiezen. Vaak verdient een aan het kind aangepaste straf de voorkeur boven helemaal geen straf. Kinderen niet straffen voor een gepleegd delict betekent in feite dat men ze aanmoedigt het delictgedrag te herhalen, dat men ze niet laat zien wat wet en niet door de beugel kan, dat ze in morele verwarring worden gebracht. Zo beschouwd hebben jonge kinderen zelfs recht op straf.

26.5) JEUGDIGE CRIMINEEL LIJKT STOER MAAR IS VAAK LABIEL

Psychiater Doreleijers over stoornissen minderjarige delinquent

Hoogleraar kinder- en jeugdpsychiatrie Doreleijers vecht voor erkenning van de psychiatrische stoornissen van jeugdige delinquenten. "Rechters hebben geen idee wat er speelt."

MARTGRIET OOSTVEEN in de Groene

DEN HAAG, 24 APRIL.

"Ik ben geen softe psychiater", zegt Theo Doreleijers, die om dat te onderstrepen vaak spreekt van 'ettertjes' of 'gastjes' als bij jonge criminelen bedoelt. Minderjarige drugsdealers bijvoorbeeld, zijn volgens hem vrijwel altijd intelligent en hebben hun leven in de regel prima op orde. "Daar kun je dus alleen met straf op reageren en dat soort kinderen mag van mij strenger worden gestraft. Maar ik vecht voor erkenning van de stoornissen van de anderen."

Doreleijers is als beleidspsychiater verbonden aan De Hartelborgt, een jeugdinrichting in Spijkenisse, en is hoofd van de De Derde Oever in Amsterdam. Daar ondergaan gestoorde minderjarige delinquenten in plaats van een straf een door de rechter opgelegde psychiatrische dagbehandeling. Doreleijers wordt vandaag hoogleraar kinder- en jeugdpsychiatrie aan de Vrije Universiteit van Amsterdam. In zijn oratie, die de titel 'De dokter en de zware jongen' kreeg, pleit bij vanmiddag voor een grotere rol van onder meer jeugdpsychiaters en Riaggs in de behandeling van jeugdige

criminelen.Twee op de drie minderjarige delinquenten heeft een psychiatrische stoornis, ontdekte Doreleijers tijdens een onderzoek in het arrondissement Den Haag waarop bij in 1995 promoveerde. Een jaar lang had hij alle minderjarige jonge criminelen die werden voorgeleid onderzocht; tweederde bleek stoornissen te hebben die in ernst varieerden van alcohol- en drugsverslaving tot zwakzinnigheid. Dat was ruim twee keer zoveel als het aantal stoornissen dat door de Haagse rechters zelf bij de jonge delinquenten was vermoed, en

zeven keer meer dan onder jongeren in het algemeen voorkomt. Doreleijers is "beslist" tegen een verlaging van de leeftijdsgrens in het jeugdstrafrecht van twaalf naar tien jaar, zoals het CDA onlangs voorstelde. .Bijna iedereen met een psychische stoornis is mentaal jonger dan bij in werkelijkheid is. Ik maakjongens van zeventien mee met het ontwikkelingsniveau van een vijfjarige. Dan kun je zo'n minimumleeftijd wel helemaal opheffen." Volgens de wet moet de Raad voor de Kinderbescherming worden ingeschakeld wanneer een minderjarige een misdrijf heeft gepleegd waarvoor een proces-ver- baal is opgemaakt, om de verdachte en zijn leefsituatie te onderzoe- ken. .Toch hebben rechters vaak geen idee wat er speelt", zegt

Doreleijers. "Door tijdgebrek blijft het vaak bij een oppervlakkige beoordeling."Zoals in het geval van de jongen die door de kinderrechter werd veroordeeld voor verscheidene inbraken. Tijdens de gedwongen dagbehandeling in De Derde Oever bleek dat bij een schizofrene moeder heeft wier ouderrol bij op ziekelijke wijze had overgenomen. De jongen pleegde inbraken om de kost te verdienen. Dat was in de rechtszaal niet aan de orde geweest. Volgens een gezamenlijk rapport over de aanpak van jeugdcriminaliteit dat de ministeries van Justitie, Binnenlandse Zaken en Onderwijs onlangs naar de Kamer stuurden, is de jeugdcriminaliteit de afgelopen vijftien jaar niet alleen fors gestegen, de gepleegde strafbare feiten zijn ook zwaarder en gewelddadiger geworden. Ook meisjes spelen een steeds grotere rol in jeugdcriminaliteit, zegt Doreleijers. "Wat die poppetjes van veertien uithalen - er zijn er die als bootwerkers een sigaren - winkelier in elkaar trappen." Over hen is nog nauwelijks iets bekend. In een nieuw onderzoeksinstituut waarin de faculteiten geneeskunde, psychologie en pedagogiek en rechtswetenschappen samenwerken met het Paedologisch Instituut wil Doreleijers onder meer naar hen grootschalig onderzoek verrichten.

Het ministerie van Justitie stemde deze week in met een voorstel voor een studie naar jeugdige zedendelinquenten. "Dan gaat het bijvoorbeeld om delicten zoals die van Henk van de H. uit Ochten. In de praktijk blijkt dat tussen deze daders ontzettend veel autistische jongens zitten, maar dat is nog nooit wetenschappelijk onderzocht." Ook de invloed van het strafproces zelf op de ontwikkeling van stoornissen bij jonge delinquenten moet volgens Doreleijers niet wor- den onderschat. "Ze lijken stoer maar het effect van een langdurig verhoor door een rechercheur van een toch al labiele vijftienjarige is niet gering. Daarna gaan ze nog verder door de molen: ze krijgen dan met wel 25 verschillende personen van allerlei instanties te maken. En als ze uiteindelijk in een strafinrichting belanden, komt het voor dat ze door personeelsgebrek 23 van de 24 uur op cel zitten." Doreleijers pleit in zijn oratie tegen uitbreiding van grote jeugd- gevangenissen. "Nu zitten ze soms maanden tot jaren ver van hun

eigen omgeving. Ik zou ook graag kleinere huizen van bewaring zie waar jongeren hun proces kunnen afwachten, dicht in de buurt van hun moeder en met de kinderbescherming en de reclassering om de hoek."

Het ministerie verwacht dat in jeugdinrichtingen de komende vijf jaar 760 plaatsen extra nodig zijn. Nu zijn er ruim 1.600 plaatsen Wat Doreleijers betreft moet iedere grote stad ten minste een dag- centrum als De Derde Oever krijgen, waar kinderen naast een behan - deling ook hulp krijgen bij het vinden van een opleiding of werk, en waar zo nodig het hele gezin onder de loep wordt genomen. Naast Amsterdam heeft alleen Den Haag nu een dergelijk centrum. Maar cellen kun je snel en overzichtelijk volstoppen, in een behandel -centrum komen de resultaten langzamer. Minister Sorgdrager heeft volgens Doreleijers “goede plannen", maar haar departement geeft hem weinig hoop. "We kregen een hoge ambtenaar van Justitie op bezoek. Die zei: 'Meneer, als een jeugdige een delict pleegt vindt hij de staat tegenover het individu'."

Schatjes
... Jongeren zijn problemen.' 'De politiek zit met de jeugd in haar maag', schrijft
Theo Doreleijers in zijn proefschrift over jeugdstrafrecht en hulpverlening. ...

http://www.groene.nl/1996/13/eb_schat.html

26.6) GEVANGEN TUSSEN STRAF EN ZORG.

PSYCHISCHE STOORNISSEN BIJ JEUGDIGE, KORTGESTRAFTE DELINQUENTEN - 335 BLZ. AMSTERDAM, VRIJE UNIVERSITEIT

, 8 APRIL 1998; PROMOTORES PROF.DR. W. VAN TILBURG, PROF.DR. F. BEYAERT, DR. J. VAN LlMBEEK

PROMOTIE B.B. BULTEN

JONGENS WAREN HET, Maar geen aardige jongens. De ongeveer 200 bewoners van de jeugdgevangenis Nieuw - Vosseveld, die het onderwerp vormen van Erik Buitens proefschrift, zijn bepaald geen lieverdjes. Ondanks hun leeftijd (18 - 24jaar) hebben verreweg de meeste al een hele geschiedenis van gevangenisstraffen achter de rug en in meerderheid zullen zij ook na deze detentieperiode opnieuw in de gevangenis belanden. Wat kun je ook anders verwachten na een leven van verwaarlozing, voortdurende wisseling van verzorgers, verblijf in tehuizen, niet afgemaakte schoolopleidingen en veel drugs - en alcoholgebruik? Al heel jong is er sprake van min of meer ern - stige gedragsstoornissen, die niet minder worden naarmate de leeftijd vordert. Ontremming, spanning en sensatie wordt vaak bewust gezocht, en dat kan gemakkelijk leiden tot acties die gevaarlijk en gewelddadig zijn, voor de betrokkenen zelf, maar vooral voor anderen. Hoewel ze al wat ouder zijn, zijn de jongeren in het onderzoek van Buiten zeker voor een deel dezelfden als de kinderen die sommige politici al vanaf hun tiende jaar strafrechtelijk willen aanpakken.

Der Spiegel wijdde deze week de voorpagina aan 'Die kleinen Monster' met hun steek -, schiet - en slagwapens.'Warum immer mehr Kinder kriminell werden' wordt in het hoofdartikel uitgelegd en het leest als een aanklacht tegen ouders die 'von ihren Eltern nicht mehr lernen, was Kinder brauchen'. In Der Spiegel gaat het om situaties als in Jonesboro, waar tweejongens hun klasgenoten begonnen neer te knallen, of als in Lelystad, waar alweer tweejongens een klein meisje door het ijs lieten zakken. Der Spiegel maakt een falende of zelfs helemaal ontbrekende opvoeding verantwoordelijk voor het gedrag van deze kinderen. Erik Buiten komt in zijn onderzoek niet tot het aanwijzen van één schuldige partij, maar laat zien wat de psychische gesteldheid is van jongeren -vrijwel altijd jongens overigens die al vroeg tekenen van ernstige gedragsstoornissen te zien geven en al jong en bij herhaling wegens de ernst van hun delicten tot gevangenisstraf veroordeeld moeten worden. Wat hij bij deze bijna volwassen jongemannen ziet, is de ongelukkige uitkomst van een samengaan van waarschijnlijk zowel biologisch minder gunstige factoren (een zeer ongedurig temperament bijvoorbeeld) als psychologisch en sociaal zeer ongunstige omstandigheden.

Bulten beschrijft de psychische gesteldheid en met name de mate en aard van de psychopathologie bij in 1990 in Nieuw-Vosseveid verblijvende jongeren. Het onderzoek is dus al wat langer geleden uitgevoerd, maar het belangrijkste verschil met nu is dat de allochtone jongeren in deze jeugdgevangenis toen nog een minderheid waren en nu de meerderheid vormen. Op enkele punten wijkt hun psychologische profiel wel af van dat van de Nederlandse groep (er zijn tussen de allochtone groepen onderling ook nogal wat verschillen; vooral tussen Surinamers en Marokkanen), maar wat op het eerste gezicht toch een wat gunstiger psychisch beeld oplevert, wordt meer dan gecompenseerd door vaak nog aanzienlijk slechtere sociale omstandigheden. Jonge gedetineerden hebben veel last van ernstige psychische problemen.

Ongeveer een op de drie vertoont op het moment van het onderzoek duidelijk tekenen die wijzen op de aanwezigheid van een ernstige psychische stoornis (depressie, schizofrenie, heftige angst, enz.) en bijna twee op de drie is verslaafd. Een antisociale persoonlijkheids -stoornis (gebrek aan gevoel voor andere mensen) komt bij bijna de helft voor en als je alle psychische stoornissen over een heel leven neemt, dan blijkt 90% van de gedetineerden een psychiatrisch relevante voorgeschiedenis te hebben. Dat is heel veel, in aanmerking genomen dat het hier nog een heel jonge groep mannen betreft. Vergeleken met de Nedérlandse bevolking van dezelfde leeftijd komen ernstige psychische problemen in deze groep zeker vijf- tot achtmaal zoveel voor. Een soortgelijke conclusie is ook te vinden in het onderzoek waar de psychiater Theo Doreleijers in 1995 op promoveerde (Diagnostiek tussen jeugdstrafrecht en hulpverlening’)

Hij onderzocht nog niet veroordeelde jongeren, die voor de kinderrechter worden voorgeleid.

Kort geleden werd in een onderzoek van het Trimbos - instituut ook al vastgesteld dat volwassen gedetineerden in vergelijking met de gewone bevolking extreem hoge prevalenties van psychische problematiek te zien geven. Nu lijkt het nogal vanzelfsprekend dat een verblijf binnen de muren van een gevangenis niemand bijzonder vrolijk zal stemmen. Wordt met dat effect echter rekening gehouden - en dat gebeurde zowel in het onderzoek van Buiten als in het Trim- bos -instituutonderzoek - dan blijkt dat een groot deel van de problematiek allang voor veroordeling en detinering aanwezig was. In de onderzoeksgroep van Buiten blijkt 75% van de jongens al voor het 15e jaar gedragsstoornissen te vertonen, terwijl 12% pas na het 18e jaar voor het eerst gedragsstoornissen blijkt te vertonen. Gedragsstoornissen blijken in bijna alle gevallen ook aan de ontwikkeling van een psychiatrische stoornis vooraf te gaan.

Ook dat wordt door ander recent Nederlands onderzoek bevestigd. Het beeld dat langzamerhand van de psychische ontwikkeling van de gedetineerde begint te ontstaan, is behoorlijk onthutsend. Meestal blijkt al vrij vroeg sprake van ernstige en blijvende gedragsstoornis-sen (onaangepast gedrag, agressie, gebrek aan concentratie, onrust, enz.). Deze leiden tot problemen in het gezin, op school en met vriendjes. Uit de gedragsstoornissen ontwikkelen zich zowel ongelukkige persoonlijkheidsstijlen als gedrags - en belevings-vormen die als psychiatrisch gekwalificeerd worden. Als een rode draad daardoorheen loopt een permanent gevoel van onwel bevinden, soms vooral gekenmerkt door wantrouwen en vijandigheid, vaak ook door gevoelens van waardeloosheid en verlegenheid. Is er dan ook nog sprake van een behoefte aan ontremming, dan wordt de kans op impulsief, crimineel en gewelddadig gedrag alleen nog maar groter. Vormen van middelenmisbruik en verslaving horen daar al bijna vanzelfsprekend bij: 80% van Bulten 's onderzoeksgroep was verslaafd of verslaafd geweest. Gebruik van alcohol en hash was algemeen, maar ook opiaten en sedativa werden veel gebruikt.

Dit alles maakt criminaliteit op zich nog niet tot een psychische stoor- nis en het spreekt de delinquent ook niet vrij van verantwoordelijkheid voor zijn gedrag. Wat het wet duidelijk maakt. is dat er in een land als Nederland waar je toch echt niet zo gauw in de gevangenis komt (al is het aantal cellen in minder dan tien jaar tijd verdrievoudigd en gaan we de 2Ie eeuw binnen met bijna één cel per 1000 inwoners), met gedetineerden in veel gevallen meer aan de hand is dan alleen criminaliteit. Justitie en geestelijke gezondheidszorg voelen zich daar allebei ongemakkelijk bij en reageren dat graag op elkaar af.

Nu vindt justitie weer dat de GGZ haar lastige gevallen dumpt bij justitie, dan weer roept de GGZ dat justitie eindelijk eens werk moet maken van de hulpverlening aan gevangenen. Voor justitie is dat weer niet zo gemakkelijk, omdat veel gedetineerden helemaal geen hulp willen en de ruimte voor de hulpverlening in het kader van het versoberings beleid ook nogal beperkt is. Bovendien bestaat er nogal wat verschil van mening over de vraag welke hulp nu waar en door wie op wiens kosten aan welke hulpvragers verstrekt moet worden. Heel wat gedetineerden hebben ervaring met methadonverstrekking in de gevangenis en daarbij tot hun schrik gemerkt dat waar 'buiten' methadon op onderhoudsbasis verstrekt wordt, 'binnen' een snel afbouwregime overheerst. Is de detentie ten einde, dan kan buiten uiteraard weer even snel een nieuwe gebruikerscarrière gestart worden.

Naast de vraag wat te doen met mensen die er ondanks de ellende die ze vaak anderen hebben aangedaan, toch ook zelf ellendig aan toe zijn, speelt ook de vraag naar de mogelijkheden van preventie. Die vraag wordt steeds actueler, nu ook duidelijker wordt hoe recht de lijn tussen gedragsstoornissen in de vroege jeugd, psychiatrische problematiek en crimineel gedrag wel is bij jongens. Zou er dan ook niet al veel vroeger moeten worden ingegrepen om een negatieve ontwikkeling te voorkomen? Gezien de schade die daarmee voorkomen zou kunnen worden, zou je graag ja op die vraag antwoorden. Dat wil zeggen, als er ook goede preventieve maatregelen beschikbaar zijn (dat is nog maar beperkt het geval) en als de kans werkelijk hoog is dat een jongen met ernstige gedragsproblemen ook de ontwikkeling doormaakt van de door Bulten onderzochte jongens.

Gedragsproblemen blijken hardnekkig te zijn, dat weten we al, maar over de hoogte van de kans op de slechtste prognose weten we toch nog te weinig om al op korte termijn tot preventieve acties over te gaan. Eerst maar eens een onderzoek waarin een grote groep lastige en moeilijke jongens, die het ook thuis niet goed hebben getroffen, gedurende lange tijd systematisch gevolgd worden.

(Paul Schnabel NRC 11-04-98)

26.7) ‘Aardige jongens’ sloegen fietser in blinde drift bijna dood

De een had gedronken, een ander was zijn vriendin kwijt. Een andere reden hadden ze niet, de jongemannen die dinsdag terechtstonden omdat ze een voorbijganger zwaar mishandelden. Hun ouders snappen er niets van.

Mac van Dinther ARNHEM

Zulke aardige jongens, zeggen de ouders. Prima vrienden, voegen kameraden eraan toe. Gewone zonen uit goed functionerende gezinnen, meent. de reclassering.

Het was iedereen dan ook een raadsel wat deze dood normale jongemannen bezielde om een man die zij nog nooit van hun leven hadden gezien, zonder enige aanleiding half dood te slaan.

Op 5 december 1998 is B.S. met de fiets onderweg van Purmerend naar Venray. Het is een soort bedevaarttocht. Jaren geleden is een vriendin van hem op die datum overleden. Sindsdien doet hij die dag elk jaar iets speciaals. S. wil de nacht doorbrengen bij een vriend in Bennekom, maar die is niet thuis. Dus fietst hij door. Diep in de nacht komt hij in Renkum aan. Het is koud, S. is moe en besluit even uit te rusten. In een hokje bij een pin -automaat van de Rabobank is het droog en warm. S. gaat zitten, trekt een jas over zich heen en valt in slaap.Na een uurtje wordt hij wakker door-dat iemand de jas van zijn hoofd tilt. Hij schrikt op en krijgt een paar klappen. 'Voordat S. zich realiseert wat er gebeurt loopt zijn aanvaller naar buiten en roept: 'Vechten! Vechten!'

Vanaf dat moment begint voor S. een nachtmerrie. Nog drie mannen komen het pin -hokje binnen. Met zijn vieren slaan en schoppen ze op S. in. Ze bevelen S. naar buiten te gaan, waar hij opnieuw wordt geschopt en geslagen.

Het slachtoffer slaagt erin te vluchten, maar wordt door twee aanvallers achterhaald. Ze slaan hem tegen de grond en trappen hem in het gezicht. In paniek probeert S. door een winkelruit te springen. Hij knalt terug van het dubbel glas. Pas als hij op de grond ligt, zijn gezicht onder het bloed, wordt hij met rust gelaten.Kort daar-na arriveert de politie, die gebeld is door omwonenden. De kloppartij heeft een kleine twintig minuten geduurd. S. wordt opgenomen in het ziekenhuis met een gebroken kaak, gebroken neus, breuken in de oogkas, een hersen-schudding en blauwe plekken over het hele lichaam.

'Het was een slachtpartij', zegt hij nu. 'Ze waren zó agressief. Ze zochten gewoon een uitlaatklep.' Hij is nog steeds niet hersteld en zoek psychiatrische hulp.

Waarom?, 'was de vraag die door Renkum waarde - en dinsdag ook door het gerechtsgebouw in Arnhem waar vijf van de zeven verdachten, allen tussen achttien en twintig jaar, terechtstonden. Ze wonen allemaal nog thuis; de meeste ouders zijn meegekomen. Ook die staan voor een raadsel, zeggen de moeders van twee van de verdachten. 'Ze werken, dus ze moeten er af en toe eens uit. En dan drinken ze wat. Maar dit? Ze hadden hem wel dood kunnen slaan', aldus een moeder ontzet.

Een van de vechters had na afloop bloed aan zijn schoenen en kleren, zo was hij tekeergegaan.

Onbegrijpelijk, meent zijn geschokte vader. 'Hij doet normaal geen vlieg kwaad’. Vraag maar na in heel Renkum.' Volgens de vader gebruikt zijn zoon geen drugs en had hij niet veel gedronken. 'Drie pilsjes misschien.'Iets meer, vertelde zijn zoon tegen de rechter. 'Vijftien bier en vijf glazen Red Bul met wodka.'

Niemand had thuis iets verteld. Een van de moeders hoorde het pas toen de politie haar zoon kwam arresteren, zegt ze.'Maar hij was de hele week al erg stil. Dus er knaagde wel wat.'

De jongemannen hebben in een soort razernij verkeerd. Volgens een getuige ging het gekerm van S. door merg en been. 'Jongens, ik heb jullie toch niks gedaan', smeekte hij. De aanvallers riepen triomfantelijk: 'Hij heeft zijn kop al kapot' en 'Laat mij maar schoppen, ik heb stalen neuzen'.

Voor de rechter waren de verdachten met hun leren jacks en kortgeknipte koppen zeer timide. Een echte verklaring hadden ze niet. De een had te veel gedronken, de ander was verlaten door zijn vriendin.'Ik draaide helemaal door. Zij betekent alles voor mij.' Het stel is nu weer samen.

De aanstichter sprak van 'de grootste fout van mijn leven'. Zijn vriend zei dat hij wilde helpen 'Waarmee?', vroeg rechter B. var der Pol. 'Het slachtoffer lag al op de grond. Je mag van geluk spreken dat hij niet dood is gebleven.

De kloppartij in het pin -hokje is vastgelegd door een camera Daarop is ook te zien hoe de jongens na afloop triomfantelijk samenkomen. Een man van de reclassering was 'verbijsterd' over de gruwelen die zulke 'aardig jongens' kunnen begaan. 'Daar komen wij ook niet uit.'

Zeker is dat drank en groepsgevoel een grote rol spelen. Hij pleitte voor groepstherapie.

Officier van justitie M. Bijker sprak van 'complete waanzin'. Ze trok een parallel met de zaal Tjoelker en beschuldigde alle vijf verdachten van poging tot doodslag. Ze eiste tweeënhalf tot drie jaar cel, met zes maanden voorwaardelijk.

S. was nog nooit in Renkum geweest. 'Waarom ik, heb ik mij afgevraagd. Maar dit had iedereen kunnen gebeuren.'

26.8)Jordi H. een wandelende tijdbom"

Anderhalf jaar geleden stak Jordi H. in het centrum van Rotterdam een buurtgenoot neer. Hij was toen net achttien jaar geworden. Sindsdien zit hij in een gevangenis voor volwassenen een gevangenisstraf van twee jaar uit wegens poging tot doodslag. De enige die hem bezoekt in zijn moeder. Zij houdt haar hart vast als haar zoon binnenkort weer vrijkomt: "Hij heeft hard hulp nodig. De juiste hulp. Die heeft hij niet gekregen. Hij is niet behandeld."
In de documentaire 'Een rampzalige jeugd', die donderdag 14 december op Nederland 3 wordt uitgezonden, reconstrueert Zembla de jeugd van Jordi. Tweeëndertig hulpverleners, twaalf kinderrechters en zeven internaten hebben zich bemoeid met de opvoeding van de onhandelbare puber. Voor de steekpartij verscheen de politie dagelijks aan de deur. Jordi's moeder: "De politie noemde hem een wandelende tijdbom."

Yordi H. wordt op zijn veertiende jaar onder toezicht gesteld omdat "het fundamentele recht van het kind op een gezonde en evenwichtige ontwikkeling en uitgroei naar zelfstandigheid wordt bedreigd", zoals dat juridisch wordt genoemd. De staat grijpt in en is mede verantwoordelijk voor de opvoeding van Yordi. Vier jaar later, als hij achttien is en meerderjarig, houdt de bemoeienis van de staat op. De gezonde en evenwichtige ontwikkeling is niet gekomen. Nadat hij eerst voor de deur van zijn huis door een buurtgenoot is geslagen, steekt hij diezelfde buurtgenoot even later neer. Enkele weken na zijn achttiende verjaardag wordt hij veroordeeld wegens poging tot doodslag.

Regie: Toni Boumans
Research: Yfke Nijland

lZembla: 'Een rampzalige jeugd',werd uitgezonden op donderdag 14 december 2000, om 21.18 uur bij de VARA/NPS op Nederland 3.

NRC 15-07-98

26.9) Jongen (8) in kliniek na poging tot doodslag

ASSEN, 1 5 Juli

Een 8-jarigjongetje uit het Drentse Pesse is gisteren opgenomen in een jeugdpsychiatrische kliniek nadat hij zou hebben geprobeerd een kleuter te verdrinken.

Het jongetje drukte eerder deze week de 5-jarige Jordi Straa met zijn hoofd minuten lang onder water in een sloot. Het slachtoffertje moest op de intensive care-afdeling van een ziekenhuis in Hoogeveen worden opge- nomen.

Volgens officier van justitie mr. E. Läkamp probeerde het jongetje in april ook al een 4-jarig kind te verdrinken en zou hij brand hebben gesticht in een aantal auto's. (ANP)

26.10) JONGE DADERS

NRC 14-03-98

HE T VALT TE VR E ZE N dat we de situatie naderen waarin de rechter onder het niveau van straftoemeting duikt dat door de burger nog aanvaard-baar wordt geacht. Niet omdat de rechter minder zwaar is gaan straffen maar omdat in de samenleving hogere straffen worden verlangd". Zo maande het lid van de Hoge Raad Corstens vorige maand zijn vakbroeders in het Juristenblad. Het was niet helemaal duidelijk waar hij eigenlijk heen wil: zwaarder straffen tegen beter weten in? Voorzover de toprechter bedoelde eraan te herinneren dat de rechtspleging in toenemende mate onder druk staat van de publieke opinie, heeft hij volledig gelijk. “Mediatisering" wordt het zelfs genoemd in de opstellenbundel die gister - avond werd aangeboden aan de bekende strafpleiter Spong ter gelegenheid van zijn vijfentwintigjarig jubileum als advocaat. Eerder sprak de betrokken auteur al van "turbostrafrecht" Toch behoort het tot de kerntaken van een goede justitie om de buitenwacht af en toe nee te verkopen. Een voorbeeld is het drama in Lelystad waar twee jongetjes van negen jaar de dood hebben veroorzaakt van een meisje van drie jaar. Daar werd geen recht gedaan, vond de buurt en bedacht een eigen straf: de twee kinderen en hun ouders moesten de wijk uit. Het werd een onverdraaglijke gedachte gevonden dat de kinderen na zo iets ergs gewoon in de buurt zouden blijven rondlopen. Dat gebeurt natuurlijk ook niet; het aangerichte kwaad vormt een levenslange last voor de betrokkenen (en hun ouders). Het ging de buurt om een directe en zichtbare vergelding. Men kan het echter ook anders zeggen: de gewone rechtspleging is niet ontworpen voor zeer ernstige strafbare feiten die worden gepleegd op uitzonderlijk jonge leeftijd. Als het om volwassenen was gegaan, zou het gedrag van het tweetal zonder meer vallen in de termen van een levensdelict. Maar het zijn geen volwassenen. En het Nederlandse strafrecht kent een absolute minimum leeftijdsgrens van twaalfjaar voor strafrechtelijke aansprakelijkheid.

DERGELIJKE LEEFTIJDSGRENZEN Zijn internationaal volstrekt geaccepteerd. Ook als ze niet zouden bestaan, zou het recht zich altijd verzetten tegen berechting van kinderen die de leeftijd des onderscheids nog niet hebben bereikt. Verlaging van die grens, zoals na Lelystad direct werd geopperd door enkele politici, lost weinig op. Zelfs in Engeland, dat de grens op tien jaar stelt, zou het tweetal uit Lelystad niet voor de strafrechter zijn gebracht. Dat gebeurde in 1993 wél met de twee jongens die de peuter James Bulger uit een winkelcentrum in Liverpool hadden meegenomen en om het leven gebracht. Zij zaten net boven de leeftijdsgrens. In een openbaar proces werden de twee Britse jongens onder enorme media-aandacht veroordeeld tot een vrijheids -beneming van onbepaalde duur. Deze berechting heeft op zijn beurt geleid tot een klacht bij het Europese hof voor de mensenrechten in Straatsburg. De jongetjes zouden ernstig zijn getraumatiseerd door een proces waarvan ze niets konden begrijpen. Vorige week werd deze klacht in Straatsburg ontvankelijk verklaard. Deze beslissing zegt niet het laatste woord over deze zaak, maar vormt in eik geval geen aanbeveling voor de strafrechtelijke benadering.

HOE KLEIN DADERS OOK ZIJN, een overheidsreactie die de ernst van het gebeurde markeert, kan niet worden gemist. Bij "twaalfminners", zoals ze worden genoemd is dat een civiciel rechtelijke procedure voor de kinderrechter. Deze kan voorzien in een ondertoe-zichtstelling van het kind, inclusief allerlei pedagogische maatregelen, maar zonodig ook plaatsing in een inrichting. Deze civiele procedure is niet openbaar, maar dat geldt in beginsel ook voor een strafrechtelijke vervolging van minderjarigen boven de minimumleeftijdsgrens.

De woede in Lelystad lijkt niet in de laatste plaats te berusten op het overigens wijder verbreide misverstand als zou het civiele jeugdrecht minder voorstellen dan het jeugdstraf- recht. Voor een kind maakt het echter weinig uit of de kinder - rechter zijn strafrechtelijke dan wel zijn civielrechtelijke toga aantrok. Zeker als het om uithuisplaatsing gaat. Een internaat is een internaat, hoe je daar ook terecht bent gekomen. Het uitleggen van de genomen maatregelen aan de buitenwereld is in dit soort gevallen een probleem apart. Er is in elk geval weinig reden het geval -- Lelystad op te vatten als een symptoom van toenemende criminaliteit onder zeer jonge kinderen. Daar is met enige regelmaat sprake van, maar het probleem is natuurlijk dat "twaalfminners" vanwege de wettelijke minimumleeftijdsgrens vaak niet zijn terug te vinden in de officiële politie- en justitie-statistieken.

Het wetenschappelijk onderzoekscentrum van het ministerie van justitie heeft daarom twee jaar geleden ten behoeve van het rapport -Van Montfrans over de aanpak van jeugdcriminaliteit intensieve gesprekken gevoerd met praktijkmensen. Zij waren unaniem van mening dat er geen aanleiding bestaat de strafrechtelijke benedengrens te verlagen. Ernstige vergrijpen door twaalfminners"

blijven uitzondering en wijzen veeleer op problemen van pedagogische en sociale' aard dan op een justitieel- of veiligheids- probleem. Ook dit onderzoeksresultaat wijst in de richting van een civielrechtelijke reactie, toegesneden op de ernst van het gebeurde.