We hebben 187 gasten online

27) Jeugdstrafrecht Deel 2

Gepost in Strafrecht in Historie

JEUGDSTRAFRECHT Deel 2: JONG & GESTOORD & CRIMINEEL I

1) Achthonderd plaatsen te kort

2)Tijdbommetjes in 2001

3) JONG & GESTOORD Nu zijn het nog slachtoffers

Oorspronkelijk verschenen in VN 18 december 1999

Jongeren slaan met zoveel bruut geweld conducteurs in elkaar, Dat de NS’ ers afgelopen maandag spontaan een wilde staking hielden. Ze zijn ten einde raad. Hoe moet je je tegen dit soort criminele jongeren beschermen.

In Veghel schoot vorige week op de vriend van zijn zusje, op zijn klasgenoten en een lerares. Met voorbedachten rade haalde hij thuis het pistool van zijn vader op om wraak te nemen.

Ook twee meisjes in Enschede zorgden enkele maanden geleden voor veel opschudding, toen bekend werd dat ze jarenlang de buurt hadden bedreigd. De kleuters werden seksueel misbruikt Jeugdcriminaliteit verhardt.

Diefstal met geweld scoort het hoogst op het lijstje van gepleegde delicten, direct gevolgd door doodslag, zware mishandeling en verkrachting van een kind onder de twaalf jaar.

Jongens en meisjes beneden de zestien jaar kunnen hooguit een gevangenisstraf krijgen van een jaar. Boven de zestien maximaal twee jaar.

Op dit moment zitten er 1531 jongeren in een jeugdinrichting. Achtenzeventig zitten hun straf uit, van wie er vijftien langer dan een jaar hebben gekregen. Meer dan vijftigduizend kinderen kwamen afgelopen jaar in aanraking met de politie. Licht en zwaar gestoorde jongens en meisjes maar soms ook al doorgewinterde criminelen. En in die gevallen lijkt het bijna wel of de straf niet meer in verhouding staat met het gepleegde delict.Het jeugdstrafrecht gaat ervan uit dat kinderen nog op te voeden zijn, te veranderen.

. Voor de meeste jongeren is dat ook zo, maar een kleine harde kern, zo klinkt op dit moment de waarschuwing onder andere uit de hoek van de forensische psychiatrie, is onverbeterlijk. Er blijft niets anders over dan de maatschappij tegen hen te beschermen.

Ook wordt er alarm geslagen door kinderrechters. Ze kunnen onhandelbare en gestoorde kinderen die net nog niet ontspoord zijn geen opvang bieden. Er is nog altijd een schrijnend tekort aan behandelplaatsen.

Een kinderrechter: 'ik verdom het om iemand op te sluiten zonder dat bij een behandeling ondergaat. Ik ben er voor de veiligheid van het kind, niet voor de veiligheid van de maatschappij”.

Herfst 1995. Een nieuwe maatregel. Het lijkt zo mooi, eindelijk zal er op tijd worden ingegrepen. Alle instanties, van kinderrechters tot en met justitiële instellingen en jeugd -reclassering, zullen samen -werken. Verslaafd, allochtoon, agressief,psychiatrisch of seksueel gestoord, zwakbegaafd, of van alles een beetje, iedereen kan voortaan rekenen op een pij.

Jargon voor 'plaatsing in een inrichting voor jeugdigen'.

Toerekeningsvatbaar of niet, om opvoedkundige redenen of omdat een jongen of meisje een behandeling nodig heeft - de maatregel geldt voor iedereen tot achttien jaar.

Tegelijkertijd werd onder andere de jeugd - tbs afgeschaft. Een pij - maatregel, die door de kinderrechter wordt opgelegd, duurt op zijn hoogst zes jaar. De 'eerste lichting pij - jongeren' staat straks al weer op straat. Verbeterd? Of veranderd? Of niet?

1) ACHTHONDERD PLAATSEN TE KORT

Veel ontspoorde jongens en meisjes zijn zwaar gestoord, maar (nog) niet crimineel. Moeten absoluut uit huis worden geplaatst. Besloten worden behandeld. Maar de instanties werken ondanks de goede voornemens uit 1995 nog steeds langs elkaar heen. De 'wachtlijst' voor opvang in een justitiële inrichting groeit. Steeds vaker blijkt, al staan alle waarschuwingssignalen op rood, dat er geen behandelplaats ter beschikking staat. Het ministerie van Justitie voert zelfs de beslissingen van de kinderrechters niet uit. Vonnissen worden terzijde gelegd. Ook trekt de overheid (ruzie tussen Justitie en Volksgezondheid) te weinig geld uit voor de behandeling van dit soort 'gestoorde' jongeren.

De inrichtingen kennen niet alleen lange wachtlijsten, ze hebben ook een voortdurend tekort aan personeel. In de instelling Groot Emaus liep het onlangs ernstig uit de hand. Een groepsleider werd bijna gewurgd.

2) TIJDBOMMETJES IN 2001

Sommige jongeren zijn zo verhard dat ze niet voor verandering vatbaar blijken. Een toenemend aantal gedraagt zich als volwassen criminelen. Dat is de harde kritiek van een aantal forensische psychiaters. Ze maken zich op dit moment zorgen over de kwaliteit van de adviezen die aan de kinderrechter worden gegeven. Ook waarschuwen ze voor te hoge verwachtingen van het effect van een therapie. Is het aanbod van de jeugdinrichtingen wel afgestemd op de vraag? Straks, na zes jaar pij, staan de gewelddadige crimineeltjes weer op straat. Bij wijze van spreken al met één voet in het voorportaal van de tbs - kliniek. Want het gevaar dat ze opnieuw om zich heen zullen slaan, roven en verkrachten, blijft altijd aanwezig.

3) JONG & GESTOORD Nu zijn het nog slachtoffers

Nu zijn het nog slachtoffers ; door Rob de Lange

Er is een tekort van honderden behandelplaatsen voor 'gestoorde' jongere. Ze zijn nog net niet in de criminaliteit beland, maar dat kan niet lang meer duren. Kinderrechters proberen dat nog te voorkomen door ze uit huis te plaatsen. Maar die vonnissen worden niet uitgevoerd door het ministerie van Justitie. De rechters zijn woedend op het departement dat op hun stoel is gaan zitten. Ouders krijgen nu van hen het advies om een kort geding tegen de staat te beginnen. Om zo een plaats voor hun kind op te eisen.

Bureau jeugdzorg in Rotterdam, is bezorgd over het lot van Aïcha. 'Eigenlijk zou ze naar Groot Emaus moeten. Daar kunnen ze heel goed overweg met dit soort kinderen.' Maar het ministerie denkt daar anders over.

Alle tweehonderdtachtig bewoners van Groot Emaus hebben met elkaar gemeen dat zij een laag IQ hebben: rond de tachtig. En sociaal zijn ze zo ontregeld dat ze een gevaar voor zichzelf of voor anderen zijn. Jonge meisjes die al in de prostitutie zijn beland, jongens van twaalf of dertien jaar die door de stad zwerven omdat hun ouders niet naar ze omkijken. Beginnende ontuchtplegers.

En veel, heel veel, allochtone kinderen die het niet redden in de Nederlandse samenleving en hard op weg zijn een criminele carrière op te bouwen. Ze zien er 'gewoon' uit. Ze zijn niet 'gek' genoeg voor opname in een psychiatrisch ziekenhuis, maar weer te 'dom' voor behandeling in een van de reguliere instellingen. Ze hebben nog geen zware misdrijven gepleegd en horen niet thuis in de gevangenis. Met civielrechtelijke procedures (ondertoezichtstellingen) kan de kinderrechter ze naar een besloten instelling sturen. Dat is net geen gevangenis, er staan geen hekken om de gebouwen, maar de deuren zijn op slot. Er heerst strenge discipline. Als het goed is, krijgen ze een soort heropvoeding. Ze kunnen hun vrijheid gaandeweg terugverdienen. Een mijlpaal in de behandeling is het moment van de 'Shell -vrijheid': voor het eerst alleen het terrein af om inkopen te doen bij het benzinestation een paar honderd meter verderop.

Frans van der Reijt, kinderrechter in Den Bosch, zegt dat hij zich 'grote zorgen' maakt over deze groep. 'Vroeger hadden dergelijke kinderen nog kansen. Er was meer ongeschoold werk, er was veel meer ouderlijk gezag, de familie lette beter op, en op school en in de buurt was meer sociale controle. Dat is tegenwoordig allemaal minder en daar is dit soort kinderen als eerste de dupe van. Ouders hebben vaak de greep volkomen verloren. Zo'n kind wil niets meer. Kan alleen nog maar dwarszitten. We weten totaal niet hoe die kinderen zich zullen ontwikkelen.

Ik heb onlangs nog een veertienjarige jongen voor me gehad. Hij woonde alleen met zijn moeder en bedreigde haar.Hij zat haar in de kamer achterna met een spuitbus haarlak en een aansteker.De hulpverlening kon geen kant met hem op. Hij heeft drie jaar moeten wachten. Pas toen hij zijn buurman in elkaar had geslagen met een stuk hout met aan het eind een spijker erin was hij aan de beurt.'

Hans Daalmeijer heeft dagelijks te maken met dergelijke jongeren. 'Het huidige beleid is om kinderen kort, intensief en zo dicht mogelijk bij huis te behandelen. Zonder ze op te sluiten.' Dat werkt bij deze groep niet meer. Veel van hen zijn al te ver heen. Het gaat om grote aantallen. 'Ik schat dat er alleen al in Rotterdam zo'n driehonderd kinderen tussen de twaalf en de achttien jaar tussen de wal en het schip zijn beland. Die zouden besloten behandeld moeten worden. Maar er is geen plek. Willen we deze kinderen beschermen, dan moeten we ze eerder in hun kraag pakken en stevig optreden. Want die kinderen zijn zo verhard en gedragsgestoord dat je ze niet meer op vrijwillige basis kunt helpen. Als we nu niet investeren, betalen we straks als samenleving de rekening. Nu zijn het nog slachtoffers, straks zijn het daders. Bovendien krijgen ze later ook weer kinderen.' Kinderen moeten vaak een jaar wachten voordat er plaats voor ze is. Er zijn maar enkele instellingen, zoals Groot Emaus, die derge-lijke jongeren aannemen. Maar hoe lang nog?

Op aandringen van de voormalige staatssecretaris van VWS, Erica Terpstra, heeft Groot Emaus het aantal besloten behandelplekken uitgebreid. Het geld hiervoor bleef grotendeels uit. Er kwamen wel meer bedden, maar niet neer personeel. Daardoor staat bij de meeste groepen een groepsleider tegenover acht jongeren. Christel Bogers, lid van de directie van Groot Emaus, noemt de huidige situatie 'dramatisch'. Het ziekteverzuim op sommige afdelingen is opgelopen tot veertig procent. Het gevolg: groepsleiders zijn bang, ondanks veel extra beschermingsmaatregelen van de directie.

Bij ernstige incidenten is er de isoleercel, maar daar krijg je lastige kinderen niet in je eentje in.

De laatste maanden heeft zich een aantal extreme geweldsescalaties voorgedaan. Voorlopig dieptepunt was een geplande opstand van zes bewoners die op een zondagavond hun groepsleider probeerden te wurgen.

‘Ik ben regelmatig bang,' geeft Erik, een ervaren groepsleider, toe. 'Je moet de baas blijven. Ik sta regelmatig met knikkende knieën voor een paar van die jongens. Dat laat ik niet merken. We hebben allemaal een alarm bij ons. Als dat afgaat, komen collega's uit andere paviljoens onmiddellijk aanhollen’.

Bogers: 'Groepsleiders zijn soms terecht bang. Wij kunnen hun veiligheid niet langer garanderen. We zitten klem. Als het ministerie niet op korte termijn met een oplossing komt, moeten we gedeelte-- lijk de deuren sluiten voor de meest moeilijke jongeren.'

Groot Emaus bestaat al bijna een eeuw. In de beginjaren gaf schrijver Anne de Vries er ooit les. In zijn schelmenroman Ratje beschreef hij zijn werkplek: 'De meeste komen uit de slopenwijken van de grote steden. Deze jongens en meisjes zijn allemaal achter - lijk. Daarom moeten ze heel eenvoudig onderwijs ontvangen om nog iets te kunnen leren. Er zijn er bij, die erg opvliegend en prikkelbaar zijn. Die dadelijk schelden en schreeuwen als hun iets niet naar de zin gaat. Die erop los slaan als ze uitgelachen worden. Of die soms wilde driftbuien krijgen en dan in hun woeste roes niet meer weten wat ze doen.' Er is sinds die tijd veel veranderd op Groot Emaus. Nu is er een sporthal en een discotheek.

De school waar De Vries lesgaf, bestaat nog wel. Govert - Jan Visser is er directeur: 'Je mag een veertienjarig kind niet afschrijven. Het komt voor dat we een diploma uitreiken. Vorige week nog. Een beetje Engels, wiskunde, Frans en zo. Maar dat kind is sociaal zo slecht dat ik dacht: daar gaat weer een seksueel delict.'

Soms loopt het goed af. Visser laat trots een brief zien van een jongen die enige jaren geleden op Groot Emaus zat. Hij heeft nu een vriendin en een baan. 'Als je er vroeg genoeg bij bent, kunnen we een kind echt nog goed helpen.'

Alle bewoners van Groot Emaus volgen iedere dag verplicht lessen. Er zijn op dit moment dertig verschillende nationaliteiten op school en een op de drie kinderen die binnenkomen, heeft korte of langere tijd geen school gehad. (Visser: 'Kinderen van vijftien die al vier jaar niet naar school zijn geweest, is geen uitzondering meer.)' Geregeld blijkt dat kinderen analfabeet zijn. Visser: 'Veel van die meiden willen kapster worden, maar daar heb je tegenwoordig al scheikunde voor nodig. Een automonteur moet een specialistische opleiding volgen. En zelfs een schoonmaker moet leren wat de samenstelling van zijn schoonmaakmiddelen is.'

Het ministerie van VWS ~ en in het verlengde daarvan de provincies en gemeenten - hebben de afgelopen jaren veel besloten behandelplekken opgeheven omdat jongeren met gedragsstoornis -sen beter zelfstandig of bij hun ouders kunnen blijven wonen, zo was de redenering.

'Een ronduit slechte beslissing,' noemt de Rotterdamse kinderrechter De Groot de beleidswijziging. 'Er is nu eenmaal een groep kinderen, die het verschil tussen dag en nacht zijn kwijtgeraakt. Ik zie nu vaak kinderen die van de ene naar de andere tijdelijke crisisplek gaan. Ze worden steeds depressiever en ze zijn onhandelbaar. Die moet je de rust van de beslotenheid opleggen.' Als de kinderrechter samen met de gezinsvoogd besluit dat het kind besloten moet worden behandeld, begint het gedonder pas goed. Vroeger zochten de kinderrechters en gezinsvoogden via hun eigen netwerk naar een geschikte plek voor een kind.Tegenwoordig moeten alle aanvragen bij het ministerie van justitie worden gemeld. De speciaal daarvoor in het leven geroepen dienst centrale plaatsing en selectie bekijkt en verdeelt. Ze brengt als het ware een nieuwe rangorde aan. Krijgt de gedragsgestoorde Jantje uit Groningen eerder een plaats dan het incestslachtoffertje uit Middelburg? Kinderrechters en gezinsvoogden zijn woedend over deze gang van zaken, die zich totaal aan hun waarneming onttrekt.Ze kunnen niet meer knokken voor 'hun pupillen', maar zijn overgeleverd aan de ministeriële willekeur. Zelfs bij kinderen die crisisopvang nodig hebben. Bijna dagelijks krijgen ze per fax een standaardbriefje met als laatste zin: 'Derhalve deel ik u mede dat met dit schrijven uw verzoek tot plaatsing in het kader van een crisissituatie is komen te vervallen.'

Het ministerie is tevreden. Om boekhoudkundige redenen. Eindelijk hebben ze een goed beeld over vraag en aanbod in het hele land. Maar dat zou hun juist somber moeten stemmen. Want volgens een onlangs gemaakte prognose zijn er de komende drie jaar minimaal achthonderd plaatsen extra nodig binnen de verschillende instel -lingen. Daar komt geen geld voor, zo bevestigen bronnen op het ministerie. Maar geen nood, er zijn genoeg lege gevangenissen. Het is een stuk goedkoper om die cellen als behandelplek te gebruiken dan om een nieuwe instelling te bouwen. Op 1 januari krijgt minister Korthals van justitie een Masterplan van zijn ambtenaren waarin dit wordt voorgesteld. De kinderrechters en gezinsvoogden hebben geen boodschap aan prognoses of rare plannen. Ze constateren simpelweg dat de dienst centrale plaatsing en selectie in strijd met de wet handelt. 'Het ministerie heeft niet uit te maken of iemand besloten behandeld moet worden. Dat doe ik. Als onafhankelijk

rechter,' zegt Van der Reijt. En zijn Rotterdamse collega noemt het een 'beschamende vertoning en juridisch onmogelijk dat Justitie onze oordelen inhoudelijk opnieuw gaat toetsen'. Een woordvoerder van het ministerie van Justitie 'ontkent nadrukkelijk' dat de uitspraak van de rechter opnieuw wordt beoordeeld. Zij verdelen de schaarste, meer niet. De rechters moeten niet zeuren: 'Okay, er is een tekort, maar dat weten we toch al jaren.' Hij benadrukt dat er 'met man en macht' wordt gewerkt aan verbetering van de situatie. De dubieuze handelwijze van het ministerie komt voort uit het gebrek aan plaatsen. Maar wie is daar verantwoordelijk voor? Ambtelijke werkgroepen van de ministeries van justitie en VWS vergaderen al jaren over deze vraag. Justitie geeft VWS de schuld omdat ze de afgelopen jaren zoveel besloten behandelplekken hebben opge-heven. VWS daarentegen houdt vast aan het beleid om kinderen zonder dwang te behandelen en vindt dat als justitie meer plaatsen wil, ze die ook zelf moet betalen.Het gevolg is dat veel jongeren van wie de kinderrechters hebben bepaald dat ze in een besloten behandelplaats moeten zitten, nu aan hun lot worden overgelaten. Van der Reijt: 'laatst had ik een jongen die zo gek als een deur was. Hij vormde een gevaar voor zichzelf en zat in voorlopige hechtenis. Maar dat kon maar tijdelijk, omdat hij geen ernstig misdrijf had gepleegd. Ik wilde hem besloten laten behandelen. Justitie weigerde, omdat ze eerst de strafzaak wilden afwachten.

De officier van justitie en de gezinsvoogd hebben ieder een brief geschreven naar het ministerie, maar kregen hetzelfde antwoord. Ik heb nog gebeld. Maar niets hielp. Ik had zo de pest in dat ik die

jongen naar huis heb gestuurd. Ik had hem natuurlijk in de politiecel kunnen houden, maar ik vond dat hij moest worden behandeld. Ik verdom het om iemand zomaar op te sluiten. Ik ben er voor de veilig - heid van het kind, en niet alleen voor de veiligheid van de maatschappij.' 'Het is een belachelijke situatie,' vindt ook De Groot. 'Het is bijna bij iedere machtiging die ik afgeef raak: geen plaats. Na drie maanden moet ik de machtiging verlengen, terwijl die jongen of dat meisje dan vaak vrij rondloopt. Kinderen die wachten, plegen in die periode vaak een strafbaar feit. In onhoudbare gevallen adviseer ik ouders tegenwoordig om een kort geding tegen de staat te beginnen. De overheid is wettelijk verplicht om die jongeren een plaats te geven. Als ze dat niet kan, moet ze zo'n wet niet aannemen' Ook Van der Reijt zegt dat het als rechten de truc is om ouders de mogelijkheid van een kort geding in te fluisteren'. Ze staan niet alleen. Kees Kleingeld, directeur van Vedivo, de overkoepelende organisatie van gezinsvoogdij-instellingen, vertelt dat zijn juristen al meerdere malen een klacht hierover hebben ingediend bij het ministerie van Justitie. Dat leidde nergens toe. Kleingeld doet nu nog een laatste poging om het ministerie ervan te doordringen dat het zo niet langer gaat. Als het ministerie van justitie niet meewerkt, zal Vedivo het ministerie binnenkort voor de rechter dagen.

Peter. In april 1998 werd hij - hij was toen vijftien jaar - opgepakt door de politie in Brabant op verdenking van seksueel misbruik van buurtgenoten. Gezinsvoogd Elly van Meijl is vanaf het begin bij de zaak betrokken. 'Peter is licht verstandelijk gehandicapt.

Hij is groot en sterk. Ziet eruit als een jongen van zeventien, maar intellectueel is bij niet ouder dan acht jaar. Hij had geen idee wat bij had gedaan. Hij zag het als een spel.' Peter kwam in voorlopige hechtenis en uit een eerste psychologisch onderzoek bleek dat de kans op herhaling groot is. Hij moest een besloten behandeling ondergaan. Van Meijl en ook de kinderrechter waren het hier volmondig mee eens en er kwam een machtiging. Maar er was geen plek. Justitie oordeelde dat het delict niet erg genoeg was voor een besloten behandeling.

Peter kon ook niet terug naar huis, want omwonenden in de buurt bedreigden hem. Hij kon voor een paar maanden in huis bij een pleeggezin. Tijdens een bezoek aan een zwembad ging bij inderdaad weer 'stevig in de fout' en bij moest weg bij het pleeggezin. Van Meijl: 'Inmiddels was het december 1998. Ik heb toen een brief gestuurd waarin ik dringend om een beslissing van Justitie vroeg en ik heb de Inspectie voor de Volksgezondheid op de hoogte gesteld.' De maanden gaan voorbij zonder dat er iets gebeurt. Van Meijl: 'ik moest er dagelijks achteraan bellen. Doe je dat niet, dan hoor je nooit meer wat van het ministerie. Dan lijken ze te denken: ha, een kandidaat minder.' Bewoners van de buurt hadden inmiddels via de rechter een straatverbod voor Peter laten opleggen waardoor hij niet meer naar huis kon.. Van Meiii negeerde de richtlijnen van het ministerie ('dat doen steeds meer gezinsvoogden') en meldde Peter op meerdere instituten aan, eerst nog zonder resultaat.Sommige instellingen wilden hem wel aannemen, maar zeiden een wachtlijst van een jaar te hebben. Andere instellingen vonden Peters IQ te laag. Eindelijk in de zomer van 1999 kon bij op een besloten afdeling terecht. 'We waren toen bijna anderhalf jaar verder.Dat is onacceptabel,' vindt Van Meijl. 'Het is bovendien riskant. Iets oudere kinderen zijn liever lastig dan dom. Als Peter niet geholpen wil worden, houdt het op als bij straks achttien wordt. We laten dan een tijdbom los. Wanneer ontploft hij echt?'

Mary - Ann: 'ik weet dat ik agressief ben. Het kan me niet schelen, zo ben ik nou eenmaal. Als mensen op straat met een vies gezicht naar me keken, konden ze een beuk krijgen.' Ze is vijftien jaar en zit tijdelijk in een jeugdgevangenis. Ze hoort daar eigen - lijk niet thuis. Ze maakt een opgejaagde indruk. Begrijpelijk, want de afgelopen maanden is ze door de willekeur van het ministerie van Justitie van de ene opvang naar de andere gestuurd. Telkens liep ze weg. Ze zwierf rond en woonde bij vage vriendinnen en bij haar vriendje van zesen - twintig jaar, een jongen die verdacht wordt van verkrachting en drugshandel. Haar moeder had ook geen onderkomen en wordt op dit moment in een kliniek behandeld voor haar alcoholverslaving. Naar vader is eveneens dakloos.

In mei van dit jaar ziet Hans Daalmeijer van het bureau jeugdzorg in Rotterdam haar voor het eerst. 'We waren bang dat ze in de prostitutie zou belanden. De rechter gaf een machtiging, maar het ministerie faxte doodleuk terug dat er nog niet werkelijk sprake was van prostitutie en weigerde haar te plaatsen.'

Het lukte Daalmeijer om haar in een open instelling te krijgen. Daar liep ze weg en was een tijdlang spoorloos. De politie spoorde haar uiteindelijk weer op. Voor de tweede keer weigerde het ministerie haar besloten te plaatsen en het scenario herhaalde zich: Mary - Ann liep weg uit de open instelling en was in geen velden of wegen te vinden. Toen de politie haar opnieuw vond, was het zeer slecht met haar gesteld. Ze bracht haar dagen doelloos rond, ging niet meer naar school, blowde en was zwanger. Eindelijk, het was intussen november, stemde het ministerie in met een plaatsing. Nu wilde Mary - Ann niet meer en dreigde met zelfmoord. Daalmeijer vertelt het verhaal met inge-houden woede. Hij is ervan overtuigd dat Mary - Ann nog kansen heeft. Ook al wil ze nu nauwelijks meewerken. Mary - Ann: 'ik zit opgesloten. Het is vreselijk .]e zit op elkanders lip. Sommige meisjes roddelen over me. Ik heb er laatst eentje recht op haar neus willen slaan. Maar dat doe ik niet, want dan kom ik in de isoleercel. Ik heb het ook uitgemaakt met mijn vriend. Als ik dat zou doen, zou bij me in elkaar slaan. Maar ik ben helemaal niet bang voor hem. Ik wil hier zo snel mogelijk weg. Ik wil kapster worden en bij mijn zus in Rotterdam gaan wonen.' Alleen als haar moeder ter sprake komt, zit er plotseling een meisje van vijftien en komen de tranen: 'ik schrijf haar, maar ik krijg nooit antwoord.'