We hebben 173 gasten online

28) Jeugdstrafrecht Deel 3

Gepost in Strafrecht in Historie

Jeugdstrafrecht 3: JONG & GESTOORD& CRIMINEEL II

1) Probleemschets

2) VEERTIEN JAAR EN LEVENSGEVAARLIJK; Tijdbommen

3) Toepassing jeugdstrafrecht voor minderjarigen (12 t/m 17 jaar) ( jaar eindbeslissing)

4) Juffrouw Justitia

Oorspronkelijk verschenen in VN 18 december 1999

1) Probleemschets

Jeugdcriminaliteit is een verzamelnaam voor veel verschillende strafbare gedragingen van jeugdigen van tot en met 24 jaar. De groep waar het jeugdstrafrecht zich op richt is die van 12 tot 18 jarigen.

Jeugdcriminaliteit omvat zogenaamd opgroeigedrag waarbij zo nu en dan de normen worden overschreden.. Kinderen, pubers en adolescenten hebben nu eenmaal de normale (gezonde) neiging om te experimenteren en grenzen te verkennen. Maar het kan ook gaan om ernstiger vormen van strafbaar gedrag, bijvoorbeeld het veelvuldig en stelselmatig plegen van delicten, om er een dure levensstijl op na te kunnen houden of om deel te kunnen uitmaken van een groep waarin delinquent gedrag de groepsnorm Sommige jongeren maken zich schuldig aan gewelddadiger vormen van criminaliteit.

In de jaren tachtig ontstond de behoefte om beter zicht te krijgen op de ernst en omvang van jeugdcriminaliteit en een efficiënte en effectieve aanpak te ontwikkelen bestaande uit zowel preventieve, repressieve als curatieve maatregelen. Dit heeft geleid tot het advies "Met de neus op de feiten" van de commissie Van Montfrans in 1994. Het advies was de start voor een departementsbreed programma waarbij alle betrokkenen in de jeugd- en veiligheidsketen werden betrokken.

Het beleidsprogramma jeugdcriminaliteit is over de periode 1994-1998 geëvalueerd in het rapport "Vier jaar Van Montfrans". Daarin werd vastgesteld dat in gang gezette activiteiten en ontwikkelde beleidsmaatregelen zich moeten verankeren en dat een kwaliteitsverbetering moet worden bereikt in de brede samenwerking in de jeugdstrafrechtsketen. Ook werd geconstateerd dat het beleid de aandacht moet richten op de nieuwe ontwikkelingen in de aard van jeugdcriminaliteit: de toename van gewelddadige criminaliteit, de oververtegenwoordiging van allochtone jongeren en het feit dat jongeren op steeds jongere leeftijd strafbare feiten plegen.

Beleidsmatige uitgangspunten

Doel van het jeugdcriminaliteitsbeleid is om crimineel gedrag van jongeren terug te dringen en waar mogelijk te voorkomen en de gevoelens van onveiligheid die dit gedrag bij de burgers oproept, te verminderen.

Uitgangspunt is dat voor een effectieve aanpak van het jeugdcriminaliteitsprobleem vroegtijdig, snel en consequent moet worden gereageerd op crimineel gedrag van jongeren. Nieuwe ontwikkelingen in de aard van jeugdcriminaliteit krijgen in het huidige beleid extra aandacht; de gesignaleerde verharding,verjonging en het relatief grote aandeel in jeugdcriminaliteit van allochtone jongeren.

Verbeteringen worden met name gezocht in de kwaliteit van de samenwerking met alle betrokkenen die werkzaam zijn op het terrein van jeugd en veiligheid. Ministeries, gemeenten, politie, Raad voor de Kinderbescherming, Openbaar Ministerie, jeugdhulpverlening en onderwijs moeten ieder vanuit hun eigen verantwoordelijkheid bijdragen aan een samenhangend jeugdcriminaliteitsbeleid.

Zowel op beleidsmatig- als uitvoeringsniveau zijn in de periode sinds 1994 een groot aantal activiteiten gestart. Recent wordt bijzondere aandacht gegeven aan de verkorting van de doorlooptijden van jeugdstrafrechtzaken (project "Verkorting doorlooptijden"), aan de twaalfminners en opvoedingsondersteuning (project "Opvoedingsondersteuning").

Vanuit de behoefte om de aanpak van jeugdcriminaliteit na een periode van zeven jaar te herijken is het project "Versterking aanpak Jeugdcriminaliteit" gestart. Dit project moet in het voorjaar van 2002 uitmonden in een nota aan de Tweede Kamer.

2) VEERTIEN JAAR EN LEVENSGEVAARLIJK

TIJDBOMMEN door Marian Husken en Jos Slats

Bron: VN 18 december 1999

Dat kinderen met de politie in aanraking komen, is van alle tijden. Maar de laatste jaren gebeurt dat steeds vaker wegens brute geweldsmisdrijven. Verkrachting, moorden doodslag, Er lopen levensgevaarlijke pubers rond. Ze belanden in justitiële behandelcentra die nauwelijks raad weten met de soms zwaar gestoorde jongeren.Het jeugdstrafrecht (herzien in 1995) kent geen open einde,zoals de tbs. Na maximaal zes jaar komen de kinderen op vrije voeten. Of ze nou gevaarlijk zijn of niet.

Het belhameltijdperk van Kruimeltje is voorgoed voorbij in Nederland. De laatste betrouwbare cijfers stammen uit 1997. Bijna vijftigduizend jongens en meisjes van twaalf tot achttien jaar werden door de politie als Verdachte aangehouden. Meer dan de helft van die kinderen kreeg met de officier van justitie te maken. Met veel van die aangehouden jeugdigen is van alles ernstig mis. Ze zijn losgeslagen en onthecht. Vaak van kindsbeen af beschadigd. Of gewoon knettergek. Rechtbanken vragen daarom steeds vaker gedragsdeskundige rapportages aan. Nopsychiater Nils Duits van de Forensisch Psychiatrische Dienst (FPD) in Amsterdam:

'Eddy (15) is een lange Creoolse jongen met geschoren wenkbrauwen en een dure Nike trui. Hij schoot een andere jongen bijna dood, maar hij heeft totaal geen spijt over wat hij heeft gedaan. Hij lacht me af en toe uit en praat veel over zijn mooie pistool van 690 euro dat hij nu jammer genoeg kwijt is. Hij snapt niet waarom iedereen zich zo druk maakt. Hij is zwakbegaafd, heeft een ernstige antisociale gedragsstoornis met narcistische trekken en een ADHD. '

'Achmed (14) kijkt donker en ontevreden van me weg. Hij is klein, Turks, is vermoeid en kan niet stilzitten. Hij kan niks uitleggen, weigert soms te antwoorden of zegt maar wat binnensmonds in slecht Nederlands. Hij is zwakbegaafd, heeft een aan autisme verwante contactstoornis en een antisociale gedragsstoornis. Hij heeft paranoïde betrekkingsideeën over iemand die hij bijna neerstak met een stanleymes. Zijn gewelddadige schizofrene vader zit in een psychiatrisch ziekenhuis, zijn mogelijk schizofrene oom stak zijn baas met een mes neer. Achmed " niet, net als zijn vader, naar een gekkenhuis en wil geen medicijnen. '

Ook vandaag ligt er een stapel verse dossiers op het bureau van Nils Duits. Hij moet advies uitbrengen aan de rechtercommissaris over Richard (1 4). Richard komt van Aruba en zit in voorarrest. Hij heeft in Nederland zijn buurjongetje verkracht. Maar dat is niet het enige. Zijn moeder is verslaafd aan drugs. Op jonge leeftijd werd hij zelf verkracht door zijn stiefvader. In Nederland had Richard seks met zijn zusje en vergreep hij zich aan zijn broertje. Ook in de jeugdinrichting waarin hij nu zit in afwachting van de rechtszaak, probeerde hij seks te hebben. Onverbeterlijk, zo lijkt het wel.

De vraag is of zo'n criminele jongere, agressief en met pedofiele neigingen, geplaatst moet worden in een justitiële behandelinrichting. Krijgt hij een pij - maatregel (zie kader juffrouw justitia) of niet?

Richard hoort samen met Eddy en Achmed tot de honderden delinquente jeugdige die door psychologen en of psychiaters worden onderzocht. Het gaat bijna altijd om jongens. Er verschijnen wel meer meisjes voor de rechter, maar die vormen nog altijd een minderheid. Van de ruim vijftienhonderd aanvragen van vorig jaar werden bijna achthonderd rapportages uitgevoerd door de Forensich Psychiatrische Diensten van het ministerie van Justitie. De rest door particulieren. Tot nu toe werden de jeugdadviezen bij de FPD gefinancierd uit de aanvragen voor volwassenen. Justitie heeft op dit vlak structureel nog niets geregeld voor jongeren. Overigens worden niet alle pij - adviezen door de rechtbank opgevolgd: landelijke cijfers hierover ontbreken echter.

De Randstad, Den Haag en Amsterdam voorop, is de hofleverancier van dossiers over steek- en schietpartijen, brute verkrachtingen en gewelddadige berovingen door kinderen van twaalf tot achttien jaar. Nog maar in tien procent van de gevallen gaat het om diefstal. brand- stichting, drugs of vernieling. De jeugdcriminaliteit verhardt in hoog tempo. Zorgelijk is ook dat allochtone jongeren de hoofdrol spelen. Landelijke cijfers zijn niet voorhanden, maar in het arrondissement Amsterdam was vorig jaar ruim 86 procent van de gerapporteerde kinderen van niet-Nederlandse afkomst. Surinamers (37 procent) en Marokkanen (24 procent) voorop. Opvallend is dat de helft van deze groep in het buitenland geboren is, en pas op latere leeftijd naar Nederland kwam. Ze behoorden dus niet tot de tweede of derde generatie immigranten die al ingeburgerd zijn.

Danny is zo'n jongen.

'De oude vrouw liep onder een tunnel. Vanuit de flat kan niemand je dan zien. Ze viel met haar hoofd op de grond, doordat hij zo hard aan haar tas moest rukken, waar niet eens geld of een tramkaart in zat. Danny (1 7) hoorde pas later dat ze was overleden. Nu heeft hij nachtmerries. De familie van het slachtoffer zal hem vast doodmaken. Hij is analfabeet, zwakbegaafd en kwam zes jaar geleden uit Curacao naar Nederland, nadat zijn psychiatrisch zieke moeder was overleden. Danny sliep in een garagebox. Hij werd min of meer opgevangen door een vriendinnetje en haar familie. Toen hij niet met hen mee mocht op vakantie, ging het mis. Hij had nog maar een gedachte , hij moest geld hebben. Hij volgde de oude vrouw en sloeg toe. De kans is groot dat het opnieuw misgaat met Danny als hij weer in een stress -situatie belandt.'

Jeugddetentie, alleen maar opsluiten, lijkt niet zinvol. De rechtbank vraagt nu advies of het wenselijk is Richard een pij -maatregel op te leggen.

De pij -maatregel bestaat vier jaar. Wat heeft het opgeleverd? Zijn de jongeren die hun behandeling inmiddels hebben doorlopen toch nog goed terechtgekomen? Geen mens die het weet. Ook daar is, net zoals gezegd als naar de samenstelling van de groep, nog nooit onderzoek naar gedaan. Hoeveel jongeren na hun vrijlating hun criminele carrière voortzetten, is domweg niet bekend. Er zijn geen recidivecijfers.

De bedoelingen van het jeugdstrafrecht zijn opperbest. Straffen, maar tegelijkertijd ook opvoeden en behandelen. Hoe realistisch zijn die fraaie doelstellingen? En zijn vraag en aanbod op elkaar afgestemd?

In de praktijk blijkt elke justitiële behandelinrichting er zo'n beetje een eigen werkwijze op na te houden. In het onvermijdelijke jargon heet het dat de ene instelling kiest voor het psychodynamisch model, een ander voor de leertheorie of de systeemtheorie. Of zweert bij de eclectische aanpak. Bij instelling A wordt bijvoorbeeld meer nadruk gelegd op onderwijs, bij B worden kinderen meer aangesproken op het gedrag in de groep.

Een directeur van zo'n instelling geeft ruiterlijk toe: 'Behandelambities zijn soms te hoog, en vaak gaat men er maar van uit dat er van alles en nog wat te behandelen is. Dat geeft soms resultaten, maar bij jeugdige delinquenten met psychiatrische problemen, bij wie de grenzen met de realiteit problematisch zijn, werkt een behandeling soms zelfs averechts.' Veel behandelinrichtingen hebben niet eens een eigen jeugdpsychiater in dienst. Kennis over het toedienen van medicijnen aan bijvoorbeeld depressieve of hyperactieve kinderen laat ook te wensen over. Over de hele linie lijkt het aan een heldere behandelvisie te ontbreken.

Leonieke Boendermaker, sociaal -pedagoge en verbonden aan het Wetenschappelijk Onderzoek - en Documentatiecentrum (WODC) van het ministerie van Justitie, deed onderzoek in tien justitiële inrichtingen voor jeugdigen.

Ze trekt sombere conclusies in haar in maart verschenen proefschrift: 'De groepsleiding heeft een complexe taak, waarin geschipperd moet worden tussen aan de ene kant structuur en duidelijkheid bieden aan de hele groep, en het geven van individuele aandacht aan de andere kant. De groepsleiding heeft alle energie nodig voor het rond krijgen van het dagelijkse programma.' Ook stelt ze vast dat er onvoldoende nagedacht is over het behandelen van meisjes, allochtone jongeren en gewelddadige crimineeltjes. juist die groepen die nu zo overduidelijk in beeld komen.

Boendermaker pleit ervoor om bijvoorbeeld bij het samenstellen van groepsleidingen rekening te houden met de etnische achtergrond van jongeren. Die hebben een rolmodel nodig. Ze moeten zich bijvoorbeeld kunnen spiegelen of optrekken aan een groepsleider.

Intussen draait de vonnissenmachine gewoon door en krijgen steeds meer jongeren een pij -maatregel opgelegd. Een paar jaar geleden ging het vooral om jongens van zestien jaar en ouder. De daders worden jonger. En agressiever.

Moestafa (12) heeft een IQ van 60, licht zwakzinnig dus. Hij zit nu in ,preventieve hechtenis omdat hij een jongen heeft beroofd en met de dood bedreigd. Moestafa is in Marokko geboren. Zijn vader stierf toen hij nog een baby was. Van zijn moeder trekt hij zich niets aan. Hij zat op een school voor zeer moeilijk op te voeden kinderen. Maar ook daar kwam hij niet meeropdagen. Al tijdenlang trok hij op met een bende. Hij perste andere jongens af.'

Jeugdpsychiater Nils Duits: 'Wat moet je met zo'n jongen? Hij is nog jong, misschien lukt het nog om hem te veranderen. Maar er is een groep met wie het nooit meer goed komt. Moestafa kan, als hij volhardt in zijn crimineel gedrag, zo iemand zijn. Bij de Riagg weigerde deze jongen al om mee te werken aan zijn behandeling. Er zouden alternatieven moeten zijn. Als je van die verharde jongens in een groep in een jeugdinstelling plaatst, werkt dat destabiliserend voor de rest van de kinderen die je misschien nog wel zou kunnen bereiken.'

Maar wat zijn de alternatieven? Duits: 'Sommige jongeren moeten gewoon jeugddetentie krijgen. Anderen horen thuis in een psychiatrisch ziekenhuis. Maar dat kan niet, omdat ze ziek én gedragsgestoord zijn en omdat ze in een strafrechtelijke procedure zitten die opname onmogelijk maakt. Dus komen ze via de pij in een jeugdinrichting, omdat de maatschappij nu eenmaal beschermd moet worden. Maar een jeugd -inrichting is geen ziekenhuis. Deze jongeren hebben een jeugdforensische psychiatrische kliniek nodig.'

En de echt hopeloze gevallen? 'De verstandelijke vermogens van sommige criminele jongens en meisjes zijn zo beperkt dat ze vanzelf weer vervallen in hun oude fouten. Ik denk wel eens, die zou je bij wijze van spreken in een sociale werkplaats moeten stoppen. Met een groot hek eromheen.' Ook tbs, eindstation van het volwassenen -strafrecht, is wat Nils Duits betreft een bespreekbaar alternatief. Vooral omdat tbs, indien noodzakelijk, onbeperkt kan worden verlengd. De pij - maatregel houdt, ongeacht de resultaten van de behandeling, na maximaal zes jaar onherroepelijk op. Vanaf het najaar van 2001, zes jaar na de herziening van het jeugdstrafrecht, zullen de gevolgen van deze abrupte stop van de pij -maatregel zichtbaar worden. De opvang van ex -pij' ers is nu al slecht. Door het nijpend gebrek aan behandelplaatsen worden kinderen ver van huis in een instelling ondergebracht. De jeugdreclassering, die regionaal werkt, laat het daardoor vaak afweten. Hun cliënt zit te ver weg. Ook hebben ze niet genoeg medewerkers, Soms is er helemaal geen contact. Ondanks al eerdere soortgelijke kritiek op de dienst is hier nog geen oplossing voor gevonden. Terwijl begeleiding bij terugkeer in de maatschappij, zeker voor deze ontspoorde jongeren, van levensbelang is.

Je kunt soms wachten op de volgende verkrachting of roofoverval, verzucht psychiater Duits. Hij voelt zich een beetje een poortwachter voor de pij inrichtingen en de tbs-kliniek. Want dat is de volgende stap voor deze verharde groep jeugdige criminelen. Maar voor de tbs-behandeling is er ook nog steeds een wachtlijst van zo'n honderd patiënten per jaar. Duits krijgt bijval van Jan Gerrits, psychiater -directeur van de Van der Hoeven tbs-kliniek in Utrecht. Ook hij maakt zich zorgen: 'Het is natuurlijk verschrikkelijk dat er geen aansluiting is tussen pij en tbs. Al moet je er niet aan denken dat een jongen of meisje zo haar leven voorbij zou zien gaan. Altijd in in- richtingen totdat de dood erop volgt.' Toch lijkt de voorgeschiedenis van zijn huidige patiënten op die van deze verharde jongeren. Gerrits: 'Die ontspoorde jongens die straks op straat staan na de pij, vertonen volwassen crimineel gedrag. Zeker als het gaat om seksuele delicten. Bijvoorbeeld iemand die bewust in de bosjes op de loer ligt, een vrouw knock-out slaat en zich aan haar vergrijpt. Dat is geen uiting van onzeker seksueel gedrag. Daar is meer aan de hand. Zo'n joch hoort niet in een jeugdkliniek of instelling thuis, want dat is niet een omgeving om hem te behandelen. zo iemand heeft de stok nodig van de mogelijke oneindigheid van tbs.

3) Toepassing jeugdstrafrecht voor minderjarigen (12 t/m 17 jaar) ( jaar eindbeslissing)

Minderjarig zijn degenen die ten tijde van het begaan van een strafbaar feit de leeftijd van twaalf jaren doch nog niet die van achttien jaren hebben bereikt (artikel 77a Sr). Voor hen is een aantal bijzondere bepalingen in het Wetboek van Strafrecht opgenomen (artikelen 77d t/m 77gg Sr).Echter, de rechter kan – indien hij daartoe grond vindt in de ernst van het begane feit, de persoonlijkheid van de dader of de omstandigheden waaronder het feit is begaan – indien de dader ten tijde van het begaan van een strafbaar feit 16 of 17 jaar is, het strafrecht voor meerderjarigen toepassen. Anderzijds heeft de rechter de mogelijkheid om, indien de dader ten tijde van het begaan van een strafbaar feit tussen de 18 en 21 is, de bijzondere bepalingen voor jeugdigen toe te passen (artikelen 77b en 77c Sr).

Toepassing jeugdstrafrecht voor minderjarigen (12 t/m 17 jaar), 1995-1999 (jaar eindbeslissing)

 
1995
1996
1997
1998
1999
Jeugdstrafrecht
6.493
7.789
7.845
8.475
8.646
Algemeen strafrecht
1,194
508
309
239
223
Totaal
7.687
8.297
8.154
8.714
8.869
         
.

Bron: http://www.juridisch.com/cgi-juridisch/links/naar.cgi?ID=18&doorlink=Ministerie_van_Justitie

4) Juffrouw Justitia

Jeugdstrafrecht is van toepassing op jongeren van 12 tot en met 17 jaar. Van belang is de leeftijd op het moment dat een strafbaar feit is begaan. Onder bepaalde omstandigheden kan de rechter jongeren van 16 en 17 als volwassenen behandelen en verdachten van 18 tot 21 als minderjarigen. In 1995 is het jeugdstrafrecht gewijzigd. De straffen 'tuchtschool' en 'arrest' zijn vervangen door 'jeugddetentie'. De maat -regelen 'plaatsing in een inrichting voor buitengewone behandeling' en 'jeugd-tbr' werden vervangen door de maatregel 'plaatsing in een inrichting voor jeugdigen' (pij). Met de wijziging van het jeugdstrafrecht kregen de taakstraf en de hal t- afdoening een wettelijke grondslag. De halt -afdoening is bestemd voor jongeren die voor de eerste keer met de politie in aanraking komen voor een relatief licht vergrijp, zoals een winkeldiefstal of vernieling. Ze moeten herstel- werkzaamheden of arbeid ten algemene nutte verrichten. Maximaal 20 uur.

Voor zwaardere vergrijpen kan een taakstraf worden opgelegd door de officier van justitie (maximaal 40 uur) of door de rechter (maximaal 200 uur). Er zijn werkstraffen en l of leerstraffen. Jeugddetentie is een vrijheidsstraf. Jongeren van 12 tot en met 15 jaar kunnen ten hoogste een jaar gevangenisstraf krijgen. Voor 16- en 17-jarigen geldt een maximum van twee jaar. De pij -maatregel kan worden opgelegd indien: sprake is van strafbare feiten waarvoor voorlopige hechtenis is toegestaan; de veiligheid van personen of goederen in het geding is; en als het belang van het kind is gehaat bij een

speciale behandeling. Daarnaast verlangt de wet dat de rechter advies vraagt van tenminste twee gedragsdeskundigen. Een van die deskundigen moet een psychiater zijn als de jongere een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geest - vermogens heeft. Dat blijkt de laatste jaren steeds vaker noodzakelijk. De duur van de maatregel bedraagt 2, 4 of 6 jaar. Daarna is verlenging niet meer mogelijk. De vraag of de behandeling is geslaagd, doet er na zes jaar niet meer toe. Ook jongeren voor wie nog steeds geldt dat ze een ziekelijke stoornis hebben, worden dan in vrijheid gesteld.

De populatie van de justitiële behandelinrichtingen voor jeugdigen (de capaciteit bedraagt zo'n 1000 plaatsen) bestaat voor circa 35 procent uit strafrechtelijk geplaatste jongeren. De overige bewoners zijn via het civiele recht onder toezicht geplaatst. Het aantal pij -maatregelen groeit gestaag. In 1996 werd de maatregel 150 keer opgelegd. Vorig jaar gebeurde dat 191 keer. Veel zorgelijker is dat er een duidelijke verschuiving plaatsvindt in het soort delicten.

Ging het een paar jaar geleden nog meestal om diefstal, tegenwoordig draait het steeds vaker om keihard en bruut geweld.