We hebben 191 gasten online

Schiedamse Parkmoord Deel 5

Gepost in Strafrecht in Historie

De Hoge Raad wijst de herzieningsaanvraag van Kees B. af.
In de aanvraag speelt een rapport van de rechtspsycholoog van Koppen een grote rol. Het rapport zet vraagtekens bij de totstandkoming van de bekentenis en bij de verklaringen van de deskundigen in deze zaak, Hees en Bullens. Volgens de Hoge Raad gaat het echter niet om nieuwe feiten maar om meningen die afwijken van het oordeel van het hof.

LJN: AQ9834, Hoge Raad , 00282/04 H  
Datum uitspraak: 07-09-2004
Datum publicatie: 07-09-2004
Rechtsgebied: Straf
Soort procedure: Herziening
Inhoudsindicatie: Herzieningsaanvrage Schiedammer parkmoord. 1. De conclusies van prof. Van Koppen omtrent de bekentenissen van aanvrager bevatten geen novum, maar moeten worden aangemerkt als een van 's hofs oordeel afwijkende mening. De feiten en omstandigheden waarvan de deskundige is uitgegaan en die tot zijn conclusies hebben geleid, heeft hij ontleend aan de stukken van het geding, welke het hof bekend waren ten tijde van zijn uitspraak. 2. Het hof heeft zich zelfstandig een oordeel gevormd omtrent de betrouwbaarheid van de verklaringen van een slachtoffer. Anders dan in de aanvrage is aangevoerd, kan niet worden gezegd dat de conclusie van het hof omtrent de betrouwbaarheid van de verklaringen van een slachtoffer zonder meer voortvloeit uit de verklaringen van de deskundigen Hees en prof. Bullens, noch dat die verklaringen een oordeel inhouden over het waarheidsgehalte van de betreffende verklaringen.
Vindplaats(en): JOL 2004, 432
NS 2004, 367
Rechtspraak.nl
 
Uitspraak
7 september 2004
Strafkamer
nr. 00282/04 H
SM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op een aanvrage tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 8 maart 2002, nummer 22/001387-01, ingediend door mr. G. Spong, advocaat te Amsterdam, namens:
[aanvrager], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969, ten tijde van de aanvrage gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "De Boschpoort" te Breda.

1. De uitspraak waarvan herziening is gevraagd

1.1. Het Hof heeft in hoger beroep de aanvrager ter zake van 1 subsidiair "doodslag, voorafgegaan van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf straffeloosheid te verzekeren", 2 subsidiair "poging tot doodslag, voorafgegaan van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf straffeloosheid te verzekeren", 3 primair "verkrachting", 4. "opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden, meermalen gepleegd" en 6. "poging tot door beloften van geld een minderjarige van onbesproken gedrag, wiens minderjarigheid hij kent, opzettelijk bewegen ontuchtige handelingen met hem te plegen" veroordeeld tot achttien jaren gevangenisstraf en daarbij bevolen dat de verdachte ter beschikking zal worden gesteld met bevel tot verpleging van overheidswege.

1.2. De Hoge Raad heeft bij arrest van 15 april 2003 's Hofs arrest vernietigd voor wat betreft de beslissingen ter zake van het onder 6 tenlastegelegde, de Officier van Justitie alsnog niet-ontvankelijk in de vervolging verklaard ter zake van het onder 6 tenlastegelegde en het cassatieberoep voor het overige verworpen.

2. De aanvrage tot herziening

De aanvrage tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

3. Bewezenverklaring en bewijsvoering

3.1. Het Hof heeft, voorzover thans van belang, ten laste van de aanvrager bewezenverklaard dat:
1. Subsidiair
"hij op 22 juni 2000 te Schiedam opzettelijk een meisje genaamd [slachtoffer 1] (geboren [geboortedatum] 1990) van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte opzettelijk die [slachtoffer 1] gestranguleerd door een veter van een schoen om de nek en/of hals van die [slachtoffer 1] te brengen en aan te trekken en vervolgens deze veter te voorzien van een knoop en/of strik, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is overleden, en welke vorenomschreven doodslag werd voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten verkrachting van die [slachtoffer 1], en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf straffeloosheid te verzekeren."

2. Subsidiair
"hij op 22 juni 2000 te Schiedam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een jongen genaamd [slachtoffer 2] (geboren [geboortedatum] 1989) van het leven te beroven, met dat opzet zijn handen om de nek en/of hals van die [slachtoffer 2] heeft gebracht en gehouden en vervolgens die nek en/of hals heeft dichtgeknepen en dichtgeknepen gehouden en een veter van een schoen om de nek en/of hals van die [slachtoffer 2] heeft gebracht en aangetrokken en vervolgens deze veter heeft voorzien van een knoop en die [slachtoffer 2] meermalen met een mes heeft gestoken in de nek en/of hals en kin terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid en welke vorenomschreven poging tot doodslag werd voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten verkrachting van een meisje genaamd [slachtoffer 1] (geboren [geboortedatum] 1990) en (gekwalificeerde) doodslag op die [slachtoffer 1], en welke poging doodslag werd gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf straffeloosheid te verzekeren."

3.
"hij op 22 juni 2000 te Schiedam, in een park genaamd het Beatrixpark, door geweld en andere feitelijkheden en bedreiging met geweld [slachtoffer 1] (geboren [geboortedatum] 1990) heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1], immers heeft verdachte zijn penis in de vagina van die [slachtoffer 1] geduwd en/of gebracht en bestaande dat geweld en die bedreiging met geweld hierin dat verdachte
- die [slachtoffer 1] heeft meegenomen naar in de omgeving aanwezige bosschages en
- die [slachtoffer 1] onder bedreiging van een mes tegen haar wil in die bosschages heeft vastgehouden en
- tegen die [slachtoffer 1] heeft gezegd dat zij zich uit moest kleden en wanneer zij zich niet uit zou kleden hij, verdachte, haar neer zou steken en dat zij op haar buik moest gaan liggen en als zij dit niet zou doen hij, verdachte, haar zou vermoorden, althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking en
- achter op die [slachtoffer 1] is gaan liggen met zijn, verdachtes, ontblote geslachtsdeel."

4.
"hij op 22 juni 2000 te Schiedam, in een park genaamd het Beatrixpark, opzettelijk een meisje genaamd [slachtoffer 1] (geboren [geboortedatum] 1990) en een jongen genaamd [slachtoffer 2] (geboren [geboortedatum] 1989) wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, immers heeft verdachte met dat opzet
- die [slachtoffer 2] een mes getoond en
- vervolgens die [slachtoffer 1] en
[slachtoffer 2] meegenomen naar in de omgeving aanwezige bosschages en
- vervolgens die [slachtoffer 1] en
[slachtoffer 2] onder bedreiging van een mes tegen hun wil in die bosschages vastgehouden."

3.2. Het Hof heeft de bewezenverklaring van deze feiten doen steunen op 36 bewijsmiddelen, waaronder een drietal bekennende verklaringen van de aanvrager (opgenomen onder 22 tot en met 24), afgelegd tegenover de politie op
9 en 10 september 2000.

3.3. Het Hof heeft in de uitspraak waarvan herziening wordt gevraagd nadere overwegingen gewijd aan de bewijslevering, waaronder overwegingen met betrekking tot het tijdpad en het alibiverweer. Omtrent de wijze waarop de bedoelde verklaringen van de aanvrager tot stand zijn gekomen en de betrouwbaarheid van de verklaringen heeft het Hof het volgende overwogen:
"12.1.2. Voorts beklaagt de raadsman zich in meer algemeen gestelde termen over de wijze waarop de verhoren op 9 en 10 september 2000 door de politie zijn afgenomen. Hij spreekt in dit verband over 'druk' die op de verdachte zou zijn uitgeoefend, daarbij verwijzend naar enkele passages uit een later afgenomen videoverhoor van verdachte.
De bij die verhoren betrokken politie-ambtenaren hebben als getuigen op 21 maart 2001 tegenover de rechter-commissaris omtrent de wijze van verhoor onder meer als volgt verklaard:
P.J.Th. Mettrop: 'Wij zijn de verhoren altijd ingegaan met voorzichtigheid uit angst dat hij (hof: de verdachte) wenselijke antwoorden zou geven.'
J. van de Werken: 'We hebben afgesproken dat we de verhoren rustig zouden doen om te kijken hoe het zich zou ontwikkelen. (...) De bekentenis kwam toen het heel rustig was, na allemaal open vragen; hij (hof: de verdachte) heeft zijn verhaal toen rustig uit zichzelf verteld.'
Aan de hand van de verklaringen van Mettrop en Van de Werken is weliswaar aannemelijk geworden dat de verdachte in het weekeinde van 9 en 10 september 2000 langdurig is ondervraagd, dat hij tijdens die verhoren soms emotioneel is geworden en dat soms is doorgegaan met verhoor nadat hij te kennen had gegeven te willen stoppen, maar geenszins is aannemelijk geworden dat de verdachte zijn verklaringen niet in vrijheid heeft afgelegd. Dat kan evenmin blijken uit de verklaring van de verdachte zelf omtrent de omstandigheden en de wijze van verhoren, zoals door hem afgelegd tegenover de rechter-commissaris (verhoor d.d. 22 januari 2001) op diens daartoe gerichte vragen. Die verklaring heeft de verdachte desgevraagd bevestigd ter zitting in eerste aanleg van 5 april 2001 alsmede ter terechtzitting in hoger beroep.
Weliswaar wijdt de raadsman beschouwingen over de gang van zaken bij een na 9 en 10 september 2000 gehouden videoverhoor, maar het hof vermag niet in te zien wat dat verhoor in concreto aan voorafgaande beoordeling betreffende de verhoren op 9 en 10 september 2000 kan afdoen. Uit de door de raadsman bedoelde passages uit (verbatim gerelateerde) videoverhoor volgt in elk geval niet - zoals de raadsman kennelijk suggereert - dat daarbij sprake is geweest van ongeoorloofde 'druk'.
Niet is derhalve aannemelijk geworden dat aan de verdachte zijn verklaringen op 9 en 10 september 2000 op zodanige wijze zijn ontlokt, dat deze daardoor niet geacht kunnen worden in vrijheid te zijn afgelegd dan wel anderszins - al dan niet wegens uitgeoefende 'druk' - als onbetrouwbaar zijn aan te merken.
Voorzover de raadsman zich in dit opzicht op het standpunt wil stellen, dat de resultaten van de verhoren van verdachte op 9 en 10 september 2000 als onrechtmatig verkregen bewijs moeten worden aangemerkt, wordt dat verweer dan ook verworpen.

12.1.3. Wat betreft de betrouwbaarheid wijst het hof in het bijzonder nog op het volgende. In de verklaring V1-12 d.d. 10-9-2000 omstreeks 15.30 uur geeft de verdachte een vrij gedetailleerde beschrijving van de voor de tenlastegelegde feiten relevante gebeurtenissen op 22 juni 2000 in het Beatrixpark, terwijl die beschrijving in hoofdzaak spoort met de beschrijving die het slachtoffer [slachtoffer 2] daarvan geeft. Zo verklaren de verdachte en [slachtoffer 2] eenparig dat de verdachte/dader de slachtoffers in de buurt van de kinderboerderij is tegengekomen, dat de verdachte/dader de slachtoffers van achteren heeft benaderd, dat verdachte/dader toen een mes in zijn hand had, dat de verdachte/dader en de slachtoffers de bosjes zijn ingelopen, dat de verdachte/dader de slachtoffers heeft gedwongen zich aldaar uit te kleden totdat ze naakt waren, dat de verdachte/dader het slachtoffer [slachtoffer 1] heeft gewurgd, dat de verdachte/dader het slachtoffer [slachtoffer 2] met een schoenveter heeft gewurgd, hem met het mes heeft gestoken in de buurt van diens hoofd, en hem (mogelijk) nog heeft geslagen, en dat de verdachte/dader tenslotte uit de bosjes is gelopen.

De verdachte heeft voormelde verklaring als volgt ingeleid: 'Ik wil u vertellen dat ik eerder niet de gehele waarheid heb verteld maar ik wil u dat nu wel vertellen. Ik heb u de waarheid niet verteld omdat ik mij erg schaam over hetgeen ik gedaan heb maar ik wil u nu wel de waarheid vertellen.'
Tijdens de verklaring zegt de verdachte tussen de vragen door: 'wat heb ik gedaan'.
In eerste aanleg (zitting 5 april 2001) heeft de verdachte ten aanzien van de door hem op 9 en 10 september 2000 afgelegde verklaringen verklaard: "Ik heb de verklaringen doorgelezen en ondertekend. Wanneer de verklaringen waren uitgeprint kreeg ik de tekst voor me en kreeg ik de tijd om de tekst door te lezen. Het zou kunnen dat een enkele keer er wijzigingen in de tekst zijn aangebracht".
De verdachte heeft er bij gelegenheid van latere verhoren blijk van gegeven, dat hij nog goed wist wat hij op 9 en 10 september 2000 had verklaard.
Zowel bij de rechter-commissaris (verhoor d.d. 22 januari 2001) als in eerste aanleg (zitting 5 april 2001) als ook in hoger beroep heeft de verdachte bevestigd dat de weergave van zijn op 9 en 10 september 2000 afgelegde verklaringen, zoals gerelateerd in de processen-verbaal, in hoofdzaak correct is."

3.4. Het Hof heeft in de uitspraak waarvan herziening wordt gevraagd voorts omtrent de gestelde onverenigbaarheid van het daderschap van de aanvrager en de verklaringen van [slachtoffer 2] omtrent het signalement van de dader het volgende overwogen:
"12.4.1. De raadsman voert aan dat de verdachte niet voldoet aan het door [slachtoffer 2] opgegeven signalement van de dader, dat [slachtoffer 2] een geheel ander type persoon beschrijft dan de verdachte, dat [slachtoffer 2] de dader goed heeft kunnen zien omdat hij bij de rechter-commissaris zegt dat de man, [slachtoffer 1] en hij dichtbij elkaar in het bosje zaten, dat [slachtoffer 2] verdachte als beller van 112 beschrijft maar hem blijkens zijn verklaring bij de rechter-commissaris nooit als de dader aanwijst, dat de verklaring van [slachtoffer 2] te dezen betrouwbaar is en dat niet moet worden afgegaan op de in 2001 door dr Hees- Stauthamer uitgebrachte rapportage, omdat zij toen nog niet beschikte over de verklaring van [slachtoffer 2] bij de rechter-commissaris afgelegd.
12.4.2. Zoals de rechtbank op pagina 5 e.v. 'onder het kopje "De betekenis van het signalement" heeft overwogen, heeft [slachtoffer 2] in de ambulance geen signalement van de dader gegeven en heeft hij verklaard dat hij niet naar de man heeft gekeken. Daarna heeft [slachtoffer 2] in de loop van de vele van hem afgenomen politieverhoren desgevraagd een aantal malen beschrijvingen van de dader gegeven. (...)
Bijvoorbeeld:
G3-1 (d.d. 23-6-2000)
I. Weet jij nog een beetje hoe die man eruit zag?
S. "... die had heel veel puistjes op ... en hij had lichtbruin haar... hij was wel bleek. Hij had af en toe een rooie plek.
I. Hij had af en toe een rooie plek?
S. Ja, zijn huid was op sommige plekken een beetje rood.
...Ja, in zijn gezicht... Voor de rest was hij heel wit, heel wit.
Ik denk dat hij een jaar of 25 was...
I. Heb jij verder nog iets aan zijn gezicht opgemerkt? Of hij een baard had of een snor of een bril?
S. Nee... Alle drie niet...
I. ...kleur van zijn haar?
S. Ja dat was gewoon licht bruin. Hij had stekeltjes... Ja, een beetje stekeltjes... hij had overal haar...
I. ... of hij misschien nog iets in zijn oor had zitten... Een heleboel mensen hebben ringen in hun oor...
S. Echt niet op gelet.
G3-2 (d.d. 25-6-2000)
I. Hoe lang was die man heb jij daar enig idee van?
S. Ik denk 1 meter 80 of zo, normale lengte.
I. Wat voor kleur haar ...?
S. Een beetje donker bruin... Het was echt vol haar, dat wel... Het was wel een beetje stekeltjes... Hij was nog niet zo oud... 25 of zo
I. ... was het een dikke man, was het een hele dunne man
S. Nou, niet echt dun, niet echt dik... beetje gewoon... Nee geen snor, geen baard. Heel veel puistjes.
I. Heel veel puistjes?
S. Ja echt heel veel puistjes, onverzorgde puistjes, open gekrabde puistjes, ontstoken puistjes, zwarte puistjes...op zijn neus, op zijn kin, op zijn wangen, op zijn voorhoofd...
I. Oorbellen gezien?
S. ...Volgens mij had hij een oorbel...
I. Waren er nog bijzondere dingen aan die man te zien of te horen...
S. Ja, die puistjes vielen heel erg op ...En hij was heel erg wit... Ja, echt heel bleek, dat viel ook op...
G3-4 (d.d. 4-7-2000)
I. Zullen wij eens even kijken, het signalement van die man.
S. Ja. Hij was heel erg wit, heel erg wit ... heel erg veel puisten....
I. ...lengte haar
S. Redelijk kort... toch wel net ietsje meer van stekels... nee geen stekeltjes...
(vervolgens wordt door [slachtoffer 2] en interviewer gekeken op foto's van mensen met diverse gradaties acné)
I. Nou gaat het even om de puisten die ie had?... Kijk, je ziet hier zwarte, opengekrabbelde, hier zie je gele, gele, zwarte
S. Nou het was niet echt rood. Maar ook gewone puisten... hij gewoon van die kleine puistjes. Niet van die grote bobbels...
I. Opengekrabde puisten heb je in een eerder gesprek al gezegd.
S. Ja. Nou niet echt. Kijk als je gewoon puisten heb, je kan er heel veel hebben. Maar het waren echt, het waren niet van die bobbels of zo. Het waren echt gewoon puisten. Het waren echt gewoon puistjes heel veel...Ik denk dat het eerder gewone puisten waren die gewoon niet verzorgd waren....
De verklaring van [slachtoffer 2] bij de rechter-commissaris d.d. 20-3-2001 brengt wat betreft de beschrijving van de dader ten tijde van het verblijf in de bosjes geen nieuwe gezichtspunten naar voren. Met betrekking tot de man op de fiets die 112 belde verklaart [slachtoffer 2]:
"En die was op de fiets, en ... er was er nog een die was iets jonger en ... die had wel een mobieltje die zat ook op de fiets en die had ... stekeltjes haar en die had de politie gebeld en de ambulance... ja die was niet echt super jong, 20 of zoiets was misschien wel in de 30, 40... eh normale lengte... was niet super dun hij was ook niet super dik, normaal..."
12.4.3. Uit deze fragmenten blijkt zowel van overeenstemmingen als van tegenstrijdigheden, in het bijzonder wat betreft de waarnemingen aangaande de (ernst van de) puistjes/rode vlekken al dan niet in combinatie en de bleke huidskleur.
In dit verband heeft de deskundige psycholoog Bullens op 9 maart 2001 bij de rechter-commissaris als volgt verklaard:
". .wanneer je de kern van de gebeurtenissen afzet tegen de zogenaamde perifere gebeurtenissen, ... moet je je verplaatsen in hetgeen [slachtoffer 2] als kern respectievelijk perifeer heeft ervaren... De raadsman vraagt mij ... naar het door [slachtoffer 2] gegeven signalement, met name ten aanzien van de door hem beschreven "puisten"... Het is natuurlijk duidelijk dat voor de politie het zo snel mogelijk verkrijgen van een signalement een kernzaak was. Voor [slachtoffer 2] was dat vermoedelijk perifeer. [slachtoffer 2] heeft daarover, zo blijkt uit de transscripties van de verhoren, lopen "zeiken", wat in dit verband een aanwijzing is, naar mijn oordeel, dat hij dat als perifeer heeft ervaren. Hetzelfde geldt bijvoorbeeld voor de passages waar het gaat om "inhammen" op het voorhoofd van de dader. Wanneer de politie hem confronteert met zijn wisselende verklaringen over de vraag of de dader een pet op had (de ene keer verklaart [slachtoffer 2]: "pet op" en de andere keer: "pet af") en hem vraagt hoe hij dan kan weten of de dader "inhammen" had, dan vindt [slachtoffer 2] dat kennelijk ook "gezeik"... Op de vraag van de raadsman of dat ook geldt met betrekking tot wat [slachtoffer 2] heeft verklaard over de "puisten" antwoord ik dat die verklaringen moeten worden gezien tegen de achtergrond van de vraag in welke mate [slachtoffer 2] het gezicht van de verdachte goed heeft kunnen zien en in het besef dat [slachtoffer 2] heel erg bezig was met het redden van zijn eigen hachje en dat zijn verklaringen op dit punt eerder als consistent dan als inconsistent moeten worden gezien, maar dat daarbij tevens van belang is dat die verklaringen voor de politie weliswaar belangrijk waren, maar voor [slachtoffer 2] vermoedelijk meer een perifeer "detail"...
12.4.4. Uit de verklaringen van [slachtoffer 2] in het dossier blijkt dat hij de dader alleen korte tijd heeft kunnen waarnemen, en wel gedurende zijn gedwongen verblijf samen met [slachtoffer 1] en de dader in de bosjes, dat de dader toen in gehurkte/zittende houding was, en dat de levensbedreigende gebeurtenissen toen een aanvang hadden genomen, waarvan [slachtoffer 2] zich bewust was.
In haar rapport van 12-3-2001 schrijft dr J.C. Hees-Stauthamer over het "Totstell-reflex" in dit verband het volgende:" Zoals wel vaker beschreven wordt is ook bij [slachtoffer 2] de visuele waarneming meer vernauwd (tot "tunnelvision") dan de auditieve waarneming. Over wat hij heeft gehoord weet hij veel meer te vertellen.... " Met betrekking tot de mate van betrouwbaarheid schrijft deze deskundige onder meer:" ...Bovendien is het reëel om te beseffen dat een verklaring van traumatische gebeurtenissen in details altijd wel ongerijmdheden en onjuistheden kan bevatten..." en onder de conclusie schrijft zij onder meer: "Ook al zijn er in het verhaal van [slachtoffer 2] wel eens details die tegenstrijdig zijn, gebeurt dat niet in een sterkere mate dan te verwachten bij het navertellen van schokkende ervaringen. De grote lijnen zijn evenwel consistent".
12.4.5. Het hof neemt het door deze deskundigen opgemerkte tot uitgangspunt, en is van oordeel dat de verklaringen van [slachtoffer 2] betreffende de in de bosjes waargenomen dader niet onverenigbaar zijn met de physionomie van de verdachte, zoals deze blijkt uit de zich in het proces-dossier bevindende - en van zomer 2000 daterende - foto's van verdachte. Wat betreft de waarnemingen van [slachtoffer 2] betreffende de man die op de brug, gezeten op een fiets, 112 belde moet worden bedacht dat [slachtoffer 2] toen net uit de bosjes kwam en zich alstoen kennelijk (vide G49-1) in een staat van beperkte waarneming bevond, terwijl verdachte zich bovendien op enige afstand van hem ophield.
12.4.6. De stelling van de raadsman dat [slachtoffer 2] "een geheel ander type persoon beschrijft" wordt door het hof dan ook niet onderschreven. Het daderschap van verdachte is dan ook niet onverenigbaar met de verklaringen van [slachtoffer 2]."

4. De grondslag van de aanvrage

4.1. De aanvrage berust op de stelling dat het Hof de bekennende verklaringen die door de aanvrager tegenover de politie zijn afgelegd niet voor het bewijs zou hebben gebezigd en daarnaast tot een andere waardering van de verklaringen van [slachtoffer 2] zou zijn gekomen, en om die redenen niet tot de bewezenverklaring zou zijn gekomen, indien het bekend zou zijn geweest met de in de onderhavige aanvrage gepresenteerde feiten en omstandigheden.

4.2. Ter toelichting op de in de aanvrage betrokken stellingen worden de volgende, met na te noemen bescheiden gestaafde feiten en omstandigheden aangevoerd:
(i) uit een door prof. dr. P.J. van Koppen (hierna: Van Koppen) opgesteld rapport van 4 december 2002 kan worden afgeleid dat er aanwijzingen zijn dat de door de aanvrager afgelegde bekennende verklaringen (mede) het resultaat zijn van door de verbalisanten toegepaste verleidingstechnieken;
(ii) in het onder (i) bedoelde rapport komt Van Koppen tot de conclusie dat de door het Hof gebezigde rapportages respectievelijk verklaringen van de deskundigen dr. J.C. Hees-Stauthamer (hierna: Hees) en prof. dr. R.A.R. Bullens (hierna: Bullens) op wetenschappelijke gronden niet deugdelijk zijn en niet van belang voor de beoordeling van het waarheidsgehalte van de verklaringen van [slachtoffer 2];
(iii) uit correspondentie tussen Van Koppen en Bullens blijkt dat - anders dan het Hof heeft aangenomen - bij het onderzoek van Bullens van [slachtoffer 2] geen sprake is van een betrouwbaarheidsonderzoek ten behoeve van de bewijsvoering, maar slechts van een belevingsonderzoek gericht op de hulpverlening.

5. Beoordeling van de aanvrage

5.1. Als grondslag voor een herziening kunnen, voorzover hier van belang, krachtens het eerste lid, aanhef en onder 2° van art. 457 Sv slechts dienen een of meer door een opgave van bewijsmiddelen gestaafde omstandigheden die bij het onderzoek op de terechtzitting niet zijn gebleken en die het ernstig vermoeden wekken dat, waren zij bekend geweest, het onderzoek der zaak zou hebben geleid - voorzover hier van belang - tot vrijspraak van de veroordeelde. De hiervoor bedoelde grondslag, hierna als 'novum' aan te duiden, kan slechts een omstandigheid van feitelijke aard betreffen. Een mening, overtuiging of gevolgtrekking kan in het algemeen niet als een zodanige feitelijke omstandigheid worden aangemerkt. Dat brengt mee dat het oordeel van een deskundige in beginsel, behoudens bijzondere omstandigheden, slechts als een novum kan gelden voorzover daarbij wordt uitgegaan van feiten en/of omstandigheden van feitelijke aard welke niet bekend waren dan wel niet geacht kunnen worden bekend te zijn geweest aan de rechter die de uitspraak, waarvan herziening wordt gevraagd, heeft gewezen.

5.2. Het rapport van Van Koppen met betrekking tot de bekentenissen van de aanvrager.

5.2.1. Uit het rapport blijkt dat de rapporteur zich bij zijn oordeelsvorming heeft bediend van de stukken van het geding. Aan de hand daarvan concludeert hij op blz. 74-75 van zijn rapport ten aanzien van de verklaringen van de aanvrager afgelegd op 9 en 10 september 2000, het volgende:
"[aanvrager] beschrijft in zijn verklaring voor de rechter-commissaris hoe de bekentenissen volgens hem tot stand zijn gekomen. De wijze waarop dat volgens hem is gebeurd, voldoet vrij precies aan de verleidingstechnieken die tot valse bekentenissen leiden, zoals ik die hierboven beschreef. Er zijn meer aanwijzingen dat verleidingstechnieken zijn toegepast: het imaginatieverhoor van 3 augustus en twee momenten in het proces-verbaal van het verhoor waarin [aanvrager] evident zijn verklaring aanpast op geleide van door de verbalisanten gegeven vingerwijzingen. Daarnaast is het zorgelijk dat de verbalisanten van de ontkenningen door [aanvrager] in het weekend van 9 en 10 september geen proces-verbaal hebben opgemaakt of niet in het proces-verbaal hebben opgenomen.
Dit alles doet vermoeden dat de bekentenissen van [aanvrager] door verleidingstechnieken tot stand zijn gekomen. Dat zij vermoedelijk vals zijn, kan afgeleid worden uit een vergelijking met de verklaringen van [slachtoffer 2]. Ik ga er hierbij vanuit dat de verklaringen van [slachtoffer 2] in grote lijnen juist zijn. Op essentiële punten verschilt de bekentenis van [aanvrager] met hetgeen anderszins bekend is geworden. Zijn bekentenissen zouden daarom gewantrouwd moeten worden."

5.2.2. Deze conclusies noch de daaraanvoorafgaande beschouwingen bevatten feiten en/of omstandigheden die als een novum in de vorenbedoelde zin kunnen worden aangemerkt, doch moeten worden aangemerkt als een van het oordeel van het Hof afwijkende mening of gevolgtrekking. De feiten en omstandigheden waarvan de deskundige is uitgegaan en die tot zijn conclusies hebben geleid, heeft hij ontleend aan de stukken van het geding, welke stukken - waaronder de verklaring van de aanvrager bij de Rechter-Commissaris omtrent de totstandkoming van zijn bekentenis en die van de betrokken verbalisanten dienaangaande bij de Rechter-Commissaris - al bekend waren aan het Hof ten tijde van zijn uitspraak. Bij een en ander moet worden opgemerkt dat het Hof blijkens de hiervoor onder 3.3 en 3.4 weergegeven overwegingen, nadrukkelijk de betrouwbaarheid van de door de aanvrager op 9 en 10 september 2000 afgelegde verklaringen heeft getoetst en daarbij uitdrukkelijk aandacht heeft besteed aan de wijze waarop het verhoor door de verbalisanten heeft plaatsgevonden, aan de vraag of deze verklaringen de aanvrager op enige wijze zijn ontlokt en aan de overeenstemming en tegenstrijdigheden tussen deze verklaringen van de aanvrager en die van [slachtoffer 2].

5.3. De conclusie van Van Koppen over rapportages respectievelijk verklaringen van de deskundigen Hees en Bullens en de correspondentie tussen Van Koppen en Bullens.

5.3.1. Van Koppen is, naar in de aanvrage wordt gesteld, op basis van zijn deskundigheid tot de conclusie gekomen dat de rapportages respectievelijk de verklaringen van de deskundigen Hees en Bullens op wetenschappelijke gronden niet deugdelijk zijn en - daarmee - niet van belang voor het waarheidsgehalte van de verklaringen van [slachtoffer 2]. Met betrekking tot het oordeel van Hees, meer in het bijzonder voorzover daarbij sprake is van tunnelgeheugen ('tunnelvision') bij [slachtoffer 2], merkt Van Koppen (blz. 81-82) het volgende op:
"Maar in het waarderen van de verklaring van [slachtoffer 2] is de vraag of sprake is van tunnelgeheugen helemaal niet relevant. Het tunnelgeheugen dient namelijk om te verklaren dat een getuige over delen van de situatie in het geheel niet kan rapporteren. [slachtoffer 2] kan echter vanaf het begin een redelijk compleet verhaal vertellen over het misdrijf. De door mevr. Hees genoemde mechanismen zijn derhalve niet nodig om een oordeel te geven over het waarheidsgehalte van [slachtoffer 2]s verklaring. Zij zouden nodig kunnen zijn als verklaard moet worden dat [slachtoffer 2] zich delen van de gebeurtenis niet meer zou kunnen herinneren. Maar dat is geenszins het geval."

Met betrekking tot de verklaring van Bullens merkt Van Koppen (blz. 82-86) onder meer het volgende op:
"Bullens zegt dat de verklaring van [slachtoffer 2] mede geloofwaardig (bedoeld wordt valide of waarheidsgetrouw) is omdat [slachtoffer 2] zegt dat hij sommige dingen niet meer weet. Dat draagt bij aan de algemene betrouwbaarheid (bedoeld wordt dus validiteit) van zijn verklaringen. Als hij namelijk zou liegen, zou hij geen witte plekken in zijn verklaring toelaten, aldus Bullens.
Het is nogal vergaand om alleen op basis van één enkel criterium te concluderen dat de verklaring van [slachtoffer 2] in het algemeen waarheidsgetrouw is. Het niet-wetencriterium dat Bullens noemt, komt uit de zogenaamde Criteria Based Content Analysis (CBCA). (...)
Er bestaan in de psychologie twee technieken om tussen gelogen en ware verklaringen onderscheid te maken, en wel de zogenaamde leugendetector en Statement Validity Analysis (SVA). De eerste methode wordt ten onzent niet gebruikt; de tweede op vrij grote schaal, voornamelijk bij het beoordelen van verklaringen van kinderen in zedenzaken. De SVA bestaat uit twee onderdelen: de CBCA en Validity Checklist (VCL). (...)
Inmiddels is duidelijk dat CBCA weliswaar wetenschappelijk nuttig is, maar onvoldoende diagnostische waarde heeft om in individuele gevallen in de forensische praktijk tot een finaal oordeel over accuratesse van getuigenverklaringen te leiden. Om die redenen is er forse kritiek op zowel de CBCA als de VCL. (...)
De gehele discussie over SVA heeft ertoe geleid dat mijn serieuze vakgenoten, ook als zij enkel de CBCA of zelfs de gehele SVA gebruiken, in hun rapport pro justitia niet langer een finaal oordeel opnemen over de waarheidsgetrouwheid van een verklaring.
Het mag dan ook verbazing wekken dat Bullens in het geval van de verklaring van [slachtoffer 2] dat wel doet en dan nog wel uitsluitend op basis van één van de 19 CBCA-criteria."

5.3.2. Naar aanleiding van het rapport van Van Koppen van 4 december 2002 heeft tussen Van Koppen en Bullens een briefwisseling plaatsgevonden. Uit deze briefwisseling volgt dat Bullens bij [slachtoffer 2] een belevingsonderzoek heeft verricht op 12 en 19 juli 2000. Dit belevingsonderzoek was gericht op de eventueel wenselijke/noodzakelijke hulpverlening voor [slachtoffer 2].
Naar de kern genomen wordt als novum aangevoerd dat het Hof het door Bullens uitgevoerde belevingsonderzoek ten onrechte heeft opgevat als een betrouwbaarheidsonderzoek. Voorts wordt aangevoerd dat indien het Hof bekend was geweest met het rapport van Van Koppen het Hof gehouden was geweest tot een nadere motivering en dat in het verlengde daarvan het aanvaarden van een novum in de rede ligt.

5.3.3. Bullens is op 9 maart 2001 gehoord door de Rechter-Commissaris. Blijkens het proces-verbaal van dit verhoor - dat zich bij de stukken van het dossier bevindt - heeft Bullens onder meer het volgende verklaard:
"Op verzoek van de officier van justitie heb ik bij studioverhoren achter het scherm plaatsgenomen ter beoordeling van de mogelijke psychische schade die de verhoren voor [slachtoffer 2] zouden kunnen meebrengen en om die schade zoveel mogelijk te helpen beperken.
Daarnaast is mij verzocht door het OM om [slachtoffer 2] psychologisch te onderzoeken, om te zien hoe hij in elkaar steekt, wat de mogelijke impact van de gebeurtenissen en van de verhoren op hem is en om te beoordelen in welke mate hij daardoor zou zijn getraumatiseerd.
Op het moment dat ik bij de zaak betrokken werd, ongeveer drie weken na de gebeurtenissen, was [slachtoffer 2] inmiddels driemaal in een studio verhoord. (...)
U vraagt mij nu naar mijn oordeel over de betrouwbaarheid van de verklaringen van [slachtoffer 2].
Daarbij wil ik vooropstellen dat in mijn professie één van de gouden stelregels is dat je geen expliciete uitspraken over betrouwbaarheid behoort te doen wanneer je zelf bij het verloop van die verhoren betrokken bent geweest.
Over de door mij gelezen transcripties van de eerste studioverhoren, waarbij ik dus nog niet betrokken was, kan ik u in de eerste plaats zeggen dat die naar mijn oordeel zijn verlopen overeenkomstig de gangbare normen en regels voor soortgelijke omstandigheden.
Voorts kan ik u een aantal aspecten noemen die bij mijn oordeel over de betrouwbaarheid van de verklaringen een rol hebben gespeeld. (...)
Mijn conclusie luidt dat ik in de kern [slachtoffer 2]s verhaal over het geheel genomen consistent acht in de zin van betrouwbaar, rekening houdend met mijn inschatting van hetgeen door [slachtoffer 2] als de kern wordt beschouwd en wat als zogenaamd perifeer. Immers, daarbij moet worden bedacht dat "inconsistent" in dit verband niet zonder meer gelijk is aan "onbetrouwbaar" en "consistent" omgekeerd niet zonder meer gelijk is aan "accuraat"."

5.4. Voorzover de beschouwingen en conclusies van Van Koppen op bepaalde, in de aanvrage niet nader gespecificeerde, punten zouden verschillen van die van het Hof, is er geen sprake van een novum in vorenbedoelde zin, doch als een van het oordeel van het Hof afwijkende mening of gevolgtrekking. De feiten en omstandigheden waarvan de deskundige is uitgegaan en die tot zijn conclusies hebben geleid, heeft hij ontleend aan de stukken van het geding, welke stukken het Hof bekend waren ten tijde van zijn uitspraak.

5.5.1. Voorts verdient het volgende opmerking. Uit de inhoud van de hiervoor onder 5.3.3 weergegeven verklaring volgt dat Bullens in het kader van de hulpverlening aan [slachtoffer 2] bij de zaak betrokken is geweest. Zijn oordeel zoals dat uit het verhoor door de Rechter-Commissaris naar voren komt heeft daarbij betrekking op de consistentie van de verklaringen van [slachtoffer 2] zoals afgelegd bij de eerste studioverhoren.
Uit 's Hofs overwegingen zoals hiervoor onder 3.4. weergegeven volgt, anders dan in de aanvrage wordt gesteld, niet dat het Hof de verklaring van Bullens heeft geïnterpreteerd als bevattende het resultaat van een door hem uitgevoerd onderzoek naar het waarheidsgehalte van de verklaringen van [slachtoffer 2]. Van die verklaring van Bullens in haar geheel beschouwd kan ook bezwaarlijk worden gezegd dat deze "finaal oordeel" inhoudt over het waarheidsgehalte van de verklaringen van [slachtoffer 2], zoals Van Koppen stelt (blz 86) en in de aanvrage onder 12 en 16 wordt aangevoerd.

5.5.2. Het Hof heeft zich zelfstandig een oordeel gevormd omtrent de betrouwbaarheid van de verklaringen van [slachtoffer 2]. Die verklaringen heeft het betrokken in zijn hiervoor onder 3.4 weergegeven overwegingen die in het arrest zijn opgenomen onder het hoofd "De gestelde onverenigbaarheid van daderschap van verdachte en de verklaringen van [slachtoffer 2] omtrent het signalement van de dader".
In die overwegingen komt het beroep voor op bovengenoemde verklaring van Bullens bij de Rechter-Commissaris en op het rapport van Hees, voorzover kort gezegd inhoudende dat bepaalde aspecten door het slachtoffer in een levensbedreigende situatie als perifeer kunnen worden ervaren, dat verklaringen omtrent traumatische gebeurtenissen in details ongerijmdheden en onjuistheden kunnen bevatten, alsmede dat die verklaringen in grote lijnen consistent zijn.
Deze overweging volgt op een analyse door het Hof van de verklaringen van [slachtoffer 2], die direct na de gebeurtenissen in de ambulance geen signalement van de dader heeft gegeven en toen verklaard heeft dat hij niet naar de man heeft gekeken. Later heeft hij in nadere verhoren door de politie en de Rechter-Commissaris wel over het uiterlijk van de dader verklaard. Het Hof heeft ten dele overeenstemming, ten dele tegenstrijdigheid geconstateerd en tenslotte, het door genoemde deskundigen opgemerkte zoals hiervoor weergegeven tot uitgangspunt nemende, geconcludeerd dat de verklaringen van [slachtoffer 2] betreffende de in de bosjes waargenomen dader niet onverenigbaar zijn met de physionomie van de aanvrager in de zomer van 2000, zoals door het Hof aan de hand van in het dossier aanwezige foto's van de aanvrager is waargenomen. De stelling van de verdediging dat [slachtoffer 2] "een geheel ander type persoon beschrijft" wordt door het Hof dan ook niet onderschreven.

5.5.3. Anders dan in de aanvrage is aangevoerd kan dus niet worden gezegd dat bedoelde conclusie van het Hof zonder meer voortvloeit uit de verklaringen van Hees en Bullens, noch dat die verklaringen een oordeel inhouden over het waarheidsgehalte van de verklaringen van [slachtoffer 2].

5.6. Uit het voorgaande volgt dat dat hetgeen in de aanvrage en de daarbij behorende bijlagen is aangevoerd, zowel afzonderlijk als in onderling verband beschouwd, niet oplevert een of meer omstandigheden in de zin van art. 457, eerste lid aanhef en onder 20, Sv, die het ernstig vermoeden wekken dat, ware het Hof daarmee bekend geweest, het onderzoek der zaak zou hebben geleid tot vrijspraak van de aanvrager.

6. Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen leidt tot de slotsom dat de aanvrage als kennelijk ongegrond moet worden afgewezen.

7. Beslissing

De Hoge Raad wijst de aanvrage tot herziening af.

Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren W.A.M. van Schendel en J.W. Ilsink, in bijzijn van de waarnemend-griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 7 september 2004.

Zie verder deel 6 Schiedamse Parkmoord Deel 6