We hebben 164 gasten online

Schiedamse Parkmoord Deel 13

Gepost in Strafrecht in Historie

 Brief van het College aan alle medewerkers van het OM

6 februari 2006

Beste Collega's,

Het is jullie niet ontgaan, dat in een aantal opzichten het functioneren van het OM thans ter discussie staat. De aanleiding is de verschijning van het rapport van de AG Frits Posthumus naar aanleiding van de Schiedammer parkmoord. In deze evaluatie, die op verzoek van het College van procureurs-generaal is gemaakt, staan misslagen en beoordelingsfouten vermeld, die door politie en OM zijn gemaakt tijdens het opsporingsonderzoek en bij de vervolging van de vermeende verdachte en later ten onrechte veroordeelde Kees B. Het College heeft zich gesteld achter de uitkomsten van het onderzoek van mr. Posthumus, die zich liet bijstaan door twee onafhankelijke deskundigen, en heeft zijn aanbevelingen voor verbetering overgenomen. Deze aanbevelingen worden thans vertaald in een veelomvattend Programma van verbeteringen dat voorjaar 2006 in de gehele organisatie van het OM en politie dient te zijn ingevoerd.

Ik wil vooropstellen dat de inhoudelijke kritiek op het OM en de politie naar aanleiding van de uitkomsten van het onderzoek van mr. Posthumus terecht is en daarom ook hard aankomt. Het is hoe dan ook ons aller plicht misslagen en fouten als waarvan sprake is zoveel als maar enigszins mogelijk voor de toekomst uit te sluiten. Iedere fout kan immers gegeven de aard van ons werk ernstige gevolgen hebben voor de justitiabele die het aangaat, zoals Maikel en Kees B. helaas hebben moeten ervaren. Ik ga er dan ook vanuit dat het rapport binnen alle OM-onderdelen besproken wordt.

Sommigen buiten het OM verklaren de vastgestelde tekortkomingen en beoordelingsfouten vanuit de gedachte, dat het OM een organisatie van crimefighters is in plaats van objectieve waarheidsvinders. Crimefighters bij wie het doel de middelen heiligt.

Ik ben het daar niet mee eens.

Ondanks de gemaakte fouten ervaar ik het OM als een organisatie, die steeds meer met open oren en ogen in de samenleving staat en gewetensvolle en deskundige medewerkers kent, die het tot hun plicht rekenen in de strijd tegen de criminaliteit de waarheidsvinding te baseren op de regels van wet en recht.

Wij moeten het vertrouwen in ons functioneren zien te herstellen. We gaan daar met z'n allen ook hard aan werken zonder op onze handhavende taak in te boeten. Ik heb in de resultaten van dat werk, gegeven het beeld dat ik van jullie heb als hardwerkende integere collega's, alle vertrouwen. Wij hebben, gezien de taakstelling van onze organisatie, een grote maatschappelijke verantwoordelijkheid. Daarom moeten wij steeds blijven werken aan verbeteringen, zowel op vakinhoudelijk als organisatorisch terrein. Ik weet dat ik daarbij steeds een beroep kan doen op jullie betrokkenheid en professionele ambitie.

Het is mij een voorrecht tezamen met jullie binnen het OM te werken aan een veiliger samenleving.


Namens het College van procureurs-generaal,


Harm Brouwer, voorzitter

Inleiding mr.F. Posthumus

Graag wil ik het evaluatierapport van de Schiedammer parkmoord presenteren.

U weet allemaal waarom de evaluatie heeft plaatsgevonden. Dat was omdat Kees B. ten onrechte veroordeeld was voor strafbare feiten die op 22 juni 2000 in het Beatrixpark in Schiedam hadden plaatsgevonden. Dat was schokkend. In een land als Nederland wordt zoiets niet verwacht. Om die reden heeft het College van procureurs-generaal eind december 2004 mij de opdracht gegeven na te gaan wat er in het opsporingsonderzoek en bij de vervolging in de Schiedammer parkmoord was gebeurd, wat er fout was gegaan en om aanbevelingen te doen.

De jaren die Kees B ten onrechte heeft vastgezeten kunnen niet ongedaan worden gemaakt. Het leed dat is toegebracht aan de ouders van Nienke en Maikel en aan Maikel zelf doordat de zaak niet kon worden afgesloten kan ook niet worden weggenomen. Wel kan worden geleerd van de fouten en moet geprobeerd worden onterechte veroordelingen in de toekomst te voorkomen.

Ik zal eerst aangeven hoe ik te werk ben gegaan. Daarna zal ik de belangrijkste bevindingen noemen. Gelet op de commotie rondom het DNA-onderzoek zal ik daar extra aandacht aan besteden.

Ik wil benadrukken dat het DNA maar een klein deel uitmaakt van het rapport en dat er veel meer in staat. Hoewel het DNA vraagstuk belangrijk is, zou ik het jammer vinden als de aandacht voor die andere punten wegvalt.

Werkwijze

Hoe ben ik te werk gegaan. De onderzoeksopdracht is door het College aan mij gegeven. In het dagelijks leven ben ik advocaat-generaal in Amsterdam. Dus lid van het OM. Maar voor deze evaluatie ben ik gestapt in de rol van onafhankelijk onderzoeker die geprobeerd heeft op een eerlijke manier vast te stellen wat er gebeurd is. Om die onafhankelijkheid te garanderen had ik bijstand van Ybo Buruma, hoogleraar straf- en strafprocesrecht in Nijmegen, van Andre de Vries, voormalig plaatsvervangend korpschef in Gelderland -Midden, een politieman met tientallen jaren recherche-ervaring. Buruma en De Vries hebben de onafhankelijkheid van het evaluatieonderzoek en van de onderzoeker in de gaten gehouden. Zij hadden de mogelijkheid een 'dissenting opinion' bij het rapport te voegen als zij het met bepaalde zaken niet eens waren. Daar hebben zij geen gebruik van gemaakt.

Ik heb bijstand gehad van een team politiemensen. De meeste daarvan hadden deel uitgemaakt van het landelijk team kindermoord. Dat was een team dat onopgeloste kindermoorden opnieuw tegen het licht hield om te zien of er niet toch aanknopingspunten waren voor nieuw onderzoek. Zij hadden dus ervaring met het bekijken van ingewikkelde en gevoelige zaken.

De centrale vraag in de evaluatie was: wat heeft bijgedragen aan de onterechte veroordeling van Kees B. De subvragen waren onder meer: kwam het door het technische onderzoek, kwam het door het tactische onderzoek, kwam het door de manier waarop Kees B is benaderd en verhoord?

Met die insteek is het onderzoeksmateriaal bestudeerd en met die insteek zijn mensen die betrokken waren geweest bij het onderzoek geïnterviewd. In totaal is met ongeveer 60 mensen gesproken. Dat waren niet alleen politiemensen of mensen van het OM. Ik heb ook met medewerkers van het NFI gesproken en met deskundigen die zich met Maikel hadden bezig gehouden. Ook is gesproken met de ouders van Nienke en Maikel, met Maikel zelf en met Kees B en zijn advocaat.

De bereidheid van de geïnterviewden om vragen te beantwoorden was bij bijna iedereen groot. Wel was te merken dat de tijd zijn tol had geëist: veel mensen konden zich veel dingen niet meer herinneren. Dat is begrijpelijk en heeft mijns inziens niet te maken met selectief geheugenverlies. Ook de slechte verslaglegging bij politie, OM en NFI van overleggen en beslissingen waar wij steeds weer op stuitten, bemoeilijkte de reconstructie van wat gebeurd was. Wat terughoudendheid heeft veroorzaakt bij een aantal personen die benaderd zijn voor een interview was de aangifte die tegen twee politiemensen was gedaan door de advocaten van Kees B.

Belangrijkste bevindingen

Het evaluatieonderzoek heeft laten zien dat er bij de opsporing en de vervolging in de Schiedammer parkmoord het nodige is misgegaan. Ik zal een paar belangrijke punten langslopen. Op het DNA-onderzoek ga ik apart in.

Tot aan de bekentenis van B was het opsporingsonderzoek in de Schiedammer parkmoord zoals veel onderzoeken. Het onderzoek was breed van opzet. Pas na de bekentenissen van B op 9 en 10 september 2000 werd het onderzoek uitsluitend op B gericht en ontstond er tunnelvisie. Andere onderzoeksrichtingen werden stopgezet en na zijn latere ontkenningen niet weer opgepakt. Het onderzoeksteam werd medio september 2000 ingekrompen. Na de bekentenissen van B is verzuimd een kritische analyse te maken van bijvoorbeeld de verschillen tussen de verklaringen van Maikel en die van B. Ook is na de bekentenissen van B gestopt met de verwerking van de vele gegevens die uit het hele land waren binnengekomen over mogelijke daders.

Vanuit de korpsleiding en de parketleiding in Rotterdam was weinig of geen kritische aandacht voor de zaak. Er was wel aandacht, maar niet in de zin van: geef eens een presentatie van het beschikbare bewijs; of: hoe kan verklaard worden dat er helemaal geen sporen van B zijn gevonden op de plaats delict; of: hoe kan verklaard worden dat B niet lijkt op het signalement dat door Maikel was gegeven? Als zulke kritische vragen gesteld waren, waren fouten mogelijk voorkomen. Ook binnen het onderzoeksteam en bij de officier van justitie werden zulke kritische vragen niet voldoende onderzocht.

Maikel is verhoord op een manier die ik onfatsoenlijk vind. Hij is al tamelijk snel na de feiten als verdachte benaderd en onderworpen aan harde en confronterende verhoren. De verklaringen van Maikel werden op belangrijke punten niet serieus genomen: zijn beschrijving van de dader werd terzijde geschoven en ook het tijdpad dat Maikel had gegeven werd niet gevolgd.

De verhoren van B zijn niet vanaf zijn aanhouding opgenomen. De verhoren waarin hij bekend heeft staan niet op band. Dat is te betreuren, omdat nu niet goed vastgesteld kan worden wat er gebeurd is tijdens die verhoren, vooral de verhoren waarin B bekend heeft.

B is vaak verhoord. Niet is uit te sluiten dat de politie B daderinformatie heeft gegeven in de verhoren. Op grond van wat de politie heeft gezegd, maar ook op grond van wat B zelf heeft verklaard, ben ik ervan overtuigd dat op B geen ontoelaatbare druk is uitgeoefend in de zin van druk die jegens eenieder ontoelaatbaar is. Hij is niet mishandeld, bedreigd of gechanteerd of iets dergelijks. Wel was het zo dat B een meer dan gemiddeld meegaande man was. Hij ging conflicten uit de weg, hij was erg gevoelig voor de omstandigheden waarin hij na zijn aanhouding verkeerde. Dit alles heeft tot de bekentenissen geleid. Er is onvoldoende rekening gehouden met de mogelijkheid dat hij een valse bekentenis had afgelegd. Er is onvoldoende gedaan om de bekentenissen met feiten te onderbouwen.

De dossiersamenstelling was eenzijdig gericht op B. Een aantal getuigenverklaringen en andere stukken die niet zijn toegevoegd aan het eindproces-verbaal hadden naar mijn mening wel toegevoegd moeten worden.

De officier van justitie en de advocaat-generaal hebben, vind ik, hun voorlichtende taak aan de rechter en de verdediging niet goed ingevuld.

DNA-onderzoek

Dat verhaal begint op 22 juni 2000. Door de technische recherche is ervoor gekozen om het lichaam van Nienke niet te bemonsteren op de plaats delict. Dat kon beter op het NFI gedaan worden. Het lichaam van Nienke is in een lijkenzak gedaan en naar een mortuarium gebracht. De volgende dag is het lichaam naar het NFI gebracht. Op het NFI werd geconstateerd dat er erg veel vochtontwikkeling was geweest in de lijkenzak. Daardoor was het sporenbeeld enorm verslechterd: veel sporen waren verloren gegaan of vervuild geraakt.

Op het NFI zijn microsporen afgenomen. Met die sporen is DNA-onderzoek gedaan. Dat leverde aanvankelijk niets op. Eind 2000/begin 2001 is een nieuwe techniek toegepast, de LCN techniek. LCN staat voor Low Copy Number. Die techniek maakt het mogelijk om met heel weinig lichaamscellen een DNA-profiel te genereren. Van de LCN-techniek was bekend dat hij vatbaar was voor vervuiling en dat er soms resultaten verschenen die niet klopten. Soms waren pieken aanwezig op plekken waar ze niet moesten zijn of ontbraken pieken waar ze wel moesten zijn. Eind 2000/begin 2001 was het NFI niet geaccrediteerd voor die techniek. De techniek werd toegepast in de hoop dat met die gevoelige techniek toch bruikbare sporen gevonden zouden worden.

Met die LCN-techniek zijn op vijf plaatsen sporen gevonden: op de wreef van de linkerlaars van Nienke, in nagelvuil, op haar buik, op haar schouder en op de veter die om haar nek zat. In totaal gaat het om zeven sporen, want van de veter zijn drie sporen genomen. De profielen die verkregen waren, waren allemaal erg ingewikkelde en moeilijk te interpreteren mengprofielen.

Van het LCN DNA-onderzoek is verslag uitgebracht in een rapport van 29 maart 2001. Dat rapport is naar rechtbank, verdediging en ovj gegaan.

Twee van de zeven sporen leidden tot een resultaat waar de DNA-deskundige die zich met deze zaak bezig hield een conclusie aan durfde te verbinden. Dat waren de profielen van de laars en het nagelvuil. Van die twee sporen rapporteerde hij dat het celmateriaal afkomstig was van Nienke en Maikel en dat het vermengd was met celmateriaal van een derde onbekende individu. De deskundige zag een opvallende overeenkomst en rapporteerde dat niet kon worden uitgesloten dat het materiaal van dezelfde persoon - een man - afkomstig was. De profielen van de laars en het nagelvuil waren niet in verband te brengen met B. Het profiel kwam niet voor in de DNA-databank. Dit staat allemaal in het rapport van 29 maart 2001.

In datzelfde rapport staat ook dat de monsters van de buik, de schouder en de veter waren onderzocht. Dat had een mengprofiel van Nienke en een onreproduceerbaar tweede profiel (buik) opgeleverd en mengprofielen van Nienke en Maikel (veter en schouder). De DNA-deskundige en een onderzoeker die zich met deze zaak bezig hield, verschilden van mening over de interpretatie van deze profielen. De onderzoeker was van mening dat in al deze profielen kenmerken te zien waren die wezen in de richting van dezelfde persoon, namelijk de man wiens profiel op de laars en in het nagelvuil herkenbaar was. De deskundige was van mening dat die conclusie niet kon worden getrokken. Daarbij speelde mee dat de resultaten van bepaalde onderzoeken niet reproduceerbaar waren. Daardoor waren de resultaten naar zijn mening onbetrouwbaar. Hij heeft deze profielen de kwalificatie "geen profiel" gegeven en ze in zijn rapport buiten beschouwing gelaten. Het NFI wordt immers geacht alleen te rapporteren over onderzoeksgegevens die een zekere mate van betrouwbaarheid hebben. In het meningsverschil had de deskundige het laatste woord.

Waar de deskundige en de onderzoeker het wel over eens waren was dat het profiel van B niet herkenbaar was in de profielen.

In het rapport van het NFI is niet terug te vinden dat er in de monsters van de veter en de schouder een onreproduceerbaar ander profiel had gezeten. Het rapport is beknopt en moeilijk te lezen. De door de deskundige gevolgde methodiek bij het rapporteren van de resultaten was wetenschappelijk verantwoord en was naar mijn mening niet gekozen om materiaal dat ontlastend was voor B buiten het dossier te houden.

Er was ook bij de deskundige twijfel over de betrokkenheid van B bij de feiten die in het Beatrixpark gepleegd waren. Die twijfel werd veroorzaakt doordat er helemaal geen lichaamsmateriaal van B was gevonden, terwijl er toch veel fysiek contact was geweest tussen de dader en Nienke en Maikel. Wat ook twijfel veroorzaakte was het aantreffen van een gedeeltelijk profiel van een onbekende derde, niet zijnde B.

Die twijfel is volgens NFI-medewerkers op 10 juli 2001 aan de ovj gemeld en op 17-1-02 aan de AG. Het gesprek met de ovj was dus na de veroordeling bij de rechtbank en het gesprek met de AG was een paar weken voor de behandeling van de zaak bij het hof. De vertegenwoordigers van het OM hebben die twijfels niet op de juiste waarde geschat. De Officier heeft haar gesprek niet gemeld aan de AG.

De AG had de twijfel moeten melden aan het hof en de verdediging zodat er discussie over mogelijk geweest was in de rechtszaal.

Bewijs achtergehouden?

De sfeer wordt gecreëerd alsof er een soort samenzwering was tussen het OM en het NFI om Kees B achter de tralies te houden. Daar heb ik geen bewijs voor gevonden. Na alle interviews ben ik van oordeel dat veel dingen beter hadden gekund en gemoeten, dat er onprofessioneel is gehandeld door twijfel die leefde over de betrokkenheid van B niet bespreekbaar te maken in de rechtszaal. Achteraf gezien had de rapportage van het NFI vollediger kunnen zijn. De twijfels die de NFI-medewerkers aan het OM kenbaar hebben gemaakt, in het bijzonder de 7 defecte sporen die de kant van dezelfde man - niet zijnde Kees B., op zouden kunnen wijzen, hadden in elk geval ter zitting van het hof gemeld moeten worden. Maar voor kwade opzet heb ik geen bewijs gevonden. Het overzicht dat in Netwerk en NOVA is getoond maakte in elk geval geen deel uit van het onderzoeksdossier van het NFI. Het was een document dat gemaakt was voor een cursus.

Belangrijkste aanbevelingen

In het rapport worden veel aanbevelingen gedaan. Deze liggen op drie terreinen:

  • kennis en kunde;
  • het organiseren van tegenspraak;
  • verslaglegging en protocollering


Afsluiting

Ik ben aan het eind van mijn inleiding. Ik wil het rapport aanbieden aan Harm Brouwer. Ik hoop dat het rapport een bijdrage kan leveren aan de verbetering van de kwaliteit van de opsporing en de vervolging.

Zie voor deel 14