We hebben 421 gasten online

Schiedamse Parkmoord Deel 14

Gepost in Strafrecht in Historie

Requisitoir OM hoger beroep 22 februari 2002

 

Die man, F. genaamd, roept naar een fietser die net aan komt rijden, en deze fietser, de verdachte B., belt als eerste het alarmnummer 112. Dat tijdstip staat vast: om 18.07 belt hij de 112 centrale en met de meldkamer van de politie spreekt hij inhoudelijk 18.08.11 uur.
Al snel zijn meer mensen ter plaatse, want niet alleen komen veel mensen door dat park als ze na het werk op weg zijn naar huis, ook is er die avond een wielervierdaagse aan de gang. Bovendien lopen er nogal wat trimmers en wandelaars die hun hond uitlaten.

Een van de deelnemers aan de wielvierdaagse ontdoet Maikel van de schoen die strak om zijn nek is gebonden. Ik kom daar nog uitgebreid op terug.
Maikel vertelt zo goed en zo kwaad als het gaat dat zijn vriendinnetje nog in de bosjes ligt en mensen die gaan kijken zien inderdaad nog een lichaam op de grond liggen, maar blijven op veilige afstand en zeggen allen, als zij later door de politie als getuige worden gehoord, het lichaam niet te hebben aangeraakt.

Wel beschrijven zij wat zij zien:"Ik zag dat de voeten,benen en rug geheel ontkleed waren, de rest van het lichaam was met iets bedekt. Ik kan u niet zeggen waarmee."
"Ik heb het gezicht van het meisje niet gezien. Ik meen mij te herinneren dat het gezicht van het meisje was bedekt met een kledingstuk en ik meen dat dit spijkerkleding was."
"Volgens mij lag er iets over haar hoofd, ik weet dit niet zeker en kan u dit voorwerp niet omschrijven"
"Ik zag een paar blote benen op 5 tot 10 meter. Ik zag een meter voor deze benen een jas liggen, volgens mij was deze groen van kleur. Ik ging er van uit, gelet op de afstand vanaf de benen, dat deze jas over het hoofd van de daar aanwezige persoon lag. Aan of bij de voeten heb ik volgens mij kaplaarzen gezien, ik denk dat ze groen van kleur waren."
V. ziet een paar blote benen en billen en kan niet zien of het een jongen of meisje betreft.
V. D. ziet een ontkleed lichaam, kan niet zien of het een jongen of meisje betreft, de rug en schouders van het kind zijn bedekt met een grijs kleurig T-shirt

Als eerste politieman is ter plaatse J. S. (AH blz 818), snel gevolgd door het koppel S. en T.
De GGD is om 18.19 uur ter plaatse, en ambulancebroeder/getuige v. d. H. gaat met S. de bosjes in. Zijn collega V. ontfermt zich over Maikel.

S. verklaart: "ik zag dat het waarschijnlijk een meisje was. Het lichaam was ontkleed en over het hoofd lag iets van kleding. Ik zag….de contouren van een bikini zodat ik aannam dat het een meisje was. Ik zag dat er een veterlaars op het linkerschouderblad lag. Het was een soortgelijke laars als ik bij het slachtoffer Maikel had aangetroffen. De broeder van de GGD onderzocht het slachtoffer. Daarbij bleek dat de veter van de laars om de nek van het kind zat".
v.d. H. zegt (1163) "ik kon eerst niet zien of het een jongen of een meisje was. Ik heb een grote rubberen laars van het hoofd gehaald en links van het hoofd op de grond gelegd. Ik heb het lichaam verder niet aangeraakt en dus ook niet gekeerd. Toen pas zag ik dat het een meisje betrof. Ook zag ik dat het meisje gestranguleerd was. Toen ik de schoen aanraakte voelde ik dat deze ergens aan vast zat. Ik heb verder niet geprobeerd de schoen los te krijgen."
Het meisje dat hij gezien heeft lag voorover, zo verklaart hij ook nog bij de r.c.
v.d. H. vraagt om een defibrillator die hem door zijn collega V. wordt gebracht. Tot hun ontzetting is er geen hartritme meer: het meisje is overleden. Zij schatten dat het meisje ongeveer een half uur dood is. Deze schatting is volgens de kinderarts-intensivist T., die later nog bij de rechter-commissaris wordt gehoord, reëel. Naar zijn oordeel zou 20 minuten nog kunnen, 40 minuten acht hij aan de lange kant. Dat betekent dat het tijdstip van overlijden globaal gelegen moet zijn tussen 17.50 en 18.00 uur.

Het meisje blijkt te zijn genaamd Nienke K.. Zij was pas 10 jaar.
Toen de politie en GGD ter plaatse kwamen was haar moeder ook al op de bewuste plek in het park gearriveerd: toen Maikel en Nienke niet op de afgesproken tijd van 17.30 uur thuis waren is eerst Nienke's broertje E. gaan zoeken, daarna broer N. en tenslotte moeder en N. samen.
Zij zijn bij de brug door passanten opgevangen, want toen Nienke's moeder Maikel in zo'n ontredderde staat bij de brug zag zitten maar Nienke daar niet was, terwijl zij wel van omstanders hoorde dat er nog een kind in de bosjes lag, begreep zij natuurlijk dat haar Nienke iets verschrikkelijks moest zijn overkomen. Ook zij heeft nog met 112 gebeld (18.12.08 en 18.13 uur meldkamer politie, 937 jo. 940), maar politie en andere hulpdiensten zijn al onderweg.

Maikel wordt naar het Dijkzichtziekenhuis gebracht en vervolgens naar het Sophia kinderziekenhuis. In de ambulance vertelt hij kort aan S. wat hem en Nienke is overkomen.

Letsels Maikel en Nienke

De medische verklaring betreffende de bij Maikel geconstateerde verwondingen behelst het volgende:
- kneuzingen van de nekspieren en strottehoofd waarbij een dunne striem in de nek zichtbaar was
- lichte zwelling van de weke delen van de hals passend bij een kneuzing
- kleine snijwond aan de vinger
- vier messteken aan de achterzijde van de nek
- drie messteken aan de voorzijde van de nek
- een messteek rechts op de kin
- zenuwletsel tengevolge van de messteken in de hals met als gevolg vernauwing van de rechter pupil, een hangend ooglid, een afhangende rechtermondhoek en verminderd gevoel in de hals
- nog niet te bepalen geestelijk letsel

De heer de W. (de arts die Maikel heeft onderzocht) heeft verklaard dat, gezien de lengte en diepte van de verwondingen, dat deze door een stanleymes toegebracht zouden kunnen zijn (blz 928 verslag politie arts van L. jo. verhoor de W. per rogatoire commissie).

Op het lichaam van Nienke wordt sectie verricht en uit dit sectieverslag blijkt het volgende:
Verstikking als oorzaak van de dood, tengevolge van gebleken inwerking van uitwendig, mechanisch omsnoerend geweld op de hals (strangulatie).
Tevens worden slijmvliesbeschadigingen van de anus, de schede, het maagdenvlies en de baarmoedermond geconstateerd.

Dat betekent dat er gerede aanwijzingen zijn dat er bij Nienke ook een seksueel delict heeft plaatsgevonden.

Ik kan mij nog de collectieve ontzetting herinneren die de dagen na dit delict heerste.
Na het aantreffen van Maikel en Nienke wordt vanzelfsprekend onmiddellijk een groot politie onderzoek gestart. Er wordt een RAG team geformeerd dat veel getuigen hoort, buurtonderzoek doet, de plaats van het delict en de wijde omgeving ervan minutieus onderzoekt en zoveel mogelijk sporen tracht te vinden.

Verhoren en verklaringen Maikel

Maikel wordt natuurlijk uitgebreid gehoord, eerst in het ziekenhuis en op het politiebureau, daarna in een zgn. kindvriendelijke verhoorstudio, waarbij ook de deskundige B. bijstand verleent. Bedacht moet immers worden, dat Maikel pas net 11 jaar is en ook zelf iets vreselijks heeft meegemaakt.
Deze deskundige is in eerste aanleg door de rechter-commissaris gehoord.
Op verzoek van het Openbaar Ministerie worden de verklaringen van Maikel op betrouwbaarheid geanalyseerd door weer een andere deskundige, mw. H., die recentelijk ook nog door de rechter-commissaris is gehoord.
De conclusie van beide deskundigen is, dat het verhaal van Maikel op grote lijnen consistent en betrouwbaar is, maar dat, als het om onderdelen en details gaat, hij dingen verklaart die logisch gezien moeilijk voorstelbaar zijn of waarbij onwaarschijnlijk geacht moet worden dat het zo is gegaan zoals Maikel heeft verteld.

Het verhaal van Maikel over wat hem en Nienke op de bewuste middag is overkomen, is naar mijn oordeel als volgt samen te vatten, waarbij ik op onderdelen ook put uit de verklaring van Nienke's moeder.
Maikel ging op 22 juni met Nienke mee uit school. Die avond zou hij bij haar eten en daarna zouden ze samen naar de knutselclub gaan. Het eten is altijd om 17.30 uur.
Na nog iets gedronken te hebben gingen ze op de fiets naar het Beatrixpark dat op een steenworp afstand van Nienke's huis ligt. Ze wilden zonder jas, maar omdat het die dag geregend had en het nog wat bewolkt was gaf Nienke's moeder nog gauw hun spijkerjackies mee. Ze hebben beide een groen/grijzige lange broek aan, Nienke een beige achtig T shirt en hij een donker T shirt met daarop een draak, dat hij ooit uit Bretagne had meegenomen (1248). Nienke heeft haar groene rubberen kaplaarzen aan en hij zijn zwarte hoge schoenen met lange veters, die hij zelf zijn "kisten" noemt.

In het park aangekomen stallen ze hun fietsen aan de achteringang van de kinderboerderij, en ze maken ze met één slot aan elkaar vast. Ze kijken bij de jonge biggetjes, spelen met een geitje en vermaken zich een tijd bij de waterspeelplaats (Fort Drakenstein) die in de buurt van de kinderboerderij ligt.
Vanaf het fort lopen ze terug naar hun fietsen maar ze kunnen niet via de kinderboerderij lopen want het hek zit al op slot (1182)
Ze vragen de tijd aan een man die bij de varkenshokken aan het werk is (1182, 1215) en die man zegt dat het kwart over vijf is. Deze man is rond de 65,heeft wit haar en rimpels en is volgens Maikel "al met zijn pensioen bezig".
Ze lopen om omdat ze naar hun fietsen willen gaan, maar als ze daar bijna aangekomen zijn komt van achteren een man op hen af die hen in hun nek grijpt en op ruwe, onbeschaafde toon zegt: "even meekomen jullie" (1170). De man heeft een mes in de hand.
Bij de brug aangekomen die ik verder als brug A zal aanduiden moeten ze van hem een stukje rennen en daarna voert hij hen de bosjes in.
Daar moeten ze zich uitkleden, de man zegt dat hij hen zal vermoorden als ze niet zouden doen wat hij ze opdraagt.
Terwijl ze zich moeten uitkleden ziet Maikel een zwart/witte hond (1172, 1225), met vlekken zoals een koe die heeft, die kennelijk uitgelaten wordt. Degene die de hond uitlaat heeft bruine schoenen met donkere zolen aan (1225, 1274).
De man pakte zijn, Maikels, hand en dwong hem, zoals Maikel het omschrijft, bij/in Nienke's plasser te voelen, waarbij de man zei: "lekker hè", en vervolgens dwong de man Nienke om met haar hand Maikels plasser aan te raken (1196, 1228, 1229,1230).
Daarna legde de man Nienke bovenop hem, en drukte haar met zijn elleboog op Maikel (1230, 1291).
Daarna duwde hij Nienke van Maikel af en probeerde Maikel te wurgen waarbij Maikel zich los wist te wurmen en om te draaien, zodat hij op zijn buik kwam te liggen (1199 e.v.). Daarna stak de man hem een paar keer met een mes in zijn nek (1200, 1231).
Maikel bleef daarna doodstil liggen maar kon nog net de onderkant van een plantje zien (1201, 1204).
Hij heeft Nienke niet meer gezien maar ze probeerde nog wel te gillen want hij hoort een gesmoord geluidje en geluid alsof ze tegenstribbelt, en hoort de man ook zeggen "gaan we bijten" en daarna "ga maar slapen, je vriendje slaapt al" (1201/1202,1234).
Toen de man met Nienke bezig was stompte hij hem drie keer in zijn maag, en ging toen weer verder met Nienke (1168, 1204, 1234, 1235).
(Ik merk hierbij op dat die opmerking van Maikel over stompen in de maag niet helemaal logisch lijkt, want Maikel lag toen op zijn buik)

Daarna tilde de man Maikels hoofd naar achteren, dat deed erge pijn en bond vervolgens een schoen om zijn nek met de veters zo strak dat hij bijna stikte (1235, 1237). De man liep weg, Maikel wachtte nog even en liep naar de brug waar iemand stond (1202). Die man heeft geroepen "kom effe helpen" maar even later knoopte hij met nog iemand die veter los. "Die andere man die was er heel snel bij, binnen 4 seconden of zo. En die heeft ook 112 gebeld." (1206, 1238). Tot zover het relaas van Maikel, deels ook in zijn eigen woorden weergegeven.

Die eerste man was, ik heb het in het begin van mijn requisitoir al genoemd, de getuige F.. De man die de veter losknoopte was v.d. B. (ik werk dat hierna nog uit) en de man die als eerste 112 belde was verdachte B.

Signalement

Vanaf het begin van zijn verhoren gaf Maikel een duidelijk signalement van de dader. De man had een bruin leren jack aan met daaronder een shirt, blauwe spijkerbroek, had lichtbruin, vol haar met een beetje stekeltjes, was heel bleek met af en toe een rode plek, was een jaar of 20 tot 25 en had heel veel puisten. Het mes was geen zakmes, maar een soort houten, ouderwets scheermes, dat hij uitklikte als een zakmes. Hij had ook een blauwe pet op, een soort baseballcap. De man was ongeveer 1.80 lang, niet echt dun en niet echt dik en volgens Maikel had hij een oorbel (1170, 1173, 1176, 1187, 1188, 1190, 1244)
Opvallend is dat Maikel, vooral wanneer hij in het begin het signalement geeft en het mes beschrijft, maar ook daarna nog wel, bij heel veel dingen zegt: "net als pa".
Daarover zegt de deskundige mw. H. dat het niet verwonderlijk is dat iemand die begint te ontregelen (bedacht moet worden dat het eerste verhoor in het ziekenhuis plaatsvond, de ochtend na de ontdekking van deze gruwelijke feiten) steun zoekt bij iemand die hem vertrouwd is en die bij hem in de buurt is. Dat was inderdaad Maikels vader, die bij dat eerste verhoor naast zijn bed zat.
Bij volgende verhoren zie je dat Maikels herinneringen anders worden (bijvoorbeeld t.a.v. de inhammen in het haar, die hij logisch geredeneerd niet gezien kán hebben als de dader een pet droeg, of de puisten die allerlei gradaties doormaken, 1253 en 1249,wanneer hij een boek met plaatsjes van acné in allerlei stadia krijgt te zien ) en hoewel hij eerst zegt dat hij de man zó zal herkennen, blijkt hij gaandeweg, en zeker bij de r.c. die hem ook nog hoort, heel wat minder zeker van zijn zaak. Hij kan zich dan bijvoorbeeld de oorbel of pet niet meer goed herinneren.

Is Maikel dan zo'n slechte getuige? Zeker niet, maar Maikel is een 11 jarig jongetje dat iets verschrikkelijks heeft meegemaakt en, terwijl die gruwelijkheden hem overkwamen, druk doende was te overleven.
Voor hem was het signalement dus heel wat minder belangrijk dan voor de verbalisanten, die in dat signalement natuurlijk aanknopingspunten voor hun onderzoek meenden te vinden.
Om de woorden van deskundige B. te herhalen: voor Maikel was dat signalement perifeer. Of om mevrouw H. te citeren: door zgn. tunnelvision zag Maikel nog maar één ding, namelijk de onderkant van dat plantje, hoe vreemd dat iemand ook in de oren mag klinken, maar in feite beschrijft Maikel hier precies waar het bij dat psychologische fenomeen om gaat: een vrouw die twee uur wordt verkracht kan, tot verbazing om niet te zeggen argwaan van de haar horende politieagent niet het gezicht van haar verkrachter beschrijven, maar wel feilloos de deurknop of de kleur van het behang.

Checken verklaringen Maikel, tijdslijn

De politie doet wat zij kan om het verhaal van Maikel te checken en in een tijdslijn te zetten, maar dat blijkt niet makkelijk. Ook confronteert zij, op soms wel heel indringende wijze, Maikel met een aantal zaken uit zijn verklaring die wel erg ongerijmd lijken, zoals dat plantje waar hij op focust, of het feit dat hij zich, terwijl een volwassen vent bezig is hem te wurgen, tóch weet los te rukken, of dat hij niet om hulp heeft geroepen toen de voorbijganger met het hondje langs kwam, of dat hij het niet heeft uitgegild van de pijn toen hij met het mes werd gesneden of toen hij werd gestompt, hoe de man niet alleen hen in de nek kon vasthouden en ook een mes kon vasthouden, hoe Maikel dat mes kon zien terwijl hij gestoken werd en met zijn gezicht naar de grond lag, of dat hij niet keek toen de man met Nienke bezig was, met dat alles Maikel overigens een steeds groter schuldgevoel aanpratend en geen rekening houdend met wat inmiddels bekend was geworden over de zgn. Totstellreflex waarin Maikel verkeerde (1231, 1235, 1254, 1273, 1275, 1297).

De man van de kinderboerderij aan wie hij en Nienke de tijd zouden hebben gevraagd is niet gevonden. Eigenlijk kan het alleen maar de getuige van M. zijn geweest, omdat hij de enige is die aan het signalement voldoet, maar hij kan het zich met geen mogelijkheid herinneren, ook al omdat hij 17.15 uur meestal al weg is en het schoonmaken van de varkenshokken een klusje is dat hij 's ochtends doet. Die varkenshokken zijn bovendien niet vanaf het pad van de kinderboerderij te zien (rc en AH 989, eveneens getuige V. AH 990).

De man die de hond liep uit te laten is overigens wél achterhaald, dat was de getuige J. die ook nog ter zitting in eerste aanleg is gehoord. Niet alleen herkent hij in de door Maikel gegeven beschrijving zijn hond die hij toen daar aan het uitlaten was, hij herkent ook zijn schoenen in de door Maikel gegeven beschrijving. Hij is, met de getuige W., op 22 juni 2000 omstreeks 17.40/17.45 uur bij het bewuste bosje geweest (pv zitting eerste aanleg en RC, alsmede 1470, 1474 en 1478).
Zij kunnen het zich ook daarom nog zo goed herinneren omdat zij op dat moment bij het bosje waarin zich de verschrikkelijke gebeurtenissen hadden afgespeeld, een opvallende fiets hadden zien liggen waarover zij nog een geintje hadden gemaakt (idem). De fiets viel hen met name op omdat het zo'n simpel model was terwijl hij wel voorzien was van een vrij duur slot, dat normaal eigenlijk voor scooters wordt gebruikt. Dat slot was om de zadelpin gewikkeld.
Deze fiets is overigens ook door de getuige W. gezien (1464), die ook de getuigen J. en W. heeft gezien. Dat de getuige van W. die omstreeks dezelfde tijd die plaats passeerde de fiets niet heeft gezien is niet verwonderlijk, hij keek namelijk precies de andere kant op (1454).

Maikel heeft verklaard dat hij ook Nienke's moeder nog heeft horen roepen, en ook Nienke's broer N. , en uit hun verklaringen weten we dat zij samen vlak na 18.00 uur die plaats zijn gepasseerd, op zoek naar Nienke en Maikel (1207 en 1683). Heel kort daarna kwam Maikel uit de bosjes, want we weten dat getuige S. het verband heeft gelegd tussen dat jongetje en de fietsende mw. K. en N. , en hen heeft weten in te halen, waardoor mw. K. en N. na enkele minuten weer bij Maikel op brug B waren (1757). N. is ook alleen nog naar hen op zoek geweest.

Maar verder is uit het verhaal van Maikel qua tijdslijn niet veel te destilleren, en soms is uit zijn verhaal af te leiden dat hij het óf niet meer weet óf er maar een slag naar slaat. Maar dat betekent nog steeds niet dat hij een slechte getuige is of een slecht jongetje: ik haal weer deskundige B. aan die aangeeft dat ook deze zaken voor Maikel perifeer waren. In de verhoren zie je ook duidelijk dat hij af en toe verbaal of non verbaal (geeuwen) de kont tegen de krib gooit als - in zijn opvatting en bewoordingen- de politie weer eens begint te "zeiken" over iets dat voor hem kennelijk marginaal is maar voor de politie van groot belang.

Maar er zijn tijdstippen die in deze zaak wél met een behoorlijke nauwkeurigheid kunnen worden bepaald. Ik noem de momenten waarop de broertje van Nienke: E. , N. en mw.K. op zoek gaan naar Nienke en Maikel, het tijdstip waarop de getuigen J. en W. de fiets hebben gezien, het tijdstip waarop het eerste telefoongesprek naar 112 werd gevoerd. Ook is bekend, omdat al die routes zijn nagefietst dan wel nagelopen, hoe lang bijvoorbeeld E. en N. met hun zoekrondje onderweg waren, en hoe zij gereden hebben (993, 1720 e.v. )

B. van getuige tot verdachte

Dat eerste telefoongesprek met 112 werd, ik heb het al eerder gezegd, gepleegd door B. die vanaf de zuidzijde van wat ik als brug B zal aanduiden kwam aanrijden op zijn fiets, en die door de getuige F. werd aangeroepen om hulp te bieden toen Maikel uit de bosjes was gekomen.

B. was in het begin van het onderzoek getuige, en natuurlijk een hele belangrijke omdat hij als tweede ter plaatse was. Gaandeweg kwam hij echter als verdachte in beeld.
Dat kwam niet alleen omdat hij in zijn verklaringen de indruk wekte te draaien, maar ook door een stom toeval.
Een brigadier van de Vlaardingse politie, v.d. L., wist dat zijn zoon M. geruime tijd geleden, namelijk in mei 1999, ontuchtig was benaderd door een man die hem het voorstel deed dat de jongen hem voor f. 50,- zou aftrekken.
Op 12 juli 2000 kwam M. thuis en zei tegen zijn vader dat hij de man op de Albertine Agneslaan in Vlaardingen had gezien, waarop de vader daarheen ging, de man aansprak, zich als politieman legitimeerde en met hem een afspraak maakte om een paar dagen later - 14 juli 2000- op het bureau verder over deze zaak te praten. Deze man bleek B. te zijn.

Het onderzoeksteam in de zaak Maikel/Nienke kreeg wetenschap van deze afspraak en nam ook deze zaak over, B. was immers voor het team een belangrijke getuige en men wilde alles graag in één hand houden. De afspraak met van der L. werd afgezegd en er werd een nieuwe afspraak gemaakt voor 17 juli 2000, maar nu voor een verhoor door het RAG team. B. kwam per fiets naar het bureau en een alerte verbalisant zag de fiets en vond dat deze wel héél erg leek op de fiets waarover door o.a. J. en W. was verklaard.
Die fiets van B. is later ook met grote stelligheid door J. herkend als de fiets die hij bij de bosjes had zien liggen en waarover hij met W. nog een opmerking had gemaakt. W. is in zijn herkenning iets minder stellig.

In het verhoor, dat eerst nog een getuigenverhoor was, begon B. onomwonden te verklaren over zijn seksuele problemen en voorkeur voor jonge kinderen. Hij heeft toen meteen de cautie gekregen. Bovendien leek hij er, gevraagd naar zijn fiets, nogal om heen te draaien, en wisselden zijn verklaringen over hóe laat hij van zijn werk was vertrokken en wát hij in het park had gedaan, steeds meer.
De politie had voorts de indruk door het verhoor van getuigen die zeer kort na de ontdekking van Nienke en Maikel op de brug waren geweest, dat B. zich nogal afzijdig had gehouden: bijna niemand kon zich hem herinneren of wist hem te herkennen. Ik noem in dit verband de getuigen M. (1519 e.v.), K. (1539), V. (1562) en G. 1620) Had hij soms reden zich zo afzijdig te houden?

Dit alles was voor de politie aanleiding hem als verdachte van de feiten jegens Maikel en Nienke aan te merken en hem te observeren bij het vertrek van zijn werk.

Tijdslijn

Het bleek dat B. toch regelmatig éérder van zijn werk vertrok dan hij zelf had opgegeven, en dus ook de bewuste avond al eerder in het park kon zijn geweest dan door hem was verklaard. In die verklaringen fluctueerde het tijdstip van vertrek nogal; het werd steeds wat later.

Zijn vertrek, bleek uit de observaties, hing veelal samen met het vertrek van de auto van van Gend en Loos.

Uit tachograafonderzoek is gebleken dat de laatste van Gend en Loos auto op 22 juni om 17.22 uur was vertrokken. Ook dat tijdstip is een bijna volledig vaststaand tijdstip. Gelet op het gebruikelijke patroon kon B. dan een minuut of vijf ná het vertrek van de laatste vrachtwagen vertrekken.
Ik wijs u in dit verband op AH 68 blzz 1013 e.v. waarin het onderzoek van de tachograafschijven is gerelateerd van de van Gend en Loos vrachtwagens die op 22 juni 2000 bij S. zijn geweest.
De vrachtwagen met kenteken xxxx is voor zijn laatste rit op 22 juni 2000 om 17.22uur vertrokken en is daarna doorgereden naar "van Gend en Loos" op de Westzeedijk in Rotterdam.
Die wagen vertrok van het bedrijf S. waar verdachte werkte, werd bestuurd door de chauffeur J.V. en heeft op die dag tussen globaal 17.13 en 17.22 stilgestaan om kennelijk iets te laden en te lossen (1007 en tachograafschijf blz 1016 jo. uitvergroting 1018 linkerhelft)
De andere vrachtwagen werd bestuurd door V. en vertrok op 22 juni 2000 om 17.18 bij S. na daar vanaf ongeveer 17.08 te hebben stilgestaan en is ook naar de Westzeedijk gereden (1006, 1013 e.v. jo. tachograafschijven 1017 en 1018 rechterhelft).

De beide chauffeurs zijn gehoord (1792 en 1794 e.v.). Uit de verklaring van V. valt af te leiden dat hij en zijn collega altijd bijna gelijktijdig wegreden, hij controleert de tijd van de schijf regelmatig met de werkelijke tijd en de afwijking is hooguit één minuut. V. controleert de tijd niet regelmatig, alleen bij wisseling van zomer- en wintertijd. Geconfronteerd met het verschil tussen "zijn" tijd en die van zijn collega (verschil van 4 minuten ) zegt hij: het is lastig de schijf precies op de juiste tijd te zetten omdat de schijf lastig rond te draaien is en daardoor wel een stukje vooruit kan springen. De vrachtwagen van V. (vertrektijd 17.22uur) kan derhalve zelfs nog iets vóórlopen.
Samengevat: een tachograaf geeft aan met welke snelheid op een bepaalde tijd met een auto wordt gereden, en ook wanneer die auto stilstaat.

Ter zitting van 13 februari j.l. zijn omtrent de werkzaamheden bij S. gehoord de getuigen v. L. en v.d. R.. Uit de verklaring van v.d. L. blijkt dat het mogelijk was dat men, ondanks het feit dat de werktijd tot half zes duurde, tóch soms vóór die tijd vertrok als van Gend en Loos kort voor half zes weg was en de werkzaamheden klaar waren. Hij heeft het dan over een marge van 4 minuten.
Met die laatste klusjes waren meestal niet meer dan 5 minuten gemoeid, het ging eigenlijk alleen nog maar om het afwassen van de kopjes, een klusje dat hij meestal opknapte.

Dat wordt bevestigd door v.d. R., al zegt deze bij de politie nog (1790) dat de werkzaamheden direct na het vertrek van de wagens klaar zijn en B. en hij gelijk daarna weg gaan. Ook van L. merkt nog op "B. is zeker geen plakker" (1788).

B. heeft achtereenvolgens verklaard dat hij op 22 juni omstreeks 17.35 van zijn werk vertrok (123), omstreeks 17.40 (131), 17.45 tot 17.50 (147) en op blz 155 dat hij op 22 juni ná het vertrek van de vrachtwagen heeft afgewassen en ongeveer 5 minuten later weg was. Gezien de verklaringen v. L. en v.d R. kan sterk betwijfeld worden óf B. wel heeft afgewassen.

Ter zitting van het hof d.d. 18 februari is nog gehoord mevrouw S.. Enerzijds lijkt zij sterk vast te houden aan een eindtijd van ½ 6, anderzijds is uit haar verklaring af te leiden dat er wel degelijk een marge is van enkele minuten eerder of later, en ook dat er ná het vertrek van de van Gend en Loos wagens geen werkzaamheden meer waren te verrichten. Omdat het tijdstip van vertrek van de laatste vrachtwagen bijna onomstotelijk vast staat - en dát tijdstip is van belang, niet hoeveel tijd mogelijk met het laden en lossen is gemoeid- is B. die dag op zijn laatst om 17.27 uur (nl. 17.22 uur plus 5 minuten) van zijn werk vertrokken, maar waarschijnlijk al iets eerder gelet op het feit dat de tijden van de beide tachografen niet geheel met elkaar overeenstemmen en de tijdsaanduiding van de vrachtwagen die om 17.22 uur is vertrokken iets voorloopt.
Ik waag mij niet aan de veronderstelling dat B. al tijdens het laden en lossen is vertrokken of zelfs daarvoor, omdat ik daarvoor geen aanknopingspunten heb gevonden in de afgelegde verklaringen van v. L., v.d. R. en mw. S..

Kanttekeningen bij verklaringen Maikel

De raadsman zal dan zeggen: maar als dát zo is kán mijn cliënt de dader niet zijn, immers Maikel heeft steeds verklaard dat hij en Nienke om 17.15 door de dader werden gepakt en toen was mijn cliënt nog op het werk.

Bij dat door Maikel genoemde tijdstip zet ik veel vraagtekens, zonder dat dit de rest van zijn verklaring onderuit haalt. Er is gebleken dat het voor Maikel heel moeilijk is tijdschattingen aan te geven. Zo blijkt bijvoorbeeld dat hij niet goed kan vertellen hoe lang ze bij de kinderboerderij hebben gespeeld (1213) en lijkt het ook niet echt waarschijnlijk dat de dader wel 15 minuten zou zijn bezig geweest met het uitrekken van Maikels kisten.

Maikel heeft verklaard dat ze op een gegeven moment de tijd hebben gevraagd. Hij geeft echter verschillende tijden aan en in zoverre kan aan de door hem gegeven tijdsaanduiding niet veel waarde worden gehecht. De man aan wie de tijd zou zijn gevraagd is nooit gevonden en de plaats die hij aangeeft waar hij de man gesproken heeft lijkt niet te kunnen kloppen, en het lijkt mij dan ook onwaarschijnlijk dat ze de tijd hebben gevraagd. Uit het feit dat het hek van de kinderboerderij al dicht was, er geen personeel meer aanwezig was en ze om moesten lopen valt ook af te leiden dat het na 17.15 geweest moest zijn (blz 5 verklaring Maikel RC en 1182).

Veel waarschijnlijker is dat ze tot de ontdekking zijn gekomen dat ze de tijd vergeten waren en zich in de bosjes (of elders) verstopt hebben omdat ze wel snapten dat iemand van de familie K. ze zou komen zoeken, en daar op enig moment weer zijn uitgekomen om naar de fietsen te lopen waarna ze door de dader in díe richting lopend zijn gepakt en terug de bosjes in zijn geduwd. Maikel heeft immers ook verklaard dat hij op enig moment E. heeft horen roepen (1116/1117, dat had hij nog niet eerder verklaard maar kwam boven water bij het nalopen van verbalisant met Maikel in het park), en dat spoort met het feit dat E. er als eerste op uit is gestuurd om ze te zoeken. E. is pas ná 17.30 vertrokken om zijn zusje en Maikel te zoeken.
Bij diezelfde gelegenheid heeft Maikel ook verklaard dat hij dacht dat het N. was die hen wilde laten schrikken toen ze naar hun fietsen liepen.
Maar er was op zich geen enkele reden waarom Maikel zou kunnen menen dat N. in het park zou zijn, die zou immers thuis moeten zijn omdat het etenstijd was. De enige logische reden waarom N. wél op dat moment in het park zou kunnen zijn was om hem en Nienke te zoeken, nadat E. hen niet had gevonden. Ook dit had Maikel nog niet eerder aan de verbalisanten verteld, en ook nog niet aan deskundige B.. Bovendien wordt dan de opmerking verklaarbaar dat ze de man die hen in hun nekvel greep nog niet eerder hadden gezien, terwijl hij hen toch, ook in de verklaring van B., tegemoet moet zijn gekomen, hetgeen minst genomen eigenaardig is want dan hadden ze hem moeten en kunnen zien.

Deze lezing spoort ook met hetgeen B. daar zélf over verklaard heeft: "Ik ben de kinderen eigenlijk in de buurt van de achterzijde van de ingang van de kinderboerderij en de heemtuin en bij brug A tegengekomen. Ik kan u zeggen dat ik vanaf de zijde van brug B in de richting van brug A reed. Hierop ben ik van mijn fiets afgestapt en heb deze in het gras gelegd. Ik heb de kinderen vervolgens van achteren benaderd."(179)
En B. kwam in mijn stellige overtuiging op dat moment ook van de noordelijke kant van brug B, omdat hij toen terugkwam van zijn vergeefse achtervolging van E. , zoals ik u straks nog zal uiteenzetten. Dat blijkt ook uit zijn verklaring op blz. 177, omdat daaruit is af te leiden dat hij van de kant van brug C kwam. Later, namelijk bij het aantreffen van Maikel, kwam hij van de zuidelijke kant van brug B. Immers, zijn fiets lag aan die kant en de rijrichting blijkt uit de verklaring van F.. Bovendien heeft hij zelf verklaard dat hij toen weer op weg was naar zijn moeder ( verklaring 10 september 2000). Weliswaar heeft verdachte op blz 150 verklaard dat hij toen vanaf de noordelijke kant kwam, maar dat is in strijd met wat uit het onderzoek is gebleken.

Tot slot: volgens Maikel zijn ze door de man, nadat ze in de bosjes waren aangekomen en zich hadden uitgekleed, verder geduwd toen de man met de hond er aan kwam (1172 en 1222). Die man was J. en die was omstreeks 17.40/17.45 ter plaatse. J. zag ook die fiets.
Ook die omstandigheid maakt dus waarschijnlijk dat Nienke en Maikel veel later in de bosjes zijn aangekomen dan dat tijdstip van 17.15 uur. Dat tijdstip is ook al niet goed voorstelbaar omdat de dader dan maar liefst 53 minuten met hen bezig zou zijn geweest, onwaarschijnlijk lang gelet op de kans op ontdekking in een op dat tijdstip druk bezocht park.

Overigens: ook bij de verklaring van Maikel dat hij een mes heeft gezien en de beschrijving die hij daarvan geeft zet ik vraagtekens. Ook dat onderbouw ik met argumenten.
Enerzijds zijn die gelegen in het feit dat het, zoals ook blijkt uit de studioverhoren ( bijv.1319, 1329/1330 ) en RC verhoor blz. 8, bijna onmogelijk is dat Maikel dat mes heeft kunnen zien (en dat heeft niets met de weersomstandigheden die dag te maken maar alles met de manier waarop zij door de dader werden vastgehouden op het moment dat zij richting bosjes werden gevoerd en met het feit dat hij met zijn gezicht op de grond lag cq in een Totstellreflex verkeerde toen hij door de dader gestoken werd), anderzijds met het feit dat er, al was het alleen maar omdat hij vóelde dat hij gestoken werd, hij bloedde en er steekwonden zijn aangetroffen, natuurlijk ook in Maikels visie wel een mes geweest móet zijn.
Zo zegt hij ook vogels gezien te hebben, terwijl hij ze waarschijnlijk níet gezien heeft, maar wat hij met verbluffende logica aannemelijk maakt "omdat er nu eenmaal altijd vogels in de lucht zijn" (1221)

Toen Maikel in het eerste verhoor over het mes verklaarde had hij het over "zo'n mes als pa" (1173/1174). En dan lees ik weer de verklaring van de deskundige mevrouw H., waarin zij aangeeft dat Maikel op dát moment bezig was te ontregelen door de crisissituatie waarin hij zich bevond, en dus zijn vader als referentiekader gebruikt. Ik citeer nog uit die verklaring: "ik zeg niet dat hij de waarheid spreekt, maar mijn inschatting is dat hij een verhaal vertelt dat betrouwbaar is.Dat heeft betrekking op de grote lijn, want op details komen tegen-strijdigheden voor in zijn verhaal. Dat kan ook beïnvloed zijn door de geheugenfunctie."

Ik keer na deze opmerkingen terug naar het punt waar ik gebleven was: het moment van vertrek van B. bij zijn werk. Zoals gezegd is dat uiterlijk 5 minuten ná 17.22 uur geweest.
De naar zijn zeggen door B. gevolgde fietsroute is in verschillende tempi nagefietst, waarbij in de snelste variant B. al na een minuut of 11 en in een normaal tempo na 13 minuten (1087) in het park kon zijn, en in de langzaamste, maar dat was dan een echt slakkentempo, na een kwartier (950 jo. 1140). Dat het- uitgaande van een vertrektijd van 17.35 zoals hij zelf heeft aangegeven- tot 18.00 uur geduurd zou hebben tot hij bij brug B kwam, is dan ook volkomen onaannemelijk (123). Er is overigens nog een kortere fietsroute die 9,5 à 10 minuten duurt, zo blijkt uit AH 84.

B. wordt op 5 september 2000 met toestemming van de officier van justitie buiten heterdaad aangehouden.

Sporenonderzoek

Het komt mij voor dat dit het juiste moment is om aan te geven dat er, behalve hetgeen ik zojuist heb genoemd, niet veel méér tegen B. was. Er was met name geen zogenaamd "technisch bewijs". Ondanks uitgebreid en grootscheeps technisch onderzoek, DNA onderzoek met de meest verfijnde technieken, die toen nog niet geaccrediteerd waren maar nu wel, is er niets gevonden waarmee het team vooruit kon. Onderzoek aan de veter waarmee Nienke was gestranguleerd heeft geen resultaat gehad, ook niet met de zgn LCN methode.
De veter en schoen om de nek van Maikel waren niet alleen vervuild omdat deze door getuigen waren verontreinigd (namelijk bij het losmaken daarvan) maar ook dermate met bloed besmeurd dat van een onderzoek naar sporen geen resultaat kon worden verwacht. (zie ook nog bericht NFI d.d. 13 februari j.l. alsmede hetgeen daaromtrent door de getuigen-deskundigen van het NFI ter zitting van 18 februari j.l. is opgemerkt)
Bovendien heeft de wijze van vervoer en bewaren van het lichaam van Nienke tot het moment van de sectie, gevoegd bij het feit dat bij strangulatie veel vocht vrijkomt, en ook de weersomstandigheden op 22 juni ongunstig waren, er toe geleid dat slechts weinig bruikbare sporen zijn aangetroffen.

Wat nog wel is gevonden is een speekselspoor op de borst van Nienke, waarin het DNA van Nienke én Maikel voorkomt. Dat is een belangrijk spoor, want het bevestigt het verhaal van Maikel dat Nienke op een gegeven moment boven op hem is gelegd (1199 en 1230 jo.rapportage NFI).

Er is nog één uitzondering: een haar die op het bovenbeen van Nienke is gevonden en die mogelijk past in het haarpalet van B.. Het gaat hier echter om een haar waaruit geen DNA profiel kon worden gehaald, en omdat "mogelijk" de zwakste conclusie is die het NFI kan geven en bovendien zo'n haarpalet overeenkomst niet heel veel zegt, kan ik er weinig mee.

Iedereen van wie het team wist dat hij of zij in de buurt van de plaats is geweest waar Nienke en Maikel zijn gevonden, heeft vrijwillig DNA afgestaan. Ook de familieleden van de kinderen hebben dat gedaan. De verdachte heeft eveneens meegewerkt.

Hernieuwd DNA onderzoek heeft niet méér opgeleverd dan al bekend was bij het onderzoek in eerste aanleg: er is nog steeds een profiel van een onbekend mannelijk individu, dat is aangetroffen onder het nagelvuil en op de linkerlaars van Nienke, en dat vermengd was met de DNA profielen van Nienke en Maikel. Een profielenvergelijking van dit onbekende profiel met de zich op 17 januari 2002 in de profielenbank bevindende profielen heeft niets opgeleverd. Ik merk hierbij op dat ik, hoewel ik daar eigenlijk geen juridische basis voor had, nog extra aandacht van het NFI heb gevraagd voor het profiel van de man die wordt genoemd in het proces-verbaal van rechercheur v. D., dat op de regiezitting aan de orde is geweest. Ook dat heeft geen resultaat gehad.

Ik maak hierbij wel de kanttekening dat DNA weliswaar een fantastisch hulpmiddel is bij de opsporing, maar dat het niet alleen zaligmakend is. Het enkele feit dat er op enig onderzoeksmateriaal een DNA profiel wordt aangetroffen zegt niets, want ieder mens laat DNA achter, de een makkelijker dan de ander maar dat weet je niet van je zelf. Bij het geven van een hand kan je al DNA "sharen" zoals de officiële term luidt. Het gaat er om dat je aanwijzingen hebt dat het een daderspoor betreft. In het algemeen kan worden gesteld, en nu citeer ik uit een brief van het NFI d.d. 15 februari j.l., dat de kans op het aantreffen van biologische sporen die iets met het delict te maken hebben, groter is op het lichaam (of de kleding) van een slachtoffer dan op een willekeurige openbare gelegenheid. Het heeft dus niet veel zin alles wat je in een park aantreft op DNA te bemonsteren: je zult zonder meer een hoop profielen vinden maar het leidt tot niets omdat er geen aanleiding is te veronderstellen dat het om dadersporen gaat.

Ik vind het jammer dat de raadsman keer op keer aanvoert dat het onderzoek onvolledig is geweest, want dat doet geen recht aan alle inspanningen van het NFI voor wie dit het grootste DNA onderzoek uit de geschiedenis van het NFI is geweest, waarbij vele sporen zijn onderzocht en waarbij ook het NFI zich telkenmale heeft afgevraagd wat zij nog meer of anders konden doen. Maar ook het NFI liep er tegen aan dat, door omstandigheden als boven aangegeven, er weinig bruikbaar materiaal was te vinden.

Voor wat betreft het tot nu toe nog onbekende profiel: ik vind het jammer dat we dat raadsel nog niet hebben kunnen oplossen maar tot nu toe heb ik nog steeds geen indicatie dat het hier tevens een daderspoor betreft. Ik weet mij daarin gesteund door hetgeen de deskundige K. van het NFI ter zitting van 18 februari j.l. heeft opgemerkt. Daarom vind ik dat onderdeel voor de bewijsvoering niet relevant en word ik er ook niet onrustig van.

Nogmaals: signalement

Ik heb al opgemerkt dat Maikel een duidelijk signalement van de dader heeft gegeven, maar ook dat bij dat signalement vraagtekens kunnen worden geplaatst zoals door de deskundigen H. en B. is uiteengezet. Verdachte lijkt niet echt op het verstrekte signalement, al heeft hij wel een bleek gelaat met af en toe rode vlekken (662). Gelet op de bij het signalement te plaatsen vraagtekens vind ik het ontbreken van gelijkenis dan ook minder relevant. Ook het feit dat, zoals ook in eerste aanleg aan de orde is geweest, Maikel B. niet heeft herkend toen hij hem op brug B zag, zegt mij niet veel.
Maikel heeft inderdaad B. zien bellen maar is niet, zoals sommigen wellicht zouden verwachten, gaan gillen "dat is de man die mij heeft gepakt" of dergelijke woorden.
Uit allerlei verklaringen weten we dat Maikel toen hij uit de bosjes kwam volkomen van de wereld was:
- hij keek alsof hij net uit narcose kwam (F., 1505)
- hij leek niet bij de les te zijn, zo ver keek hij voor zich uit (V., 1556)
- hij antwoordde niet en keek alsmaar voor zich uit, het leek of hij van de wereld was (V., 1643)
- hij gaf de indruk dat alles aan hem voorbij vloog (v. D.,1661)
- ik zat daar maar zonder gedachten, ik zat gewoon in het niets te staren (Maikel, 1241)

De getuige deskundige mw. H. heeft verklaard dat naar haar mening Maikel op dat moment in een horizontaal dissociatieve toestand verkeerde (r.c. verhoor laatste alinea).
Bovendien moet bedacht worden dat Maikel, B. maar heel even heeft kunnen zien. Bijna onmiddellijk begon v.d. B. de veter om zijn nek los te maken, waarbij getuige F. vóór Maikel stond, die weer met zijn rug naar v.d. B. stond (v.d. B 1585) terwijl ook getuige K. vlak voor Maikel stond (1536).
Meteen daarna is Maikel met zijn rug naar het pad en zijn gezicht naar het water gaan zitten (M. 1520, V. 1557, V. 1643).

Verklaringen B. en de witte plekken daarin

Wát heeft B. in het park gedaan vanaf het moment dat hij in het park aankwam tot het moment dat hij om 18.07 met 112 belt?

Ik ga er zonder meer van uit dat híj het is geweest die E.K. heeft achtervolgd omdat hij, zoals hij zelf bij herhaling heeft verklaard, toen hij in het park aankwam, op zoek was naar kleine kinderen die hem voor geld konden aftrekken of pijpen. Hij deed dat regelmatig als hij na het werk naar zijn moeder fietste. Hij werd of was dan geil en benaderde soms ook twee kinderen tegelijk waarbij het hem niet uitmaakte of het een jongen of een meisje was, als het maar een kind was dat hem niet kon kwetsen. Op 22 juni had hij het al een half jaar niet gedaan omdat hij zo bang werd voor ontdekking (128, 144, 148 en 171). Daarom was hij ook op zoek naar de kinderen die bij de fietsjes hoorden die hij bij de achterzijde van de kinderboerderij had zien staan (148).

Toen hij E. zag die iets na half zes was vertrokken om Nienke en Maikel te zoeken was dat dan ook een gouden kans. Hij beschrijft de route die E. zegt gevolgd te hebben en herkent E. ook min of meer van een foto (149 en 156 jo. AH 61 blz 993). Uit dat alles volgt natuurlijk ook dat verdachte de bewuste avond iets na 17.30 al in het park was. Dat E. hem niet gezien heeft is niet vreemd: E. had er behoorlijk de vaart in en verdachte reed parallel aan de door E. gevolgde route (150 jo.156/157). De route die E. volgde was, naar ik de politie heb begrepen, niet bepaald een logische. Aan het feit dat verdachte die route niettemin weet te omschrijven valt dus een argument te ontlenen dat hij E. wel degelijk heeft gezien en gevolgd (zie ook blz 649 e.v. waar de route nogmaals beschreven wordt, nu ter gelegenheid van het bezoek van verdachte aan het park onder begeleiding van de politie op 5 oktober 2000).

Verdachte had ook het idee dat de jongen reed alsof hij naar iets op zoek was. Verdachte is steeds bij die verklaring gebleven (o.a.142, maar ook ná het intrekken van zijn bekennende verklaring als het gaat om de feiten jegens Maikel en Nienke, ik memoreer blz. 194, 206, 242, 243, 247 ) en ik hecht er dan ook geen waarde aan dat hij er uiteindelijk ter zitting van 5 april 2001 op terugkomt.

Nadat hij E. heeft laten gaan- hem achterna fietsend heeft hij overigens ook zelf zijn tempo versneld (171)- keert hij terug en, gelet op zijn hiervoor reeds aangehaalde verklaring van bladzij 179, heeft hij toen, komend vanaf brug B en gaande in de richting van brug A, nadat hij was afgestapt zijn fiets neergelegd op de plaats waarover door J., W. en W. is gerelateerd en heeft vervolgens Maikel en Nienke gepakt en (terug) de bosjes ingevoerd. Gelet op de door die getuigen genoemde tijdstippen en de tijdslijn zoals door mij uiteengezet klopt dat allemaal.
Eerder heeft verdachte verklaard dat hij toen, terugfietsend, een fiets bij de grasrand zag liggen die qua omschrijving wel heel erg op de door J., W. en W. beschreven fiets en dus ook op zijn eigen fiets lijkt (148, 151, 159) maar zijn verklaringen te dien aanzien worden hoe langer hoe eigenaardiger. Zo zou hij zelfs, nadat Maikel uit de bosjes was gekomen en hij de politie had gebeld, nog zijn gaan kijken of de fiets daar nog lag, alsof dat op zo'n moment de eerste prioriteit zou zijn (159).
Zo zou hij ook nog aan de taxichauffeur (F.) gevraagd hebben of hij die fiets ook gezien had, waarop de taxichauffeur met ja zou hebben geantwoord (159). F., daarover nog gehoord, kan zich in het geheel niet herinneren dat iemand hem die vraag heeft gesteld (1512).
Overigens is verdachte pas met het verhaal, dat hij nog naar die fiets is gaan kijken, gekomen nádat hij was aangehouden, in zijn 8e verklaring. Tevoren heeft hij er met geen woord over gerept.
Uiteindelijk, zie de al boven aangehaalde verklaring van blz 179, geeft verdachte toe dat hij zelf daar zijn fiets heeft neergelegd en vervolgens de kinderen heeft benaderd.
Ik memoreer nogmaals dat de fiets nadien door J. is herkend.

Overigens heeft verdachte op blz 164 en 172 verklaard dat hij zijn fiets daar heeft neergelegd, de bosjes is ingelopen, daar de kinderen naakt liggend op hun rug heeft aangetroffen en vervolgens meteen de bosjes weer is uitgelopen. Deze verklaring is om diverse redenen onaannemelijk. Niet alleen klopt het niet met de verklaring van J. en W., die geruime tijd over de door hen aangetroffen fiets hebben staan praten en dus ook B. zouden moeten hebben gezien als zijn verklaring juist was. Ook heeft Maikel nimmer verklaard dat, nadat de dader was weggegaan, hij nogmaals iemand de bosjes heeft horen inkomen en weer heeft horen vertrekken. Integendeel, Maikel is praktisch meteen nadat de dader was vertrokken, ook uit de bosjes gegaan en bij brug B door F. aangetroffen. Tot slot lag Nienke, toen zij werd aangetroffen, op haar buik en was zelfs niet te zien dat het een meisje betrof en lag ook Maikel, volgens zijn verklaring, nog steeds op zijn buik, zich dood houdend toen de dader vertrok. Verdachte kan dus toen ook niet gezien hebben dat Nienke al beginnende secundaire geslachtskenmerken had (173).

Ik kom nu aan een onderdeel dat voor de ouders van Nienke en Maikel mogelijk confronterend en schokkend zal zijn. Uit het requisitoir van collega E. weet ik dat zij dit onderdeel ook in eerste aanleg heeft aangeroerd in wat voorzichtiger bewoordingen dan ik kies, maar voor de volledigheid van mijn betoog wil ik het in alle helderheid naar voren brengen. Op blz. 177 verklaart verdachte vervolgens dat hij de kinderen, nadat hij de bosjes was ingelopen, met elkaar seks zag hebben. Ook deze verklaring van verdachte acht ik volkomen onaannemelijk en des te verdrietiger voor de ouders, omdat zij het zullen ervaren als een verdachtmaking die geen recht doet aan de oprechte vriendschap tussen Nienke en Maikel, en als een beschadiging van de nagedachtenis aan Nienke.
Waarom is die verklaring zo onaannemelijk en anderzijds toch ook zo veelzeggend?
De suggestie dat Nienke en Maikel daar met elkaar seks hadden past niet bij de vriendschap die Nienke en Maikel hadden, twee makkertjes die kameraden waren en leuke en spannende dingen deden, maar waarbij van seksuele gevoelens in het geheel nog geen sprake was.
Onaannemelijk door de oprechte wijze waarop Maikel geschokt, boos en verdrietig op deze suggestie reageert "omdat hij nog helemaal niet op die manier naar meisjes kijkt" (zie bijv. 1355/1356), en waarover mw. H. ook bij de RC heeft verklaard dat deze reactie passend bij Maikel is, liggend in de lijn van zijn lichamelijke ontwikkeling. Zij ziet zijn opmerking niet als iets camouflerends.
Voorts omdat mw. H. ook heeft verklaard dat dit soort seksuele spelletjes niet past bij de latentiefase waarin Maikel en Nienke zich bevonden. Als dat al gebeurt vindt het veel eerder plaats, namelijk in de kleutertijd, of veel later, namelijk in de puberteit, maar dan zijn het geen spelletjes meer.
Maar waarom is de door verdachte gedane suggestie dan toch zo veelzeggend?
Omdat het, zoals ook mw. H. in haar rapport op blzz 7/8 omschrijft, heel gebruikelijk is dat daders van seksuele delicten op deze wijze als het ware de schuld en de verantwoordelijkheid bij de kinderen leggen. Het past dus wel degelijk in het patroon, al is de suggestie onjuist en waarschijnlijk erg grievend voor slachtoffers en hun ouders of nabestaanden.

Bekentenis B.

In het verhoor gerelateerd op bladzij 176 wordt dan de eerste bekentenis, als ik het zo mag uitdrukken, van B. weergegeven, zoals die door hem is afgelegd in de late avond van 9 en de vroege nacht van 10 september 2000.
Ook ik vind het zeer betreurenswaardig dat dit proces-verbaal pas op 18 september 2000 is opgemaakt, terwijl daar bovendien niet in is opgenomen dat verdachte toen met een terminal heeft gesmeten. Dat had beslist anders gemoeten.
Ik sluit mij echter aan bij het oordeel van de rechtbank dat, mede gelet op de verhoren van de verbalisanten die bij de r.c. nog hebben plaatsgevonden, geen sprake is van grove onzorgvuldigheid die een goede procesorde heeft geschaad.

Op bladzijde 179 e.v. wordt dan de verklaring van B. d.d. zondagmiddag 10 september vanaf 15.30 weergegeven, waarin hij zijn bekennende verklaring nader specificeert.
Hoe dat precies met het door de computer aangeven van de aanvangstijden is gegaan wordt gerelateerd in de r.c. verhoren van verbalisanten.

Pressie/valse bekentenis?

In het proces-verbaal d.d. 10 september wordt steeds de gestelde vraag en het daarop gegeven antwoord aangegeven. Uit dat p.v. is naar mijn oordeel af te leiden dat de verbalisanten zich ervoor gehoed hebben verdachte suggesties te doen, onbedoeld informatie te geven of gewenste antwoorden te krijgen. De vragen zijn neutraal en open geformuleerd en verdachte verklaart vervolgens wat hij gedaan heeft, zonder dat hij in die antwoorden wordt geleid.
Ook de verklaring van zondagavond 10 september is op dezelfde wijze als vraag en antwoord geverbaliseerd. De daarna volgende verhoren zijn steeds op video en geluidsband opgenomen en verbatim uitgewerkt.

Ook uit die verhoren is niet af te leiden dat verdachte in zijn verklaringen door de politie is gestuurd of dat hem daderinformatie is meegegeven, ook al zegt verdachte dat dat wel het geval is geweest. Het voert te ver om alle onderdelen van zijn verklaringen door te nemen, maar als ik kijk naar bijv. blzz 237/238 en 255/256 van de verklaringen, voorzover betrekking hebbend op het stranguleren van Nienke of het gebruik van een mes, dan valt uit de weergave af te leiden dat weliswaar op tegenstrijdigheden is doorgevraagd maar niet zodanig dat verdachte in zijn antwoorden is gestuurd of het antwoord uit de vraag heeft kunnen afleiden.
Dat zou ook in strijd zijn met het doel van een verhoor door de politie, dat immers niet gericht moet zijn op het verkrijgen van een bekentenis, maar op het achterhalen van de waarheid.
Als de politie door de wijze van vragen informatie over het delict aan een verdachte prijs zou geven, zou er sprake zijn van een valse bekentenis. Daarvan is echter in het geheel niet gebleken, ook al omdat verdachte blijk heeft gegeven te beschikken over daderkennis. Ik kom daar straks op terug.

Wel is uit de processen-verbaal af te leiden dat de verhoren lang, soms zelfs zeer lang hebben geduurd, dat verdachte stevig, soms zelfs zeer stevig is gehoord, dat tegen hem is geschreeuwd, dat er behoorlijk is gevloekt, dat hij in niet mis te verstane bewoordingen met onwaarschijnlijkheden of tegenstrijdigheden in zijn verklaringen is gewezen, en dat hij ook intensief met zijn eigen zwakke plekken is geconfronteerd. Raakt dat het gebruik van zijn bekentenis omdat die, zoals hij zegt, onder druk is afgelegd? Op de eerste plaats dient te worden bedacht dat een langdurig en confronterend verhoor, het deels nachtelijke tijdstip daarvan en het spreken door de politie met stemverheffing geen schending oplevert van het pressieverbod ( HR 8 mei 2001 NJ 2001, 481 Bacchuszaak) mede gelet op de zeer ernstige feiten terzake waarvan verdenking bestond.

Verdachte is op 22 januari 2001 bij de RC gehoord maar kan dan eigenlijk niet goed aangeven of en zo ja welke druk op hem is uitgeoefend of welk effect dat op hem heeft gehad.
Dit verhoor wordt ter zitting van 5 april 2001 met hem doorgenomen en dan blijkt hij evenmin in staat aan te geven waaruit de schending van zijn belangen zou hebben bestaan. Dat wordt door de rechtbank, naar mijn oordeel terecht, bij de beoordeling betrokken.
Het is niet aannemelijk geworden dat de raadsman in het bewuste weekeinde contact heeft gezocht met de verdachte. Weliswaar kon hij niet worden toegelaten tot de politieverhoren, maar hij had zijn cliënt natuurlijk wel gewoon kunnen bezoeken. Bij alle verhoren die ná de inbewaringstelling zijn gevolgd is een raadsman aanwezig geweest en nimmer is door hem bij de teamleiding, de officier of de r.c. geklaagd dat de verdachte onder druk zou zijn gezet.
Ik memoreer bovendien dat verdachte bij zijn voorgeleiding aan de officier van justitie den H. zijn bekentenis heeft herhaald, zij het natuurlijk in summiere bewoordingen omdat een voorgeleiding aan de ovj zich niet leent voor een uitgebreid verhoor.

Ik memoreer voorts dat verdachte ter zitting van 15 mei 2001 heeft verklaard dat het tactiek van hem was dat hij tegen de verbalisanten zei dat hij iets wilde vertellen, maar dat hij dat eerst met zijn raadsman wilde bespreken. Hij wilde niets vertellen, maar op die manier dacht hij te bereiken dat de verbalisanten hem even met rust zouden laten. Uit die verklaring is af te leiden dat verdachte dus niet zó murw gebeukt was dat hij maar van alles en nog wat verklaarde, integendeel dat hij goed bij de les was en bezig met het uitzetten van een strategie. Een voorbeeld daarvan is te vinden op blz. 693 e.v. Dat het hem allemaal weinig deed is ook af te leiden uit blz. 733 "ja, dat is dan jammer, ik heb gewoon met mijn advocaat afgesproken dat ik niets meer zeg", of uit blz. 743 waar hij op de vraag wat er allemaal door hem heen gaat antwoordt "niks, ik wacht gewoon".

Nogmaals: bekentenis B.

Als verdachte derhalve in zijn verklaring d.d. 10 september 2000 verklaart zoals door de rechtbank in bewijsmiddel 21 is weergegeven, heb ik gelet op hetgeen ik hiervoor heb betoogd geen reden om aan te nemen dat díe verklaring (noch een van de andere verklaringen) in strijd met het pressieverbod is tot stand gekomen. Deze verklaring houdt het volgende in:
"Ik ben de kinderen in de buurt van de achterzijde van de ingang van de kinderboerderij tegengekomen. Ik ben van mijn fiets afgestapt. Ik heb de kinderen van achteren benaderd. Ik ben met de kinderen de bosjes ingelopen. Ik ben die bosjes ingelopen omdat er bij de andere bosjes meer paden langs liepen en zo de kans op ontdekking groter werd. Ik had een afbreekmesje bij mij. Ik heb tegen de kinderen gezegd dat zij zich moesten uitkleden. Ik heb ook tegen de kinderen gezegd dat wanneer zij dit niet zouden doen ik ze neer zou steken.
Ik ben op het meisje gaan liggen. Ik schrok heel erg van mezelf. Ik werd heel erg bang om betrapt te worden. Ik dacht dat ze dood moest. Ik heb het meisje gewurgd. Ik dacht dat de jongen ook dood moest. Ik heb het meisje met een schoen vermoord. Ik heb de schoen om de nek van het meisje gebonden en deze met een strik hard aangetrokken. Ik heb de jongen ook een schoen om de nek gebonden. Het afbreekmesje dat ik bij mij had was van mijn werk. Ik kan zeggen dat ik die jongen mogelijk geslagen heb. Ik heb dit gedaan om te kijken of hij nog leefde. Ik wilde zo snel mogelijk weg. Ik ben naar mijn fiets gelopen. Ik heb mijn fiets gepakt. Ik ben weer langs de bosjes gefietst omdat ik naar mijn moeder wilde. Dit was de juiste weg naar mijn moeder. Hierop ben ik over brug B gefietst. Ik wilde gewoon alleen maar neuken. Het moest er toch een keer van komen."

Ik teken hierbij nog het volgende aan:
Een getuige die ik tot nu toe nog niet heb genoemd is getuige S.. Hij verklaart bij de politie (G 39) dat hij rond 17.40 langs brug B fietste en toen aan angstige kreet hoorde. Als hij bij de r.c. wordt gehoord blijkt dat dit tijdstip later gelegen moet hebben, want niet alleen heeft hij wat langer op zijn werk staan napraten over de beveiliging dan hij eerst schatte, ook is gelet op de vluchtgegevens van de helikopter duidelijk dat het tijdstip van 17.40 uur te vroeg is: de angstkreet heeft hij vermoedelijk rond 17.55 uur gehoord. (N.B.: als S. daar rond 17.40 gefietst zou hebben zou hij toch door J.,W. of W. gezien moeten zijn maar die verklaren daar niet over). Maikel heeft verklaard dat hij Nienke een kreet heeft horen slaken die door de dader werd gesmoord, dat kan dus heel wel de door S. gehoorde kreet zijn geweest. Dit moment is gelegen in de vermoedelijke periode van overlijden van Nienke.

De daderwetenschap van verdachte bestaat er onder meer uit dat hij weet aan te geven dat Nienke is gewurgd. Dat is een detail dat om begrijpelijke redenen tot de eerste zittingsdatum niet in de krant is gepubliceerd. Niettemin blijkt uit de verklaring van verdachte's vriendin M.W. dat verdachte haar vóór zijn aanhouding al had verteld "dat hij aan de politie moest verklaren over een meisje dat gewurgd en vermoord was in het park"(G 88 blz 1899). Ook weet verdachte te beschrijven dat Nienke beginnende borstjes en schaamhaar had (173). Dat kan hij niet gezien hebben als hij Nienke liggend in de bosjes heeft aangetroffen: Nienke lag toen immers op haar buik en de getuigen die wél in de bosjes zijn gaan kijken konden niet zien of het een meisje of een jongen was.

Verdachte heeft bovendien aangegeven dat hij iets op het hoofd van Nienke heeft gelegd (172 en 181). Ook dat klopt met de hierboven weergegeven verklaringen van de getuigen S., F., V., v.d. B. en v. D. die iets van kleding op/naast haar hoofd zagen liggen. B. is naar eigen zeggen niet in de bosjes gaan kijken nadat Maikel te voorschijn was gekomen, en geen van de getuigen heeft hem dat zien doen. Daar kan hij zijn wetenschap dus niet aan ontlenen.

Nadat verdachte op zijn bekentenis was teruggekomen omdat deze naar zijn zeggen onder druk was tot stand gekomen werd hij geconfronteerd met de gaten in zijn verklaring over wat hij dan wél in dat park heeft gedaan, waar hij zoals reeds betoogd door niemand is gezien.
Daarover is tot nu toe door hem geen enkele redelijke verklaring afgelegd en dus blijft hij in de periode volgend op het laten gaan van E. tot het moment van bellen met 112 "zoek".
Natuurlijk mag verdachte zwijgen, maar als je terwijl je met zo ernstige beschuldigingen wordt geconfronteerd geen opening van zaken geeft mag dat ook meewegen.

Het mesje dat door B. naar zijn zeggen is gebruikt, is een zgn. afbreekmesje en ik heb al gememoreerd dat de arts die Maikel heeft onderzocht mogelijk acht dat de verwondingen door een stanleymes zijn toegebracht. Een afbreek- en een stanleymes lijken erg op elkaar, het verschil zit 'm er in dat een stanleymes doorschuift en een afbreekmes, de naam zegt het al, afgebroken moet worden waarna er weer een nieuw scherp stukje is. Door zijn werk kon B. over dit soort mesjes beschikken.

Conclusie

Ik heb u uitvoerig aangegeven wát zich aan getuigen- en deskundigenverklaringen in het dossier bevindt, welke omstandigheden voorts nog van belang zijn en wat de verdachte in zijn bekennende verklaringen heeft gezegd, alsmede de kanttekeningen die daarbij moeten worden gemaakt en de waarde die naar mijn oordeel aan al die verklaringen en omstandigheden kan worden gehecht. Die uitgebreide uiteenzetting is nodig omdat er, zoals ik ook heb uiteengezet, met uitzondering van dat ene speekselspoor, geen technisch bewijs is en het om feiten gaat die niet alleen buitengewoon ernstig zijn, maar ook bewijstechnisch niet eenvoudig liggen. Het feit dat geen op verdachte herleidbaar DNA is gevonden alsmede het feit dat er een nog onbekend mengprofiel is, ontlast hem niet.

Mijn requisitoir mondt uit in de conclusie dat wettig bewezen dat B. de feiten in het Beatrixpark, waarvan Nienke en Maikel slachtoffer zijn geworden heeft begaan. Ik zal u nog nader aangeven wát naar mijn oordeel precies bewezen kan worden verklaard, omdat ik op onderdelen tot een iets andere bewezenverklaring dan de rechtbank kom.
Overtuiging

De overtuiging dat B. de dader is put ik uit zijn ontwijkende gedrag op de brug en zijn gedrag gedurende de avond van 22 juni en de dagen daarna.

Als hij uiteindelijk 's avonds bij zijn moeder aankomt is hij duidelijk overstuur.
Moeder B. (1907): "K. was heel bleek. Hij had geen trek in eten en heeft ook niets gegeten"
Stiefvader B. (blz 1916): "hij was gespannen, had een bleek gelaat en bibberde een beetje"
En bij zijn vrienden H. en L.R., die overigens in ontwikkeling duidelijk zijn mindere zijn, want ze zijn beiden zwakbegaafd, is hij ook al niet zichzelf.
L.R.- v.d. E. (Blz 1095): K. zou in de war geraakt zijn en het feit dat het jongetje bloot was schokkend hebben gevonden. Hij was toen hij bij hen die avond op bezoek kwam heel gespannen, overstuur en zijn gezicht was "bedrukkend".
In gelijke zin getuige H.R (1097 en ook bij RC ): Kees was die avond overstuur, zenuwachtig, hij bleef maar heen en weer lopen, normaal is hij niet zo.
Zie ook getuige O. (1895), een hulpverleenster van H. en L. die hem de avond van de 23e weer bij H. en L. treft, "K. vertelde dat hij normaal tot 17.00 uur werkt maar dat hij die donderdag later was weggegaan omdat hij had geholpen met de afwas" (sic!)
"Hij vertelde dat hij in het park een naakt jongetje had gezien met schoen om zijn nek met een schoenveter. Hij had het meisje niet gezien. Hij was doorgefietst naar zijn ouders maar die moesten door naar een verjaardag en daarom had hij hen maar niets verteld, thuis had hij doelloos op de bank gezeten". Getuige zegt nog dat hij met slachtofferhulp contact moet zoeken. B. wilde niet naar huis omdat hij bang was.

Gelet op feit dat B. gericht op zoek was naar kleine jongetjes en meisjes is het onvoorstelbaar dat het zien van een naakt jongetje, ook al is dat dan in deplorabele toestand, zo'n reactie teweegbrengt! Immers, nadat hij door F. was aangeroepen heeft B. de politie gebeld maar heeft zich verder niet meer met Maikel bemoeid dus hij heeft hem slechts in een flits gezien want meteen daarna ontfermden anderen zich over Maikel en heeft verdachte zich op de brug afzijdig gehouden. En naar het ergste, namelijk het lichaam van Nienke, is hij niet gaan kijken, volgens eigen zeggen en volgens zeggen van de getuigen.

Hij is zelfs zó overstuur dat hij zich vanaf 26 juni ziek meldt. Niet al op vrijdag de 23e, toen had hij een geplande vrije dag.

De ochtend van de 23e juni is hij in het park door getuige mw S. in de bosjes waar Nienke is gevonden, gezien en herkend (verklaring r.c. d.d. 7 maart 2001 en politie 1771 en confrontatie 1773).
Wát heeft hij daar nog te zoeken gehad?
Mevrouw S. blijft stellig bij die herkenning als zij ter zitting van het hof d.d. 13 februari j.l. als getuige wordt gehoord en weet goed te omschrijven waaraan en waardoor zij verdachte heeft herkend. Zij weet zich bovendien te herinneren dat zijn haar nú korter is dan het toen was, en dat geldt ook voor het moment waarop zij met hem werd geconfronteerd, toen was het korter dan op het moment dat zij hem in het park zag.
De getuigen S., v.d. R. en v. L., die B. ter zitting hebben gezien, omschrijven dat hij er nu net zo uit ziet als toen. Alleen de getuige S. geeft aan dat zijn haar nu korter is. Zij is een goed observante, want ze is schoonheidsspecialiste.
De foto van B. die zich in het dossier bevindt is gemaakt op 17 juli 2000, en op die foto is te zien dat B. toen beduidend langer haar had dan nu. Dat haar kan nooit tussen 22 juni en 17 juli zó hard gegroeid zijn dat het toen die lengte kon hebben, dus B. moet ook op 22 juni al langer haar hebben gehad dan de getuigen van L., v.d. R. en S. zich nu herinneren.

Verdachte ontkent dat hij de ochtend van 23 juni in het park is geweest en zegt dat hij bij zijn moeder is gaan koffiedrinken op de school waar zij werkt (139). Hij is echter niet bij zijn moeder geweest, zie haar verklaring op blz 1912: "het is heel lang geleden dat K. bij mij is komen koffie drinken op het Albedacollege. Volgens mij is hij niet op 23 juni komen koffie drinken want dit is aan het eind van de schoolperiode. Het is dan erg druk en we kunnen dan niemand gebruiken die koffie komt drinken." Moeder brengt, als zij recent nog bij de r.c. wordt gehoord de nodige kanttekeningen bij die haar zoon belastende verklaring aan, maar ik wil daaraan voorbij gaan omdat ik ook bij haar geen enkele aanleiding heb te veronderstellen dat zij door de politie tot het afleggen van bepaalde verklaringen zou zijn geprest cq dat zij zó onder de medicijnen heeft gezeten dat ze niet meer wist wat ze zei. Ik vind wél opvallend dat zij, voor ze door de r.c. werd gehoord, contact met de raadsman van verdachte heeft gehad.

Vervolgens geeft verdachte op dat hij dan bij de bank is geweest om geld op te nemen. Uit onderzoek bij Gemeentelijke Kredietbank blijkt dat B. daar op 23 juni 2000 geen contante betaling ten gunste van B. was gedaan (1141) Die verklaring van hem over zijn activiteiten op 23 juni klopt dus ook al niet.

Ook opvallend is dat de kleding die hij aan de politie overhandigt, kleding betreft die hij níet op 22 juni heeft gedragen. Het betreft hier een polo shirt met logo van Duckhams, dat door een van zijn collega's was geregeld voor de werknemers van S., maar waarvan zowel v.d. R.(zitting hof en 1789) alsmede mw.S. (zitting hof en 1785) verklaren dat hij het bijna nooit op zijn werk droeg en in ieder geval niet in die periode.

Ik memoreer nog dat verdachte zich ook ziek meldde vanaf 13 juli. De getuige S. heeft ter zitting, maar ook bij de politie, verklaard dat B. zich onbehaaglijk voelde bij het feit dat de politie hem steeds dichter op de huid zat. Ik memoreer dat hij op 12 juli door van der L. is aangesproken over het feit dat hij M. had benaderd. De dag vóór de ziekmelding derhalve.

Bovendien is opvallend dat hij alles wat hij aan knipsels over deze zaak had verzameld, heeft weggegooid toen hij de indruk kreeg dat de politie hem als verdachte begon te beschouwen. Ook heeft hij zich toen van zijn porno boekjes en seksattributen ontdaan (163). Omtrent die verzameling knipsels is nog verklaard door getuige S. (1787).

Overtuiging put ik ook uit het feit dat B. zo heeft gedraaid als het gaat om de vertrektijd bij zijn werk, en getracht heeft deze steeds meer naar achteren te schuiven, alsmede uit het feit dat hij zulke bizarre verklaringen over zijn fiets heeft afgelegd.

Dat alles is, voor iemand die zegt toch niets te verbergen te hebben, vreemd gedrag.

Voorts vind ik opmerkelijk dat verdachte, toen hij met de politie naar de p.d. ging in de ochtend van 5 oktober 2000, weigerde via de grasrand naar de bosjes te lopen (654 ). Bij dat bezoek was verdachte overigens erg bleek, hetgeen hij zelf beaamt (662). Ter zitting van 5 april 2001 heeft verdachte verklaard dat hij dit niet wilde omdat hij geen schoenen aan had.
Het valt mij op, bij lezing van de verklaring van verdachte d.d. 5 oktober 's middags, dat hij geen moment met dat argument aan komt als er mee geconfronteerd wordt dat hij niet via die kant wilde lopen (688). Het had toch voor de hand gelegen dat op dát moment te doen.

B. had ook een motief. Hij heeft immers bij herhaling verklaard dat hij op zoek was naar de kinderen van de fietsjes om zich voor geld te laten bevredigen. Zijn seksuele nood was hoog want hij had dat uit angst voor betrapping al enige maanden niet meer gedaan maar nu hij bij het inrijden van het park zó geil was moest het er een keer van komen. Nienke heeft dat niet, en Maikel heeft dat ternauwernood overleefd.

Bewezenverklaring

Ik kom dan nu aan de bespreking van de telastlegging en zal u aangeven wat daarvan naar mijn oordeel bewezen kan worden verklaard.

Als feit 1 is telast gelegd de moord subsidiair gekwalificeerde doodslag op Nienke.
Net als de officier kan ik niet komen tot bewezenverklaring van de moord: ik vind daarvoor in het dossier en gelet op de behandeling onvoldoende materiaal.
Wel kan naar mijn oordeel de gekwalificeerde doodslag bewezen worden verklaard, met dien verstande echter dat de doodslag is voorafgegaan door een poging tot verkrachting van Nienke.
De steller van de telastlegging en naar mijn oordeel ook de rechtbank bij de bewezen-verklaring hebben, mede gelet op de bewezenverklaring bij feit 3, naar mijn oordeel bij bewezenverklaring van de verkrachting het oog gehad op de omstandigheid dat Maikel naar zijn zeggen gedwongen werd zijn vinger(s) in Nienke's vagina te brengen, en dat is natuurlijk verkrachting.
Op dat onderdeel is naar mijn mening alleen de verklaring van Maikel beschikbaar, want de verdachte heeft steeds verklaard "dat hij de kinderen niets met elkaar heeft laten doen" of "dat de kinderen niets met elkaar hebben gedaan"(183).
Het letsel dat bij de sectie bij Nienke aan haar schede en anus is aangetroffen zou weliswaar passen bij de zojuist aangehaalde verklaring van Maikel over wat hij bij Nienke heeft moeten doen.
Het letsel past echter ook bij de verklaring van verdachte, dat hij Nienke (ik citeer hem nu letterlijk) achterlangs in haar kut wilde neuken (180). Voor de verklaring van Maikel levert het letsel naar mijn mening dan ook onvoldoende steunbewijs op,en dat moet naar mijn mening leiden tot de conclusie dat verkrachting niet bewezen kan worden verklaard.

De poging tot verkrachting kan echter wel bewezen worden verklaard, ook al omdat verdachte zegt dat Nienke erg begon tegen te stribbelen (hetgeen ook door Maikel is gehoord), hij erg van zichzelf schrok, dacht "waar ben ik me bezig" en dacht dat ze dood moest omdat hij bang was dat ze hem gezien had en hij anders heel lang de gevangenis in moest (181). Gezien die verklaring van verdachte is er geen sprake van vrijwillige terugtred.
Ik meen dat de rechtbank terecht het gedeelte met betrekking tot het mes uit de telastlegging heeft gestreept, ik verwijs kortheidshalve naar hetgeen ik daarover hierboven heb opgemerkt bij mijn kanttekeningen over de verklaring van Maikel op dit onderdeel. De strangulatie kan op grond van de sectiebevindingen bewezen worden.

Ten aanzien van feit 2, waar primair de poging tot moord en subsidiair de poging tot gekwalificeerde doodslag op Maikel is telastgelegde, geldt mutatis mutandis hetzelfde.
Ik kom niet tot bewezenverklaring van het primaire, maar wel gelet op hetgeen ik hierboven heb aangegeven tot bewezenverklaring van het subsidiaire, waarbij ook hier de poging tot doodslag, om redenen zoals hierboven aangegeven, is voorafgegaan door een poging tot verkrachting van Nienke K..
Ik ben voorts van mening dat de poging tot doodslag op Maikel ook is voorafgegaan door gekwalificeerde doodslag op Nienke. Immers, in de verklaring van Maikel werd bij hem de veter om de nek gebonden nadat de verdachte met Nienke klaar was en kort voor deze de bosjes verliet. Gelet op de verklaringen van de medische deskundige T. treedt bij strangulatie al na 2 of 3 minuten onherstelbare hersenschade op. Nienke moet toen dus al dood zijn geweest.
Ten aanzien van Maikel is er wel degelijk sprake van een poging tot gekwalificeerde doodslag, niet alleen omdat verdachte vond dat de jongen ook dood moest, maar ook omdat de striemen van de veter wel degelijk in Maikels nek stonden. Bovendien heeft Maikel aangegeven, zoals ik hiervoor ook al heb gerelateerd, dat de veter hem zo strak werd omgebonden dat hij bijna stikte. Van een "los" ombinden van een veter, oftewel een ondeugdelijke poging was derhalve geen sprake. Bovendien was Maikel natuurlijk ook op tamelijk cruciale plaatsen nabij de hals gestoken én had de dader getracht hem te wurgen. Het is slechts een gelukkig toeval dat hij het wel heeft overleefd. Dit feit levert derhalve poging tot gekwalificeerde doodslag op.

Gelet op hetgeen ik hiervoor heb betoogd kom ik ook bij feit 3 tot een andere bewezen-verklaring, namelijk van het subsidiair telastgelegde: de poging tot verkrachting van Nienke, waarbij hetgeen ná het eerste liggende streepje volgt weggestreept moet worden. Het overige kan wél bewezen worden verklaard.

Feit 4 tenslotte,de wederrechtelijke vrijheidsberoving van Nienke en Maikel, kan wettig en overtuigend bewezen worden verklaard op de wijze zoals de rechtbank heeft gedaan.
Ernst van de feiten

Het is niet eenvoudig woorden te vinden die de ernst uitdrukken van de feiten die jegens Maikel en Nienke zijn gepleegd, en het leed dat door die feiten aan hun ouders is aangedaan.
Iedere formulering lijkt een algemeenheid of een plattitude. Misschien drukt "onzegbaar gruwelijk" zoals de rechtbank het heeft geformuleerd, het nog wel het beste uit.

Uit gesprekken die ik met de ouders van Nienke heb mogen voeren is mij iets duidelijk geworden van de moed waarmee zij en Nienke's broertjes het leven weer proberen op te pakken. Ik heb daar heel grote bewondering voor. In het begin van mijn requisitoir heb ik al iets gezegd over de golf van ontzetting die na deze feiten door ons land ging. Het zijn feiten waardoor wij allen diep geraakt worden, omdat het om kinderen gaat die kwetsbaar zijn, wier toekomst hen ontnomen wordt of, als zij het overleven, wier leven nooit meer hetzelfde kan zijn.

Strafmaat

Ik kom aan de op te leggen straf en maatregel. De rechtbank heeft opgelegd een gevangenisstraf van 18 jaren en de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege. Uw hof zal, op voet van het bepaalde in artikel 423 lid 4 Sv, de straf moeten bepalen voor het feit dat niet meer aan uw oordeel is onderworpen omdat dit, door het partieel intrekken van het hoger beroep, onherroepelijk is geworden.

(kanttekening openbaar ministerie: B. was door de rechtbank tevens voor onderstaand zedendelict veroordeeld. Dat feit was onder een afzonderlijk parketnummer geregistreerd, maar de zaak is gelijktijdig met het feitencomplex "Beatrixpark" behandeld en B. is destijds voor alle feiten tot één straf veroordeeld. B. heeft het hoger beroep tegen die andere zaak ingetrokken).

Gelet op de ernst en omvang van dat feit- zich door een minderjarige laten aftrekken en die minderjarige aftrekken en pijpen, en dat vele malen in een lange periode- komt het mij voor dat voor dát feit een gevangenisstraf van 12 maanden passend zou zijn, daarmee ook rekening houdend met het rapport dat over verdachte door het Pieter Baancentrum is uitgebracht en waaruit blijkt van en verminderde toerekenbaarheid voor seksuele delicten.

Uit dat rapport blijkt dat bij verdachte sprake is van een gemengde persoonlijkheidsstoornis en dat hij een emotioneel-sociaal zeer gehandicapte persoon is, affectief en pedagogisch verwaarloosd. (Kijkend naar een aantal getuigenverklaringen in het dossier verbaast mij niet dat sommige getuigen hem als een type "loser" omschrijven. Ook verbaast mij niet dat hij zijn heil vooral zoekt bij mensen die qua begaafdheid verre zijn mindere zijn, zoals H. en L., of P.). Door het feit dat hij in tehuizen in een overwegend repressieve sfeer is opgevoed leeft in hem de angst gekwetst te worden in een broos zelfgevoel. Gezien zijn onvermogen om een normale relatie aan te gaan ligt voor de hand dat hij voor het uiting geven aan zijn seksuele gevoelens op kinderen aangewezen is geraakt. Zijn contactuele en seksuele onvermogen hebben bij hem, volgens de rapporteurs, een voortwoekerende frustratie opgebouwd die, gecombineerd met instrumenteel geweld gericht op voorkoming van ontdekking, tot de gruwelijke toedracht in het Beatrixpark heeft kunnen leiden. Het instrumentele geweld kan hem volgens de rapporteurs in enigszins verminderde mate worden toegerekend.

De kans op herhaling van seksuele delicten jegens kinderen is groot, omdat zoals het PBC aangeeft, de seksuele behoefte dusdanig is gekoppeld aan de bij de stoornis passende voortwoekerende seksuele frustratie dat seksuele en agressieve gevoelens als het ware als een ongedifferentieerd brok gekoppeld zijn en tezamen naar buiten komen in het dreigend en intimiderend benaderen van kinderen en in de verkrachting en wederrechtelijke vrijheidsberoving. Het PBC legt hier nadrukkelijk een link naar de feiten sub 3 en 4 in de op het Beatrixpark toegesneden telastlegging.

De conclusie en aanbeveling van het PBC neem ik over, zoals ook de rechtbank dat heeft gedaan. De maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging is onvermijdelijk, gelet op de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen. Maar net als de rechtbank ben ik van mening dat gelet op de ernst van de geweldsdelicten en de aanzienlijke verantwoordelijkheid die verdachte daarvoor rest, daarnaast een zeer langdurige vrijheidsstraf op zijn plaats is.

Tot slot heb ik mij nog uit te laten over de vordering en van de benadeelde partijen.
Ik wil daar kort over zijn omdat ik mij aansluit bij de motivering en beslissing van de rechtbank.

De ouders van Nienke vorderen materiële en immateriële schadevergoeding.
Ik kan alleen maar concluderen tot toewijzing van de geleden materiële schade.
In euro's uitgedrukt is dit een bedrag van 12.321,31.
De gevorderde immateriële schadevergoeding kan hen niet worden toegekend. Niet omdat er geen immateriële schade zou zijn, want die is er en die is ook niet in geld uit te drukken, het zou slechts een symbolisch gebaar zijn. Maar de huidige wet is buitengewoon duidelijk en dus hard voor nabestaanden van een overleden kind: zij zijn in een situatie als de onderhavige niet voegings gerechtigd, zoals de rechtbank in het vonnis heeft uiteengezet.

Maikel vordert bij wijze van voorschot een bedrag van f. 10.000,-, dit is een bedrag van 4.537,80 euro, aan immateriële schadevergoeding. Dit bedrag kan hem worden toegewezen.

Eis

Mijn eis strekt tot vernietiging van het vonnis van de rechtbank.
Ik vraag u om de feiten, voorzover aan uw oordeel onderworpen, bewezen te verklaren op de wijze die ik heb aangegeven.
Dat zijn strafbare feiten en de verdachte is strafbaar.
Aan hem dient te worden opgelegd een gevangenisstraf voor de duur van 17 jaren, met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, voor zover niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering gebracht.
De verdachte dient tevens ter beschikking te worden gesteld, met bevel tot verpleging van overheidswege.

Omtrent de vorderingen van de benadeelde partijen, voor zover aan uw oordeel onderworpen, dient te worden beslist zoals door de rechtbank is gedaan.

Gedaan ter zitting van het gerechtshof d.d. 22 februari 2002.Zie verder deel 15