We hebben 498 gasten online

Schiedamse Parkmoord Deel 17

Gepost in Strafrecht in Historie

Schadevergoeding voor Maikel en zijn ouders in zaak Schiedammer parkmoord

14 maart 2006 - Openbaar Ministerie

Maikel en zijn ouders hebben met de Staat en de politieregio Rotterdam-Rijnmond overeenstemming bereikt over een schadevergoeding. De Staat en de politieregio Rotterdam-Rijnmond erkennen dat onvoldoende acht is geslagen op de kwetsbare positie van Maikel tijdens de verhoren in de Schiedammer Parkmoord zaak en dat ten onrechte druk is uitgeoefend op de ouders van Maikel.

De Staat der Nederlanden en de politieregio Rotterdam-Rijmond hebben aangegeven de gang van zaken ten tijde van het onderzoek in de Schiedammer Parkmoord te betreuren. In een eerder stadium zijn gesprekken gevoerd tussen Maikel en zijn ouders, de korpschef, de direct betrokken politiebeambten en de officier van justitie. In deze gesprekken is de gang van zaken tijdens de verhoren besproken en hebben de betrokken politiemensen en de officier van justitie hun excuses aangeboden. Maikel en zijn ouders hebben deze excuses aanvaard. Door alle betrokkenen zijn de gesprekken als positief ervaren. Maikel en zijn ouders hebben in deze gesprekken de direct betrokkenen kunnen confronteren met de zaken die hen dwars zaten en deze betrokkenen hebben kunnen aangeven hoe zij een en ander destijds hebben ervaren en hoe zij er nu tegen aankijken. In de gesprekken is gebleken dat de gang van zaken rond de verhoren van Maikel ook de betrokken politiemensen en de officier van justitie niet onberoerd heeft gelaten.

Maikel en zijn ouders spreken verder hun waardering uit voor de omvang en inhoud van het naar aanleiding van het rapport van mr Posthumus opgestelde verbeterprogramma. Door het overeenkomen van schadevergoeding is aan de kwestie tussen enerzijds Maikel en zijn ouders en anderzijds de Staat en de politieregio Rotterdam-Rijnmond een einde gekomen.

De door de Staat en de politieregio Rotterdam-Rijnmond te betalen schadevergoeding is in goed overleg en met tussenkomst van mr W.J.J. Troosterals advocaat van Maikel en zijn ouders en landsadvocaat mr F.W. Bleichrodt als advocaat van de Staat tussen partijen vastgesteld. Partijen zijn overeengekomen over de hoogte van de schadevergoeding geen mededelingen te doen.

Persbericht Ministerie van Justitie

Conclusie OM Utrecht: OvJ en AG in Schiedammer Parkmoord pleegden geen strafbare feiten

13 december 2006 - Arrondissementsparket Utrecht

De Rijksrecherche en het OM Utrecht hebben onderzoek gedaan naar strafbare feiten die gepleegd zouden zijn tijdens de opsporing en vervolging van verdachte Kees B., die ten onrechte werd veroordeeld voor de Schiedammer parkmoord. Conclusie van het OM Utrecht is dat niet is gebleken van enig door de officier van justitie (de zaaks-OvJ) of de Advocaat-Generaal (de zaaks-AG) gepleegd strafbaar feit. Het OM Utrecht zal geen strafvervolging tegen hen instellen. De conclusie dat er geen strafbare feiten zijn gepleegd door de zaaks-OvJ en de zaaks-AG doet niets af aan de bevindingen en conclusies van de commissie Posthumus ten aanzien van de professionaliteit die van het OM en andere actoren in de strafrechtspleging mag worden verwacht.

Aanleiding voor het Utrechtse onderzoek was de aangifte van de ten onrechte veroordeelde Kees B. Namens hem is aangifte tegen de zaaks-OvJ en de zaaks-AG gedaan terzake van verduistering van bewijsstukken en het beïnvloeden van getuigen. Het OM Utrecht heeft naar aanleiding van de aangifte in brede zin onderzocht of de zaaks-OvJ en zaaks-AG opzettelijk een onvolledig dossier hebben verstrekt of opzettelijk voor de zaak relevante informatie hebben achter gehouden (artikel 225 Wetboek van Strafrecht). Een OvJ van het landelijk parket heeft gezorgd voor tegenspraak in het onderzoek.

Het sporenonderzoek door het NFI,
Ontbrekende informatie bij rechtbank, hof en verdediging.

In het opsporingsonderzoek en de berechting van de verdachte in de zaak van de Schiedammer Parkmoord heeft het sporenonderzoek door het NFI een zeer belangrijke rol gespeeld. Het NFI heeft vele sporen onderzocht, en over vele onderzoeksresultaten gerapporteerd.

Gebleken is dat er een discussie binnen het NFI bestond over een aantal zeer complexe DNA-profielen of delen daarvan. Die discussie ging over de wetenschappelijke betrouwbaarheid van de resultaten van sporenonderzoek. Een van die sporen was erg belangrijk, omdat dat spoor was gevonden op de veter die om de hals van het dodelijke slachtoffer was aangetroffen.

Een onderzoeker van het NFI was van mening dat uit sporen op die veter hetzelfde DNA-profiel of delen daarvan als in andere sporen naar voren kwam, van een en dezelfde onbekende derde.

De verantwoordelijke deskundige van het NFI zag het profiel van die onbekende derde wel in sporen in het nagelvuil en op de laars van het slachtoffer maar was en is uitdrukkelijk het wetenschappelijk oordeel toegedaan dat er géén deel van dat DNA-profiel is aangetroffen in bedoeld spoor op de veter.

Op deze wetenschappelijke conclusie van de deskundige baseert de zaaks-AG in haar requisitoir de opmerking dat het DNA-onderzoek aan de veter waarmee het slachtoffer was gestranguleerd geen resultaat heeft gehad.

Het OM Utrecht concludeert dat de zaaks-OvJ en de zaaks-AG zich in deze wetenschappelijke discussie mochten verlaten op het oordeel van de deskundige. In deze wetenschappelijke discussie was de deskundige gezaghebbend en doorslaggevend.

Onderzoeker en deskundige waren het eens over hun twijfel aan de betrokkenheid van Kees B. bij de moord. Twijfel omdat er ondanks het omvangrijke sporenonderzoek geen enkel DNA-spoor van Kees B. was aangetroffen. Deze twijfel heeft de deskundige in zijn gesprekken met het OM, voor het eerst na de veroordeling van Kees B. door de rechtbank, naar voren willen brengen.

De grond voor deze twijfel, het ontbreken van DNA van Kees B., had de deskundige ook expliciet gerapporteerd, evenals de aangetroffen (delen van) DNA-profielen van de onbekende derde in het nagelvuil en op de laars. Nadat het NFI twijfel kenbaar had gemaakt aan het OM is de deskundige ter zitting bij het hof gehoord. Alle elementen die de grondslag van de twijfel van de deskundige vormden en door hem kenbaar waren gemaakt in de gesprekken met het OM, zijn ook ter zitting door hem naar voren gebracht.

Het OM Utrecht constateert dat de twijfel van de deskundige uitsluitend was gebaseerd op hetgeen hij heeft gerapporteerd en verklaard ter zitting. Deze constatering is cruciaal en leidt tot de conclusie dat aan de zaaks-OvJ en de zaaks-AG niet strafrechtelijk kan worden verweten dat zij opzettelijk informatie hebben achtergehouden die ontlastend was voor Kees B.

Deze conclusie van het OM Utrecht uit het strafrechtelijk onderzoek doet voor wat betreft de DNA-kwestie niets af aan de conclusies van Posthumus. In het onderzoek tegen Kees B. is onvoldoende gewicht toegekend aan het feit dat er geen technisch bewijs (DNA-sporen) tegen hem aanwezig was. De afwezigheid van sporen die te herleiden waren tot Kees B., alsmede de aanwezigheid van een aantal DNA-profielen dat afkomstig was van een ander dan Kees B., alsmede de discussie binnen het NFI over de herkomst van een belangrijk daderspoor op de veter, hadden aanleiding moeten zijn tot nader onderzoek. De relevantie hiervan blijkt uit de afloop van de zaak. Kees B. is ten onrechte veroordeeld. In de zaak tegen Wik H. is bij nieuw onderzoek aan de veter die om de hals van het dodelijke slachtoffer werd aangetroffen, slechts zwak DNA-bewijs tegen Wik H. gevonden. Wel werd een volledig DNA-profiel van Wik H. gevonden bij nieuw onderzoek aan de kleding van het slachtoffer.

Ook deze gang van zaken leidt echter niet tot een strafrechtelijk verwijt.

Het ontbreken van DNA-bewijs tegen Kees B. is in het strafdossier opgenomen. Het niet verrichten van nader onderzoek aan de kleding van het slachtoffer kan niet worden aangemerkt als een opzettelijk nalaten. Nadat het NFI twijfel aan het OM had bekendgemaakt, is ook in opdracht van het OM aanvullend onderzoek verricht. De zaaks-AG heeft nog in een laat stadium mogelijkheden tot nader onderzoek verkend. De eventuele mogelijkheden van nader onderzoek naar kleding van het slachtoffer zijn daarbij niet aan de orde gekomen. De zaaks-AG is zich niet bewust geweest van de mogelijkheid tot nader onderzoek aan de kleding van het slachtoffer.

Naar het oordeel van het OM Utrecht is 'de DNA-kwestie' de essentie van het strafrechtelijke onderzoek. Het onderzoek heeft zich eveneens gericht op de door de aangever genoemde specifieke feiten.

Ambtelijke verduistering van een rapport van een gedragsdeskundige (artikel 361 Wetboek van Strafrecht)

I. Uit het onderzoek is het volgende gebleken. De zaaks-OvJ beschikte over een rapport van een persoonlijkheidsonderzoek naar de persoon van de minderjarige getuige Maikel van bedoelde gedragsdeskundige en heeft dat rapport bewust niet aan het procesdossier toegevoegd. Dit om de indruk van partijdigheid te voorkomen. Volgens de zaaks-OvJ zou partijdigheid verondersteld kunnen worden vanwege de adviserende rol die deze deskundige tijdens het opsporingsonderzoek had gehad bij de verhoren van Maikel. De zaaks-OvJ heeft om die reden een andere gedragsdeskundige eveneens een persoonlijkheidsonderzoek naar Maikel laten verrichten. De van dit onderzoek opgemaakte rapportage, waaruit de privacygevoelige informatie over Maikel is weggelaten, bevindt zich (wel) in het procesdossier. Beide gedragsdeskundigen kwamen tot dezelfde conclusie over de betrouwbaarheid van Maikel als getuige.

De eerste gedragsdeskundige is als getuige-deskundige door de rechter-commissaris gehoord. Van dit verhoor bevindt zich het proces-verbaal in het dossier. Onder deze omstandigheden is geen sprake van ambtelijke verduistering van bewijsmiddelen.

  1. Ambtelijke verduistering van een gespreksverslag van een overleg tussen de zaaks-OvJ en het NFI op 19 januari 2001.
  2. Uit de feiten en omstandigheden die zijn komen vast te staan is niet gebleken dat de zaaks-OvJ zich schuldig heeft gemaakt aan verduistering van bewijsmiddelen door geen verslag van een overleg dat op 19 januari 2001 op het NFI plaatsvond aan het procesdossier toe te voegen.

    Uit de wet blijkt dat er sprake moet zijn van een verduisterd schriftelijk stuk. Er blijkt een concept-verslag door een medewerker van het NFI te zijn opgemaakt maar dit concept is nooit onder de aanwezigen van het overleg verspreid. De zaaks-OvJ beschikte evenmin over dat concept. Reeds enkel om deze reden is er geen sprake van verduistering van bewijsmiddelen.

  3. Ambtelijke verduistering van een verslag van een overleg dat de AG met het NFI op 17 januari 2002 heeft gehad.

De AG heeft, zo is uit het onderzoek gebleken, de door haarzelf en haar beleidsmedewerker gemaakte aantekeningen van dit overleg verwerkt in een verslag. Dit verslag heeft zij niet verspreid onder de deelnemers aan het overleg en niet aan het procesdossier toegevoegd.

In samenhang met hetgeen over de DNA-kwestie is geconcludeerd is het OM Utrecht van oordeel dat deze persoonlijke aantekeningen en dit (niet vastgestelde) gespreksverslag niet kunnen worden aangemerkt als een stuk om tot bewijs te dienen. Er is dan ook geen sprake van verduistering van een bewijsmiddel.

IV. Beïnvloeding van getuigen, (artikel 285a Wetboek van Strafrecht)

In de aangifte wordt gesteld dat de zaaks-OvJ bij een bespreking met het NFI op 19 januari 2001 heeft gezegd "dat het belangrijk is dat de rapportage zodanig geschreven wordt dat de advocatuur er niet mee 'op pad' gaat. Er moet worden uitgesloten dat zoiets gebeurt". Het lag voor de hand, aldus de aangifte, dat met deze woorden de bij die bespreking aanwezige getuigen-deskundigen door de zaaks-OvJ werden beïnvloed om de inhoud van hun rapportage en hun verklaring ter terechtzitting aan te passen.

Uit het Utrechtse onderzoek is niet gebleken dat de woorden als geciteerd, of woorden die dezelfde strekking hebben, door de zaaks-OvJ zijn gezegd. Het citaat is opgenomen in een concept-verslag. Het concept-verslag is niet verspreid onder de deelnemers aan dat overleg en derhalve niet goedgekeurd en vastgesteld. De deelnemers aan het overleg herinneren zich blijkens onderzoek geen van allen dat de zaaks-OvJ dergelijke woorden heeft gezegd.

Tijdens het Utrechtse onderzoek naar de mogelijke beïnvloeding van de getuigen-deskundigen door de zaaks-OvJ verklaren beide deskundigen dat zij niet beïnvloed zijn door de zaaks-OvJ en niet hebben ervaren dat de zaaks-OvJ dat heeft geprobeerd. Zij hebben op basis van hun eigen deskundigheid het onderzoek uitgevoerd, de rapportage(s) opgesteld en de verklaringen op de zitting bij de rechtbank en het hof afgelegd.

Uit de in het onderzoek vastgestelde feiten is gebleken dat de in artikel 285a WvSr omschreven beïnvloeding van getuigen niet heeft plaatsgevonden.

Slotconclusie:

Zou, op basis van het huidige onderzoeksresultaat, de vraag moeten worden beantwoord of de zaaks-OvJ en de zaaks-AG als verdachte kunnen worden aangemerkt, dan zou die vraag ontkennend moeten worden beantwoord. Om die reden zal de zaak tegen de zaaks-OvJ en tegen de zaaks-AG worden geseponeerd omdat zij ten onrechte als verdachte zijn aangemerkt.

De sepotbeslissing is vandaag door de Utrechtse hoofdofficier aan de aangever (Kees B.) en zijn raadslieden medegedeeld en toegelicht. Ook de OvJ en AG tegen wie de aangifte was gericht en hun raadsman hebben van de hoofdofficier vandaag de sepotbeslissing medegedeeld gekregen.

Zie verder deel 18