We hebben 234 gasten online

Schiedamse Parkmoord Deel 16

Gepost in Strafrecht in Historie

OM: GEEN BEWIJS ACHTERGEHOUDEN IN ZAAK SCHIEDAMMER PARKMOORD

5 september 2005 - Openbaar Ministerie

Reactie College van procureurs-generaal van het Openbaar Ministerie in uitzending Netwerk over Schiedammer parkmoord, 5 september 2005.

De rapportage van het NFI waaruit blijkt dat er op verschillende plaatsen celmateriaal is aangetroffen dat een onvolledig DNA-profiel opleverde van een onbekend individu, niet zijnde Borsboom, stond ter beschikking van de rechtbank en het Hof. Ook is, zowel in eerste aanleg als tijdens het hoger beroep, de DNA-deskundige van het NFI ter zitting gehoord als getuige-deskundige. De advocaat-generaal (AG) heeft geen onderzoeksresultaten van het NFI ontkend, maar heeft in haar requisitoir de deskundige van het NFI gevolgd in zijn uitspraken ter zitting.
Volgens het OM is er derhalve geen cruciaal bewijs achtergehouden in deze zaak.

Het Nederlands Forensisch Instituut heeft in elk rapport van deze zaak aangegeven geen match te hebben gevonden tussen het DNA-profiel van de verdachte en de sporen die zijn gevonden op de plaats van het delict.
Op verzoek van de raadsman heeft het Hof nog een aantal aanvullende DNA-onderzoeken laten verrichten. De AG gaat in haar requisitoir in op het DNA-profiel van de onbekende derde dat is gevonden in nagelvuil van Nienke en op Nienke's linkerlaars. Zij zegt dat dat profiel door de DNA-databank is gehaald, maar dat dat geen hit heeft opgeleverd. Zij plaatst de kanttekening dat het enkele feit dat DNA-materiaal wordt aangetroffen niets zegt, omdat ieder mens DNA achterlaat, de een makkelijker dan de ander. "Bij het geven van een hand kun je al DNA 'sharen'", waar het om gaat is dat er aanwijzingen moeten zijn dat het om een daderspoor gaat. De AG zegt dat zij geen indicatie heeft dat het profiel in het nagelvuil en op de linkerlaars daderprofielen zijn. Zij leunt daarbij op wat de DNA-deskundige heeft gezegd op de terechtzitting van 18 februari 2002, namelijk dat het DNA van het nagelvuil/wreef laars geen relatie met het delict hoeft te hebben.
Het OM heeft geen enkele reden te twijfelen aan de deskundigheid van het NFI in deze zaak.

Het College van Procureurs-generaal heeft eind december 2004 opdracht gegeven de opsporing en vervolging in de Schiedammer parkmoord te evalueren. Dit onderzoek is inmiddels afgerond en bevindt zich in de consultatiefase. Zodra deze fase is afgerond zal het College van PG's zijn bevindingen openbaar maken.

College pg's: Alle aanbevelingen worden overgenomen

13 september 2005 - Openbaar Ministerie

College van Procureurs-generaal:

Alle aanbevelingen uit rapport Posthumus worden integraal overgenomen en uitgewerkt in concreet verbeterprogramma

Vandaag heeft voorzitter Harm Brouwer van het College van procureurs-generaal het evaluatierapport naar het politie- en justitieonderzoek in de Schiedammer Parkmoord in ontvangst genomen. Het evaluatieonderzoek heeft vele onvolkomenheden in het strafrechtelijk onderzoek inzichtelijk gemaakt. Niemand heeft ten doel gehad de verkeerde te doen bestraffen, maar dat is wel gebeurd. Dat is ernstig, en vraagt om structurele maatregelen om de kans op herhaling te minimaliseren.

Het College van procureurs-generaal neemt alle aanbevelingen uit het rapport Posthumus over. Het rapport doet tal van aanbevelingen ten aanzien van OM, politie en NFI. Onderstaande aanbevelingen hebben betrekking op het OM. Over de aanbevelingen uit het rapport Posthumus die vooral de politie betreffen zal op korte termijn contact worden opgenomen met de Raad van Hoofdcommissarissen.

De door het College te treffen maatregelen liggen op het gebied van kennis, organisatie, toetsing en het organiseren van tegenspraak, en protocollering. Het verbeterprogramma gaat zich richten op de volgende aanbevelingen.

Organisatorische aanbevelingen

  • Duidelijke regels opstellen voor het bewaren en archiveren van onderzoeksmateriaal. De verantwoordelijkheid voor het beheer ervan dient eenduidig te worden belegd. Benoem onderzoeksrichtingen die niet worden uitgerechercheerd en administreer ze.
  • In zaken waarin volgens de structuur van het 'Raamwerk Team Grootschalige Opsporing' (TGO) wordt gewerkt dient binnen het parket een geïnstitutionaliseerde vorm van tegenspraak te worden georganiseerd.

Aanbevelingen betreffende het technisch onderzoek

  • Van alle technische onderzoeken, dus ook van die met een negatieve uitkomst, dient verslag te worden gemaakt. Bij krachtige in potentie ontlastende technische bevindingen moet hieraan expliciet aandacht worden besteed.
  • Er moet een procedure worden ontwikkeld om in het geval er bij het NFI grote twijfel bestaat over de schuld van een verdachte, deze twijfel ter kennis te brengen aan de verantwoordelijken binnen het OM. Een deskundige zou zijn twijfel duidelijk kenbaar moeten kunnen maken in zijn rapport.
  • De kennis van officieren van justitie betreffende forensisch-technisch onderzoek moet worden vergroot.

Aanbevelingen betreffende het tactisch onderzoek

  • In de opleiding van rechterlijke ambtenaren moet aandacht worden besteed aan het voorkómen van een tunnelvisie.
  • Leden van het openbaar ministerie zouden een rechercheopleiding moeten volgen waarin onder meer aandacht wordt gegeven aan het opsporingsonderzoek, informatiemanagement en misdaadanalyse.

Verhoren

  • Het Protocol Studioverhoren dient te worden aangevuld. Indien een tweede studioverhoor van een jongere onder de twaalf jaar gewenst is, dient dat beargumenteerd te worden. De argumenten dienen in een proces-verbaal te worden vastgelegd.
  • Op dit moment wordt gewerkt aan een OM-aanwijzing voor de audio-visuele vastlegging van verdachtenverhoren. In die aanwijzing moet ook worden omschreven in welke type zaken het aangewezen is om meer verhoren dan alleen verdachtenverhoren, dus ook van slachtoffer of getuigen, op te nemen.
  • Er dient een richtlijn voor verhoor te worden ontwikkeld van jongeren onder de zestien jaar en verstandelijk gehandicapte verdachten voor zaken waarvan de verdenking bestaat van een strafbaar feit waarop een gevangenisstraf van zes jaren of meer is gesteld.
  • In de opleiding van rechterlijke ambtenaren moet meer aandacht worden besteed aan verhoortechnieken en -tactieken. Daarbij moet meer aandacht komen voor de theoretische kant van het verhoor. Onder meer moet er aandacht komen voor het fenomeen valse bekentenis en de mogelijke invloed van een verhoor en de verhooromstandigheden op de verhoorde persoon.
  • In grote zaken moet worden gewerkt met verhoorplannen. Dat geeft houvast en structuur en verkleint de kans dat ongewild en onbedoeld daderwetenschap wordt prijsgegeven.
  • Het OM moet er alert op zijn dat ook als er in een verhoor geen sprake was van ongeoorloofde druk of onrechtmatige verhoormethodes, een valse bekentenis kan zijn afgelegd.

De officier van justitie

  • Er dienen kaders te worden opgesteld waarin wordt aangeven wat het gezag over de opsporing inhoudt en ook wat het niet inhoudt. In de opleiding van officieren moet nadrukkelijker aandacht worden besteed aan de noodzaak van bewaren van voldoende distantie en hoe dit in de praktijk gerealiseerd kan worden.
  • De bestaande 'Aanwijzing tweede beoordeling (second opinion) opsporingsonderzoeken' moet worden aangevuld. Er moet parallel aan de ontwikkelingen bij de politie in TGO-zaken, binnen het OM een pool van reviewers worden ingesteld en opgeleid.
  • In strafrechtelijke onderzoeken moet bij justitie meer aandacht zijn voor de rol van de deskundige. In stukken die naar de rechter en verdediging gaan, moet melding worden gemaakt van en zonodig verantwoording worden afgelegd over inhoudelijke contacten tussen politie en/of justitie en de deskundige.
  • Er moet aandacht zijn voor de volledigheid van het dossier, in het bijzonder ten aanzien van de vraag of stukken of gegevens die als ontlastend beschouwd zouden kunnen worden, zijn opgenomen in het eindproces-verbaal en/of vermeld in het relaasproces-verbaal. Het OM mag niet te benauwd zijn met het toevoegen van stukken aan het dossier. Rechters en verdediging zien wellicht wél relevantie in stukken waarin degenen die zich met de dossiervorming bezighouden geen relevantie zien. In de opleiding dient aan dit punt aandacht te worden besteed.

De advocaat-generaal

  • Een advocaat-generaal moet er alert op zijn of het dossier dat hij in hoger beroep krijgt voorgelegd een eenzijdig beeld van het opsporingsonderzoek geeft. Zonodig moet hij zich verdiepen in de niet-aangeleverde stukken van het onderzoeksdossier en het procesdossier aanvullen.
  • In zaken van groot gewicht moet de organisatie tijd en ruimte maken om twee advocaten-generaal met de zaak te belasten.
  • De leiding van het ressortsparket moet in zaken van gewicht blijk geven van kritische belangstelling.

Vóór 1 november 2005 ligt het verbeterprogramma vast. De maatregelen in het kader van dit programma dienen in het voorjaar van 2006 in gang gezet te zijn.

Evaluatie politie- en justitieonderzoek Schiedammer Parkmoord

13 september 2005 - Openbaar Ministerie

Vandaag is het eindrapport van het evaluatieonderzoek naar het politie- en justitieonderzoek in de Schiedammer Parkmoord aangeboden aan de voorzitter van het College van procureurs-generaal, mr. H.N. Brouwer. Het College had in december 2004 de opdracht gegeven tot de evaluatie om te onderzoeken hoe het heeft kunnen gebeuren dat een onschuldig man werd vervolgd en veroordeeld.

De evaluatie is uitgevoerd door advocaat-generaal mr. F. Posthumus van het Ressortsparket Amsterdam. Hij werd in het onderzoek bijgestaan door twee onafhankelijke externe deskundigen: de hoogleraar straf- en strafprocesrecht prof. mr. Y. Buruma en voormalig plaatsvervangend korpschef van de regiopolitie Gelderland-Midden A.P. de Vries. Daarnaast was er bijstand van een politieteam onder leiding van officier van justitie E. van der Bijl en inspecteur T. Vermeulen.

Het College heeft opdracht tot de evaluatie gegeven om te kunnen vaststellen hoe het proces van waarheidsvinding is verlopen. Doel van de evaluatie is aanknopingspunten te vinden voor verbetering van de opsporing en vervolging. Het rapport van het evaluatieonderzoek wordt dan ook afgesloten met een aantal aanbevelingen die Posthumus heeft opgesteld.

Voorgeschiedenis

Op 22 juni 2000 werd in het Beatrixpark in Schiedam het tienjarige meisje Nienke gedood en de toen elfjarige Maikel ernstig mishandeld. Kees B., de man die aanvankelijk als getuige werd gehoord, werd op 5 september 2000 als verdachte aangehouden. Op 9 en op 10 september bekende hij, de feiten gepleegd te hebben. De man werd door de Rechtbank in Rotterdam schuldig bevonden. Het Gerechtshof in Den Haag veroordeelde hem in hoger beroep voor de feiten in het Beatrixpark tot achttien jaar gevangenisstraf en tbs.

Toen in augustus 2004 een andere man bekende dat hij Nienke gedood en Maikel mishandeld had en nadat technisch bewijs was gevonden dat die bekentenis ondersteunde, werd duidelijk dat een onschuldig man was veroordeeld. Het evaluatierapport: "Dat is vreselijk. Voor de onterecht veroordeelde Kees B., voor de nabestaanden van Nienke en voor Maikel en diens ouders, omdat voor hen de zaak nu nog niet afgesloten kon worden; en ook voor de politiemensen, de leden van het OM, de rechters en alle anderen die op enigerlei wijze hebben bijgedragen aan de totstandkoming van het onjuiste rechterlijk oordeel."

Hoofdconclusies

Er zijn in het politie- en justitieonderzoek in de Schiedammer Parkmoord vele zaken opeenvolgend misgegaan, met ernstige gevolgen. Er is sprake geweest van een aaneenschakeling van slordigheden en beoordelingsfouten. Wat wellicht het zwaarst heeft gewogen is dat vanaf de bekentenis van B, er onvoldoende rekening is gehouden met de mogelijkheid dat ook iemand die een bekentenis heeft afgelegd, onwaarheid kan spreken. Daarnaast werden allerlei fouten die soms ook al in een eerdere fase van het onderzoek waren gemaakt, versterkt door het ontbreken van een kritische blik en tegenspraak. Zowel bij degenen die direct bij het onderzoek betrokken waren als bij degenen die op enige afstand stonden.

Te weinig gestructureerd onderzoek

Het heeft in het begin van het onderzoek ontbroken aan een goede tactische planning. Zo is het niet vast komen te staan dat het onderzoeksteam werkte aan de hand van duidelijke checklists. Dit droeg bij aan een weinig gestructureerd onderzoek. Ten onrechte is na de bekentenis van B. niet doorgerechercheerd om inconsistenties in zijn verklaring ten aanzien van wat overigens bekend was te onderzoeken en ten onrechte is ook niet doorgegaan met onderzoek op andere lijnen. Vanaf de bekentenis van B. werd het onderzoek geheel verdachtegeleid, en werd er nauwelijks nader misdrijfgeleid onderzoek verricht noch systematisch gezocht naar inconsistenties tussen de verschillende aanwijzingen.

De ontlastende waarde van ontbrekende technische sporen

In dit onderzoek is gebleken hoe gevaarlijk het is als er onvoldoende synergie bestaat tussen het technische en het tactische onderzoek. In het begin van het onderzoek zijn er fouten gemaakt bij het verzamelen en bewaren van de technische sporen. Er was dus weinig technisch bewijs en datgene wat er was, pleitte tegen de betrokkenheid van B. Dit argument kon echter gemakkelijk terzijde geschoven worden omdat de analyse van het DNA-materiaal niet ondubbelzinnig in de richting van een ander wees. Het is positief te waarderen dat medewerkers van het NFI hun twijfels wel hebben geuit.

Ontbreken van tegenspraak

De korps- en parketleiding hebben onvoldoende de organisatie van tegenspraak gestimuleerd teneinde eventuele onvolkomenheden in het onderzoek te voorkomen of tegen te gaan. Bij de inrichting van het tactische onderzoek is nagelaten tegenspraak en toetsmomenten te organiseren. Naast de identificatiefase (vinden van de dader) is in deze zaak ook kritiek op het onderzoek in de bewijsfase (de fase waarin er een verdachte is en de zitting bij de rechter wordt voorbereid). Juist in de bewijsfase mag een krachtiger tactische leiding worden verlangd die ook tegenspraak oplevert.

Van slachtoffer naar niet serieus genomen kroongetuige

Om verschillende redenen werd Maikel niet serieus genomen als getuige. Onderdelen van zijn verklaringen werden weggeredeneerd en gerelativeerd voor zover zij wezen in een andere richting dan die van B. Het is opvallend dat de bij de rechter getuigende gedragswetenschappelijke deskundigen aan het niet serieus nemen van de voor B. ontlastende verklaringen van Maikel voeding hebben gegeven.

Een valse bekentenis zonder onrechtmatige druk

De zaaksofficier weigerde in te gaan op het verzoek van de raadsman van B. om bij een aantal verhoren aanwezig te zijn, hoewel de rechter-commissaris dit verzoek niet onwelwillend bezag. Ten onrechte is tijdens de verhoren van B. waarin hij bekende, geen gebruik gemaakt van video-opnames. Hierdoor is niet met volledige precisie te achterhalen wat zich tijdens de verhoren heeft afgespeeld. Wel is het de overtuiging van de opsteller van dit rapport dat tijdens deze verhoren geen ontoelaatbare druk op B. is uitgeoefend, in de betekenis van druk die jegens eenieder ontoelaatbaar zou zijn.

De politie heeft onvoldoende gehandeld naar het feit dat ook zonder dat sprake is van een door de politie afgedwongen bekentenis, een valse bekentenis kan zijn afgelegd. Er kan een bijzondere plicht rusten op de teamleiding en/of officier van justitie om - bijvoorbeeld bij een sterk emotionele verdachte - te laten onderzoeken of een afgelegde bekentenis vals is. Van een dergelijk onderzoek is in casu niet gebleken.

Daadkrachtig afwerken in plaats van objectiviteit

De zaaksofficier heeft na de bekentenis van B. te zeer gekozen voor een daadkrachtig afwerken van de zaak in plaats van voor een objectieve, kritische doordenking van een en ander. Er is bewust voor gekozen om geen andere onderzoeksrichtingen meer uit te werken. Na de veroordeling in eerste aanleg raakte de zaaksofficier op de hoogte van de twijfels die bij het NFI leefden over de betrokkenheid van Kees B. bij de strafbare feiten. Zij heeft ten onrechte nagelaten het ressortsparket Den Haag hiervan op de hoogte te stellen.

De advocaat-generaal heeft met professionele afstandelijkheid en kritische betrokkenheid de zaak beoordeeld. Het standpunt dat zij uiteindelijk in het requisitoir heeft ingenomen, is in het licht van de nauwgezette analyse van de door haar gesignaleerde vragen en ongerijmdheden moeilijk te begrijpen en is niet inzichtelijk geworden. De AG heeft een beoordelingsfout gemaakt door de twijfels die bij het NFI leefden niet ter kennis van het Gerechtshof en de verdediging te brengen.

DNA-onderzoek door het NFI

In het evaluatierapport wordt uitgebreid aandacht besteed aan het technisch onderzoek dat het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) heeft verricht en aan de rol van de officier van justitie en de advocaat-generaal daarbij. In aanvulling op het 'gewone' DNA-onderzoek heeft het NFI in deze zaak ook op grote schaal de toentertijd nieuwe Low Copy Number (LCN) technologie toegepast, die het mogelijk maakt van heel weinig lichaamscellen een DNA-profiel te genereren. De resultaten van deze methode kennen echter een tamelijk hoge graad van onbetrouwbaarheid.

In twee sporen die in deze zaak zijn aangetroffen (op de laars en in het nagelvuil van Nienke) kon naast het profiel van Nienke en Maikel tevens een onvolledig profiel worden vastgesteld van een onbekende derde, niet zijnde B. Daarbij kon niet worden uitgesloten dat die onvolledige profielen afkomstig waren van hetzelfde individu. Het profiel van de onbekende derde is vergeleken met de profielen in de DNA-databank, maar dat leverde geen hit op. Deze feiten zijn opgenomen in de rapportage van het NFI en maakten deel uit van het strafdossier.

Van een aantal andere sporen (op de veter en het lichaam) kon geen profiel worden vastgesteld dat door de deskundige van het NFI bruikbaar werd geacht voor DNA- vergelijking. De uitvoerend onderzoeker van het NFI was de mening toegedaan dat de uitkomsten wél bruikbaar waren en dat zij wezen in de richting van hetzelfde mannelijk individu als in het nagelvuil en op de linker laars. Deze mening werd door de deskundige van het NFI, mede gezien de lage kwaliteit van de onderzochte sporen en de gebruikte, minder betrouwbare LCN-methode, niet gedeeld en is om die reden niet in de rapportage opgenomen. De officier van justitie en advocaat-generaal hebben, vertrouwend op de wetenschappelijke expertise van de deskundige als verantwoordelijke voor het opstellen van de NFI-rapportage, zijn opvatting gevolgd.

Hoewel de twee NFI-medewerkers dus van mening verschilden over de vraag of in alle profielen de kenmerken van dezelfde donor zaten, waren zij het erover eens dat het profiel van B. niet terug te vinden was in de mengprofielen. De twijfel die zij door het ontbreken van elk spoor van Kees B. hadden over de betrokkenheid van B. bij de strafbare feiten, is in gesprekken met de officier (na de zitting bij de rechtbank) en met de AG (voor de zitting bij het Hof) gemeld.

Over het algemeen moet professionele twijfel die door NFI-medewerkers wordt geuit als zwaarwegend worden beschouwd en door het OM in het strafproces onderwerp van bespreking worden gemaakt. Dat is in deze zaak in onvoldoende mate gebeurd.

Belangrijkste aanbevelingen

Naar aanleiding van de evaluatie doet de onderzoeker een groot aantal aanbevelingen. De zeven voornaamste thema's waarover aanbevelingen worden gedaan zijn:

  1. De korpsleiding en de parketleiding moeten in kapitale delicten de organisatie van tegenspraak organiseren.
  2. De kennis van officieren van justitie op forensisch-technisch gebied en van het tactische recherchewerk moet worden vergroot.
  3. Binnen de politie moet het beheer van stukken van overtuiging en sporenmateriaal beter worden geregeld. Het NFI moet duidelijker rapporteren.
  4. In grote onderzoeken moeten verhoren audio-visueel worden vastgelegd.
  5. Er moet aandacht worden besteed aan de theorie en praktijk van het verdachtenverhoor en aan het fenomeen van de valse bekentenis.
  6. Deskundigen die een rol hebben gespeeld in het opsporingsonderzoek, moeten slechts onder nadrukkelijke vermelding van die rol worden voorgedragen als deskundige ter terechtzitting.
  7. Er moeten kaders worden vastgesteld voor de invulling van de taak van de officier van justitie als leider van het opsporingsonderzoek. De officier van justitie moet zich er voortdurend van bewust zijn dat andere procesdeelnemers, in het bijzonder rechter en verdediging, voor een goede vervulling van hun functie deels afhankelijk zijn van de officier van justitie.
Zie verder deel 17