We hebben 214 gasten online

45) Begrippenlijst Strafrecht in Historisch Perspectief

Gepost in Strafrecht in Historie

1. ACCUSATOIR STELSEL; strafproces waarbij aangeklaagde en aanklager gelijkwaardige partijen zijn.

2. ADMINISTRATIEVE RECHTSPRAAK: dan is er sprake van geschillen tussen overheid en burgers. Deze zijn talrijk. De voornaamste is de afdeling rechtspraak van de Raad van State, die op grond van de wet AROB (Administratieve Rechtspraak Overheidsbeslissingen) de rechtmatigheid van overheidsbeslissingen toetst.

3. ADVOCAAT; jurist die zich in een zelfstandige werkkring bezighoudt met het verlenen van rechtshulp en als zodanig staat ingeschreven bij de arrondissementsrechtbank.

4. AFFAIRE LANCÉE: Affaire waarin een ten onrechte van incest verdachte politieman, te maken kreeg met blunderende ambtenaren van het Openbaar Ministerie. Lancee strijdt voor volledige rehabilitatie en voldoende financiële genoegdoening. Het ziet er naar uit dat het Parlement het daar mee eens is.

5. AFTREK VAN VOORARREST: het in mindering brengen door de rechtbank van de tijd die de veroordeelde al heeft doorgebracht in opsluiting, ter voorbereiding van het proces

6. ALIBI: Bewijs dat men op het moment van het delict op een andere plaats was en daarom dat delict niet gepleegd kan hebben.

7. ALTERNATIEVE STRAF: andere straffen dan vrijheidsstraffen en geldboetes, waaronder dienstverlening.

8. AMNESTIE: Algemeen kwijtschelding van straf.

9. ANONIEME GETUIGE: getuige in een strafproces wiens identiteit niet wordt onthuld. Is alleen in ons strafrecht toegestaan als is vast komen te staan dat de getuige daadwerkelijk gevaar loopt.

10. ARREST: heeft in ons recht verschillende betekenissen. In zijn algemeenheid vrijheidsbeneming. Uitspraken van de Hoge Raad worden ook arrest genoemd.

11. ARRONDISSEMENTSRECHTBANK; ook wel de rechtbank genoemd. Rechtscollege dat zowel in eerste aanleg als in hoger beroep (van de kantonrechter) rechtspreekt. Zowel burgerlijke zaken als strafzaken. Er zijn er in ons land 19.

12. BALJUW; waren voorzitter van de “Mannenvierschaar”

13. BATAAFS-FRANSE TIJD; zo wordt het tijdvak genoemd tussen 1795 en 1813 toen de Fransen in Nederland het bestuur uitoefenden.

14. BEGELEID VERLOF; Een TBS-er mag onder toezicht de kliniek verlaten

15. BLOEDWRAAK: Wraak van de familie van degene die gedood is, op de dader en diens familie.

16. BOKKENRIJDERS; georganiseerde benden die tussen 1730 en 1774 in de landen van Overmaas actief waren.

17. BORGTOCHT: Overeenkomst waarbij de ene partij zich tegenover de ander verplicht de schuld van een derde te voldoen als deze zelf in gebreke blijft. Zekerheid stellen voor de voldoening van een vordering.

18. BURGERLIJKE ONGEHOORZAAMHEID: het niet voldoen aan een wettelijk of ander overheidsvoorschrift als vorm van politiek protest.

19. BURGERLIJKE RECHTSPRAAK: regelt in het bijzonder geschillen tussen burgers onderling.

20. C.I.D. : Centrale inlichtingendienst.

21. CASSATIE: dit is mogelijk wanneer geen hoger beroep meer open staat. De rechtsgronden ervoor zijn vormverzuim en schending van het recht. Er wordt geen nieuw onderzoek meer ingesteld. Doel van het geheel is het bereiken van eenheid in rechtspraak.

22. CESARE BECCARIA: schreef in 1764 een beroemd geworden boek: “Over misdaden en Straffen” Waarin hij stelde dat straffen dusdanig dienen te zijn dat mensen zich voortaan zouden onthouden van overtreding van de wetten.

23. CHANTAGE: Bedreiging met smaadschrift of openbaring van een “geheim” met het oogmerk zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen. Het delict wordt alleen vervolgd na het indienen van een klacht door het slachtoffer.

24. CODE PENAL 1811: deze werd in 1811 ingevoerd als opvolging van het crimineel wetboek van 1809. Hierbij werd dwangarbeid afgeschaft en de algehele verbeurdverklaring van goederen.

25. COLLATIERECHTEN: Zijn stemrechten voor de verkiezing van een predikant.

26. COLLEGIALE RECHTSPRAAK; men spreekt met meerdere rechters recht.

27. COMPOSITIEFOTO: Met behulp van getuigen een portret maken van een mogelijke verdachte.

28.“CONSTTUTIO CRIMINALIS CAROLINA”: de strafcodificatie van Karel V voor de Duitse landen.

29. COÖPTATIE: Methode van verkiezing van nieuwe bestuursleden e.d. waarbij de zittende leden de nieuwe aanwijzen.

30. COORNHERT LIGA: in 1971 opgerichte vereniging en bestaat uit leden die betrokken zijn bij de strafrechtspleging. De vereniging is genoemd naar de dichter en humanist Dirk Volkertz. Coornhert (1522-1590), die tijdens zijn verblijf in de Gevangenpoort te Den Haag (1567-1577) belangstelling kreeg voor de strafrechtpleging. In zijn daar geschreven “ Lof van de Ghevangenisse” wees hij erop dat het niet voldoende was misdadigers te straffen; er moest ook aan hun heropvoeding worden gedacht, een voor die tijd revolutionaire uitspraak. De Coornhert-Liga zet zich in voor de grondrechten en vrijheden van verdachten en veroordeelden en draagt in dit kader, o.m. via alternatieve justitiebegrotingen, ideeën aan voor structurele hervormingen op het gebied van strafrecht en strafrechtspleging.

31. CRIMINEEL HANDBOUCK: handleiding van het strafrecht uit 1554 van Joost de Damhouder het kreeg 22 Latijnse en 11 Nederlandse drukken en had grote invloed op de rechtspleging.

32. CRIMINEEL WETBOEK in 1809: Wetboek ingesteld door Lodewijk Napoleon met een betrekkelijk zacht strafstelsel en een vrij grote mate van speelruimte van de rechter bij de straftoemeting. De doodstraf bleef bestaan.

33. CRIMINELE ORDONNANTIES: deze werden door Fillips II in 1570 uitgevaardigd met als voornaamste doel eenheid van rechtspraak te bevorderen.

34. DAADSTRAFRECHT : Bij de toepassing van dit strafrecht staat de bestraffing van de daad centraal. Ingevoerd bij het wetboek van strafrecht van 1886

35. DE BURGERLIJKE KINDERWET; deze werd in 1901 ingevoerd en maakte een einde aan de onaantastbaarheid van de ouderlijke macht. De rechter kan besluiten tot ontzetting of ontheffing uit de ouderlijke macht. Kinderen tussen 16 en 18 jaar kunnen tot gevangenisstraf worden veroordeeld. Jongere kinderen kunnen ter beschikking van de regering worden gesteld. Voorop staat de preventieve werking.

36. DEMOCRATISERING: Alle gezag staat onder controle van het volk.

37. DEURWAARDER; gerechtsambtenaar belast met verschillende taken, waaronder het uitbrengen van afvaardigingen en andere exploten, het leggen van beslag, de tenuitvoerlegging van vonnissen en het dienstdoen op de terechtzitting. Daarnaast heeft de deurwaarder nog andere functies zoals het vertegenwoordigen van mensen die voor het kantongerecht procederen, en het houden van openbare verkopingen.

38. DIENSTVERLENING; in 1989 opgenomen in het Wetboek van Strafrecht als hoofdstraf, die kan worden opgelegd in plaats van een korte onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De straf bestaat uit het verrichten van onbetaalde arbeid ten algemene nutte gedurende een door de rechter bepaald aantal uren met een maximum van 240 uur.

39. DISCRIMINATIE: Elke vorm van onderscheid, elke uitsluiting, beperking of voorkeur die ten doel heeft de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden op politiek, economisch sociaal en cultureel terrein te niet te doen of aan te tasten.

40. “DOODSLAG”: delict dat bestaat uit het opzettelijk doden van een ander.

41. DRIFTBEHEERSING: Mensen hebben geleerd hun emoties in het openbaar beter te beheersen.

42. DUEL: Tweegevecht tussen personen met gelijke wapens.

43. E.B.I. Extra beveiligde inrichting. Dat zijn gevangenissen die extra zijn beveiligd om uitbraakpogingen te verijdelen. De bekendste is in Vugt.

44. EPIDEMISCHE HEKSENJACHT; term die nu gebruikt wordt om aan te tonen dat veel vrouwen die werden vervolgd wegens het beoefenen van hekserij, ten onrechte werden vervolgd. Elke alleenstaande vrouw was haar leven niet zeker. Vandaar dat we spreken van een epidemie

45. FILLIPS II: kreeg van Karel V de Nederlanden, Spanje en alle overzeese gebiedsdelen. Streefde vooral naar centralisatie en handhaving van het katholicisme in de Nederlanden. Zo ontstond de 80 jarige oorlog die uiteindelijk zou leiden tot de vrede van Munster waarbij de Republiek als soevereine staat door Spanje werd erkend.

46. FRAUDE: vervalsing, bedrog met name op het gebied van administratie, financiën en belastingen.

47. GALGENVELD: Plaats waarin het openbaar mensen werden opgehangen.

48. GEDEPUTEERDE STATEN: het dagelijks bestuur van een provincie.

49. GELDHUISHOUDING: De Huishouding van de steden in de Middeleeuwen met hen eigen recht om munten te slaan.

50. GEMEENTERAAD: Het bestuursorgaan van een gemeente,

51. GENERALITEITSLANDEN: Dit zijn landen zonder eigen bestuur, bestuurd door de Staten Generaal te Den Haag. Voorbeelden daarvan zijn de gewesten Brabant en Limburg.

52. GERECHTELIJK LABORATORIUM: onder het ministerie van Justitie ressorterend laboratorium, gevestigd te Rijswijk, waar ten behoeve van Justitie en Politie natuurwetenschappelijk en technisch onderzoek wordt verricht. Zo worden bloedsporen onderzocht op soort, ouderdom en bloedgroep. Ook uitscheidingsprodukten als speeksel, sperma en urine worden op dergelijke wijze bekeken. Verder vindt er o.a. ook DNA onderzoek plaats en is er ook gevestigd het Pathologisch Laboratorium i.v.m. justitiële secties.

53. GERECHTSHOVEN; rechtscollege dat rechtspreekt in hoger beroep tegen vonnissen van de rechtbank in eerste aanleg. In ons land zijn er 5.

54. GEWELDMONOPOLIE: Het recht van de overheid om als enige geweld te mogen gebruiken bij het handhaven van de rechtstaat.

55. GEWOONTERECHT; recht ontstaan door gewoonte. Op veel terreinen van het recht speelt de gewoonte een belangrijke rol. Met name in het Staatsrecht en het Volkerenrecht.

56. GODSOORDEEL: Een voorbeeld daarvan was de vuurproef. Door deze te ondergaan kon men zijn onschuld bewijzen (zie blz. 36).

57.‘’GOEIE MIE”: de meest bekendste moordenaarster uit de criminele geschiedenis van ons land waarbij door haar toedoen 27 mensen omkwamen.

58. GRATIE: Kwijtschelding of vermindering van een bij rechtelijk vonnis opgelegde straf. Dit wordt verleend door de Kroon.

59. GRIFFIER; secretaris van de rechtbanken.

60. GRONDRECHTEN: in een grondwet opgenomen rechten van burgers tegenover de staat. Er zijn twee typen rechten de klassieke grondrechten en de sociale grondrechten

61. GRONDWET: de basiswet van een land. Nederlands kreeg zijn eerste grondwet in 1798: de Staatsregeling van de Bataafse Republiek. De laatste herziening van de grondwet vond plaats in 1983

62 HET DING”: de vergadering van alle vrije mannen bij de Franken.

63 HOGE RAAD: hoogste rechtscollege in ons land, met als belangrijkste taak de rechtspraak in Cassatie. Deze is gevestigd in Den Haag. De leden worden Raadsheren genoemd.

64 HOGER BEROEP: Rechtsmiddel waarmee de in het ongelijk gestelde partij op kan komen tegen de uitspraak van een lagere rechter. In strafzaken kan zowel de verdachte als de Officier van Justitie in hoger beroep gaan. In ons land kan dat maar 1 x.

65 HOMOFILIE: Seksuele gerichtheid op personen van hetzelfde geslacht.

66 HUGO de GROOT: wordt ook wel de vader van het volkerenrecht genoemd. Zijn boek: het recht van oorlog en vrede uit 1625 is wereldberoemd. Hij maakte een onderscheid tussen “rechtvaardige” oorlogen en “onrechtvaardige” oorlogen.

67 HUISVREDEBREUK; delict dat bestaat uit het wederrechtelijk binnendringen van een door een ander bewoonde woning.

68 I.R.T.: Interregionaal Recherche Team; samenwerking van Rechercheteams uit verschillende politietressorts. Vooral bekend geworden door de parlementaire enquête o.l.v. het overleden kamerlid van Traa.

69 “IN EFFIGE GEHANGEN”: bij verstek tot de dood veroordeeld.

70 In handen van de schout en de schepenen.

71 INQUISITIE: Kerkelijke rechtbank die door de Paus was ingesteld om ketters te vervolgen. Vooral actief na de Reformatie.

72 INQUISITOIR STELSEL; strafproces waarbij de verdachte voorwerp van onderzoek is en niet gelijkwaardig aan de aanklager. Het Nederlands strafproces is inquisitoir tot aan de behandeling op de terechtzitting.

73 JURISDICTIE: Letterlijk rechtspraak, meestal gebruikt in de betekenis van competentie of rechtsmacht, de bevoegdheid van de rechter om zich met de aan hem voorgelegde geschillen bezig te houden. Een derde betekenis is die van het Ressort, het gebied waarin een rechter bevoegd is.

74 JUSTITIA: Bij de Romeinen de godin van het recht. Zij werd afgebeeld met als attributen een blinddoek, een weegschaal en een zwaard.

75 KANTONGERECHT: Laagste instantie van gewone rechtsspraak, waarin principe alleen eenvoudige zaken behandeld worden. Er wordt recht gesproken door een man of vrouw. In civiele zaken gaat zijn bevoegdheid tot f. 5000, -. Bij arbeidszaken en huurkwesties geldt deze bovengrens niet.

76 KAREL V: de vader van Fillips II.

77 KERKELIJK ASIELRECHT: het was een eeuwenoude traditie dat misdadigers op een kerkhof een vrijplaats vonden om aan rechtsvervolging te ontkomen. Amsterdam schafte dit recht in 1478 af.

78 KERKELIJKE RECHTSPRAAK: de Kerk van Rome had haar eigen wetten en verordeningen die haar volgelingen dienden na te komen. Zoniet dan kwam men voor de kerkelijke rechtbank.

79 KETTERS: Zij die afwijken van de lijn van de Kerk.

80 KLAUWBOEK : Een boek waarin kon worden nagegaan wie aan de beurt was om de rechtbank voor te zitten.

81 LANGS ILLEGALE WEG; niet volgens de wettelijke regels.

82 LEVENSLANGE GEVANGENISSTRAF; kan worden opgelegd in ons land en betekent in de praktijk dat iemand daadwerkelijk 20 jaar gevangenisstraf dient te ondergaan. Het is eenmaal in Nederland voorgekomen dat iemand tot 2 x levenslang is veroordeeld nl. Dr. O.

83 LEX FRISONUM: de eenheid in de Friese wetgeving die al bestond onder Karel de Grote in 802.

84 MET VOORBEDACHTE RADE: met opzet, willens en wetens een delict plegen.

85 MONTESQUIEU: de grondlegger van de 3 deling van de macht in een staat in de wetgevende- de uitvoerende- en de rechtelijke macht. Deze verlichtingsfilosoof schreef hierover in zijn boek “Over de geest der Wetten van 1748.

86 MOORD: Delict dat bestaat uit het opzettelijk en met voorbedachte rade doden van een ander.

87 OFFICIER VAN JUSTITIE; vertegenwoordiger van het Openbaar Ministerie bij rechtbank en Kantongerecht.

88 ONAFHANKELIJKE RECHTER: de rechter vertegenwoordigt de rechtelijke macht en is losstaand van de wetgevende en uitvoerende macht.

89 ONBEGELEID VERLOF: een TBS-er mag zonder toezicht zich buiten de kliniek bevinden.

90 ONVOORWAARDELIJKE GEVANGENISSTRAF; het zonder uitzondering volbrengen van een gevangenisstraf.

91 OPENBAAR MINISTERIE: staatsorgaan, met als voornaamste taken de leiding bij de opsporing van delicten, de vervolging van de daders, en de uitvoering van strafvonnissen.

92 OPENBARE ORDE: een rustig en geordend verloop van het leven van alledag.

93 PACIFICATIE VAN GENT: samenwerking tussen de Noordelijke en de Zuidelijke gewesten waarin men gezamenlijk optrok tegen het Spanje van Fillips II. Gesloten in 1576.

94 PEDOFILIE; overheersende neiging tot geslachtsomgang met kinderen of zeer jeugdige personen.

95 PELERIN: Luitenantvoogd van Staats-Valkenburg. Hij pleitte als eerste voor een matiging van straffen en pleitte voor afschaffing van de tortuur.

96 PENETENTIAIRE INRICHTING: moderne naam voor gevangenis.

97 PIETER BAAN CENTRUM; psychiatrische observatiekliniek van het gevangeniswezen, gevestigd te Utrecht. De naam is ontleend aan de oprichter en eerste directeur Pieter Baan. Tijdens het gerechtelijk vooronderzoek kan de rechter de verdachte hier laten onderzoeken op een mogelijke gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens.

98 PIJNBANK; primitief soort operatietafel, voorzien van allerlei folterinstrumenten. De pijnbank werd in de meeste West-Europese landen tot aan de Franse Revolutie gebruikt om verdachten bekentenissen te ontlokken.

99 PROCES EXTRAORDINARIUS; een procesvorm die inquisitoir van aard is en wordt gekenmerkt door geheim onderzoek en een in de regel schriftelijke behandeling waarbij voor de verdediging weinig ruimte is.

100 PRODUCTIEHUISHOUDING: De gezinnen vormden tijdens de Middeleeuwen een

eigen zelfstandige eenheid.

101 PSYCHOLOOG: zielkundige, iemand die de psychologie beoefent. (Kennis heeft van

de menselijke ziel)

102 RAAD van STATE: hoogste adviesorgaan van de regering.

103 RAAD voor de KINDERBESCHERMING: organisatie die de zorg heeft van door de

rechter uit de ouderlijke macht gezette kinderen.

104 RAADKAMER; kamer waarin de rechters van een Rechtbank zich terugtrekken om te

beraadslagen over het vonnis. De rechters zijn verplicht het geheim van de

Raadkamer te bewaren.

105 RAADSPENSIONARIS: Secretaris van de Staten Generaal, soort minister van

Buitenlandse Zaken. Bekendste is wel Oldenbarneveldt.

106 RADBRAKEN: In vroeger eeuwen in Europa de zwaarste vorm van doodstraf.

De veroordeelde werd op een rad (wagenwiel) gebonden, waarna zijn

ledematen werden gebroken.

107 RECHTELIJKE MACHT; onderdeel van de Trias Politica van Montesqiueu, de 3 deling

van de macht in een staat.

108 RECHTSORDE: Het geheel van Wetten en Verordeningen en Besluiten

109 RECHTSSTAAT: Staat waarin de overheid in de uitoefening van haar macht beperkt

wordt door het recht.

110 RECIDIVEREN: Hier bedoelt men in het strafrecht mee dat een verdachte opnieuw een delict pleegt.

111 REGERING: Uitvoerende macht: koningin en ministers gezamenlijk

112 REPUBLIEK; hiermee wordt de statenbond van de 7 verenigde provinciën

bedoeld die samenwerkten op het gebied van economische, militaire en

buitenlandse zaken, maar voor de rest autonome gewesten waren.

113 RESOCIALISATIEGEDACHTE; de gevangenisstraf hoort mede dienstbaar te zijn aan

de voorbereiding van de gedetineerde op de maatschappij.

114 ROMEINS RECHT; door de Romeinen gedurende een periode van 1000 jaar

ontwikkeld rechtstelsel, waarvan het belang ver uit is gegaan boven de tijd

waarin het ontstond. Zie voor enkele voorbeelden blz. 35 van de reader.

115 SCHEIDING TUSSEN KERK EN STAAT; hierbij werd het kerkelijk recht

alleen van toepassing verklaard in kerkelijke zaken. Dit had alles te maken met de

vrijheid van godsdienst en de afschaffing van staatsgodsdienst.

116 SCHEPENEN: Diegenen die verantwoordelijk waren voor een goede

Rechtsuitvoering

117 SCHEPENEN: Zij die als rechters functioneerden. Bestuur en rechtspraak waren in

die tijd niet gescheiden

118 SCHOUT: staat aan het hoofd van de schepenen,

119 SEPONEREN; een strafzaak terzijde leggen, niet vervolgen. Het Openbaar

Ministerie heeft de vrijheid een zaak terzijde te leggen om redenen van

algemeen belang. Ook beleidsoverwegingen en gebrek aan bewijs kunnen

daarvoor redenen zijn.

120 SERIEMOORDENAAR: Een moordenaar die meerdere slachtoffers heeft gemaakt b.v. “Goeie Mie” en de pas overleden Hans van Zon.

121 SEXUELE INTIMIDATIE: iemand tegen zijn zin dwingen tot seksueel contact.

122 SODOMIE: Scheldwoord gebruikt voor persoon die “tegennatuurlijke seks “ beoefend. Werd met de doodstraf bestraft.

123 SOEVERREIN BESLUIT van 1813: hierbij werd met de komst van het Koninkrijk Nederland het strafstelsel herzien

124 SPIEGELSTRAF; naast de doodstraf werden ook voor het ten uitvoering brengen ervan andere straffen uitgevoerd zoals b.v. het zwart maken van het gezicht of het afhakken van de handen.

125 STADHOUDER: De plaatsbekleder van de vorst binnen een gewest. Stond aan het hoofd van het leger.

126 STADSRECHT: De Landsheer verleende aan steden het recht om binnen hun gebied zelf het recht uit te oefenen.

127 STATEN GENERAAL: hierin waren de 7 provincies vertegenwoordigd. Hierin werden de gezamenlijke zaken besproken (Zie Republiek)

128 STATEN GENERAAL: Nederlandse volksvertegenwoordiging opgericht in 1814. Parlement genoemd, de eerste en tweede Kamer. Ten tijde van de Republiek der Verenigde Nederlanden kwamen in de Staten - Generaal de vertegenwoordigers van de gewesten bijeen.

129 STEEKPENNINGEN: vorm van omkoping, waarbij men d.m.v. geldelijk giften onrechtmatig voordeel probeert te behalen.

130 STRAFRECHTSSPRAAK: recht met betrekking tot strafbare feiten en de daaraan verbonden sancties.

131 TBR: In 1928 werd het Nederlandse strafrecht uitgebreid met de zogenaamde psychopatenwetten. Het ging vooral om diegenen die verminderd toerekeningsvatbaar waren ten tijde van het delict. Daar moest een adequate opvang voor komen. De bedoeling was vooral om herhaling te voorkomen. TBR staat voor Terbeschikkingstelling van de Regering.

132 TBS; is de nieuwe naam voor TBR. Maatregel in het strafrecht. De rechter kan TBS opleggen bij ontoerekeningsvatbaarheid van de dader. Voorwaarden zijn dat de dader gevaarlijk is voor anderen of voor de algemene veiligheid van personen en goederen. TBS kan worden opgelegd al of niet met plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis. Voor de oplegging van deze straf moet de rechter zich laten adviseren door het Pieter Baan Centrum te Utrecht.

133 THEATRALE STRAFFEN; straffen die als bijkomend doel hadden om als schouwtoneel voor de bevolking te dienen, ter lering en ter vermaak.

134 TORTUUR; het toepassen van martelingen om een verdachte tot bekentenis te krijgen.

135 TOTALITAIR REGIEM; een bestuur van een land dat de burgers van dat land de gewone vrijheden ontzeg t.b.v. dictaturen

136 TUCHTHUIS: Tehuis waarin gevangenen werden heropgevoed In 1596 werd in Amsterdam de eerste in gebruik genomen.

137 TWAALFJARIG BESTAND: periode van 12 jaar van 1609 tot 1621 waarin de Noordelijke Nederlanden met Spanje een wapenstilstand waren overeengekomen.

138 TWEEDELING; uitvoering van een straf waarbij de veroordeelde letterlijk door midden werd gezaagd’

139 UITVOERENDE MACHT: de regering van ons land

140 UNIE VAN ATRECHT: de zuidelijke gewesten stappen uit de Pacificatie van Gent en steunen Fillips II tegen de Noordelijke gewesten.

141 UNIE VAN UTRECHT: einde van de Pacificatie van Gent, waarbij de Noordelijke gewesten besluiten allen verder te gaan in hun strijd tegen Fillips II in 1579. Wordt algemeen gezien als het begin van het ontstaan van ons land.

142 VAN MESDAG KLINIEK; kliniek in Groningen, waar tbs-veroordeelden worden behandeld. Ook wel de “hel” van het Noorden genoemd door de gedetineerden.

143 VERKLARING RECHTEN VAN DE MENS: rechten die onontbeerlijk worden geacht voor de ontplooiing van het individu. In de universele verklaring van de rechten van de mens van 1948 wordt daar een opsomming van gegeven.

144 VERMINDERDE TOEREKENINGSVATBAARHEID: het niet volledig verantwoordelijk zijn voor zijn misdaden. Een verdachte kan door de rechter verminderd toerekeningsvatbaar worden verklaard wanneer duidelijk is dat hij de draagwijdte van zijn daad niet geheel overzag b.v. in verband met een psychische afwijking. Een en ander kan leiden tot TBS.

145 VERORDENINGEN: Algemeen bindende regeling van lagere overheden. Zowel de gemeenten als de provincies hebben de mogelijkheid deze op te stellen.

146 VIERSCHAAR: Oorspronkelijk een door 4 koorden afgezette plaats. Binnen deze afgeschermde plaats werd recht gesproken.

147 VILDERS: Beroepsgroep die naast hun gewone werkzaamheden, assistenten waren van de scherprechter en belast waren met het opruimen van de lichamen van de veroordeelden.

148 VOLKSPETITIONNEMENT; een massaal door het volk ondertekende verklaring.

149 VOLKSVERTEGENWOORDIGING: in ons land de 1e en 2e Kamer, Provinciale Staten en De Gemeenteraden gekozen door middel van verkiezingen.

150 VOLTAIRE: Behoorde ook tot de filosofen van de Verlichting. Zij gingen er vanuit dat de mens van nature goed was, maar dat de omstandigheden waarin mensen moesten leven de reden was voor de slechtheid van de mens.

151 VOORWAARDELIJKE GEVANGENISSTRAF MET EEN PROEFTIJD VAN 2 JAAR zie hiervoor VOORWAARDELIJKE VEROORDELING.

152 VOORWAARDELIJKE INVRIJHEIDSSTELLING: bij goed gedrag wordt een gedetineerde na het uitzitten van 2/3 van zijn straf in vrijheid gesteld. Echter onder de voorwaarde dat de gestrafte zich aan de rechtsregels houdt.

153 VOORWAARDELIJKE VEROORDELING: dit wil zeggen dat een deel van de straf niet ten uitvoer zal worden gebracht als de veroordeelde gedurende een proeftijd van maximaal 3 jaar geen delict pleegt en de door de rechter gestelde voorwaarden nakomt.

154 VREDE van MUNSTER: hierbij werd de Republiek in 1648 door Spanje als soevereine staat erkend.

155 WATERPROEF: Hierbij werd de verdachte gebonden in het water geworpen, zonk hij niet dan was zijn schuld aangetoond.

156 WEDERDOPERS: Ketters die geloofden dat het einde der tijden nabij was.

157 WEEKENDVERLOF: Het recht van een gedetineerde om in het laatste gedeelte van zijn of haar straf in het weekend buiten de gevangenis door te brengen.

158 WEERWOLF: zo werd iemand genoemd die een kattenvel over zijn hoofd had getrokken. Dit werd bestraft.

159 WETBOEK van STRAFRECHT 1886: een verdere vereenvoudiging van het strafrecht al ingezet met het soeverein besluit van 1813. Als hoofdstraffen gelden slechts; gevangenisstraf, hechtenis en geldboetes. (De doodstraf werd al in 1870 afgeschaft.)

160 WETBOEK VAN STRAFRECHT 1886: hierop is het huidige Wetboek van strafrecht gebaseerd en verving in 1886 de Code Penal.

161 WETGEVENDE MACHT: het Parlement samen met de regering.

162 WETTEN: Onderdeel van de rechtsorde. Deze worden door de wetgevende macht (Parlement) aangenomen en zijn dan algemeen geldig.

163 WRAKINGSVERZOEK; middel waarmee in burgerlijke of strafzaken een der procespartijen kan verhinderen dat een bepaalde rechter de zaak berecht uit vrees voor diens partijdigheid.

164 WURGPAAL; paal waaraan men door wurging om het leven werd gebracht.