We hebben 97 gasten online

48) Meerkeuze- en Open vragen Strafrecht in Historische Perspectief

Gepost in Strafrecht in Historie

 

MEERKEUZEVRAGEN STRAFRECHT IN HISTORISCH PERSPECTIEF

1. Welke rechtbank staat bekend als “appelrechtbank”?

a. kantongerecht

b. arrondissementsrechtbank

c. gerechtshof

d. hoge raad

 

2. We spreken van collegiale rechtspraak als:

a. de griffier wordt bijgestaan door een rechter

b. de officier van justitie gesteund wordt door de rechtbank

c. de officier van justitie en de verdediger tot dezelfde conclusie komen

d. er door drie rechters recht gesproken wordt

 

3. Bijzonder aan de rechtspraak van de Romeinen was:

a. Dat een verdachte zich niet meer kan verdedigen

b. Dat een verdachte kan worden gestraft als hij zijn onschuld niet kan bewijzen

c. Dat de rechten en plichten van de burgers in wetten werden vastgelegd

d. De rechten en plichten waren voor elke bevolkingsgroep anders

 

4. De scheiding van de machten in de staat is een uitwerking van de ideeën van:

a. Voltaire

b. Condorcet

c .Hugo de Groot

d. Montesquieu

 

5. Cesare Beccaria schreef in 1764 een beroemd boek” Over misdaden en straffen” Hierin:

a. was hij van mening dat marteling was toegestaan

b. was hij voor de doodstraf

c. vond hij dat straffen zo gekozen moesten worden dat zij indruk maakten

d. sprak hij zich uit tegen de waterproef

 

6. In het accusatoire strafproces:

a. zijn klager en beschuldigde gelijkwaardige partijen

b. zijn klager en beschuldigde ongelijkwaardige partijen

c. moet een beschuldigde zijn onschuld aantonen

d. moet een klager de schuld van de beschuldigde aantonen

 

7. Het inquisitoire proces werd ingevoerd

a. door de Romeinen

b. in de Bataafse republiek

c. in de Republiek der Nederlanden

d. tegen het einde van de Middeleeuwen

 

8. Wat hoort niet tot het inquisitoire proces?

a. de rechter zoekt nu zelf naar de waarheid

b. de bekentenis werd bepalend

c. klager en beschuldigde waren gelijkwaardig

d. de pijnbank werd ingevoerd

9.
Een “Vierschaar” is

a. een vierhoekig knipwerktuig

b. een ingeperkte ruimte, waarbinnen de rechters zetelden

c. een samenwerkingsverband van de boeren op het platteland

d. een plaats waar gewoonterecht werd gesproken

 

10. Een baljuw was:

a. de toepasser van tortuur

b. de heffer van de stedelijke belasting

c. heer van een gewest

d. ambtenaar die toezag of de rechtspraak juist verliep

 

11. Nederland is een rechtsstaat. Dit blijkt uit:

a. de overheid heeft invloed op de rechtelijke macht

b. de rechten van de burgers worden gewaarborgd

c. er geen scheiding van machten is

d. je zonder vorm van proces kunt worden vastgehouden

 

12. Tot de grondrechten behoort NIET:

a. Vrijheid van meningsuiting

b. vrijheid van vereniging

c. vrijheid van godsdienst

d. vrijheid van strafrecht.

 

13. Onder burgerlijke rechtspraak verstaan we:

a. beoordeling van misdrijven en overtredingen

b. Sprake van een geschil tussen burger en overheid

c. vorderingen uit arbeidsovereenkomsten

d. regelt de geschillen tussen burgers onderling.

 

14. Onder cassatierechtspraak verstaan we:

a. een zaak die dient voor het kantongerecht

b. een beroepszaak die dient voor het gerechtshof

c. een zaak die leidt tot vernietiging van een vonnis en niet tot een wijziging

d. een beroepszaak bij de arondissementsrechtbank

 

15. Bij een strafproces staan tegenover elkaar

a. De staat vertegenwoordigt door iemand van het Openbaar ministerie en de verdachte bijgestaan door een advocaat

b. De gemeente tegenover de provincie

c. De werkgever tegenover de werknemer bij een ontslagprocedure

d. De burger en de ombudsman tegenover de Raad van State

 

16. Onder rechtsorde verstaan we:

a. De grondwet

b. De jurisprudentie

c. De grondwet en alle wetten die daarvan zijn afgeleid

d. Het hele stelsel van wetten en verordeningen

 

17. Wie staat bekend als de “ambtenaar van het Openbaar Ministerie”?

a. deurwaarder

b. raadsman van de verdachte

c. rechter

d. officier van justitie

18.
Administratieve rechtspraak wordt bedreven in:

a. Staten Generaal

b. Hoge Raad

c. Arrondissementsrechtbank

d. Raad van State

 

19. Wat is FOUT: Een rechter:

a. is gebonden aan wetten

b. dient onpartijdig te zijn

c. wordt telkens voor 10 jaar benoemd

d. staat onafhankelijk van de regering

 

20. Jurisprudentie is vooral belangrijk voor:

a. de rechtsprocedure

b. de wetgeving inzake rechtsspraak

c. de juridische bijstand

d. het vonnis

 

21. Nieuw in de Criminele Ordinantiën was:

a. de strikte scheiding tussen formeel en materieel strafrecht

b. het opheffen van de scheiding tussen formeel en materieel strafrecht

c. dat de verdachten er minder zware straffen door kregen

d. dat de getuige en verdachte door de rechter werden gehoord

 

22. De nadruk in de Criminele Ordinantiën lag op

a. het accusatoire strafproces

b. het extraordinaire strafproces

c. het kerkelijk strafproces

d. het militaire strafproces

 

23. De Criminele Ordinantiën werden uitgevaardigd door:

a. Willem van Oranje

b. Karel V

c. Fillips II

d. Karel de Stoute

 

24. Een van de belangrijkste kenmerken van het inquistionaire strafproces is:

a. de toepassing van tortuur

b. het horen van getuigen

c. schriftelijke verslaglegging

d. de getuigeverklaring van de beschuldigde zelf

 

25. Zet in de juiste volgorde:

a. Criminele Ordinantiën, Code Penal, Crimineel Wetboek, Wetboek van Strafrecht

b. Criminele Ordinantiën, Crimineel Wetboek, Code Penal, Wetboek van Strafrecht

c. Crimineel Wetboek, Criminele Ordinantiën, Wetboek van Strafrecht, Code Penal,

d. Code Penal, Crimineel Wetboek, Criminele Ordinantiën, Wetboek van Strafrecht

 

26. Met de Bataafse regering wordt bedoeld:

a. De regering van Napoleon

b. De regering van de Bataven

c. De regering van Lodewijk Napoleon

d. De regering van de Fransen vanaf 1795

 

27. Landschap zonder galg en rad werd doorgevoerd tijdens

a. de bezetting door de Pruisische troepen

b. de Bataafse regering

c. Willem van Oranje tijdens de 80 - jarige oorlog

d. Lodewijk de XIV

 

28. De tortuur werd definitief afgeschaft

a. in de late Middeleeuwen

b. bij de vrede van Munster

c. bij de Pacificatie van Gent

d. tijdens de Bataafse Republiek

 

29. Tot ontheffing uit de ouderlijke macht kan besluiten

a. de officier van justitie

b. de advocaat

c. de griffier

d. de rechter

 

30. de Coornhert liga heeft als doel:

a. de bestrijding van de jacht op de Hoge Veluwe

b. omvorming van het strafrecht

c. afschaffing van het strafrecht

d. ontplooiing van ieder mens.

 

31. Voor 1795 was er in ons land

a. een duidelijke scheiding tussen bestuur en rechtspraak

b. waren bestuur en rechtspraak meestal niet gescheiden

c. was er een scheiding van kerk en staat

d. was er in de gewesten eenheid van rechtspraak

 

32. De raadspensionaris van de Republiek was:

a. de hoogste ambtenaar van een gewest

b. secretaris van de Staten Generaal

c. Hoofd van het leger

d. Voorzitter van de Generaliteitslanden

 

33. De Republiek was:

a. een statenbond

b. een eenheidsstaat

c. onderdeel van Fillips bezittingen

d. deel van het Habsburgse rijk

 

34. In de acte van Seclusie werd beloofd:

a. dat Engeland zeggenschap zou houden in de gewesten

b. dat de Republiek Engeland zou steunen tegen Frankrijk

c. dat Holland nooit meer een Oranje tot stadhouder of kapitein generaal zou benoemen

d. dat de Republiek Frankrijk zou steunen tegen Engeland.

 

35. Een Zoenbrief is:

a. een akte m.b.t. verzoening tussen twee partijen naar aanleiding van doodslag

b. een akte waarin echtgenoten elkaar trouw beloofden

c. een akte waarin werd afgezien van bloedwraak

d. een akte waarin de straf tegen de verdachte werd uitgesproken

 

36. Generaliteitslanden zijn:

a. landen onder bestuur van de stadhouder

b. landen die onder direct toezicht stonden van de Staten Generaal

c. landen die bestuurd werden door het leger

d. landen die veroverd zijn door de Republiek

 

37. De bloedvete is:

a. via een duel je gelijk krijgen

b. zonder vorm van proces de doodstraf krijgen

c. plicht van familieleden om de dood van een familielid te wreken

d. een poging om “ weergeld “ te innen.

 

38. Kerkelijk asielrecht hield in:

a. dat verbannen mensen hier toch mochten komen

b. dat misdadigers op het kerkhof een vrijplaats vonden voor rechtsvervolging

c. andersdenkenden in de kerk hun toevlucht konden zoeken

d. dat getuigen door de kerk werden beschermd

 

39. Onder inquisitie wordt verstaan:

a. de kerkelijke rechtbank

b. de toepassing van het burgerlijke recht

c. de toepassing van het strafproces

d. onderzoek door landelijke gezagsdragers

 

40. De Criminele Ordinantiën probeerde:

a. afzonderlijk strafrecht te regelen in de gewesten

b. het centrale gezag van Fillips II te versterken

c. Willem van Oranje onder het strafrecht te laten vallen

d. uniformiteit op het gebied van hetstrafprocesrecht in de 17 gewesten te brengen.

 

Dit deel bestaat uit 50 Multiple Choice vragen

1. Nederland is een rechtsstaat. Dit blijkt uit:

a) de overheid heeft invloed op de rechtelijke macht

b) de rechten van de burgers worden gewaarborgd

c) er geen scheiding van machten is

d) je zonder vorm van proces kunt worden vastgehouden

2. Tot de grondrechten behoort NIET:

a) Vrijheid van meningsuiting

b) vrijheid van vereniging

c) vrijheid van godsdienst

d) vrijheid van strafrecht.

3. Onder burgerlijke rechtspraak verstaan we:

a) beoordeling van misdrijven en overtredingen

b) Sprake van een geschil tussen burger en overheid

c) vorderingen uit arbeidsovereenkomsten

d) regelt de geschillen tussen burgers onderling.

4. Onder cassatierechtspraak verstaan we:

a) een zaak die dient voor het kantongerecht

b) een beroepszaak die dient voor het gerechtshof

c) een zaak die leidt tot vernietiging van een vonnis en niet tot een wijziging

d) een beroepszaak bij de arondissementsrechtbank

5. Bij een strafproces staan tegenover elkaar

a) De staat vertegenwoordigt door iemand van het Openbaar ministerie en de verdachte bijgestaan door een advocaat

b) De gemeente tegenover de provincie

c) De werkgever tegenover de werknemer bij een ontslagprocedure

d) De burger en de ombudsman tegenover de Raad van State

6. Onder rechtsorde verstaan we:

a) De grondwet

b) De jurisprudentie

c) De grondwet en alle wetten die daarvan zijn afgeleid

d) Het hele stelsel van wetten en verordeningen

7. Wie staat bekend als de “ambtenaar van het Openbaar Ministerie”?

a) deurwaarder

b) raadsman van de verdachte

c) rechter

d) officier van justitie

 

8. Administratieve rechtspraak wordt bedreven in:

a) Staten Generaal

b) Hoge Raad

c) Arondissementsrechtbank

d) Raad van State

9. Wat is FOUT: Een rechter:

a) is gebonden aan wetten

b) dient onpartijdig te zijn

c) wordt telkens voor 10 jaar benoemd

d) staat onafhankelijk van de regering

10. Jurisprudentie is vooral belangrijk voor:

a) de rechtsprocedure

b) de wetgeving inzake rechtsspraak

c) de juridische bijstand

d) het vonnis

11. Welke rechtbank staat bekend als “appelrechtbank”?

a) kantongerecht

b) arondissementsrechtbank

c) gerechtshof

d) hoge raad

12. We spreken van collegiale rechtspraak als:

a) de griffier wordt bijgestaan door een rechter

b) de officier van justitie gesteund wordt door de rechtbank

c) de officier van justitie en de verdediger tot dezelfde conclusie komen

d) er door drie rechters recht gesproken wordt

13. De cellulaire opsluiting van de misdadigers gedurende de eerste vijf jaar van hun straftijd werd in ons land als straf ingevoerd:

a) door de Fransen in de Bataafse Tijd

b) door Alva in de Criminele Ordinantiën

c) sinds de Code Penal

d) sinds het Wetboek van Strafrecht van 1886

14. Zet in de juiste tijdsvolgorde van invoer in ons land

a) resocialisatie-gedachte, voorwaardelijke in vrijheidsstelling ,voorwaardelijke veroordeling, cellulaire opsluiting

b) cellulaire opsluiting, voorwaardelijke veroordeling, voorwaardelijke in vrijheidsstelling, resocialisatie-gedachte

c) voorwaardelijke veroordeling, resocialisatie-gedachte, voorwaardelijke invrijheidsstelling, cellulaire opsluiting

d) cellulaire opsluiting, resocialisatie-gedachte, voorwaardelijke veroordeling, voorwaardelijke invrijheidsstelling.

 

15. Bijzonder aan de rechtspraak van de Romeinen was:

a) Dat een verdachte zich niet meer kan verdedigen

b) Dat een verdachte kan worden gestraft als hij zijn onschuld niet kan bewijzen

c) Dat de rechten en plichten van de burgers in wetten werden vastgelegd

d) De rechten en plichten waren voor elke bevolkingsgroep anders

16. De scheiding van de machten in de staat is een uitwerking van de ideeën van:

a) Voltaire

b) Condorcet

c) Hugo de Groot

d) Montesquieu

17. Cesare Beccaria schreef in 1764 een beroemd boek” Over misdaden en straffen” Hierin:

a) was hij van mening dat marteling was toegestaan

b) was hij voor de doodstraf

c) vond hij dat straffen zo gekozen moesten worden dat zij indruk maakten

d) sprak hij zich uit tegen de waterproef

18. In het accusatoire strafproces:

a) zijn klager en beschuldigde gelijkwaardige partijen

b) zijn klager en beschuldigde ongelijkwaardige partijen

c) moet een beschuldigde zijn onschuld aantonen

d) moet een klager de schuld van de beschuldigde aantonen

19. Het inquisitoire proces werd ingevoerd

a) door de Romeinen

b) in de Bataafse republiek

c) in de Republiek der Nederlanden

d) tegen het einde van de Middeleeuwen

20. Wat hoort niet tot het inquisitoire proces?

a) de rechter zoekt nu zelf naar de waarheid

b) de bekentenis werd bepalend

c) klager en beschuldigde waren gelijkwaardig

d) de pijnbank werd ingevoerd

21. Een “Vierschaar” is

a) een vierhoekig knipwerktuig

b) een ingeperkte ruimte, waarbinnen de rechters zetelden

c) een samenwerkingsverband van de boeren op het platteland

d) een plaats waar gewoonterecht werd gesproken

22. Een baljuw was:

a) de toepasser van tortuur

b) de heffer van de stedelijke belasting

c) heer van een gewest

d) ambtenaar die toezag of de rechtspraak juist verliep

 

23. Voor 1795 was er in ons land

a) een duidelijke scheiding tussen bestuur en rechtspraak

b) waren bestuur en rechtspraak meestal niet gescheiden

c) was er een scheiding van kerk en staat

d) was er in de gewesten eenheid van rechtspraak

24. De raadspensionaris van de Republiek was:

a) de hoogste ambtenaar van een gewest

b) secretaris van de Staten Generaal

c) Hoofd van het leger

d) Voorzitter van de Generaliteitslanden

25. De Republiek was:

a) een statenbond

b) een eenheidsstaat

c) onderdeel van Fillips bezittingen

d) deel van het Habsburgse rijk

26. In de acte van Seclusie werd beloofd:

a) dat Engeland zeggenschap zou houden in de gewesten

b) dat de Republiek Engeland zou steunen tegen Frankrijk

c) dat Holland nooit meer een Oranje tot stadhouder of kapitein generaal zou benoemen

d) dat de Republiek Frankrijk zou steunen tegen Engeland.

27. een Zoenbrief is:

a) een akte m.b.t. verzoening tussen twee partijen naar aanleiding van doodslag

b) een akte waarin echtgenoten elkaar trouw beloofden

c) een akte waarin werd afgezien van bloedwraak

d) een akte waarin de straf tegen de verdachte werd uitgesproken

28. Generaliteitslanden zijn:

a) landen onder bestuur van de stadhouder

b) landen die onder direct toezicht stonden van de Staten Generaal

c) landen die bestuurd werden door het leger

d) landen die veroverd zijn door de Republiek

29. Vilders zijn:

a) uitvoerders van gerechtelijke strafbepalingen

b) gedetineerden die in de gevangenis overleden waren

c) soldaten in de landen van Overmaas

d) uitvoerders van de doodstraf

30. De vonnissen tegen de Bokkerijders hadden de kenmerken van theatrale straffen:

a) omdat er een toneel werd opgevoerd

b) de vonnissen niet zo ernstig leken als het leek

c) omdat de terechtstellingen openbaar waren en werden uitgevoerd bij de woonplaats van de veroordeelden

d) omdat de rechters een vooraanstaande plaats innamen in de maatschappij

 

31. Een veroordeelde moest soms met de strop om de nek op het schavot staan:

a) om de dood door ophanging te ondergaan

b) als waarschuwing dat een grotere straf wachtte bij terugkeer of herhaling van een delict

c) om het theatrale karakter van een straf te laten zien

d) om gebrandmerkt te worden als veroordeelde

32. “In effigie gehangen” betekent:

a) De toepassing van magisch realisme

b) uitvoering van de straf door vrijwilligers

c) na de dood toch gehangen worden

d) bij verstek toch veroordeeld worden tot de galg

33. Waar pleitte Pelerin voor:

a) uitvoer van de doodstraf d.m.v. ophanging

b) stopzetting van theatrale straffen

c) preventie van misdrijven

d) uniformiteit in rechtsuitoefening

34. Het banditisme in de Maasvallei werd ook bevorderd door:

a) het ontbreken van een effectief centraal gezag

b) de rol van de baljuws

c) de militaire confrontaties die plaatsvonden

d) de aversie tegen de kerkelijke ambtsdragers

35. Als lichtste vorm van doodstraf werd gezien:

a) ophanging

b) tweedeling

c) waterproef

d) onthoofding

36. Wat was voor een veroordeelde heks de juiste straf

a) ophanging

b) waterproef

c) foltering op de pijnbank

d) de brandstapel

37. De bloedvete is:

a) via een duel je gelijk krijgen

b) zonder vorm van proces de doodstraf krijgen

c) plicht van familieleden om de dood van een familielid te wreken

d) een poging om “ weergeld “ te innen.

38. Kerkelijk asielrecht hield in:

a) dat verbannen mensen hier toch mochten komen

b) dat misdadigers op het kerkhof een vrijplaats vonden voor rechtsvervolging

c) andersdenkenden in de kerk hun toevlucht konden zoeken

d) dat getuigen door de kerk werden beschermd

 

39. Onder inquisitie wordt verstaan:

a) de kerkelijke rechtbank

b) de toepassing van het burgerlijke recht

c) de toepassing van het strafproces

d) onderzoek door landelijke gezagsdragers

40. De Criminele Ordinantiën probeerde:

a) afzonderlijk strafrecht te regelen in de gewesten

b) het centrale gezag van Fillips II te versterken

c) Willem van Oranje onder het strafrecht te laten vallen

d) uniformiteit op het gebied van het strafprocesrecht in de 17 gewesten te brengen

41. Nieuw in de Criminele Ordinantiën was:

a) de strikte scheiding tussen formeel en materieel strafrecht

b) het opheffen van de scheiding tussen formeel en materieel strafrecht

c) dat de verdachten er minder zware straffen door kregen

d) dat de getuige en verdachte door de rechter werden gehoord

42. De nadruk in de Criminele Ordinantiën lag op

a) het accusatoire strafproces

b) het extraordinaire strafproces

c) het kerkelijk strafproces

d) het militaire strafproces

43. De Criminele Ordinantiën werden uitgevaardigd door:

a) Willem van Oranje

b) Karel V

c) Fillips II

d) Karel de Stoute

44. Een van de belangrijkste kenmerken van het inquistionaire strafproces is:

a) de toepassing van tortuur

b) het horen van getuigen

c) schriftelijke verslaglegging

d) de getuigeverklaring van de beschuldigde zelf

45. Zet in de juiste volgorde:

a) Criminele Ordinantiën, Code Penal, Crimineel Wetboek, Wetboek van Strafrecht

b) Criminele Ordinantiën, Crimineel Wetboek, Code Penal, Wetboek van Strafrecht

c) Crimineel Wetboek, Criminele Ordinantiën, Wetboek van Strafrecht, Code Penal,

d) Code Penal, Crimineel Wetboek, Criminele Ordinantiën, Wetboek van Strafrecht

 

46. Met de Bataafse regering wordt bedoeld:

a) De regering van Napoleon

b) De regering van de Bataven

c) De regering van Lodewijk Napoleon

d) De regering van de Fransen vanaf 1795

47. Landschap zonder galg en rad werd doorgevoerd tijdens

a) de bezetting door de Pruisische troepen

b) de Bataafse regering

c) Willem van Oranje tijdens de 80 - jarige oorlog

d) Lodewijk de XIV

48. De tortuur werd definitief afgeschaft

a) in de late Middeleeuwen

b) bij de vrede van Munster

c) bij de Pacificatie van Gent

d) tijdens de Bataafse Republiek

49. Tot ontheffing uit de ouderlijke macht kan besluiten

a) de officier van justitie

b) de advocaat

c) de griffier

d) de rechter

50. de Coornhert liga heeft als doel:

a) de bestrijding van de jacht op de Hoge Veluwe

b) omvorming van het strafrecht

c) afschaffing van het strafrecht

d) ontplooiing van ieder mens.

Schoolexamen open vragen Strafrecht in Historisch Perspectief

Opdracht A Twaalf jaar cel voor balpenmoord uit NRC Handelsblad

ROTTERDAM, 14 OKT.

Een 25‑jarige man uit Leiden is gisteren door de rechtbank in Den Haag veroordeeld tot een gevangenisstraf van twaalf jaar wegens moord op zijn moeder. Volgens de rechtbank heeft de Leidenaar zijn moeder vermoord door met een kleine kruisboog een balpen in haar oog te schieten. De officier had vijftien jaar geeist. Op 25 mei 1991 werd in Leiden het stoffelijk overschot gevonden van de 53‑jarige M.V.T. Sectie door het gerechtelijke laboratorium in Voorburg leidde tot de vondst van een zwarte Bic‑ballpoint in de rechteroogkas. De pen was van buitenaf niet zichtbaar. De ballpoint was door een ooglid geboord en diep in de schedel doorgedrongen. Forensische onderzoekers sloten de mogelijkheid van een ongeval niet uit. De oogarts en hoogleraar J. Worst uit Haren hield het voor mogelijk dat het slachtoffer zich tijdens een val heeft gespiest op de pen die zij in haar hand hield. De verwonding van de vrouw was volgens de hoogleraar geheel in overeenstemming met de 'valincidenten' die hij had bestudeerd.

Toch ging de politie van meet af aan uit van moord. In 1991 werd tegen de echtgenoot en de drie kinderen van het slachtoffer een gerechtelijk vooronderzoek geopend. Dit onderzoek werd aanvankelijk afgesloten zonder dat bewijs werd gevonden dat een van de familieleden betrokken zou zijn geweest bij de moord.

Omdat de familieleden vonden dat zij onheus waren behandeld door de politie dienden zij een klacht in bij de Nationale Ombudsman. De politie had de familieleden onder meer verzuimd te vertellen dat zij niet als getuigen werden gehoord maar als verdachten. De Ombudsman stelde de familie in het gelijk.

Nadat een anonieme informant bij de politie dit jaar had verklaard dat zij van de zoon van het slachtoffer had gehoord dat hij zijn moeder 'met een kleine kruisboog' had gedood, werd het onderzoek heropend. De anonymus gaf uiteindelijk aan bereid te zijn een getuigeverklaring af te leggen, onder voorwaarde van strikte anonimiteit. Zij werd tijdens de terechtzitting door de rechtbank achter gesloten deuren gehoord. De getuige, die therapeute van de verdachte was, verklaarde dat haar client haar had verteld: "Mijn mammie was stout, dat zij dood is, is mijn schuld." Op haar vraag 'Heb jij dat gedaan?' zou de verdachte met 'ja' hebben geantwoord. De therapeute werkt volgens de relationeel emotieve trainingswijze (RET), een vorm van gedragstherapie.

Bij de vereniging van gedragstherapeuten wijst bestuurslid T.van der Schoot op de geldende geheimhoudingsplicht voor psychotherapeuten. Slechts onder nauw omschreven voorwaarden, zegt hij, mag een therapeut zich van zijn geheimhoudingsplicht ontheven weten. Volgens Van der Schoot is de eerste voorwaarde dat alles in het werk moet zijn gesteld om toestemming van de cliënt te verkrijgen de uit de behandeling verkregen kennis aan derden kenbaar te maken. In het geval van de 25‑jarige Leidenaar was dit niet gebeurd.

Ook over het waarheidsgehalte van de gegevens, die tijdens een therapie naar boven zijn gekomen, heeft Van der Schoot zijn bedenkingen. "Het is betreurenswaardig dat een psychologisch feit, zoals zich dat tijdens een therapie voordoet, wordt vermengd met een juridische werkelijkheid." Te bepalen wat in een therapie waarheid is, is volgens hem "een onmogelijke kwestie". Volgens de rechtbank was de verklaring van de therapeute echter zowel wettig als overtuigend.

Volgens een woordvoerder van een RET‑centrum in Haarlem kan iedereen de relationeel emotieve training geven. »Het is geen beschermde titel." De getuige staat ook niet als erkende therapeute ingeschreven bij het ministerie van VWS.

De rechtbank is bij de beoordeling van het bewijsmateriaal ook voorbij gegaan aan de stelling van oogarts Worst dat het onmogelijk is om met een kruisboog een Bic‑ballpoint zo diep het oog in te schieten dat tot aan de schedel hersenweefsel wordt verscheurd. Volgens de oogarts levert een handkruisboog daarvoor onvoldoende energie. "Zelfs bij een contactschot, vlak tegen het oog, verliest een zo licht object als een ballpoint snel energie vanwege de weerstand van ooglid en oog."

De verdediging heeft hoger beroep aangetekend.

Beantwoord de volgende vragen

A1. Welke rechtbank wordt bedoeld met de rechtbank?

A2. Tot welke straf werd de 25 jarige veroordeeld en was dat ook de eis van de officier van justitie.

A3. Wie vertegenwoordigt de Officier van Justitie

A4. Zou het ook een ongeval kunnen zijn geweest?

A5. Wat is een gerechtelijk vooronderzoek en wie voert dit uit?

A6. Waarom schakelde de familie de Nationale Ombudsman in?

A7. Moet een therapeut zich aan de geheimhoudingsplicht houden? Verklaar je antwoord!

A8. Wat blijkt uit de laatste alinea?

A9. Waarom heeft de verdediging hoger beroep aangetekend?

Opdracht B

Schadevergoeding voor 'balpenzaak'

ROTTERDAM, 26 JULI 1996

De 26‑jarige student Jim T. uit Leiden, die in april werd vrijgesproken van de 'balpenmoord', heeft van het openbaar ministerie een schadeloosstelling gekregen voor de tijd die hij in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. "Het geschil met de justitie en politie is in der minne geschikt", aldus de vader van de student. Het OM noch de familie T. wil zeggen hoe hoog de schadeloosstelling is.

Het Haagse gerechtshof sprak T. dit jaar vrij van moord. Het hof achtte niet bewezen dat T. zijn moeder met een kruisboog een balpen in het oog had geschoten, waardoor zij om het leven kwam.

Tegen T. was door de procureur generaal vijftien jaar gevangenisstraf geëist.

De 53 jarige moeder van T. werd in 1991 dood aangetroffen in haar woning. Na lijkschouwing bleek zij een Bic‑ballpoint in haar hoofd te hebben, die via het oog was binnengedrongen. Ofschoon forensische onderzoekers van meet af aan de mogelijkheid van een ongeval niet uitsloten, ging de Leidse politie uit van moord.

Op verdenking van moord werd in juni 1991 een gerechtelijk vooronderzoek geopend tegen de voormalige echtgenoot van het slachtoffer, zijn twee dochters en zijn zoon. Dit onderzoek werd in 1992 door de politie zonder resultaat afgesloten. De familie diende een klacht in bij de Nationale Ombudsman omdat hen tijdens de politieverhoren niet was verteld dat zij als verdachten werden beschouwd. Eind december 1993 stelde de Nationale Ombudsman de familie in het gelijk.

In augustus 1994 werd door de politie het onderzoek heropend, nadat twee mensen naar de politie waren gegaan met voor Jim belastende verklaringen. In oktober 1995 werd Jim door de Haagse rechtbank tot twaalf jaar celstraf veroordeeld voor moord op zijn moeder. De rechtbank veroordeelde T. vooral op basis van de verklaring van de anonieme therapeute.

Voor de beroepsvereniging van psychologen loopt nog een klacht tegen een voormalige therapeute van Jim T. Zij legde als anonieme getuige belastende verklaringen tegen hem af. Volgens Jim T.'s vader kan de familie na de schadeloosstelling weer langzaam de draad van een normaal bestaan oppakken".

Beantwoord de volgende vragen

B1. Hoe liep de “Balpenzaak” af?

B2. Hoe kwam het Haagse gerechtshof tot haar uitspraak?

B3. Toch had de Procureur-Generaal nog vijftien jaar geëist. Waarom?

B4. Wat is voorlopige hechtenis?

B5. Waarom gaf het Openbaar ministerie aan Jim T. een schadevergoeding?

B6. Wat is je eindoordeel over deze zaak?

Opdracht C

C1. Aan wie wordt meestal TBS opgelegd?

C2. Door wie wordt TBS opgelegd?

C3. Welke fasen kent een TBS behandeling?

C4. Welke 2 hoofddoelen heeft een TBS behandeling?

C5. Seksuele delinquenten krijgen vaak TBS. Leidt dit tot resultaat. Verklaar je antwoord!

C6. Wat is in dit kader proefverlof?

C7. Hoeveel keer is proefverlof in de jaren tachtig en negentig misgegaan met TBS gestelde zedendelinquenten en wat was het gevolg?

C8. Wie bepaalt of een TBS-er vrijkomt?

Opdracht D Uit de Volkskrant Hoofd van Pompekliniek: Automatisme in tbs-straf doorbreken

NIJMEGEN, 28 APRIL 1998-06-19

De maatregel van ter beschikkingstelling (tbs) moet drastisch worden herzien. Veroordeelden die tijdens het plegen van een misdrijf verminderd of geheel ontoerekeningsvatbaar waren moeten niet meer ongevraagd tbs opgelegd krijgen.

Dit bepleit het hoofd behandelteams van de Pompekliniek in Nijmegen, klinisch‑psychologe Y. van den Berg‑Lotz, vanmorgen in het dagblad Trouw. Veroordeelden moeten volgens haar de therapie 'verdienen' en vanuit hun gevangenschap naar een behandeling ‘solliciteren'.

Van den Berg verwacht hiermee het vastgelopen tbs‑circuit weer open te breken. In een reactie distantieert de directie van de Pompekliniek zich van het pleidooi. "De uitspraken zijn á titre personnel gedaan", reageert algemeen‑directeur Poelmann. De tbs‑maatregel schiet zijn doel voorbij, schrijft Van den Berg. Teveel veroordeelden doorlopen het dure tbs‑traject louter in verzet of ontkenning. Gevolg is dat zodra tbs‑patiënten vrijkomen, ze aanlopen tegen de problemen waarvoor ze eigenlijk behandeld hadden moeten worden, constateert de psychologe. Om de behandeling succesvoller te maken, dienen volgens Van den Berg de rollen te worden omgedraaid. Niet de kliniek zou de patiënt over de streep moeten trekken, maar de patiënt zou moeite moeten doen om voor een behandeling in aanmerking te komen. Een tbs‑behandeling is vier keer zo duur als verblijf in de gevangenis.

Dat betekent, aldus Van den Berg, dat de rechter een verdachte die voor tbs in aanmerking komt tot een maximale gevangenisstraf moet veroordelen. Tijdens die opgelegde straf kan een veroordeelde dan proberen een behandeling te krijgen door te solliciteren. De uitkomst van die sollicitatie zal afhangen van de motivatie, waarin de veroordeelde duidelijk maakt wat hij dan wel wil veranderen aan zichzelf. Voor psychopaten is volgens het plan van Van den Berg in de tbs‑kliniek geen plaats meer.

De afgelopen maanden is er maatschappelijke onrust ontstaan over de tbs‑maatregel, onder meer na enkele ontsnappingen. Ook werd vanochtend bekend dat een 42‑jarige tbs‑veroordeelde door een vormfout bij Justitie op vrije voeten is gekomen. Het ministerie verzuimde tijdig de tbs‑maatregel te verlengen. Het ministerie ontkent dat ze tekort is geschoten. De man pleegde in 1996 tijdens een proefverlof een verkrachting. Hij werd daarvoor naast zijn dwangverpleging veroordeeld tot vijftien maanden cel. De vrijgekomen tbs'er zit momenteel bij zijn vriendin.

Beantwoord de volgende vragen

D1. Welke conclusie trekt Van den Berg m.b.t. het TBS circuit?

D2. Hoe is de reactie van de Pompe kliniek?

D3. Wat stelt Van den Berg voor als oplossing?

D4. Wat is jouw mening over TBS. Verklaar je antwoord.