We hebben 142 gasten online

Selectie uit vragen en opdrachten deel 1 Strafrecht in historie

Gepost in Strafrecht in Historie

SELECTIE UIT VRAGEN EN OPDRACHTEN

voor 4 atheneum periode 4 Schooljaar 1999-2000 2e fase

 

STRAFRECHT IN HISTORISCH PERSPECTIEF

 

KEUZES TUSSEN GEVOEL EN VERSTAND

 

Deurne, maart 2000

 

J.W. Swaen, docent geschiedenis en staatsinrichting

 

Peellandcollege

Vragen en opdrachten bij Strafrecht in Historisch Perspectief

p.35

 

1.   Wat was er zo bijzonder aan de rechtspraak van de Romeinen?

2.   Welke beginselen gelden voor alle mensen en alle tijden?

3.   Welke belangrijke veranderingen kwamen er in de Middeleeuwen?

4.   Wat wordt gebruikt als symbool voor een rechtvaardige rechtspraak?

5.   Onder welk recht vielen de geestelijken in de Middeleeuwen?

p. 36

1.   Toon aan dat de invloed van de Kerk in de Middeleeuwen groot was.

2.   Geef 2 voorbeelden hoe men probeerde vast te stellen of iemand schuldig was.

3.   Toon aan dat men in de late Middeleeuwen weer aandacht kreeg voor de rechtspraak van de Romeinen.

4.   Waarom ging men de pijnbank invoeren?

p.37

1.    Beschrijf de Waterproef.

p.38

1.    Hoe heet het boek van Cesare Beccaria?

2.    Welke vragen stelt hij?

3.    Hoe moeten volgens Beccaria straffen worden gekozen?

4.    Is Beccaria voor of tegen streng straffen?

5.    Is Beccaria voor of tegen de doodstraf?

6.    Wat wilde Voltaire volgens Pieter Gay aantonen?

7.    Lukte het Voltaire?

8.    Wat is de betekenis van Montesquieu t.a.v. de macht in een staat?

p.39

1.    Hoe kon men zich zuiveren van een beschuldiging?

2.    Wat verstaan we onder gewoonterecht?

3.    Bij het uiteenvallen van het Karolingische Rijk was het centrale staatsgezag verdwenen. Wat was het directe gevolg?

4.    Wat is een Baljuw?

5.    Wat is een  ‘ mannenvierschaar’?

6.    Wat is de functie van een ‘schout’ en ‘schepenen’?

7.    Welke rechten worden  in de derde alinea  op blz. 40 genoemd?

8.    Wat verstaan we onder het Accusatoire stelsel?

9.    Wat verstaan we onder het Inquisitoire stelsel?

10.  Wanneer werd het Inquisitoire stelsel algemeen aanvaard

p. 41

1.    Waardoor werd Joost de Damhouders Crimineel Handbouck zo bekend?

p.42

1.    Wat beoogde men met de instelling van een tuchthuis?

2.    Waar moesten de tuchtelingen zich mee bezig houden?

3.    Aan het opsluiten van mensen met straf werd in de zestiende eeuw een nieuw element toegevoegd. Welk?

4.    Waarom en waartoe besloot men tot deze ontwikkeling?

p.43

1.    Noem een aantal andere vormen van dwangarbeid voorgesteld door Coornhert.

2.    Wat was het doel van een combinatie van straffen?

3.    Met welk doel vaardigde Filips II  De Criminele Ordonnanties uit?

4.    Hoe reageerden de Gewesten op De Criminele Ordonnanties?

5.    Waarom dienen we het aanwezige bronnenmateriaal kritisch te bekijken?

6.    Welk voordeel had de verdachte?

7.    Wat hield ‘ afslag ‘  van straftijd in?

8.    Welke conclusie wordt er in de laatste alinea getrokken?

p.47

1.    Welke conclusie kun je uit de eerste alinea trekken?

2.    Waarom waren er zoveel onderliggende verschillen tussen de Gewesten?

3.    Wat vond er plaats in de Bataafs-Franse tijd?

4.    Waardoor ontstonden er staatsrechtelijk wonderlijke verhoudingen?

5.    Noem een algemene rechtsbron in de Friese landen?

6.    Wat is de Saksische Ordonnantie van 1504?

p.48

1.    Wat betekend  ‘de Republiek was een statenbond’?

2.    Waaruit bestond de Staten Generaal in de Republiek?

3.    Waaruit werden de Statencolleges samengesteld?

4.    Welke rol vervulde de Raadspensionaris?

5.    Waarom was de stadhouder van Holland veel belangrijker dan de andere stadhouders?

6.    Wanneer bereikte de stadhouder zijn grootste macht?

7.    Omschrijf de veranderingen in ons staatsbestel tussen 1795 en 1810.

8.    Waardoor werd de Franse  tijd voor onze natievorming van groot belang?

9.    Hoe werd door de rechter de boete bepaald bij een toegebrachte verwonding?

10.  Waarvoor dienden Klauwboeken?

11.  Waaraan ontleenden de meeste steden hun rechten en waarin werden die opgenomen?

12.  Noem een van de oudste stadsrechten?

13.  Wat kwam in de Middeleeuwen vaak voor ( al of niet met opzet) en waarom

p.50

1.    Hoe heet het oudste Keurboek van Breda?

p.51

1.    Wat verstaan we onder coöptatie? Waarom deden de regenten dit?

2.    Waarom was het bestuur van Waterschappen zo belangrijk?

3.    Wat is een Dijkgraaf?

p.52

1.    Stadhouder - Koning Willem  III oefende in zijn heerlijkheid overheidsfuncties uit. Waaruit blijkt dat?

2.    Wat verstaan we onder een gunstige beschikking op een rekest?

p.53

1.    Wat zijn collatierechten?

2.    Wat is de akte van Seclusie?

3.    Hoe werden de provincies Overijssel, Gelderland en Utrecht in 1672 gestraft?

4.    Waardoor nam in 1747 het gewicht van het Stadhouderschap toe?

p.54

1.    Toon aan dat niet alle gebiedsdelen van de Republiek gelijkberechtigd waren.

2.    Wie ondernam een poging om de Unie van Utrecht te verbeteren?

3.    Wanneer bestond de Unie van Utrecht?

4.    Wat verstaan we onder een Generaliteitsland?

5.    Waardoor kwam aan de verscheidenheid van het bestuur in de gewesten een einde?

p.57

1.    Wie heeft een taak op het gebied van de openbare orde en het tegengaan van de criminaliteit?

2.    Hoe werd dit in praktijk gebracht?

3.    Wat werd er in het register van criminele vonnissen opgenomen?

4.    “Zoenbrief van Helmond 1419“ Wat is een zoenbrief?

5.    Wat valt je hierbij op?

p.58

1.    Wat is sodomie?

2.    Men sprak wel van een  ‘ Heksenjacht ‘, waarom?

p.59

1.    Welke rol vervulden de schutten?

2.    Onder welke naam zijn ze ook bekend?

3.    Waaruit blijkt dat in drie eeuwen weinig veranderd is?

p.63

1.    Wat was het verschil tussen buitenstaanders en ingezetenen bij de toepassing van

2.    het strafrecht?

3.    Hoe was de situatie voor de Franse Revolutie?

4.    Deel de Nederlandse samenleving in naar toepassing van de Nederlandse Rechtsorde.

5.    Waardoor werd ieders positie in de Nederlanden bepaald?

p.64

1.    Noem 2 belangrijke strafrechtelijke codificaties.

2.    Hoe ging men te werk bij getuigenverklaringen?

3.    Wat was de rechtspositie van zigeuners?

4.    Een rondreizend bestaan leidde vaak tot zware sancties. Waarom?

p.65

1.    Waardoor blijken de zwakheden in bestuur en rechtspraak?

2.    Hoe sterk was de positie van de gerechtelijke instanties?

p.65

1.    Wat was het belangrijkste doel van het verhoor?

2.    Waarom besloot men vaak tot snelle afwikkeling van een zaak?

p.66

1.    Wanneer wilde men geen snelle afwikkeling van een zaak?

2.    Waaruit bleek dat een bekentenis niet meer afdoende was?

3.    Geef een voorbeeld van een zorgvuldige manier waarop een rechtbank de identiteit van een verdachte probeerde vast te stellen.

p.67

1.   Hoe probeerden verdachten veroordeling te voorkomen?

2.   Wat was typerend voor de hele gang van zaken bij een strafverhoor?

3.   Hoe probeerden verdachten vaak strafvermindering te krijgen?

4.   Lukte dat weleens?

p.68

1.    Wat werd opvallend vaak genoemd als reden van excuus voor deelname aan criminele      activiteiten?

2.    Waarom trachtten verdachten eerdere veroordelingen verborgen te houden?

3.    Waarom zochten rechtbanken naar littekens?

p.69

1.    Toon aan dat er sprake is in onze tijd van standplaatsgebondenheid.

2.    Wanneer kon openbare lijfstraf alleen worden opgelegd?

3.    Wanneer werd de tortuur officieel afgeschaft?

4.    Wanneer mocht men tot tortuur overgaan?

5.    Toon aan dat het  kostenaspect ernstige vertraging kon veroorzaken.

6.    Hoe handelde de schout na een bekentenis?

p.70

1.    Waarom was het de bedoeling dat straffen wreed waren?

2.    Noem de gangbare ‘ lichtere ‘ vormen van straf?

3.    Wat hield de ‘ poena proxima mortis ‘ in?

4.    Wanneer werd men gehangen?

5.    Wanneer werd men onthoofd?

6.    Waarom veranderde de strafcode nauwelijks in de 17e en 18e eeuw?

p.71 

1.    Waar werd men in voorlopige hechtenis gehouden in plattelandsdistricten?

2.    Waardoor was de Gevangenenpoort in Den Haag bekend?

p.72

1.    Toon aan dat alle sociale en wettelijke regels zeer in het nadeel waren  van verdachten.

p.73

2.    Hoe probeerde Amsterdam te verhinderen dat vreemdelingen de stad binnendrongen?

3.    Welk belangrijk kwalitatief verschil was er in risico’s tussen stad en platteland.

4.    Wat was de rol van de milities op het platteland?

5.    Wat zijn Generale Jagten?

p.74

1.    Waarom werden schouten en baljuws wel gedwongen met elkaar samen te werken?

2.    Waardoor werd de opsporing en berechting van verdachten  in de  Republiek extra bemoeilijkt?

3.    Wanneer kwam er pas meer samenwerking?

p.75

1.    Welke rol speelde de verbanning als straf?

2.    Wat weerspiegelde het verbanningsbeleid in de Republiek?

3.    Wie profiteerden vooral hiervan?

p.76 

1.    Toch was er meer overeenkomst tussen stad en platteland in de Noordelijke Nederlanden m.b.t. de misdaad. Toon dat aan.

2.    Welke afzonderlijke categorie bestond alleen in de steden?

3.    Wat was het kenmerk van de Nederlandse stedelijke onderwereld?

p.77

1.    Welk vervoermiddel werd bij de criminele activiteiten gebruikt?

2.    Wat wordt ook nog typerend genoemd voor stadsdieven?

3.    Toon aan dat Andries Wissenhagen bij veel illegale  activiteiten betrokken was.

p.78

1.    Noem 6 karakteristieken van de georganiseerde stadsmisdaad in de Republiek.

p.79

1.    Wat toonde verkennend onderzoek aan?

2.    Welke scheiding bestond er wel en niet tussen de stedelijke en plattelandsonderwereld?

p.80

1.    Waarvoor zijn duidelijke aanwijzigingen?

2.    Wat kun je opmerken t.a.v. het begrip privacy?

p.81

1.    Wat toont de levensloop van Peter Bezems aan?

2.    Was er verschil tussen amateurs en professionals?

p.82

1.    Waaraan herkenden professionele criminelen elkaar?

2.    Wanneer gingen arme gezinnen op dievenpad?

p.83

1.    Welk soort overvallen kwam  ook wel voor?

2.    Kun je spreken van een aparte subcultuur?

p.84

1.    Wat was een van de opvallendste kenmerken van de structuur van de rechtspraak in de Republiek?

2.    Waarom was de Raad van Brabant in Den Haag gevestigd?

3.    Was er ‘ beroep ‘ mogelijk in de Republiek?

4.    Wat is de ‘ extra-ordinaire ‘ procedure?

5.    Had de doodstraf overal dezelfde rechtsmacht?

p.85

1.    Welk verschil was er tussen de Hollandse stadsgerechten en die van

2.    ‘s Hertogenbosch en Breda?

3.    Uit hoeveel schepenen bestond de schepenbank of vierschaar?

4.    Omschrijf het ambt van de schepenen

p.86

1.    Op welke 3 cruciale momenten in een strafrechtelijke procedure, moesten schepenen   beslissingen nemen?

2.    Wanneer mocht men pas tortuur toepassen?

3.    Wie bleef echter de werkelijke spil in de strafrechtspraak in de Republiek?

4.    Omschrijf de taken van een baljuw of schout.

p.89

1.    Waar is de benaming Bokkenrijders vermoedelijk van afkomstig?

2.    Waar waren de Bokkenrijders actief?

3.    Welke 3 fasen kan men in het optreden van de Bokkenrijders onderscheiden?

4.    Wat zijn vilders?

5.    Wat  kun je stellen over Bestuur en Rechtspraak in de landen van ‘ Overmaas ‘?

p.92

1.    Waarom wordt er gesproken over theatrale straffen?

2.    Hoe werd de strafuitvoering gezien?

3.    Waarom spreken we van straf als vertoning?

p.93 

1.    Hadden de straffen inderdaad een afschrikwekkende werking?

2.    Waarvoor dienden de strafvoltrekkingen in de eerste plaats?

3.    Omschrijf het symbolisch aspect van de straffen.

p.94

1.    Hoe trachtte men de aard van het delict in de straf tot uitdrukking te brengen?

2.    Welke straffen voegde men toe aan de doodstraf en wat hielden die in?

3.    Kwamen symbolische en theatrale elementen alleen voor bij de doodstraf?

p.95

1.    Waarom moest een veroordeelde soms met de strop om de nek op het schavot staan?

2.    Waarvoor scheen brandmerken gereserveerd te zijn?

3.    Hoe procedeerde men tegen voortvluchtige gevangenen?

4.    De vonnissen waren niet enkel gericht op een fysieke verwijdering. Geef daar drie voorbeelden van.

5.    Omschrijf de taak van de vilders als assistenten van de scherprechter.

p.96

1.    Waarom sprak men van aantasting van de integriteit van het lichaam?

2.    Beschrijf in dat verband ‘ aanzien ‘

p.97

1.    Hoe worden de Bokkenrijders in de streekliteratuur voorgesteld?

2.    Hebben zich  - als gevolg van de strafoefeningen -  belangrijke verschuivingen in het rekruteringsgebied van de benden voorgedaan?

3.    Wat kun je opmerken t.a.v. de komst  van de Fransen?

4.    Waarom verloren de terechtstellingen het effect van exemplarische straffen?

5.    De auteur constateert een algehele vermindering van de  Supplices. Hoe 

p.99

1.    Er was sprake van matiging van lijfstraffen. Wat kwam er in de plaats?

2.    Waren de hervormingsvoorstellen alleen te beschouwen als het resultaat van ‘humanitaire‘ overwegingen?

3.    Waar pleitte Pelerin voor?

4.    Welk voordeel had centralisatie van bestuur? ( zie Pruisen ).

p.100

1.    Welke eerste conclusie trekt de auteur t.a.v. de Bokkenrijders?

2.    Waarom kon aan het banditisme geen paal en perk worden gesteld?

3.    Welke rol vervulden militaire handelingen voor de Bokkenrijders?

4.    Wie waren in de eerste bende sterk vertegenwoordigd?

p.101

1.    Toch namen de Bokkenrijders zaken over van hun omgeving en gebruikten deze voor eigen doeleinden. Welke?

2.    Leg uit: “ Het leek erop dat de bende er niet zozeer was voor de overvallen “.

3.    Hoe presenteerden de benden zich ( 4 vormen).

4.    I s er hier door het gezag sprake van een constructie van banditisme  ‘ van bovenaf ‘?

p.104

1.    Wat kun je zeggen over de deelname als je kijkt naar periode I, II en III?

2.    Welke beroepsgroepen waren het meest vertegenwoordigd?

p.105/106

1.    Welke vonnissen werden het meest toegepast?

2.    Wat is ‘ in effigie ‘ gehangen?

3.    Wie werden aan een paal gewurgd?

4.    Waarom maakte men het gezicht zwart van veroordeelden?

5.    Hoeveel vonnissen werden uitgesproken en om hoeveel personen ging het in totaliteit?

p.111

1.    Wat was de lichtste vorm van doodstraf en op wie werd dit toegepast?

2.    Welke straf kreeg de gewone man?

3.    Noem 3 wredere vormen van straffen.

4.    Van welk grondbeginsel ging men uit?

p.112

1.    Wat deden de kraaiachtige vogels?

2.    Hoe verliep een proces in de vroege Middeleeuwen?

3.    Wie werden het zwaarst getroffen en waardoor?

4.    Wat hield doodstraf door tweedeling in?

p.113

1.    Waar waren de galgenvelden gelegen?

2.    Noem 2 voorbeelden van Liessel en Vlierden.

p.114

1.    Welke geestelijke plaag woedde er op het einde van de zestiende eeuw en wie werden

2.    er het slachtoffer van?

p.115

1.    Wat werd de verdachten verweten?

2.    Wat speelde ook een belangrijke rol?

3.    Waarom was men gretig m.b.t. beschuldigingen?

4.    Hoe heette een wereldlijk ‘ wetboek ‘ uit de 13 e eeuw?

5.    Wie had een grote rol in de heksenprocessen en waarom?

p.116

1.    Welk hoofdkenmerk had de rechtspleging in de heksenprocessen?

2.    Wie nam de taak van de Kerk over in de 16e eeuw?

3.    Hoe werd een moedervlek gezien bij een verdachte?

4.    Hoe omschrijft de auteur de duivelse zaken?

5.    Aan wie werd de pest toegeschreven?

6.    Waar behoorde de heerlijkheid Asten toe?

p.117

1.    Wat wordt er gezegd over de waterproef?

2.    Wie stelde dat Van Merode’s optreden onwettig was?

3.    Omschrijf de waterproef.

p.118

1.    Wat is jouw mening over deze vorm van tortuur?

2.    Wat was de meest gebruikelijke straf?

p.119

1.    Wat was Bernard van Merodes motief?

2.    Wie brachten klachten tegen hem in?