We hebben 160 gasten online

Formulier bij het bekijken van het beeldmateriaal van Strafrecht in Historisch Perspectief

Gepost in Strafrecht in Historie

             

1. Wat was de titel van de aflevering?

 

2. Welke overtreding van het strafrecht  was er aan de orde?

 

3.Tot welke veroordeling heeft de overtreding geleid?

 

4. Wat waren de achtergronden van de veroordeelde?

 

a.   Wat voor jeugd?

b.   Uit wat voor gezin?

c.   Welke maatschappelijke laag?

d.   Eventuele etnische achtergrond?

e.   Voelt de veroordeelde zich schuldig en terecht gestraft?

f.    Heeft de gevangenisstraf voor deze veroordeelde nut gehad?

 

 

 

 

Naam:                                                Datum:

 

 

 

Naam:                                                Datum:


De  Bokkerijders

 

Gedurende de gehele achttiende eeuw was het georganiseerde banditisme op het West-Europese platteland een steeds terugkerend verschijnsel. Roversbenden van verschillende herkomst, samenstelling en oriëntatie opereerden zowel in Frankrijk en Duitsland als in de Lage Landen.

Ook in de Oostelijke Maasvallei; het gebied dat omsloten wordt door de steden Maastricht, Aken, Gullik en Roermond had toen lange tijd met het bendewezen te maken. In dit grensgebied, waar de invloedssferen van de grote mogendheden elkaar raakten en in de voorgaande eeuwen vaak met elkaar in botsing waren gekomen, werden omstreeks 1730 en het begin van de jaren zeventig talrijke kerken, pastorieën en boerenhoeven geplunderd. De meeste van de nachtelijke rooftochten, die niet zelden gepaard gingen met de mishandeling van de slachtoffers, waren het werk van de zogenaamde ‘ Bokkerijders’.

De benaming Bokkerijders is vermoedelijk pas in het begin van de jaren zeventig van de 18e eeuw in omloop gekomen. Ze werd toen algemeen door de bevolking gebruikt, niet alleen in het Maasdal maar ook in andere delen van de Generaliteitslanden (landen zonder eigen bestuur, onder bestuur van de Staten Generaal in Den Haag).

Uit de bewaard gebleven bronnen blijkt dat we te maken hebben met verschillende benden die in wisselde samenstelling opereerden en uit de autochtone bevolking kwamen .

In het optreden van  de ‘ Bokkerijders’ kan men drie fasen onderscheiden:

 

1.   van omstreeks 1730 tot de herfst van 1742;

2.   een korstondige opleving in de jaren 1749 - 1750

3.   de periode 1751 tot 1774.

Elk van deze fasen werd afgesloten met massale arrestaties, procesvoeringen en terechtstellingen.

Tussen 1741 en 1778 procedeerden lokale rechtbanken in het gebied in de drie afzonderlijke fasen tegen ongeveer 600 personen wegens het lidmaatschap van de benden; van hen werd ruim de helft ter dood veroordeeld en geexecuteerd ‘tot afschrik en exempel’.

De kern van de eerste benden bestond uit een wijd vertakt netwerk van vilders. Deze ambachtslieden, ook villers, afdoeners of koudslachters genoemd, hadden tot taak zieke dieren af te maken, gestorven vee of paarden te villen en kadavers op te ruimen. Ze fungeerden tevens als assistenten van de rechter en hadden in die hoedanigheid ook de taak lijken van veroordeelden te transporteren, op te hangen of onder de galg te begraven.

Wat de vilders in de Bokkerijdersbenden samenbracht en bijeen hield waren niet alleen relaties van verwantschap, huwelijk en beroep, maar ook hun gezamenlijk lot buiten de gemeenschap van gevestigde boeren en respectabele ambachtslieden geplaatst te zijn.

Vrouwen speelden bij de Bokkerijders ook een rol.Verkleed als man en meestal ook bewapend, onderscheidden ze zich in hun optreden nauwelijks van de mannen en namen actief deel aan de overvallen

Bestuur en Rechtspraak

Evenals elders in het vroeg moderne Europa, waren ook in de landen van ‘ Overmaas’  bestuur en rechtspraak nog niet duidelijk van elkaar gescheiden. De benaming ‘ Overmaas’ is ontleend aan het perspectief van de hertogen van Brabant in Brussel die in de late Middeleeuwen het gezag verwierven over de landen aan gene zijde van de Maas ( ‘Outre Meuze’) Valkenburg, s-Hertogenbosch en Dalhem. Overmaas omvatte het huidige Zuid-Limburg met oost en zuidwaarts aangrenzende stroken Duits en Belgisch gebied.

Op lokaal niveau, dat wil zeggen op dat van de zogenaamde Bank, vormde de schepenbank het dagelijks bestuur en had er ook de rechtspraak in handen. Sommige Banken hadden naast ‘ boetstraffelijke ( civiele) rechtsmacht ook ‘ lijfstraffelijke’ (criminele) rechtsmacht, ook wel ‘ hoge jurisdictie ‘ genoemd.

De vonnissen die deze rechtbanken wezen waren onvoorwaardelijk van kracht; een beroep op een hogere instantie was in principe niet mogelijk. De schepenbanken of gerechten bestonden  uit een schout soms ook drossaard), een aantal (drie,vijf of zeven) schepenen, een secretaris en een gerechtsbode.

De schout, ook wel ‘officier’ genoemd, trad op in verschillende hoedanigheden; als opsporingsambtenaar (waarbij hij de beschikking had over de gerechtsbode en een aantal ‘schutten’, een uit burgers bestaand plaatselijk verdedigingskorps), als eiser of openbare aanklager en als voorzitter van het gerecht. Hij werd door de landsheer of diens vertegenwoordiger benoemd.

Het bestuur in Staats Valkenburg werd gevormd door de staten van het land, een gewestelijk bestuurscollege bestaande uit vertegenwoordigers van de ridderschap en de schepenbanken (burgerij) , en twee door de Staten Generaal aangestelde ambtenaren: de voogd en de drossaard. Dit Statencollege kwam eens per jaar bijeen en werd voorgezeten door de voogd. De voogd (die zich gewoonlijk liet vervangen door een luitenant-voogd) had zowel bestuurlijke als justitiele taken en stelde bovendien schepenen aan in de hoofdbanken. Overgens waren in de katholieke gebieden de geestelijken niet van bestuursfuncties uitgesloten. Zo stelde de Abt van Kloosterrade belangrijke ambtenaren aan, met name de schout