We hebben 299 gasten online

Bijdrage De Beul voor Quest

Gepost in Strafrecht in Historie

De beul voor Quest

De man die uit naam van de overheid belast was met de voltrekking van het vonnis was de “meester van den scherpen zwaarde” ofwel “scherprechter”,

In de volksmond werd hij echter kortweg beul genoemd.

Een scherprechter werd door het stadsbestuur benoemd en ontving ook een salaris van de stad. Erg geliefd was een beul niet, soms moest hij beschermd worden tegen volkshaat en sommige steden kenden verordeningen om hem hiertegen te beschermen.

De laatste scherprechter van ons land was een zekere Dirk Jansen, tevens laarzenmaker in Amsterdam. Dirk Jansen kwam uit een befaamde scherprechtersfamilie: zijn oom Gerardus Jansen was stadsscherprechter van Amsterdam en ook zijn broer was beul. Toen zijn oom Gerardus in 1826 stierf solliciteerde Dirk naar de open post maar omdat hij pas 25 jaar oud was vond men hem kennelijk nog te jong om als zelfstandig scherprechter op  te treden. Toch assisteerde hij al vanaf zijn 18e  jaar bij executies!

   Jacobus Ras, scherprechter van Overijssel  werd benoemd te Amsterdam. Toen deze Ras in  1837 stierf dong Dirk Jansen opnieuw naar deze  baan en nu met succes. Bij Koninklijk Besluit  werd in 1851 bepaald dat er in Nederland slechts  twee scherprechters zouden zijn: één in Amsterdam en één in Arnhem. Toen de beul te Arnhem ontslagen werd in 1854 was Dirk Jansen  Nederlands enige scherprechter. Veel doodstraffen heeft Jansen evenwel niet hoeven te voltrekken, het zullen er nog geen tien zijn geweest.

   De laatste executie die scherprechter Dirk Jansen moest verrichten was op 31 oktober 1860  toen hij Joannes Nathan in Maastricht op moest  hangen. Joannes had zijn schoonmoeder, ene weduwe Driesen vermoord en was daarom ter  dood veroordeeld. 

Om half tien op die dag verliet Joannes Nathan  het gevangenishuis van Maastricht, naast hem  liep een geestelijke, voor hem Dirk Jansen en  achter hem een beulsknecht. Gendarmes zorgden voor de bewaking. De terecht-stelling was geen publieke vermakelijkheid zoals dat in de middeleeuwen het geval was: Nathan liep door doodstille staten, in de  huizen waren de gordijnen gesloten, kinderen  werden binnen gehouden. Ook voor het stadhuis  waar het grote sombere schavot was opgesteld  viel een beklemmende stilte toen de droeve stoet  naderde. Naast het schavot was een vertrekje  ingericht waar de veroordeelde zijn laatste  geestelijke bijstand ontving.  Toen het tien uur sloeg beklom Nathan, vergezeld van de geestelijke het schavot, de beulsknecht ontdeed Nathan van zijn schoenen waarna Dirk Jansen hem de strop om de hals legde en  op het valluik liet plaatsnamen. Enkele ogenblikken later deed de scherprechter het luik  kantelen en was de laatste openbare terechtstelling in ons land voorbij.    Hoewel Jansen dit zelf nog niet wist hoefde hij  nimmermeer het grote zwarte schavot te beklimmen, wel werd ook na 1860 verschillende  malen de doodstraf uitgesproken, door de Koning werd echter steeds gratie verleend. 

Was een terechtstelling op zich al bijzonder  wreed, de wijze waarop een beul - in opdracht  van de rechters en vastgelegd in het vonnis -  moest handelen met het dode lichaam van een  terechtgestelde getuigde van geen enkel respect  of eerbied.   

Lichamen van geëxecuteerden werden"buyten gebracht" d.w.z. naar het galgeveld gesleept  op een"horde" een soort gevlochten slede van  tenen of eenvoudigweg vastgebonden aan de  staart van een paard. Op dat Galgeveld werden  de lichamen van terecht gestelde tentoongesteld: aan de galg, op het rad of aan de paal.  Deze lichamen bleven daar op het galgenveld totdat ze vergaan waren: "de vogelen des hemels  ten prooye gelaten en tot afschrick van het algemeen". 

 

De doodstraf bleef in de Franse tijd bestaan. Zij werd echter maar op een manier toegepast: onthoofding. De beul kreeg een machine, de guillotine, om zijn taak zo snel en zo humaan mogelijk uit te voeren

 

16.5 DOODSTRAF ALLEEN NOG IN HET LEGER

Den Haag december 1870.

Op last van de minister van justitie worden alle schavotten, guillotines en dergelijke werktuigen naar Den Haag overgebracht teneinde in een daartoe ontruimd lokaal boven de Gevangenenpoort bewaard te worden.

Deze maatregel is een gevolg van de afschaffing van de dood­straf bij de wet van 17 september.

Op 20 mei is in de Tweede Kamer, na een vijf dagen durende discussie, het wetsontwerp hiertoe met 48 tegen 30 stemmen aangenomen; de Eerste Kamer volgde op 17 september met 20 tegen 18 stemmen.De doodstraf is aldus uit de gewone strafrecht-spraak verdwenen; in het mili­tair strafrecht blijft ze voor bepaalde misdrijven gehand­haafd.

Sinds de invoering van de Code Penal in 1811 is in de loop der jaren een aantal belangrijke wijzigingen doorgevoerd, die het strafrecht aanzienlijk hebben gehumaniseerd. Zo werd al bij het Soeverein Besluit van 1813 het strafstelsel herzien. Nog belangrijker was de wet van 1854, bij welke lijf - en schavot­straffen, de doodstraf uitgezonderd verdwenen; de toepassing van de doodstraf werd beperkt en voorts werd op tal van misda­den slechts een correctionele gevangenisstraf gesteld, waarmee ze gereduceerd werden tot louter wanbedrijven. Ook werd de poging minder strafbaar dan de voltooide misdaad, overigens met uitzondering van vergiftiging.

Met de afschaffing van de doodstraf is het ambt van beul komen te vervallen

10.5 De beul en zijn helpers

 Allerlei mensen verdienden hun brood aan de rechtspraak. Zo waren er de secretarissen van de rechtbank, die geen invloed hadden op het proces  maar wel altijd aanwezig waren om alles op te schrijven. Zij kregen hulp van schrijvers, die de vele processtukken moesten overschrijven voor rechters en verdedigers. Net als nu waren er advocaten en procureurs die de verdachten bijstonden, of de rechtbank of schout  van advies dienden. De hellebaardiers namen de verdachte in opdracht van schepenen en schout in  hechtenis en handhaafden de orde tijdens de uitvoering van de lijfstraffen.  De cipier van de gevangenis bewaakte zowel de Brabantse als de Luikse gevangenen en kreeg daarvoor door de Brabantse of de Luikse schout betaald. Hij had hulp van een tiental knechten die hielpen bij de bewaking en verzorging van de gevangenen.  Soms had iemand een dubbelfunctie. Zo was Andries van Herle in 1601 tegelijk cipier en stadsbode. Stadsboden waren vaak voor van alles en nog wat op pad, in opdracht van de stedelijke raad. Bij rechtszaken werden zij uitgestuurd naar andere steden of rechtbanken om inlichtingen te verzamelen die bij een Maastrichts proces van belang konden zijn.  En dan was er natuurlijk nog de beul, bijgestaan door zijn helpers. Zoals overal elders was hij in de  stad niet geliefd.  Een beul had een 'oneerlijk' (niet  eervol) beroep. Hij en zijn gezin waren sociale  randfiguren; zij stonden buiten de gemeenschap.  Maastricht had na 1500 meestal een eigen beul.  Soms maakte men gebruik van de scherprechter van  Luik of Aken. Dan was het ambt wegens ziekte of  overlijden tijdelijk niet bezet, of was de plaatselijke beul uitgeleend aan andere rechtbanken. De  vervanger werd door een escorte van hellebaardiers  te paard of per boot opgehaald, want een beul was nergens geliefd en liep vaak gevaar door vroegere  slachtoffers of hun nabestaanden te worden  aangevallen.  In 1532 besloot de Maastrichtse raad scherprechter  meester Johan zijn volledige loon te blijven  doorbetalen, ook al was hij inmiddels op verzoek  van de bisschop verhuisd naar Luik. Voorwaarde  was wel, dat hij, te allen tijde wanneer het nodig  was, naar Maastricht zou komen om ook daar zijn  werk te doen. Het bleek geen goede oplossing, want  al twee jaar later zochten de vroede vaderen naar een nieuwe beul. Ene meester Thewet die scherp-  rechter was geweest in het Duitse Neurenberg,  kreeg de baan. Thewet zag er echter zo akelig uit met allerlei littekens en lichamelijke gebreken dat niemand met hem wilde samenwerken. Al na  veertien dagen werd hij vervangen door ene Peter.

Als vóór 1795 iemand de doodstraf had verdiend, dan werd hij opgehangen of doodgeslagen, onthoofd of gevierendeeld.