We hebben 215 gasten online

Aanklager levert geen beter werk dan rechter eist

Gepost in Rechterlijke dwalingen

Meer dan 30 jaar bekijkt rechtspsycholoog Hans Crombag de wereld van het recht door een psychologische bril. In artikelen, boeken en als getuige-deskundige, ontleedt hij casussen. 'Gelaten', zegt Crombag, 'draag ik het lot niet de sweathart van de juristerij te zijn'.

Ja, hij heeft wel tijd. Crombag is immers met emeritaat. In de Maastrichter rechtenfaculteit hebben ze nog altijd een kamertje voor hem gereserveerd. Eigenlijk koesteren ze Crombag nog als een aimabele luis in de pels. Een dwarsligger, noemen ze hem. Crombag trekt bij die kwalificatie zijn olijke gezicht. Dwarsliggers maken de rails immers alleen maar steviger? ‘Ach’, zegt de hoogleraar in ruste sinds 2000, ‘ze kunnen slecht tegen weerwoord, de dames en heren rechters en officieren van justitie.’

Voor het haperende gehoor van de 74-jarige wetenschapper is het getimmer en geboor in het Oude Gouvernement aan de Bouillonstraat, de zetel van de Maastrichtse juridische faculteit, te gortig. Ik moet zo nog naar de audicien’, zegt hij terwijl hij wijst naar een rustig terras. Als hij gaat zitten, zet hij meteen de toon. ‘Nogal wat mensen die nu in het recht werkzaam zijn, hebben ooit iets met mij te maken gehad. Dat kwam zo.

Sinds 1972 was ik directeur van Bureau voor Onderzoek van het Onderwijs van de Leidse universiteit. Die wilde dat ik als onderwijspsycholoog de faculteit adviseerde hoe zij hun onderwijs beter konden geven. Onze eerste en grootste klant was de Rechtenfaculteit. Studenten leerden vooral veel uit hun hoofd. Mijn bureau bedacht dat studenten de praktijk beter onder de knie zouden krijgen als zij casussen in practica zouden leren oplossen.

Zelf uitzoeken, samenwerken, uitkomsten vergelijken, zien waarin de verschillen zitten en waarom.’ Trots noemt hij het pionierswerk en de namen van enkele van zijn toenmalige medewerkers: Johan de Wijkerslooth, de latere voorzitter van het College van PG’s en oud-staatssecretaris en nu burgemeester van Amsterdam Job Cohen.

Samen schreven zij het boek “Een Theorie over Rechterlijke Beslissingen” dat de grondslag voor die practica leverde.Andere universiteiten namen de methode over. De Wijkerslooth en Cohen vervolgden hun eigen weg, Crombag zette zijn werk voort met nu bekende namen als Willem Albert Wagenaar, Harald Merckelbach en Peter van Koppen. Crombag noemt in snel tempo publicaties die de rechtspsychologie op de kaart hebben gezet en die menig togadrager aan het denken hebben gezet:

“Een manier van overleven”, “Hervonden Herinneringen en Andere Misverstanden” en “Dubieuze Zaken”.

Meestal waren de reacties vanuit de rechterlijke macht en het Openbaar Ministerie geprikkeld, zegt Crombag. Het leek wel of je steeds weer het testbeeld aanzette. ‘Waar bemoei jij je als niet-jurist mee, dat is zo’n beetje de houding. Rechters en mensen bij het OM denken dat zij weten hoe je feiten vaststelt. Daar hebben ze geen opleiding voor nodig gehad en hulp van anderen hebben zij daarbij niet nodig. Zij weten zelf wel welk bewijs deugt en welk niet. Bovendien beschouwen ze het recht en de rechtsgang als hun privédomein, hun private knollentuin waar anderen niet in moeten willen spitten. Dat is een misverstand: het recht is van ons allemaal.

Die houding houdt stand, denkt Crombag, omdat rechters en OM’ers onderdeel zijn van een besloten wereld. ‘Het is een club waar je op een bepaalde manier leert denken en die manier is de enig goede.

Die arrogantie is voor een deel gerechtvaardigd: zij hebben inderdaad meer dan anderen kennis van het recht. Dat is maar de helft van het werk. Het andere deel is het vaststellen van feiten, de waarheidsvinding.

Dat is een vak dat ook geleerd moet worden. Daar hebben de aanklagers en rechters weinig oog voor, in het bijzonder voor de psychologische kanten van zaken. Ik begrijp het wel’, zegt Crombag rustig nippend aan zijn koffie, ‘Je wil een smeerlap pakken en opsluiten en danmoet je niet moeilijk doen.’

 Typerend vindt Crombag de reactie van de nog vrij nieuwe raadsheer bij de Hoge Raad, Marc Loth, die in het NJB een stuk schreef over het boek “De Slapende Rechter”, waarvan Crombag zelf overigens niet een van de auteurs was. Loth daarover: De auteurs van het boek “De slapende rechter” wijzen terecht op het belang van meer forensische kennis in de strafrechtspleging. Toch is het een mislukt boek, zo blijkt uit een analyse van hun argumenten en stellingen. Zou het delen van die expertise niet effectiever zijn dan het “bashen” van rechters? Is het niet doelmatiger om te zoeken naar manieren om de deskundigheid in de strafrechtspleging te vergroten? Hopelijk is “de slapende rechter” een incidentele uitglijder van enkele “dwalende deskundigen” en vinden de auteurs nieuwe manieren om hun ideeën voor het voetlicht te brengen.”

‘Loth ziet het probleem niet of wil het niet zien. Het vaststellen van de feiten in een strafzaak is een stuk ingewikkelder dan hij beseft’, vindt Crombag.

De gepensioneerde professor gaat doceren. ‘Het is begrijpelijk dat officieren niet beter werk leveren dan rechters van hen eisen. Nemen rechters genoegen met half werk, zien zij geen reden om verder te gaan.’ Het koffiekopje belandt met kracht op het schoteltje - kop en onderzetter worden bruusk ver weg geschoven. ‘Het OM heeft een extra probleem. In eerste instantie geeft een officier leiding aan de opsporing van een misdrijf. Het eigenlijke werk doet de politie, de officier bemoeit zich daar meestal op een afstandje mee. Tot de zaak rond lijkt. Vanaf dat moment ziet de officier het niet langer als zijn taak om de waarheid te vinden, maar om de rechter van de hem inmiddels bekende waarheid te overtuigen. Van zoeker naar de waarheid wordt hij partijdig bepleiter van de schuld van de verdachte.’

Het lijkt alsof hij wil gaan staan. Buigt zich ver voorover. ‘Nu komt een niet onbelangrijk punt: de officier gaat over de samenstelling van het dossier! Dat is dan al wat gevuld met belastend bewijs tegen een verdachte en is gegroeid onder de leidingvan de officier. Daar moet ook gevonden ontlastend bewijs in, maar daar zit de officier in dat stadium niet echt meer op te wachten omdat het bij de rechter zijn positie kan ondermijnen. Daar zitten rechters eigenlijk ook niet op te wachten. Die willen ondubbelzinnig bewijs van de schuld van de verdachte. Een officier die zijn vak verstaat, valt de rechter niet lastig met informatie die de beslissing van de rechter kan compliceren.’

Er gebeuren in strafzaken af en toe vreselijke ongelukken, weet Crombag. Zeker omdat in zijn ogen de crimefighters binnen het OM te veel de boventoon zijn gaan voeren. ‘Mijn vroegere collega Johan de Wijkerslooth wilde daar wat aan doen toen bij voorzitter van het College van PG’s werd. Hij wilde het OM weer rechtstatelijker maken. Dat is hem niet gelukt, vind ik.’ Crombag voegt er meteen aan toe: ‘Na het debâcle van de Schiedammer Parkmoord, dat beoordeel ik positief, vond het OM dat er iets moest gebeuren. De CEAS is er gekomen.’ Hij laat er een nadrukkelijk “maar” op volgen. ‘Daarmee ben je er niet.

De Schiedammer Parkmoord was geen bedrijfsongeval, zoals raadsheer Marc Loth zegt. Er zijn in die zaken fouten gemaakt die je ook in andere zaken ziet. Er zit een patroon in die fouten. Ze zijn allerminst toevallig.’

Het gaat Crombag niet alleen om de “taakopvatting” van rechters en officieren. ‘Het strafrechtelijk systeem heeft schaduwkanten. We hebben te maken met een officier die twee taken in zich verenigt en rechters die te lijdelijk afwachten wat hen door het OM wordt gepresenteerd, zonder dat kritisch genoeg tegen het licht te houden. Het Britse model ondervangt wel een aantal bezwaren. Het is niet ideaal, want dat bestaat niet. In Groot Brittannië is de politie zelf verantwoordelijk voor het onderzoek. Als die een stevige verdenking heeft, wordt de zaak in handen gegeven van de openbaar aanklager. Dat kan een advocaat zijn die daarvoor wordt ingehuurd. Dat houdt de club een beetje fris en doorbreekt het old boys network. Rechters doen daar meer onderzoek dan hier of laten dat doen.’

Niet dat het daar nooit mis gaat. Crombag lepelt uit zijn hoofd een heel rijtje op. Het instellen van de CEAS vindt Crombag een welkome, zij het tijdelijke stap voorwaarts. Het is wat hem betreft niet genoeg. ‘De slechte gewoontes zitten in de strafrechtketen ingebakken: nieuwkomers leren het van de ervarenen. Die gewoontes krijg je er niet zomaar uit: je kunt moeilijk iedereen ontslaan en helemaal opnieuw beginnen. De manier van denken moet ingrijpend veranderen.

Hoe onderzoek je feiten, hoe leer je altijd ook van een andere kant naar een zaak kijken, hoe ga je met deskundigen om zonder je door hen opsleeptouw te laten nemen?’

Crombag vindt het goed dat het OM tegenwoordig meer openheid betracht. Hij is ook verheugd dat rechters meer hun best doen om vonnissen uit te leggen. ‘Prima allemaal. Toch denk ik dat beide onvoldoende oog hebben voor de nog steeds toenemende verwijdering tussen bevolking en magistratuur, voor de geslotenheid van hun kaste en hun verstarde aanpak.

Vertrouwen en gezag zijn in onze dagen niet meer vanzelfsprekend. “Zij zullen het wel weten”, dacht de burger tot de jaren zestig. Dat is niet meer zo en dat komt meer en meer aan de oppervlakte. Om het tij te keren zal er een echte gedragsverandering moeten plaatsvinden. Neem

een voorbeeld aan artsen. Die hebben die draai al goeddeels gemaakt. De juristerij is nog niet zover, die schiet nog in een kramp als er een vraag over haar functioneren wordt gesteld.’

De veranderingen, realiseert Crombag zich, gaan niet van de ene op de andere dag. ‘Het zal waarschijnlijk gaan zoals bij de blonde spoeling in het haar van een vrouw: langzaam komt de oorspronkelijke kleur tevoorschijn.’

Tekst: Louis Cornelisse in Oportuin 9/2009