We hebben 190 gasten online

'Black-out in rechtbank is vaak besodemieterij'

Gepost in Rechterlijke dwalingen

'Black-out in rechtbank is vaak besodemieterij'

De Volkskrant, 05-02-2005, van verslaggeefster Simone de Schipper


Verdachten die zich in de rechtszaal beroepen op een black-out tijdens impulsief gepleegd geweld, spreken zelden de waarheid. Dergelijke 'acute dissociatie' is veel zeldzamer dan de keren dat verdachten en hun verdediging zich erop beroepen.

Dit zeggen de Maastrichtse psychologen Harald Merckelbach en Marko Jelicic vandaag in een interview met de Volkskrant. Volgens de wetenschappers ontbreekt het de juridische wereld aan basale inzichten in de werking van de menselijke geest en het geheugen. Verouderde inzichten van getuigedeskundigen maken het er niet beter op.

Dissociatie, waarbij bewustzijn, handelen en geheugen los van elkaar functioneren, beleeft volgens de twee wetenschappers de laatste jaren een opmars in de rechtszaal. 'Het appelleert bij rechters aan het beetje achterhaalde psychologie dat ze kennen. Langdurig onderdrukte gevoelens zouden ertoe leiden dat iemand impulsief gewelddadig handelt. Meestal is het besodemieterij.'

In een boek dat volgende maand verschijnt, beschrijven Merckelbach en Jelicic recente uitspraken waarin beroep op geheugenverlies waarschijnlijk onterecht was. In een aantal gevallen eindigden die in vrijspraak.

Een voorbeeld is de Assense wurgmoord: een man brengt zijn vrouw om het leven nadat ze hem van incest had beschuldigd. Hij komt pas bij zinnen in de tuin, zittend naast zijn dode vrouw. De man verklaart later zich niets te kunnen herinneren. Merckelbach noemt dat onwaarschijnlijk, omdat acute dissociatie hooguit enkele seconden duurt. De dader moet minutenlang in de weer zijn geweest.

De Maastrichtse psychologen zeggen dat in de Nederlandse rechtspraak nauwelijks gebruikgemaakt wordt van moderne psychologische inzichten en technieken.

Getuigedeskundigen worden vaak ad hoc gekozen zonder dat hun vakkennis duidelijk is.

Ook de werkwijze van het Pieter Baan Centrum in Utrecht noemen de twee uit de tijd. Het centrum - dat bijvoorbeeld de toerekeningsvatbaarheid van Ali. B., verdacht van de moord op Theo van Gogh, gaat onderzoeken - kan dicht, vinden ze. Merckelbach: 'Daar wordt veel met de verdachte gepraat. Observatie gebeurt tijdens lange afzondering van de normale omgeving. Zo zou men het in 1900 ook hebben gedaan.'



Het Pieter Baan centrum kan worden afgeschaft, vinden psychologen Jelicic en Merkelbach

Moord vergeten? Vergeet het

Het geheugen is geen ongrijpbaar raadsel meer, stellen 'psychologen.

De wetenschap weet al veel over het complexe proces van herinneren. Helaas wordt met die kennis in de rechtbank nog bitter weinig gedaan. Met pijnlijke gevolgen. Door Simone de. Schipper in de Volkskrant van 5 februari 2005

Een mengeling van fascinatie en frustratie onderstreept de woorden en gebaren van Harald Merckelbach en Marko Jelicic. De fascinatie geldt het zelfdenkende geheugen dat volgens eigen wetten door verleden en heden slingert, op zoek haar logica en heelheid. En op zijn weg verzint, verdraait, suggesties accepteert en dit alles als waarheid ervaart, om die logica en heelheid te creëren waar ze ontbreken.

De frustratie betreft het onvermogen van justitie om rekening te houden met de creatieve en complexe aard van herinneringen. De twee wetenschappers ervaren ergernis over de vele rechtszaken waarvan ze de dossiers bestudeerden omdat hun oordeel was gevraagd. Het zijn zaken waarin haperende geheugens werden vertrouwd, goede geheugens gewantrouwd of slechte verhoortechniek een herinnering implanteerde.

Bovendien misten getuige-deskundigen vaak de actuele en relevante kennis om dit alles te overzien. Kan een rechter vervolgens de deskundige en zijn verhaal niet op waarde schatten, dan is dat het recept voor onterechte vrijspraken en veroordelingen.

Zoals die van Kees B. die zes weken geleden vrijkwam. Drie jaar had hij gezeten voor een gruwelijke misdaad die hij niet had begaan, de 'Schiedamse parkmoord'. Toen de lO-jarige Nienke Kleiss en de ll-jarige Maikel in een park in Schiedam speelden, werden ze plotseling overmeesterd door een man die hen seksueel misbruikte. Daarna wurgde hij de kinderen. Nienke overleed, Maikel hield zich dood en overleefde.

Kees B. bekende, ontkende later, maar werd veroordeeld. Hij is nu vrij omdat een nieuwe verdachte, aangehouden voor een ander vergrijp, en passant ook deze moord heeft bekend. Zijn DNA komt overeen met dat onder de nagels van Nienke.

Dr. Marko Jelicic, neuropsycholoog aan de Universiteit Maastricht: 'Kees B. was in de buurt en is pedoseksueel. Hij was een goede verdachte. Hij is vervolgens zo langdurig verhoord dat hij heeft bekend.'

Trucs .

Prof. dr. Haraid Merckelbach, rechtspsycholoog, eveneens Maastricht: 'Deze zaak toont de enorme waarde die juristen hechten aan een bekentenis. Terwijl uit experimenten blijkt dat het vrij makkelijk is om gezonde, intelligente mensen een valse bekentenis te laten afleggen. Om ervanaf te zijn, of omdat ze er zelf in gaan geloven.

Niet alleen door hardhandig op te treden, maar juist ook met subtiele psychologische trucs, zoals het aandragen van vals bewijs. Wat. vooral goed werkt, is de verdachte laten twijfelen aan zijn geheugen.'

De Schiedammer parkmoord is uitgebreid in het nieuws geweest, mede door een fel rapport en het boek dat rechtspsycholoog prof. dr. Peter van Koppen schreef over het in zijn ogen rammelende proces. Op zijn website www.om.nl geeft het Openbaar Ministerie een andere lezing van het verhaal. En voegt daaraan toe: '(..') dat de heer Van Koppen het dossier (...) heeft benaderd en geanalyseerd vanuit zijn professie van psycholoog. Opsporing en vervolging geschieden niet volgens rechtspsychologische beginselen doch volgens de regels van strafrecht en strafvordering.'

Daarmee stipt het OM precies aan wat Merckelbach, Jelicic en anderen zo frustreert. 'Het is wrang dat harde kennis, onder andere over het geheugen, niet wordt meegenomen in rechtszaken. Is iemand met een kogel in zijn hoofd die ontwaakt uit coma, een goede getuige? Kan iemand na 48 uur nog een dialoog navertellen? Daar heeft de wetenschap veel over te vertellen', zegt Merckelbach.

Half maart publiceren Merckelbach en Jelicic Hoe een CIA-agent zijn geheugen hervond en andere waargebeurde verhalen - geheugenverlies in en buiten de rechtszaal (€ 26,90; Uitgeverij Contact; ISBN 9025426611). In een eerder boek, Hervonden herinneringen, met prof. dr. Hans Crombag, haalde Merckelbach de in therapie gecreëerde herinneringen aan incest onderuit.

Nu is het onder andere:'acute dissociatie' dat bij Merckelbach en Jelicic de alarmbellen doet rinkelen. Merckelbach: 'Normaal gesproken zijn bewustzijn, handelen en geheugen geïntegreerd, maar bij dissociatie lopen ze uit de pas. Je doet allerlei dingen en je bent er niet bij met je bewustzijn of je kunt het je later niet herinneren.

'Dissociatie maakt een opmars in de rechtszalen. Het appelleert bij rechters aan een achterhaalde psychologie die zij nog kennen. Langdurig onderdrukte emoties zouden ertoe kunnen leiden dat iemand ineens, in een black-out, impulsief en gewelddadig handelt.

'Zulke ideeën zijn deel van de folklore en die folklore wordt deels door de rechtbank geaccepteerd. Dat wordt nog eens gevoed als getuige-deskundigen die hun vakgebied niet hebben bijgehouden, zeggen dat zoiets kan. Zoals in de Assense wurgmoordzaak (zie onderaan). Daar leidde het verhaal zelfs tot vrijspraak. Voor advocaten is dat interessant. De laatste jaren komt het herhaaldelijk voor dat zij een verdediging bouwen rond dat begrip acute dissociatie.'

Jelicic: 'Het geeft daders een excuus en ze komen sympathieker over. Het heeft een doel. Dat maakt dat je de diagnose sceptisch moet bejegenen. Meestal is het besodemieterij .'

Het is goed dat elke patiënt serieus wordt genomen', benadrukt Merckelbach. 'Maar in juridische context moet echt meer oog komen voor de mogelijkheid dat we voor de gek worden gehouden.'

Volgens de twee bestaat dissociatief geheugenverlies voor een delict niet. Op zijn best is het extreem zeldzaam, in elk geval zeldzamer dan het aantal malen dat verdachten zich erop beroepen.

Cultuurkloof

Acute dissociatie wordt op zijn beurt nogal eens verklaard' als een gevolg van een posttraumatische stress-stoornis (PfSS). Jelicic: 'Daar kun je iemand op testen.'

De patiënt of verdachte moet daarvoor wel worden doorgestuurd naar de juiste specialist. En als het het geheugen betreft, is de juiste specialist een psycholoog met recente kennis, zeggen Merckelbach en Jelicic met klem. Dat is volgens hen wat misging in veel van de casussen die zij de afgelopen jaren bestudeerden.

Maar hoe kunnen rechters en rechters-commissarissen voor iedere zaak beoordelen wie de juiste getuige-deskundige is? Moeten ze daartoe niet zoveel actuele kennis van de wetenschap hebben dat die deskundige overbodig zou zijn? Dat valt wel mee, vindt Merckelbach. 'Ten eerste zouden juristen moeten worden getraind in wat wetenschap is. Dan kunnen ze zelf de kwaliteit van eén wetenschapper beoordelen.'

Dat zou als bijkomend voordeel hebben dat het de cultuurkloof tussen rechtspraak en empirische wetenschap verkleint. 'Juristen wordep. opgeleid met een dichotoom wereldbeeld: schuldig of niet schuldig, waarheid of leugen. Wetenschappers zijn voorzichtiger, uiten twijfel. Helaas wordt een twijfelende deskundige in de rechtszaal vaak gezien als niet informatief. Dat is een misvatting. Twijfel is relevante informatie die je moet betrekken in je oordeel.'

Een andere wens van de twee is het maken van formele lijsten van getuige-deskundigen zoals Frankrijk die hanteert. Merckelbach: 'In Nederland is dat ad hoc geregeld. De rechter-commissaris die de neuroloog in de zaak van Mankerna aanwees (zie onderaan), kende hem uit de hoek van de letselschade. De man had helemaal geen ervaring met strafrecht of met het geheugen. In Frankrijk zou hij nooit op een lijst zijn gekomen.

'Een getuige-deskundige mag een oordeel geven over een zaak "op grond van wat zijn wetenschap hem leert". Die omschrijving is ambigu. Want wat is dat?

Clinici als psychiaters en neurologen houden er vaak een ruime opvatting op na: wat mijn klinische ervaring mij in de loop der jaren geleerd heeft. Maar misschien doe je het al twintig jaar fout en noem je dat klinische ervaring.

Jelicic: 'In de Verenigde Staten zijn speciale opleidingen voor forensische psychiatrie en psychologie. Hier niet, en in de opleiding voor psychiater is er ook nauwelijks aandacht voor. Dat leidt ertoe dat mensen die veel weten van iets als schizofrenie, zonder scholing het forensische erbij doen.

Over het Pieter .Baan Centrum, gespecialiseerd in forensische psychiatrie, zijn ze nog negatiever. Merckelbach: 'De vraag of een verdachte - indien schuldig - het zware, vaak bizarre delict willens en wetens heeft gepleegd, wordt daar onderzocht door veel met de verdachte te praten en hem te observeren terwijl hij zeven weken lang van zijn normale omgeving is afgezonderd. Dat vind ik een vorm van psychologie die echt uit de tijd is. Zo zou men het in 1900 hebben gedaan.

Ik zou zeggen: afschaffen dat Pieter Baan Centrum.'

De Assense wurgmoord

De zaak

Een scheidend echtpaar heeft ruzie, de vrouw beschuldigt haar man van incest. De man sleept zijn vrouw naar de tuin en wurgt haar. Verklaring dader, via advocaat

'Zijn oren begonnen te suizen en het werd hem zwart voor de ogen. Toen hij weer bij zijn positieven kwam, lag zijn vrouw dood op de grond en zat hij naast haar, met zijn handen losjes om haar keel. De man kan zich niets van de verwurging herinneren.'

Deskundigen

Een psychiater, een klinisch psycholoog en een zenuwarts melden dat dit kan. Bij ernstige bedreiging of door jarenlang onderdrukte onlustgevoelens kan een primitieve, reflexmatige reactie ontstaan, grotendeels los van cognitieve controle. Er was sprake van een acute dissociatieve reactie.

Uitspraak

Vrijspraak

Oordeel Merckelbach en Jelicic

Het verhaal van de dader raakt kant noch wal. Zo'n reflexmatige reactie bestaat in extreme gevallen, maar die duurt slechts eenderde van een seconde. Daarna raakt de persoon volledig doordrongen van wat hij doet. De man had voor zijn daad meer dan eenderde seconde nodig, want de ruzie begon in de woonkamer terwijl de verwurging in de tuin plaatsvond. De getuigedeskundigen hadden moeten toetsen of de verdachte zijn geheugenverlies veinsde. Daar bestaan betrouwbare methoden voor.

 

Oordelen over stoornissen zorgvuldig

door Pieter Ronhaar en Jos Mulbregt in de Volkskrant 19 februari 2005

Gedragsdeskundigen van het Pieter Baan centrum trekken voorzichtige conclusies over een verdachte in het balang van de procesgang. Sluiting is een slecht idee, zeggen Pieter Ronhaar en Jos van Mulbregt

In het artikel 'Moord vergeten? Vergeet het' (de Volkskrant, 5 februari 2005) komen rechtspsycholoog Merkelbach en zijn Maastrichtse collega Jelicic, twee deskundigen op het gebied van experimentele psychologie, aan het woord over enkele belangwekkende kwesties met betrekking tot de rol van het geheugen in strafzaken en de naar hun oordeel soms wetenschappelijk aanvechtbare redeneringen van rechtbanken bij de bewijsvoering in strafzaken. Zij signaleren daarbij een gebrek aan actuele kennis bij veel gedragsdeskundigen in de rechtszaal ten aanzien van de werking van het menselijk geheugen.

In de slotalinea wordt het Pieter Baan Centrum (PBC), de psychiatrische observatiekliniek van het ministerie van Justitie, er nog even met de haren bij gesleept. Waar zij spreken over het afschaffen van het PBC, lijken Merkelbach en Jelicic zelf in beslag genomen te worden door het onderwerp van hun fascinatie, het zelfdenkende geheugen, dat verzint, verdraait, en suggesties accepteert en dit vervolgens als waarheid ervaart.

Forensisch gedragsdeskundigen geven op verzoek van de rechter voorlichting over de vraag of een verdachte tijdens een mogelijk door hem gepleegd strafbaar feit, leed aan een psychische stoornis en of deze stoornis hierop aantoonbaar van invloed is geweést. Dat is van belang, omdat het juridische uitgangspunt in Nederland is dat iemand verantwoordelijk gesteld kan worden voor zijn daden, tenzij bijvoorbeeld een psychische stoornis zijn vermogen heeft beperkt om adequate keuzen en inschattingen te maken voorafgaand aan een delict.

Bij de diagnostiek zijn gesprekken met de onderzochte en observatie van zijn gedrag binnen de klinische psychiatrie gebruikelijk en essentieel. Merckelbach onderkent dit, maar vindt dat er oog moet zijn 'voor de mogelijkheid dat we voor de gek worden gehouden'. Dit gebeurt dan ook binnen het forensisch onderzoek. De gedragsdeskundigen onderzoeken de verdachte behalve door gesprekken en observatie, ook door bestudering van vele andere relevante informatiebronnen over de verdachte, bijvoorbeeld milieuonderzoek, de eventuele medische, psychiatrische en justitiële voorgeschiedenis en het strafdossier. Verder wordt psychologisch testonderzoek en uitgebreid lichamelijk onderzoek verricht. De combinatie van deze gegevens kan leiden tot het vaststellen van een psychische stoornis. Maar daarmee is nog niets gezegd over de invloed van de stoornis op het delict.

Het retrospectieve karakter van de onderzoeksvraag noopt tot voorzichtigheid: de onderzoeker was immers niet aanwezig bij het delict. Wanneer hij na onderzoek een psychische stoornis bij de verdachte vaststelt, dan hoeft die stoornis niet in dezelfde mate te hebben bestaan ten tijde van het delict., Een depressie kan ontstaan zijn ten gevolge van het delict en een psychose tijdens het delict kan inmiddels verbleekt zijn door het gebruik van medicatie.

Het delict zelf - hoe oninvoelbaar dat eventueel ook is - en de verklaringen hierover van de verdachte kunnen daarom nooit de basis zijn waarop de diagnose wordt gesteld, zoals volgens Merckelbach en Jelicic de gangbare praktijk zou zijn. In geval van tegenstrijdige, onvolledige of niet overtuigende informatie dient de onderzoeker terughoudend te zijn in de conclusie over de stoornis en de doorwerking daarvan in het delict. .

Een, enkele maal zegt een verdachte dat hij zich helemaal niets meer herinnert van het delict. Vanzelfsprekend wordt dan rekening gehouden met de mogelijkheid van het voorwenden van geheugenverlies vanwege de genoemde proceshouding. Eventueel kunnen daadwerkelijke geheugenstoornissen een rol spelen. Dat wordt dan nader onderzocht.

Geheugenverlies kan ook samenhangen met dissociatie. Een dissociatie is een toestand waarin de normale integratie van denken, voelen, handelen, herinnering of bewustzijn verloren is gegaan. Omstanders zien dan bijvoorbeeld dat de persoon in zichzelf gekeerd raakt en minder goed aanspreekbaar is, diep in gedachten of 'afwezig' lijkt. Een dissociatie kan gezien worden als een beschermingsmechanisme tegen' overweldigende emoties en hoeft niet direct samen te hangen met onderliggende pathologie.

Wanneer al aangetoond kan worden dat het geheugenverlies gebàseerd is op dissociatie, dan verklaart dit nog steeds niet waarom iemand steekt, schiet of wurgt. Niet iedereen met een dissociatie pleegt immers delicten. Delictomstandigheden kunnen van invloed zijn geweest, maar ook de persoonlijkheid van de verdachte: impulsiviteit, gebrekkig geweten.

Dit alles vereist nauwgezet en diepgaand onderzoek. Dat wordt gedaan in het Pieter Baan Centrum, met inachtneming van de actuele professionele standaard, op een wijze die geheel past in de 21ste eeuw. Wellicht kan een bezoek aan het Pieter Baan Centrum de kennelijk niet meer zo actuele herinneringen van Merckelbach en Jelicic helpen opfrissen. Ze zijn bij dezen uitgenodigd.

Pieter Ronhaar is hoofd psychiatrie en Jos . van Mulbregt is hoofd juridische zaken vanhet Pieter Baan Centrum.