We hebben 171 gasten online

De zaak Ina Post Deel 9

Gepost in Strafzaken

 

CEAS II adviseert herziening zaak Ina Post 190308 

 

De onderzoekscommissie Van Beuningen heeft het onderzoek afgerond en heeft gerapporteerd aan het College van procureurs-generaal. Het College heeft het rapport doorgezonden aan de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad.
De belangrijkste conclusie van de onderzoekscommissie is dat tijdens het onderzoek uitgegaan is van een mogelijk foutief tijdstip van overlijden van het slachtoffer, waardoor een groot deel van de onderzoeksresultaten op losse schroeven komt te staan.

Evaluatieonderzoek Ina Post afgerond

19 maart 2008 - Openbaar Ministerie

Het driemanschap uit de Commissie Evaluatie Afgesloten Strafzaken (CEAS) dat onderzoek deed naar de strafzaak Ina Post, heeft hierover gerapporteerd aan het College van procureurs-generaal. Hij adviseert het College om het rapport aan te bieden aan de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad, om te kijken of een herzieningsverzoek zou moeten worden ingediend. Dit advies is gebaseerd op een van de conclusies uit het onderzoek dat het slachtoffer mogelijk eerder is overleden dan tijdens het strafproces is aangenomen.

Mevrouw Post heeft destijds bekend het slachtoffer na 18.00 uur om het leven te hebben gebracht. Deze bekentenis heeft een belangrijke rol gespeeld bij het bewijs. Nu het driemanschap heeft geconcludeerd dat het slachtoffer mogelijk ruimschoots vóór dat tijdstip is overleden, kan worden getwijfeld aan de juistheid van haar verklaring.

Voorgeschiedenis

Het onderzoek betrof de zaak waarin mevrouw Post, een bejaardenverzorgster, in 1987 werd veroordeeld wegens doodslag op een 89-jarige vrouw in Leidschendam en wegens valsheid in geschrift. De veroordeling was in hoofdzaak gebaseerd op een bekentenis die mevrouw Post bij de politie heeft afgelegd. Zij heeft die bekentenis nog een paar keer herhaald, maar nadat het politieonderzoek was afgerond heeft zij altijd ontkend schuldig te zijn. Zij heeft bij de Hoge Raad om herziening gevraagd van haar veroordeling en heeft steeds de publiciteit gezocht om aandacht te vragen voor de volgens haar onterechte veroordeling. Uiteindelijk is haar zaak door drie wetenschappers aangebracht bij de CEAS.

Onderzoeksvraag

Het driemanschap heeft de vraag onderzocht of in het opsporingsonderzoek en de vervolging manco's kunnen worden vastgesteld, waardoor de rechter de zaak niet goed heeft kunnen beoordelen. Het driemanschap heeft zich niet beziggehouden met de vraag of mevrouw Post wél of niét schuldig is.

De rol van de rechter om staatsrechtelijke redenen door de CEAS niet in haar onderzoek is betrokken.

Conclusies

In het onderzoek zijn manco's geconstateerd. Het driemanschap stelt vast dat het destijds uitgevoerde politieonderzoek voldoet aan de eisen die wet, recht en verdragen daar aan stellen, maar dat het opsporingsonderzoek niet volledig is. Ook de verslaglegging is onvolledig en op diverse punten incorrect en tegenstrijdig volgens het driemanschap.

De officier van justitie had dit moeten constateren en de teamleider hierover kritisch moeten bevragen. Daarnaast had de officier de taak om deze onvolledigheden, onjuistheden en tegenstrijdigheden ofwel te (laten) corrigeren, ofwel transparant aan de rechter voor te leggen.

Onderzoek dat had moeten worden gedaan is niet verricht en niet alle wel verrichte onderzoekshandelingen zijn in het proces-verbaal verantwoord. Het onderzoek heeft zich vanaf het begin gericht op de aanname dat de dader een bekende van het slachtoffer moet zijn geweest, zonder dat de juistheid van die aanname is gecontroleerd. Het onderzoek heeft zich bovendien vanaf het begin gericht op een mogelijk onjuist tijdstip van overlijden. Daarnaast was het onderzoek na de aanhouding van mevrouw Post vooral gericht op het verkrijgen van een bekentenis van mevrouw Post. Nadat zij bekend had, lag het tactisch onderzoek nagenoeg stil. Haar bekentenis is slechts ten dele gecontroleerd, en daardoor onvoldoende vergeleken met de andere onderzoeksresultaten.

De kritiek van het driemanschap richt zich ook op de betrouwbaarheid van de onderzoeksresultaten. Doordat een onjuist tijdstip van overlijden als uitgangspunt is genomen komt een groot deel van de onderzoeksresultaten, bijvoorbeeld het onderzoek naar alibi's, op losse schroeven te staan. Het uitgangspunt dat de dader een bekende van het slachtoffer is geweest, had tot gevolg dat een te beperkte groep potentiële verdachten in het onderzoek is betrokken.

Het driemanschap heeft vastgesteld dat er geen gronden zijn om aan te nemen dat de bekentenissen van mevrouw Post zijn afgelegd onder ongeoorloofde druk. Wel zijn er concrete aanwijzingen dat haar op verschillende momenten tijdens de verhoren daderinformatie is aangereikt. Ook uit andere bronnen kan mevrouw Post overigens daderinformatie hebben verkregen.

Wanneer, door wie en onder welke omstandigheden daderinformatie aan haar is verstrekt kan niet meer worden gereconstrueerd. Daardoor kan niet worden vastgesteld hoe betrouwbaar haar bekentenissen zijn. Er kan eveneens twijfel rijzen aan de betrouwbaarheid van haar bekentenissen, omdat details daaruit niet nader zijn onderzocht. Tegenstrijdigheden tussen haar verklaringen en andere onderzoeksresultaten zijn daardoor blijven bestaan.

Reactie College op evaluatierapport Ina Post

19 maart 2008 - Openbaar Ministerie

Het College van procureurs-generaal (het College) heeft het rapport ontvangen van de onderzoekscommissie Van Beuningen, die onderzoek deed naar afgesloten strafzaak Ina Post. Op 14 maart jl. is het rapport door het College aan de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad gezonden, zodat deze het rapport kan betrekken in de lopende herzieningsprocedure.

Het College heeft dit besloten na aanbeveling hiertoe van de onderzoekscommissie. Die concludeerde onder meer dat het slachtoffer mogelijk eerder is overleden dan tijdens het opsporingsonderzoek en de rechtszittingen in 1986 is aangenomen. Deze constatering kán tot een ander oordeel leiden over de toedracht van de zaak en de betrokkenheid van mevrouw Post daarbij.

De commissie heeft manco's geconstateerd in het opsporingsonderzoek en de vervolging. Er zijn volgens de commissie sinds het onderzoek in 1986 door politie en OM vele maatregelen genomen om de kwaliteit van opsporing en vervolging te verhogen.

De commissie heeft zich niet beziggehouden met de vraag of mevrouw Post wél of niét schuldig is.

Voorgeschiedenis

Het strafrechtelijk onderzoek naar de gewelddadige dood van de 89-jarige vrouw uit Leidschendam, is in augustus 1986 gestart. Dit onderzoek leidde tot veroordeling van mevrouw Post door de rechtbank Den Haag op 9 december 1986 en door het gerechtshof Den Haag op 23 maart 1987. Bejaardenverzorgster mevrouw Post is veroordeeld voor doodslag op het slachtoffer, die een cliënte van haar was, en voor valsheid in geschrift. Mevrouw Post heeft de haar opgelegde straf inmiddels uitgezeten.

In april 1988 heeft de Hoge Raad het ingestelde cassatieverzoek verworpen. Er zijn sinds de onherroepelijke veroordeling door mevrouw Post vijf herzieningsverzoeken ingediend bij de Hoge Raad. De eerste vier zijn niet-ontvankelijk verklaard of afgewezen. Op het vijfde herzieningsverzoek is nog niet beslist.

Onderzoeksvraag

Aan de commissie was gevraagd te onderzoeken of er in het opsporingsonderzoek en de vervolging manco's kunnen worden vastgesteld, waardoor de rechter de zaak niet goed heeft kunnen beoordelen.

De rol van de rechter is om staatsrechtelijke redenen door de CEAS niet in haar onderzoek is betrokken.

Conclusies

Het onderzoek naar de dood van het slachtoffer is beoordeeld op basis van de toen geldende regelgeving en cultuur bij politie en OM én in het licht van de mogelijkheden die er toen bestonden op het gebied van technisch (bijvoorbeeld sporenonderzoek) en tactisch onderzoek (zoals onder meer verhoren).

De belangrijkste conclusie van de commissie is dat tijdens het onderzoek uitgegaan is van een mogelijk foutief tijdstip van overlijden van het slachtoffer, waardoor een groot deel van de onderzoeksresultaten op losse schroeven komt te staan.

De overige bevindingen zijn onder meer:

  • de onvolledigheid van het opsporingsonderzoek, waarbij de commissie overigens vaststelt dat het politieonderzoek wél voldoet aan de eisen die wet, recht en verdragen daar aan stellen;
  • de onvolledige en op diverse punten incorrecte en tegenstrijdige verslaglegging door de politie en het niet (laten) corrigeren hiervan door de officier van justitie;
  • het niet kunnen vaststellen van de betrouwbaarheid van de bekentenissen van mevrouw Post. Er zijn concrete aanwijzingen dat haar tijdens de verhoren daderinformatie is aangereikt. Maar niet meer te reconstrueren is door wie of onder welke omstandigheden mevrouw Post daarbuiten daderinformatie heeft kunnen verkrijgen. Tegenstrijdigheden zijn geconstateerd tussen haar verklaringen en andere onderzoeksresultaten, omdat details uit haar verklaringen niet nader zijn onderzocht.
  • De commissie heeft vastgesteld dat er geen gronden zijn om aan te nemen dat de bekentenissen van mevrouw Post zijn afgelegd onder ongeoorloofde druk.

Aanbeveling

De commissie geeft aan dat sinds 1986 vele maatregelen zijn genomen om de kwaliteit van opsporing te verhogen. Ook zijn er na de Schiedammer parkmoord in het kader van het Verbeterprogramma Opsporing en Vervolging (VOV) vele verbetertrajecten gestart. Naast deze in gang gezette trajecten vraagt de commissie speciale aandacht voor de opbouw van en het behoud van kennis en ervaring binnen de recherchefunctie van de politie.

Achtergrond informatie CEAS

Het College heeft in april 2006 de Commissie evaluatie afgesloten strafzaken (CEAS) ingesteld. De CEAS heeft als opdracht door middel van onderzoek na te gaan of zich in een specifieke afgeronde strafzaak in opsporing, vervolging en/of presentatie van het bewijs ter terechtzitting ernstige manco's hebben voorgedaan die een evenwichtige beoordeling van de feiten door de rechter in de weg hebben gestaan. Onderdeel van deze commissie is de Toegangscommissie die het College adviseert welke zaken in aanmerking komen voor nader onderzoek. Dit is tot op heden in drie zaken het geval geweest. Het College heeft in alle drie de zaken een onderzoekscommissie geformeerd. Na het rapport van de commissie Grimbergen in de zaak Lucia de B. dat eind oktober 2007 is verschenen, is medio december 2007 het rapport van de commissie Vermeulen openbaar gemaakt. Het derde rapport inzake Ina Post van de commissie Van Beuningen is nu ook afgerond.

'Manco's in onderzoek zaak-Ina Post'

21 april 2009 NRC Den Haag, 20 maart. Het Openbaar Ministerie erkent dat er fouten zijn gemaakt bij de opsporing en vervolging van de bejaardenverzorgster Ina Post, midden jaren tachtig. Maar het wijst er ook op dat er sindsdien vele maatregelen zijn genomen om de kwaliteit te verbeteren.

Gisteren publiceerde de Commissie Evaluatie Afgedane Strafzaken (CEAS) een onderzoeksrapport over deze veroordeling uit 1987 wegens doodslag op een bejaarde en valsheid in geschrifte. Post zou betaalcheques hebben gestolen en die met een valse handtekening hebben geïncasseerd. Volgens de commissie is er op essentiële punten twijfel gerezen aan de kwaliteit van het recherche onderzoek. Vooral het tijdstip van overlijden van het slachtoffer zou verkeerd zijn vastgesteld „waardoor een groot deel van de onderzoeksresultaten op losse schroeven komt te staan”.

Het College van procureurs-generaal, dat de leiding vormt van het Openbaar Ministerie, heeft het rapport doorgezonden naar de Hoge Raad. Daar zal de procureur-generaal over een paar maanden adviseren of de zaak inderdaad moet worden herzien.

Ina Post heeft haar straf van zes jaar al uitgezeten. Op vier eerdere verzoeken om de zaak te herzien heeft de Hoge Raad steeds afwijzend geoordeeld. Vorig jaar diende haar advocaat, Geert-Jan Knoops een vijfde verzoek in. Hij meent dat er ook binnen het Openbaar Ministerie al twijfels bestonden over deze veroordeling. Dat zou blijken uit het feit dat het College van procureurs-generaal zèlf besloot de zaak Ina Post bij de commissie aan te dragen voor nader onderzoek.

Het Openbaar Ministerie zegt vanochtend dat er zich inderdaad manco's hebben voorgedaan. Maar de commissie sprak geen oordeel over de schuld van Ina Post uit. Wel kan het rapport „tot een ander oordeel leiden”.

Knoops meent dat na het advies van de commissie de Hoge Raad niet aan herziening kan ontkomen. Het rapport zou aantonen dat er een gerechtelijke dwaling heeft plaatsgevonden. „Op essentiële onderdelen velt de CEAS een hard oordeel over de vele tactische en technische onvolledigheden in het onderzoek.” De advocaat wijst er op dat er onder meer zeer ontlastend bewijsmateriaal buiten het dossier is gelaten. Vooral het feit dat het tijdstip van overlijden verkeerd zou zijn vastgesteld zou tot vrijspraak hebben geleid. Tenminste als het de rechter destijds bekend was geweest. Daarmee is volgens Knoops overtuigend voldaan aan het juridisch vereiste van een ‘nieuw feit’ (novum) dat nodig is om een afgesloten strafzaak te kunnen herzien.

De Commissie Evaluatie Afgedane Strafzaken werd ingesteld na de justitiële blunder in de Schiedammer parkmoord waarvoor rechtbank, Hof en Hoge Raad de verkeerde persoon onherroepelijk veroordeelden. Het advies in de zaak Ina Post is het derde rapport van de commissie sindsdien. In de zaak Lucia de B. vond de commissie ook voldoende ernstige fouten om de Hoge Raad te adviseren de zaak te heropenen. In de zogeheten Enschedese ontuchtzaak zag de commissie wel fouten in het politieonderzoek, maar geen nieuwe feiten die tot een ander oordeel zouden hebben geleid.