We hebben 185 gasten online

Eerste Baarnse Moordzaak Deel 1

Gepost in Strafzaken

Eerste Baarnse Moordzaak (Theo Mastwijk 1960)

De moord op de veertienjarige scholier Theo Mastwijk, gepleegd in de nacht van 1 op 2 augustus 1960, stond in Nederland in de belangstelling omdat de daders zelf ook nog kinderen waren. Twee daders waren de gebroeders Boudewijn H. en Ewout H., 17 en 16 jaar oud, zonen van een directeur van een verzekeringsmaatschappij, en Henny W. 16 jaar oud, zoon van een timmerman.

Vijftien maanden lijkt het erop dat de drie jongens de perfecte moord hebben gepleegd. Henny W. werkt eals vertegenwoordiger in huishoudelijke artikelen. Boudewijn H. was begonnen aan zijn studie aan de Universiteit van Leiden en Ewout H. woonde nog in zijn ouderlijke huis.

Het lijk van de vermoorde Theo Mastwijk werd pas ruim een jaar later, 27 oktober 1961, gevonden door een metselaar die een oude beerput leegschepte. In eerste instantie denkt men dat het de overblijfselen betreft van een slachtoffer uit de Tweede Wereldoorlog, totdat rechercheurs zich verbazen over het feit, dat stukjes spijkerstof bij het lijk zijn gevonden. Dat bestond in de Tweede Wereldoorlog nog niet. Daarnaast is er een tweede lapje stof gevonden met een opvallend bloemmotief. Dat nu is precies gelijk aan de stof van het overhemd dat Theo Mastwijk draagt op een foto geplaatst in het Opsporingsblad. Op 4 november 1961 worden ze alle drie aangehouden.

In maart 1963 vond het proces plaats voor de Utrechtse rechtbank. Boudewijn H. en Henny W. werden beide veroordeeld tot negen jaar cel en tbr. Ewout H. kreeg zes jaar celstraf en tbr wegens medeplichtigheid. Ze zagen alle drie af van hoger beroep

 

Baarnse moordzaak voor Utrechtse rechtbank

Eén moord van oudere zou moord hebben voorkomen

Jongens handelden in dwangpsychose

Utrecht Eerste procesdag 25 maart 1961

Henny W., een van de drie verdachten in de Baarnse moordzaak, is in verminderde mate toerekeningsvatbaar. Dit is de mening van Prof. dr. J. Kloek, geneesheer-directeur van de Psychiatrische observatiekliniek van het gevangeniswezen te Utrecht. "Hij maakt de indruk normaal te zijn maar hij leeft in slechts schijnbaar contact met de rest van de wereld". Prof. Kloek achtte het niet verantwoord de negentienjarige jongeman op korte termijn in de maatschappij terug te plaatsen ' in verband met het gevaar dat hij opnieuw in een situatie komt die hij eigenlijk niet wil". Hij adviseerde een beperkte straftijd en daarna opname in de Rekkense inrichtingen.

Geen contact met ouders

Deze verklaring van de getuige-deskundige gehoorde hoogleraar in de psychiatrie was een der opmerkelijkste gebeurtenissen op de eerste dag van het voor de Utrechtse rechtbank gevoerde proces, waarin achtereenvolgens drie jongemannen terecht staan voor moord, resp. medeplichtigheid aan moord op de veertienjarige Theo Mastwijk.

Hoe konden drie jongens, die eigenlik nog kinderen waren op het tijdstip van de moord in de nacht van 1 op 2 augustus 1960 en die allen afkomstig waren uit fatsoenlijke gezinnen, zo'n verschrikkelijk misdrijf plegen?

Er heerste een soort dwangpsychose in het groepje, verklaarde de psychiater. "Als er maar één oudere was geweest, die een verstandig woord zou hebben gezegd zou er niets zijn gebeurd. maar de jongens leefden in een volkomen isolement. Ze hadden geen contact met hun ouders of met andere vertrouwde ouderen. Ieder van hen hoopte , dat er een oplossing zou komen, die heel de situatie zou veranderen, maar deze oplossing kwam niet. Zelfs als een van de oudere jongens in het groepje gezegd zou hebben: 'Jongens, dit kán toch niet', dan zouden de twee anderen zich daar opgelucht bij hebben neergelegd. Maar ze durfden voor elkaar hun 'zwakheid' niet toe te geven. En zo ontstond het gevoel, dat het móest gebeuren, dat tenslotte alle overwegingen overheerste".

Geen sensatie

Vergeleken bij het sensationele karakter van het misdrijf mocht de procedure voor de Utrechtse rechtbank voor het overige een bijna dor-ambtelijke afwikkeling heten. Bijzonder waren slechts het samendrommende publiek buiten voor de hekken, de talrijke en scherpe politiebewaking (mét honden) rondom het gerechtsgebouw, de volgestouwde publieke tribune en de overvolle rechtszaal , waar tientallen journalisten, juristen, criminologen en deskundigen uit de wereld van psychiatrie en psychologie in krappe banken opeengepakt zaten. Maar geen sensaties voor de groene tafel. president mr. Gijsman had de procedure zo gearrangeerd, dat er geen marge meer was voor emotionaliteit, dramatische effecten en knetterende kruisverhoren. Geen drie verdachten tegelijk in de verdachtenbank. Gisteren (25 maart 1961) stond alleen de 19 jarige intelligente timmermanszoon Henny W. terecht. Vandaag 26 maart, zal de beurt zijn aan de 20-jarie Boudewijn H., zoon van een verzekeringsdirecteur, en woensdag 27 maart aan zijn 18 jarige broer Ewout.

Verdediger protesteert

"met deze handelswijze heeft u het bled aan deze zaak ontnomen" protesteerde Henny W's verdediger, mr. Francois Pauwels, gistermorgen direct na het begin van de zitting. Hij vroeg de president de zaken tegen de drie verdachten alsnog te voegen. "Ik heb het idee dat dit arrangement voortvloeit uit een zekere deernis ten opzichte van een of meer verdachten, die het bij gescheiden behandeling van hun zaken natuurlijk gemakkelijker krijgen. maar de verdediging wordt niettemin in haar taak gehinderd. het is trouwens ook voor de rechter van eminent belang, dat de drie verdachten gelegenheid krijgen tegelijk hun verklaring af te leggen".

De rechtbank wees het verzoek van mr. Pauwels af, maar verklaarde zich bereid de verdachten tegen elkaar te doen getuigen indien dit voor een juiste oordeelsvorming nodig zou blijken. En daar legde mr. Pauwels zich dan maar bij neer.

Milde behandeling

Het verhoor van Henny W. nam vrijwel de hele ochtendzitting in beslag die van half tien tot tien voor twee duurde. President mr. Gisman stelde zijn vragen mild, meer verwonderd dan verontwaardigd. Evenmin als officier van justitie mr. van Dijken trachtte hij de jeugdige verdachte in het nauw te drijven. Vaderlijk stond hij hem op voorhand toe te gaan zitten als het lange staan hem te veel mocht worden. Maar Henny W. had de stoel niet nodig. Hij nam bijna gretig aan het verhoor deel, rad van tong met een goede woordkeuze en met een verbazingwekkende, koele objectiviteit alsof het andermans zaak betrof.

En zo, onbewogen schijnbaar, vertelde hij de rechtbank het hele verhaal. Hoe het slachtoffer Theo Mastwijk was verhoord door de politie, verdacht van bromfietsdiefstal en van een winkeldiefstal, die door Henny W. samen met de jongens H. was gepleegd. Hoe Theo bang was geworden naar''een tuchtschool' te worden gestuurd en daarom wilde onderduiken. Als henny W. hem daarmee niet wilde helpen zou hij de politie vertellen, dat Henny en de jongens H. hadden ingebroken.

De jongens H. kenden Theo niet, maar waren bang genoeg voor hun reputatie om hem onder te brengen in een torenkamer van hun 42 kamers tellend ouderlijk huis, waar zij hem van 23 juni tot de nacht van 1 op 2 augustus 1960 "redelijk verzorgden", zoals een van de rechters opmerkte. De bedoeling was dat Theo te gelegener tijd naar het buitenland zou worden gebracht, maar daar kwam niets van. Nee, Boudewijn en Ewout werden niet ongeduldig. de jongen viel niet op in het grote huis en zijn verzorging bezorgde hun geen onoverkomelijke problemen: hun reputatie stond op het spel. ook Theo werd niet ongeduldig."Hij zat er voor zijn eigen veiligheid"merkte Henny op. "Hij was bang voor het tuchthuis". Maar toen de familie H. met vakantie wilde "kwamen wij voor het blok te zitten", zei Henny W. Het plan om Theo over de grens te brengen was in de slof geraakt. Terwijl Henny W. en Boudewijn H. bij een expediteursfirma klusjes deden kwam de gedachte niet bij hen op dat Theo met een van de vrachtauto's naar het buitenland te sturen: "Want dan zou de chauffeur hem hebben herkend". Ze kwamen niet op de gedachte Theo met de bromfiets naar Duitsland te brengen, "want daar zou hij toch direct zijn opgepakt".

"Geen Risico"

President: "Was het geen goed idee geweest de jongen meteen los te laten en liever een paar weken gevangenisstraf voor die niemendalletjes te riskeren dan je met Mastwijk nog verder in de nesten te werken?".

Henny W.: "Toen we op zondag 31 juli krijgsraad hielden is het wel even ter sprake gekomen. Maar de jongens H. wilden dat niet, dat Theo er achter zou komen waar hij ondergedoken had gezeten - dat wist hij niet en dat was de voorwaarde van de jongens H. geweest - en verder waren ze bang voor de schande, dat hun aandeel in de diefstalen zou uitkomen".

Henny W. vertelden dat Boudewijn H. het eerst het plan had geopperd Theo Matswijk uit de weg te ruimen en wel door vergiftiging. Henny en Ewout hadden zich daar aanvankelijk wel tegen verzet, maar zagen geen uitweg. "Het was te riskant om hem te laten lopen. We konden de moed niet opbrengen hem de straat op te schoppen". Nadat ze het over de vergiftiging eens waren geworden beraadslaagden de knapen over het verbergen van het lijk. Ewout H. stelde voor het lijk uit te benen, een deel met zwavelzuur te vernietigen en de rest ergens in het water te gooien. Dit stuitte op bezwaren, zodat Ewout - volgens Henny W. - het gebruik van ongebluste kalk voorstelde, waarbij men het lijk zou kunnen onderbrengen in een ongebruikte put bij het huis. Daartoe werd besloten. De volgende avond - jongens H. zouden intussen ongebluste kalk stelen bij een bouwfirma - zou het plan worden uitgevoerd.

Gedrieën mengden zij de fijngestampte rode slaappillen en aspirine in een flesje bier, dat Theo zou worden gegeven. Of zij ervan overtuigd waren dat het dodelijk was"? "Je leest toch zovaak dat iemand sterft aan een grote dosis slaappillen". Tevoren hadden de jongens de put opgegraven en de sporen van hun werk gecamoufleerd. Nadat het bier Theo door een belendend raam was aangegeven trokken de drie jongens zich terug in de salon, want het echtpaar H. was afwezig. Overtuigd dat de vergiftigingspoging zou lukken bespraken ze wat ze bij een eventuele ontdekking van het lijk zouden zeggen. de jongste H. zou dan verklaren, dat Henny W. voor Theo M. onderdak had gevraagd, dat Theo ziek was geworden en gestorven en dat ze uit angst voor hun ouders besloten hadden het lijk te doen verdwijnen. Henny W. zou zeggen, dat Theo M. uit angst voor de tuchtschool om een onderduikadres had gevraagd en dat hij, Henny W., er toch niets aan kon doen dat hij ziek was geworden.

Maar toen de drie jongens na enkele uren boven kwamen leefde Theo M. nog. "Ik schrok me naar toen ik dat ontdekte", zei Henny W.

President: "Je had ook opgelucht kunnen zijn. je had weer een kans hem het leven te redden".

Henny: "Ik wilde wel, maar ik had de moed niet me te verzetten tegen Boudewijn. Toen we naar de werkplaats in de kelder waren gegaan om opnieuw te beraadslagen, sloeg hij met de vuist op tafel en ze: "Als het niet goedschiks gaat moet hij maar kwaadschiks dood" - en hij greep een ijzeren staaf waarmee hij hem de hersens wilde inslaan".

Op praktische gronden (bloedsporen) keurden Henny W. en Ewout H. dit plan af. Henny adviseerde Ewout wurging met een plastic draad, "anders konden we later niet volhouden, dat Theo ziek was geworden".

Repetitie

Boudewijn H. besliste, aldus Henny, dat Henny W de wurging moest verrichten. "We hebben tot dusver alle last gehad", zei hij, "en jij hebt nog niets gedaan"."Dat vond ik op dat moment redelijk", zei Henny. Hoe het moest gebeuren werd gerepeteerd met Ewout H. als proefpersoon, waarbij Boudewijn H. Ewouts polsen vasthield. Over slagen met een hakmes werd niet gesproken. Aan mislukking dacht geen van de drie jongens. Henny W. zei geen plannen te hebben gehad de moord op een andere wijze te voltrekken als de wurging mislukte. de wil om mastwijk om het leven te brengen zat bij mij niet voor. Ik móest het wel doen, maar dat wil niet zeggen, dat ik het ermee eens was". Theo Mastdijk werd overgebracht naar de kippenschuur in de tuin onder het voorwendsel, dat zijn vertrek geregeld was en dat hij zich daar zou kunnen wassen (Er was niet eens een wasgelegenheid in die schuur). In de schuur zou het gebeuren. Maar toen Boudewijn zich omdraaide - het afgesproken teken waarop Henny de jongen een plastic waslijn om de nek zou werpen - liep Henny W. volgens zijn zeggen weg. "Ik kon het Niet". Boudewijn H. zou hem zijn nagelopen: "Het moet gebeuren". Theo mastwijk werd naar buiten geroepen en Henny W. wierp hem de waslijn om de nek. "ik kon me niet aan Boudewijns invloed onttrekken. Nu vind ik dat laf". maar de waslijn. die hij hooguit 15 seconden aangetrokken hield, schoot uit zijn hand, waarop Boudewijn de kleine Theo op de grond trok, een in de buurt liggend hakmes greep en hem daarmee op het hoofd sloeg.

"Niet over praten"

De president hield Henny W. voor, dat de verklaringen van Boudewijn over de eigenlijke moord op Theo M. aanzienlijk van de zijne afweken, maar Henny W. bleef bij zijn verklaring. Ewout H. zou tijdens de moord op de uitkijk hebben gestaan. Hij had opdracht iedereen uit de buurt van de kippenschuur te houden "desnoods met geweld". "Hij moet er een idee van hebben gehad, dat de zaak zich niet had toegedragen zoals we hadden afgesproken", zei Henny, "want toen we van vakantie terug waren wilde hij een verslag hebben. Maar Boudewijn zei: Er wordt niet meer over gepraat". Kort daarna zou Henny W. tegen iemand, die over de verdwijning van Theo M sprak, hebben gezegd:"Die heb ik vermoord"' maar ter zitting wilde hij dat niet zo uitgelegd hebben alsof hij er de verantwoordelijkheid geheel voor aanvaardde.

Nadat in de middagzitting uitvoerig was stilgestaan bij de ontdekking van het lijk en bij het feit, dat kledingresten identificatie mogelijk maakten, kwam nog ter sprake, dat er geen kledingstukken van Boudewijn H. zijn gevonden met bloedsporen erop. Boudewijn heeft die kleren verbrand en de resten begraven maar op de door hem en zijn broer aangegeven plaats is nooit iets gevonden, evenmin als elders.

Niet voor elkaar onderdoen

de getuige-deskundige prof. Kloek schetste Henny W. als een scherpzinnige jongen met een uiterst praktische intelligentie, dat, in tegenstelling daarmee, toch uiterst suggestibel is gebleken. In de observatiekliniek bleek hij onder de invloed te raken van een fantast. In het groepje onderging hij duidelijk de invloed van Boudewijn H., maar zeker is ook, dat Boudewijn, onpraktisch van aard, ook Henny W. in verschillende opzichten als de sterkere heeft ervaren. Zo is er wellicht een soort wisselwerking ontstaan, waarin de een niet voor de ander heeft willen onderdoen. Het groepje had geen uitgesproken leider: ieder aanvaardde de ander als zodanig, een soort van interactie, en naarmate de zaak meer in het romantische-magische vlak kwam konden de jongens zich minder gemakkelijk uit hun dwangpositie bevrijden. Ook voor Boudewijn H. concludeerde de psychiater in dit verband tot een verminderde toerekeningsvatbaarheid. "Buiten het delict om is over ieder der betrokkenen wellicht een meer genuanceerd oordeel te formuleren, maar in dit gezamenlijk handelen is ieders aandeel niet tegen dat van de ander af te wegen. Het voornemen iets te doen, dat buiten alle proporties viel, had macht over hen gekregen".

Geen berouw?

Prof. Kloek kon de president overigens geen verklaring geven voor de merkwaardig kille en gevoelsarme manier, waarop Henny W. zijn verklaringen in deze zaak had afgelegd, alsof hij er zelf geen deel aan had genomen. Geen spoor van spijt, berouw of aandoening. Henny W. verklaarde aan het eind van de zitting gisteren, dat hij toch wel berouw voelde. dat hij zich zo koel-objectief gedroeg kwam hierdoor, zei hij: "Die zaak is nooit een stuk van mezelf geweest. Nu ik in andere omstandigheden verkeer ben ik in zekere zin zelf ook een andere geworden". De twijfelachtigheid van zijn berouw werd nog door een van de rechters onder schot genomen:"Dan zou je hebben moeten zeggen, dat je niets meer met de jongens H. te maken wilde hebben". Henny W.:""De jongens H. hebben me overgehaald. Ik wilde niet. Ik zei, dat ik in mijn goede kleren niet kon stelen. Toen hebben ze me oude kleren gegeven en toen had ik de moed niet meer om me te verzetten