We hebben 219 gasten online

Eerste Baarnse Moordzaak deel 2

Gepost in Strafzaken

eerste baarnse moordzaak

 
Liegt verdachte en stimuleert hij geheugenstoornis?

Boudewijn H. schuift schuld op Henny W.

Vele raadsels in de Baarnse Moordzaak

2e procesdag Utrecht 26 maart 1961

Is Boudewijn H. inderdaad een bijzonder hardnekkige leugenaar of heeft handige prater Henny W.de Utrechtse rechtbank op de eerste procesdag leugens op de mouw gespeld over de toedracht van de moord op Theo Matswijk? Heeft de verschrikkelijke indruk van zijn daad wérkelijk een gat geslagen in de herinnering van Boudewijn H. of stimuleert hij dit maar? Dit waren de vragen, die op de eerste procesdag in de Baarnse moordzaak, beheersten. En er was niemand, die er ook maar bij benadering een antwoord op kon vinden. Zelfs de psychiater niet.

Conversatie op fluistertoon

Vermagerd en zeer bleek, maar keurig verzorgd en goed in 't pak werd Boudewijn H. gisteren om half tien de rechtszaal binnengeleid. Licht gebogen, en het hoofd voorover hoorde hij de tenlastelegging aan, die nagenoeg gelijk was aan die welke Henny W. daags tevoren had moeten aanhoren, met dit verschil dat Henny W. subsidiair moord gepleegd alléén ten laste werd gelegd. ook Boudewijn kreeg zich te verantwoorden voor enkele kleine diefstallen, ten dele voor en ten dele na de moord gepleegd.

Boudewijns verdediger, mr. Joh. Mathuizen, vroeg op voorhand de clementie van de rechtbank voor zijn cliënt. "U in het verhoor de vlotte conservatietoon missen, die "Henny W. gisteren uit de verdachtenbank liet horen". Hij wees ook op de labiele geestelijke toestand, waarin Boudewijn verkeerde en verkreeg voor hem het voorrecht, dat hij het verhoor zittend mocht ondergaan, "want staande kan hij niet denken". Ook Henny W. had daags daarvoor dat voorrecht gehad maar er geen gebruik van gemaakt.

Het verhoor van Boudewijn werd inderdaad een moeizame aangelegenheid. Hij zat lichtelijk ineengedoken in zijn stoel, de ogen half gesloten, en antwoordde zo zachtjes, dat zelf de rechters grote moeite hadden hem te verstaan. Hij drukte zich herhaaldelijk ook zo weifelend uit, dat mr. Mathuizen moest bijspringen om de bedoelingen van zijn cliënt te verduidelijken. Dit gebeurde onder meer bij de behandeling van de diefstal uit hotel Trier in Soestdijk, waarbij Boudewijn zich meester had gemaakt van een schrijfmachine, en stolppendule en wat glaswerk. Het meest voor de hand liggende motief was dat zijn broer Ewout op soortgelijke wijze aan mooie spullen voor zijn kamer was gekomen en dat Boudewijn daarin niet zijn mindere wilde zijn. Maar Boudewijn pleegde deze diefstal een half jaar na de moord op Theo Mastdijk en deze omstandigheid vergde nadere verklaring.

Curieuze verklaring

Met behulp van zijn verdediger gaf Boudewijn die dan ook. Het kwam hierop neer: de moord op Theo matswijk had een dusdanige indruk op Boudewijn gemaakt, dat hij het gevoel kreeg er zelf niet bij tegenwoordig te zijn geweest. Alsof hij het ooit ergens gelezen had. Dit gevoel wilde hij verifiëren. Hij wist een ding met zekerheid: het drama was voortgevloeid uit een diefstal, waarbij hijzelf betrokken was geweest en die hij in zijn herinnering als een concreet feit terugvond. Dit bracht hem op de gedachte opnieuw te gaan stelen en de afloop daarvan af te wachten. Er gebeurde niets: er kwam geen politie aan de deur, er kwam niemand onderdak vragen voor een onderduiker: Conclusie: de affaire-Mastwijk was er dus niet geweest.

In de middagzitting werd deze verklaring voorgelegd aan de als getuige-deskundige gehoorde psychiater, prof. dr. H.C. Rümke, die er geen raad mee wist. Mr Mathuizen moest trouwens toegeven dat hij er zelf ook niets van snapte...

Theo geen bedreiging

Over de motieven van Theo Mastwijk in de ouderlijke villa te laten onderduiken, vertelde Boudewijn dat hij en zijn broer Theo Matswijk niet eens kenden en ook niets van hem te vrezen hadden, want hij kende hun aandeel in de diefstallen niet. Maar de broers H. durfden het verzoek van Henny W. om TRheo onderdak te verschaffen niet af te wijzen, want Henny W. wist wel voldoende om de jongens H. met de politie in aanraking te doen komen.

Veertig dagen lang werd de jongen hoofdzakelijk door Boudewijn in het geheim verzorgd: hij kreeg brood en restjes van warme maaltijden. de bedoeling was geweest hem tien dagen te houden, want dan zou Henny W. een plan klaar hebben om Theo naar het buitenland te doen uitwijken. Dit plan kwam niet. Boudewijn had bovendien ruzie gekregen met Henny W., met wie hij samen in een overslagbedrijf vakantiewerk verrichte, waarbij hij behoorlijk werd genegeerd.

Leidde dit mede tot de weigering Theo nog langer te verzorgen of was alleen maar de op handen zijnde vakantie van de familie H. de oorzaak of het feit, dat de villa geschilderd moest worden? Het werd niet duidelijk. Zeker is dat de jongens H. gezamenlijk met Henny W. beraadslaagden over hetgeen hun verder te doen stond.

"Initiatief van Henny"

En op dit punt aangeland begonnen de verklaringen van Boudewijn H. sterk af te wijken hetgeen de rechtbank daags tevoren van Henny W. had vernomen. In punten samengevat zagen Boudewijns afwijkende verklaringen er als volgt uit:

·         Niet Boudewijn H. maar Henny W. was degene die voorstelde Theo Mastwijk uit de weg te ruimen.

·         Boudewijn H. herinnerde zich niet het plan te hebben gelanceerd Theo de hersens in te slaan en zijn lichaam in de Eem te gooien, ofschoon hij dit tijdens het vooronderzoek had toegegeven.

·         Boudewijn stelde wel voor Theo te vergiftigen, maar meende dit niet ernstig. Volgens zijn verklaring wilde hij alleen maar Henny W. schrik aanjagen en hem aldus onder druk zetten om ernst te maken met het plan om Theo naar het buitenland te brengen. Ten bewijze voerde Boudewijn hiervoor aan dat het "gif" dat hij in het bier deed slechts bestond uit onschuldige vitaminetabletjes en wat aspirine.

·         Boudewijn herinnerde zich niet meer na de "mislukte vergiftiging" bij het beraad in de kelder een ijzeren staaf te hebben gegrepen en gezegd te hebben: "Als hij niet goedschiks gaat dan moet hij maar kwaadschiks dood". Volgens hem was het Henny W., die het moordplan hoe dan ook wilde doorzetten.

·         Hij herinnerde zich niet meer, dat hij het was die de taak om Theo te wurgen aan Henny W. toewees, maar wel dat het zo was afgesproken. Verder herinnerde hij zich ook dat Henny van hem had geëist, dat hij bij de wurging zou assisteren door Theo's polsen vast te houden.

·         Het was volgens Boudewijn, Henny die besloot, dat als de wurging zou mislukken Theo door Boudewijn met het kapmes om het leven moest worden gebracht; maar de vorige dag had Henny verklaard zeer verbaasd te zijn geweest toen hij Boudewijn ineens met het kapmes zag staan.

·         Boudewijn gaf toe, dat Henny uit de kippenschuur wegliep toen het ogenbik van de wurging was aangebroken, maar ontkende pertinent hem alsnog te hebben overgehaald het te doen. Integendeel: het zou Henny zijn geweest, die had gemompeld: "En toch moet het gebeuren".

·         Boudewijn ontkende bij de moord aanwezig te zijn geweest. Hij zou Theo's polsen hebben losgelaten op het moment dat Henny de waslijn om Theo's nek sloeg. Hij had even verder op gestaan en niet gezien, dat de waslijn Henny uit de hand schoot. Boudewijn zou de moestuin zijn ingelopen en toen hij dat deed hoorde hij achter zich de slagen met het kapmes.

·         Hij ontkende ook te hebben geholpen Theo's lijk in de put te verbergen. Toen hij uit de moestuin terug kwam zou hij alleen nog maar de benen van Theo voor een deel boven de put uit hebben zien steken en hebben geholpen die erin te duwen.

Kwalijke memorie

Op al deze punten was Boudewijn H. zeer stellig in zijn antwoorden, maar zo gauw hem een toelichting werd gevraagd hulde hij zich in een "Dat weet ik niet meer". President Mr. Gijsman, die het verhoor met engelengeduld en bijna vaderlijke goedheid leidde, kon het op een gegeven moment ook niet meer harden en zei boos: "In al je verklaringen ben je zo vaag, Boudewijn, maar als het om de schuldvraag gaat weet je alles ineens precies. Vind je dat niet eigenaardig?

Boudewijn: "De hoofdpunten zijn me bijgebleven".

Toen de president hem confronteerde met de tegenovergestelde verklaringen van Henny W. had Boudewijn daarop geen ander bescheid dan: "Hij kan heel goed liegen".

President: "Maar geldt dat ook niet voor jou?"

Een merkwaardige blijk van zijn visie gaf Boudewijn ook na opmerkingen van de president over de praktische onmogelijkheid, dat een betrekkelijke kleine jongen als Henny W. geheel alleen de 1,68 m lage Theo mastwijk met de armen omlaag door de betrekkelijk nauwe opening van de put zou hebben neergelaten. "Weet je heel zeker dat je er niet bij hebt geholpen?"

Boudewijn:"Het lijkt me onwaarschijnlijk".

President: "Waarom".

Boudewijn:"Omdat Henny W. het zegt.

Wel sleepspoor gezien

Tenslotte was hij bereid toe te geven, dat de mogelijkheid wellicht niet uitgesloten was dat hij toch bij het verbergen van het lijk geholpen had, maar hij herinnerde er zich niets meer van. het merkwaardige was, dat hij wel een gedetailleerde beschrijving kon geven van het sleepspoor, dat hij bij zijn terugkeer uit de moestuin aantrof tussen de plaats van de moord en de put. De president vond hierin aanleiding om Boudewijn nog even onder druk te zetten. hij toonde hem het vervaarlijke kapmes, waarmee Theo H. op het hoofd moet zijn geslagen en zei: " Weet je zeker, dat je dit kapmes niet in de hand hebt gehad?

Boudewijn: "Dat weet ik zeker omdat ik de slagen achter mij heb gehoord".

Officier van Justitie: " Daar heb je weer zo'n indirect antwoord".

President: "Is het nu niet mogelijk, dat je in wanhoop het mes hebt gegrepen en bent gaan slaan om een eind te maken aan het drama?"

Boudewijn: "Nee".

Rechter mr. Brieger probeerde eveneens Boudewijn tot aanvaardbare verklaringen te brengen, door erop te wijzen, dat het eigenlijk vreemd was dat hij was weggelopen naar de moestuin. "Wie in paniek is holt weg, naar zijn kamer of de bossen bijvoorbeeld. Maar jij ging naar de moestuin en je bleef daar staan".

Officier van Justitie: "Dat lijkt op overleg"..

Boudewijn: "Ik weet niet waarom ik dat deed. Misschien een instincthandeling".

President: "Kom nou, je moet het niet te mooi willen maken".

Verdringing?

Rechter mr. Fromberg benaderde Boudewijn vanuit een andere hoek. Hij zei: "Ik kan me voorstellen, dat je bepaalde feiten verdringt omdat ze zó verschrikkelijk zijn, dat je ze niet meer wilt herinneren. Maar er zijn dingen, die zich onmogelijk laten verdringen. Bijvoorbeeld de lugubere repetitie van de wurging in de kelder. We beschikken over verklaringen van Henny W., en je broer Ewout, dat jullie de plastic waslijn in verscheidene lussen rond jullie eigen nekken hebben gedaan om proefondervindelijk vast te stellen welke methode het doeltreffendst was. Dat is één ding. het andere is, dat je kort tevoren een ijzeren staaf hebt vastgegrepen en hebt gezegd: "We slaan hem de hersens in". Herinner je je dat niet?"

Boudewijn: "Er staat me niets van voor de geest".

Mr Fromberg: "Dat is voor mij volstrekt onaannemelijk".

President: "Je broer Ewout gaat je toch niet zonder reden belasten?"

Mr. Fromberg: "Je herinnert je niet, of je het lijk van Theo hebt gezien of niet. Maar je móet het je herinneren, want je hebt wel het sleepspoor tot in details gezien. Nogmaals: ik kan me voorstellen dat je bepaalde feiten wilt verdringen, maar dit is niet de plaats om er mee door te gaan. Hier moet de waarheid worden gezegd".

Boudewijn: "Ik herinner het me niet".

"Bang voor W"

Een nieuwe poging kwam van de officier van justitie: "Als Henny W. voorgesteld heeft Theo te vermoorden, waarom verzette je je dan niet?" Boudewijn had het niet zo ernstig ingezien.

Officier van justitie: "Als jouw vergiftigingsplan niet serieus bedoeld was, waarom nam je dan deel aan nieuwe moordplannen toen de vergiftiging was mislukt". Boudewijn zei dat hij bang was voor Henny W., dat hij niet tegen hem op had gekund. Maar hij kon niet duidelijk maken waarvoor hij nu eigenlijk bang was in de figuur van W.

Officier: "Als je zo vaag blijft is het voor ons wel moeilijk de geloofwaardigheid van je verhaal in te zien".

Boudewijn had zijn kleren na de moord niet nagezien. Of hij dat niet gevaarlijk vond, vroeg de officier. "Waarom?"vroeg Boudewijn uitdagend - hetgeen hem een reprimande van de president bezorgde."Dat heb je gedurende het vooronderzoek regelmatig uitgehaald, dat antwoorden met tegenvragen. Dit dóet men niet, begrepen?" Mr. Bieger prikte nog even na: "Waar zijn die kleren gebleven?" Boudewijn: "Ik weet het niet - in beslag genomen?"Nee. zei de rechter, ze zijn niet in beslag genomen. ze zijn eenvoudig nooit gevonden. Evenmin gevonden waren de resten van Theo's kleren , ofschoon de jongens H. ongeveer dezelfde plaats hadden aangegeven waar ze begraven moesten zijn. de president vroeg of Boudewijn daar een verklaring voor kon geven, "Slordig gegraven", meende hij. "Zo", zei de president, "ze hebben anders rondom de aangegeven plaats twintig vierkante meter een halve meter diep omgespit".

Dramatisch beroep

Met grote nadruk wees president mr. Gijsman Boudewijn op het belang van zijn verklaringen. "Het is noch mijn taak noch mijn bedoeling je tot een bekentenis te dwingen. Ik wil je er alleen op wijzen, dat een bekentenis van grote positieve betekenis voor je kan zijn voor je persoonlijke leven, voor je geestelijke gezondheid". Boudewijn bleef bij zijn verklaringen.

President: "Kan het niet zijn, dat je je zo hebt vastgebeten in je eigen verhaal, dat je het tenslotte voor de werkelijkheid bent gaan verslijten"?" Boudewijn ontkende het.

Het was dezelfde vraag die de middagzitting beheerste. De getuigenverklaringen van de met het onderzoek belaste politiemensen leverden geen nieuwe gezichtspunten op, behalve dan die van rechercheur Knoops, die zowel de rol van Boudewijn als die van Henny W. had gespeeld tijdens de verfilmde reconstructie van de misdaad. Volgens rechercheur Knoops moest het niet uitgesloten worden geacht, dat Henny W. kans had gezien in zijn eentje het lichaam van Theo M. in de put te werpen.

Simuleert Boudewijn?

De psychiater prof. Rümke bevestigde, dat Boudewijns houding tijdens de gesprekken, die hij met hem had gevoerd, ongeveer hetzelfde was geweest als tijdnes het verhoor in de rechtszaal. "Vooral als het om het aandeel van W. gaat herinnert hij zich ineen vrij veel, maar voor het overige is hij vaag als het misdrijf ter sprake komt". Prof Rümke kon geen stellig antwoord geven op de vraag of Boudewijn in dit opzicht eerlijk is dan wel simuleert. "We hadden de indruk dat het niet helemaal echt was, dat hij het in regie had genomen, maar sterker durven wij het niet te zeggen. Er is ook een tussenvorm mogelijk: dat hij zich onbewust in een desintegratietoestand brengt waarin hij zich niets meer herinnert".

De president wilde weten of Boudewijn, die zich tijdens het verhoor regelmatig achter Henny W. had verscholen, inderdaad sterk onder diens invloed had gestaan. Prof. Rümke meende van niet. "Er was een wederzijdse beïnvloeding. Bij observatie leek Henny W. aanvankelijk wel de sterkste, maar naderhand viel het verschil niet meer op". Prof Rümke was van oordeel, dat Boudewijn zich sterk bedreigd voelde in dat dit invloed had gehad op de observatie. Vooral de publiciteit in het eerste stadium had de jongeman sterk aangegrepen. Boudewijn ontdooide maar hoogst zelden en glimlachte dan: "als hij echt contact voelde". De psychiater achtte het mét verdediger mr. Mathuizen mogelijk, dat Boudewijn in deze "ellende" verzeild was geraakt juist doordat hij dit in zijn leven zo zelden had meegemaakt. Een rechter wilde weten of Boudewijn, voor zover hij liegt, zijn eigen leugens gelooft en of die op de een of andere wijze zijn toerekeningsvatbaarheid bepaalt. Prof. Rümke: "Alleen voor later kan het in dit opzicht een enorm verschil uitmaken wie van de twee liegt". de psychiater kon geen naam geven aan Boudewijns volstrekte weigering over de misdaad te spreken. Maar hij had bij hem wel stoornissen aangetroffen, die, indien Boudewijn zijn verklaringen oprecht heeft afgelegd, het voor zijn verdere levensloop van groot belang doen zijn dat hij een psycho-therapeutische behandeling ondergaat.

Niet pertinent

Prof. Rümkle achtte tussen de drie jongens weinig verschil aanwezig in verminderde toerekeningsvatbaarheid. Geen van de drie jongens zag hij als pertinent misdadig. Hij adviseerde een beperkte straf met onvoorwaardelijke terbeschikkingstelling van de regering in een instelling. Dit achtte hij ook voor de maatschappij van belang, omdat het gevaar van recidive niet denkbeeldig is indien de knapen in een daarvoor gunstige situatie zouden komen. "Het heeft ons allen zeer verbaasd, dat deze jongens, ondanks het verschrikkelijke feit, dat zij hadden gepleegd, enige maanden nadien toch weer samen aan het stelen zijn gegaan".