We hebben 142 gasten online

Deel 5 Puttense moordzaak

Gepost in Strafzaken

Herzieningsverzoeken door Hoge Raad gegrond verklaard 26 juni 2001

 

Herzieningsverzoeken worden door de Hoge Raad gegrond verklaard omdat een deskundige op basis van nieuwe informatie terugkomt op een eerdere verklaring. Die eerdere verklaring hield in dat het op het slachtoffer aangetroffen sperma waarschijnlijk afkomstig was van een eerder seksueel contact van het slachtoffer en later door de veroordeelden bij de verkrachting uit haar vagina is "gesleept". Op grond van nieuwe gegevens is de deskundige van mening dat die versleping zeer onwaarschijnlijk is en dat het sperma afkomstig moet zijn van het seksueel contact ten tijde van de doodslag.
De zaak wordt voor een nieuwe behandeling verwezen naar het gerechtshof Leeuwarden.

De Puttense moordzaak: herzieningsverzoeken gegrond

SAMENVATTING DOOR DE GRIFFIER VAN DE HOGE RAAD, BUITEN VERANTWOORDELIJKEID VAN HET COLLEGE

De Puttense moordzaak: herzieningsverzoeken gegrond.

De Hoge Raad (Strafkamer) heeft op 26 juni 2001 uitspraak gedaan in de herzieningsprocedure met betrekking tot de zogenoemde Puttense moordzaak. De Hoge Raad heeft de verzoeken tot herziening gegrond verklaard. De verzoeken staan geregistreerd onder de nummers 03256/00H en 03257/00H.

Het Gerechtshof te Arnhem heeft bij arrest van 3 oktober 1995 twee inwoners van Putten wegens het medeplegen van doodslag en verkrachting, gepleegd op 9 januari 1994 te Putten, veroordeeld tot een gevangenisstraf van tien jaren.

Op 29 september 2000 heeft mr. Knoops, advocaat te Amsterdam, namens beide veroordeelden bij de Hoge Raad verzoeken ingediend tot herziening van de uitspraken van het Hof. De verzoeken steunden onder meer op een rapport van de emeritus hoogleraar prof. Eskes.

Naar aanleiding van die verzoeken heeft de Hoge Raad bij tussenarrest van 20 maart 2001 nader onderzoek gelast en een uit zijn midden benoemde Raadsheer-Commissaris opgedragen prof. Eskes te horen. Dat verhoor vond plaats op 19 april 2001.

De Hoge Raad legt in zijn beslissing de nadruk op de omstandigheid dat op het slachtoffer sperma is aangetroffen, waarvan uit DNA-onderzoek is gebleken dat het niet van de veroordeelden afkomstig kon zijn. Volgens de Hoge Raad heeft het Hof te Arnhem destijds op grond van de verklaringen van prof. Eskes geoordeeld dat dat sperma waarschijnlijk afkomstig was van een eerder seksueel contact van het slachtoffer en dat het daarna door de veroordeelden bij de verkrachting uit haar vagina is "versleept".

Prof. Eskes heeft in de herzieningsprocedure echter verklaard dat hij op grond van hem thans ter beschikking staande gegevens, die hem destijds niet bekend waren, tot het oordeel komt dat die mogelijkheid van "versleping" hoogst onwaarschijnlijk is en dat het sperma afkomstig moet zijn van het seksueel contact dat heeft plaatsgevonden ten tijde van de bewezenverklaarde delicten.

Dat huidige oordeel van prof. Eskes wettigt volgens de Hoge Raad het ernstig vermoeden, dat het Hof de toenmalige verdachten zou hebben vrijgesproken, als het daarmee bekend zou zijn geweest.

De Hoge Raad heeft de zaken verwezen naar het Gerechtshof te Leeuwarden. Dat Hof zal de strafzaken opnieuw moeten behandelen. De uitspaak van de Hoge Raad betekent niet dat de verdachten door het Hof moeten worden vrijgesproken. Het Hof kan ook na een nieuw onderzoek weer tot een veroordeling komen.  
 
Herzieningsverzoeken worden door de Hoge Raad gegrond verklaard omdat een deskundige op basis van nieuwe informatie terugkomt op een eerdere verklaring. Die eerdere verklaring hield in dat het op het slachtoffer aangetroffen sperma waarschijnlijk afkomstig was van een eerder seksueel contact van het slachtoffer en later door de veroordeelden bij de verkrachting uit haar vagina is "gesleept". Op grond van nieuwe gegevens is de deskundige van mening dat die versleping zeer onwaarschijnlijk is en dat het sperma afkomstig moet zijn van het seksueel contact ten tijde van de doodslag.
De zaak wordt voor een nieuwe behandeling verwezen naar het gerechtshof Leeuwarden.
 
LJN: AA9800, Hoge Raad , 03256/00 H en 03257/00 H  
Datum uitspraak: 26-06-2001
Datum publicatie: 14-10-2003
Rechtsgebied: Straf
Soort procedure: Herziening
Inhoudsindicatie: 26 juni 2001 Strafkamer nrs. 03256/00 H 03257/00 H SB/ES Hoge Raad der Nederlanden Arrest op aanvragen tot herziening van in kracht van gewijsde gegane arresten van het Gerechtshof te Arnhem van 3 oktober 1995, ingediend door mr. G.G.J. Knoops, advocaat te Amsterdam, namens: [aanvrager 1], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1960, wonende te [woonplaats], en [aanvrager 2], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1971, wonende te [woonplaats].
Vindplaats(en): NJ 2001, 564 m. nt. T.M. Schalken
Rechtspraak.nl
 
Uitspraak
26 juni 2001
Strafkamer
nrs. 03256/00 H
03257/00 H
SB/ES

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest
op aanvragen tot herziening van in kracht van gewijsde gegane arresten van het Gerechtshof te Arnhem van
3 oktober 1995, ingediend door mr. G.G.J. Knoops, advocaat te Amsterdam, namens:
[aanvrager 1], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1960, wonende te [woonplaats],
en
[aanvrager 2], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1971, wonende te [woonplaats].

1. Het verloop van het geding

Voor het verloop van het geding tot dusver verwijst de Hoge Raad naar zijn tussenarrest van 20 maart 2001. Bij dat tussenarrest heeft de Hoge Raad een nader onderzoek gelast en dit opgedragen aan een daartoe uit zijn midden benoemde Raadsheer-Commissaris. Het tussenarrest is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. Aan dit eindarrest is tevens de conclusie van de Advocaat-Generaal gehecht.

2. Het door de Raadsheer-Commissaris verrichte onderzoek

De Raadsheer-Commissaris heeft op 19 april 2001 als getuige-deskundige gehoord prof. dr. T.K.A.B. Eskes, emeritus hoogleraar, wonende te [woonplaats]. Deze heeft verklaard overeenkomstig de inhoud van het van dat verhoor opgemaakte proces-verbaal, dat aan dit arrest is gehecht en daarvan deel uitmaakt.

3. Het verloop van de strafzaken

In verband met de aanvragen is voor wat betreft het verloop van de strafzaken het volgende van belang.

(i) De aanvragers hebben in het vooronderzoek aanvankelijk ontkend de feiten waarvoor zij uiteindelijk zijn veroordeeld te hebben gepleegd. Naderhand hebben zij in het vooronderzoek wisselende - waaronder bekennende - verklaringen afgelegd. Ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep hebben zij ontkend die feiten te hebben gepleegd.

(ii) Op de plaats van de delicten is door de politie sporenonderzoek verricht. Daarbij zijn verschillende monsters veiliggesteld, die door het Gerechtelijk Laboratorium van het Ministerie van Justitie zijn onderzocht.

(iii) Het sectierapport van het Laboratorium voor Gerechtelijke Pathologie van het Ministerie van Justitie van 3 februari 1994 maakt melding van "enig grijswit gekleurd, deels ingedroogd materiaal in de schaamstreek van het slachtoffer waarin spermatozoën aanwezig waren". Dat rapport vermeldt dat onder meer uitstrijkjes zijn gemaakt van de vagina ("op diverse niveau's") en de anus. Die uitstrijkjes zijn eveneens door het Gerechtelijk Laboratorium onderzocht.

(iv) Omtrent de resultaten van het onderzoek zijn door het Gerechtelijk Laboratorium drie rapporten uitgebracht, onderscheidenlijk van 20 mei 1994, 25 mei 1994 en 19 juli 1994.
Die rapporten vermelden dat uitstrijkjes zijn ontvangen van materiaal aangetroffen aan de buitenzijde van de vagina, op het rechterbovenbeen, van materiaal van de ingang van de vagina, van materiaal uit de vagina, van de baarmoedermond en van de anus. Als conclusies houden die rapporten in dat in het materiaal op die uitstrijkjes de aanwezigheid van sperma kon worden vastgesteld en dat op grond van de resultaten van het DNA-onderzoek die spermasporen van geen van de aanvragers afkomstig kunnen zijn. Voorts behelzen die rapporten als conclusie dat de onderzochte spermasporen afkomstig kunnen zijn van één en dezelfde persoon.

(v) Het rapport van het Gerechtelijk Laboratorium van 25 mei 1994 behelst onder meer een onderzoek naar twee hoofdhaardelen op de trui van het slachtoffer (207) en de folie ad 219 (microsporen vanaf de hals van het slachtoffer) en een gekamd schaamhaar (226). Het rapport behelst als conclusie dat die hoofdhaardelen niet pasten in de hoofdhaarpaletten van het slachtoffer en van de aanvragers en dat het schaamhaar evenmin paste in de schaamhaarpaletten van het slachtoffer en de aanvrager [aanvrager 1].
Voorts houdt het rapport van 19 juli 1994 als conclusie in dat het onderzoek van het materiaal van de haarwortel van het gekamde schaamhaar van het slachtoffer geen eenduidig resultaat heeft opgeleverd.

(vi) Het verrichte sporenonderzoek leverde ook overigens geen resultaten op die tot de aanvragers waren te herleiden, behoudens de - door het Hof tot het bewijs gebezigde - conclusie in het rapport van het Gerechtelijk Laboratorium van 25 mei 1994 dat het mogelijk is dat een housebroek van de aanvrager [aanvrager 1], een mat en/of een vloerkleed uit de woning waarin het slachtoffer is aangetroffen met elkaar in contact zijn geweest.

(vii) Nadat de zaken op 31 mei 1995 en op 26, 27, 28 en 29 juni 1995 door het Hof waren behandeld, heeft het bij tussenarrest van 13 juli 1995 nader onderzoek gelast, onder meer naar de op het slachtoffer aangetroffen haren. Dat tussenarrest houdt dienaangaande het volgende in:
"Het hof acht het wenselijk dat het hof door het Gerechtelijk Laboratorium nader wordt ingelicht over de aangetroffen haren van de trui ad 207, de folie ad 219 en het gekamde schaamhaarmonster ad 226. Met name acht het hof van belang het antwoord op de vraag of door middel van nader onderzoek kan worden vastgesteld of twee of meer van deze haren van dezelfde persoon afkomstig kunnen zijn. Ingeval van bevestigende beantwoording van deze vraag acht het hof zulk een nader onderzoek gewenst. Het hof wenst tevens uitsluitsel te krijgen over de vraag of de haar die geduid wordt als het gekamde schaamhaarmonster ad 226 voorwerp is geweest van het DNA-onderzoek, en zo ja tot welke conclusies dat onderzoek heeft geleid. Indien zodanig onderzoek niet heeft plaatsgevonden, acht het hof het gewenst dat - indien mogelijk - dit alsnog wordt verricht".

(viii) Voorts heeft het Hof bij genoemd tussenarrest nader onderzoek gelast naar het aangetroffen sperma. Dat tussenarrest houdt dienaangaande in:
"Het hof acht het wenselijk dat door de verbalisanten van de technische recherche die het stoffelijk overschot van het slachtoffer hebben aangetroffen, nader proces-verbaal wordt opgemaakt en ingezonden aan de procureur-generaal bij dit hof, waarin zo mogelijk een meer nauwkeurige omschrijving wordt gegeven van de op het rechter bovenbeen van het slachtoffer aangetroffen witte geleiachtige substantie, in het bijzonder van de hoeveelheid en de mate van vloeibaar of ingedroogd zijn van de aangetroffen substantie.
Tevens acht het hof het wenselijk dat - indien mogelijk - door het Gerechtelijk Laboratorium eventueel na kennisneming van het nader proces-verbaal, opgemaakt door de technische recherche, alsnog onderzoek wordt verricht naar de samenstelling van deze substantie, in het bijzonder naar de (relatieve) hoeveelheid spermatozoën hierin (...)".

(ix) Bij brief van 9 augustus 1995 aan de Procureur-Generaal bij het Hof heeft het Gerechtelijk Laboratorium meegedeeld dat uit het resultaat van het DNA-onderzoek van het schaamhaar (226) geen eenduidige conclusie kon worden verkregen, maar dat zeer wel mogelijk is dat dat schaamhaar afkomstig is van het slachtoffer.
Die brief houdt ten aanzien van het aangetroffen sperma het volgende in:
"De bij de gerechtelijke sectie waargenomen witte gelei-achtige substantie werd op een wattenstaafje veiliggesteld door de patholoog dr. R.Visser. (...) Bij het veiliggestelde spermaspoor op het rechter bovenbeen werden per gezichtsveld circa vijf spermatozoa waargenomen (...)".

Bij afzonderlijke brief van 9 augustus 1995 is door het Gerechtelijk Laboratorium aan de Procureur-Generaal bij het Hof meegedeeld dat de hoofdharen (207) niet pasten in de hoofdhaarpaletten van het slachtoffer en van de aanvragers en voorts dat het zeer wel mogelijk is dat deze hoofdhaardelen van verscheidene personen afkomstig zijn.

(x) Het onderzoek in hoger beroep is hervat op 7 september 1995. Het proces-verbaal van die terechtzitting houdt onder meer in als verklaring van de getuige-deskundige Janssen, wetenschappelijk medewerker, verbonden aan het Gerechtelijk Laboratorium:
"Op dit moment is in Nederland alleen DNA-onderzoek mogelijk op haarwortels, niet op de overige delen van een haar".

Het Hof heeft bij op die terechtzitting genomen tussenbeslissing het wenselijk geoordeeld "dat wordt onderzocht of een DNA-onderzoek op de haar, aangetroffen op de trui ad 207, mogelijk is en dat, als die mogelijkheid zal blijken te bestaan, een dergelijk onderzoek plaatsvindt".

(xi) Het naar aanleiding van die vraagstelling van het Hof door het Gerechtelijk Laboratorium aan de Procureur-Generaal uitgebrachte rapport van 18 september 1995 houdt omtrent de mogelijkheid van het door het Hof beoogde DNA-onderzoek niets in.

4. Nadere beoordeling van de aanvragen

4.1. Het eerste onderdeel van de aanvragen berust op het bekend worden van "Nieuwe DNA-gegevens".
Daartoe wordt verwezen naar een bij de aanvragen als productie 3 overgelegde rapportage van dr. P. de Knijff, verbonden aan het Forensisch Laboratorium voor DNA-Onderzoek (FLDO) van de Universiteit te Leiden van 15 september 2000.
Dit rapport behelst het resultaat van een nader DNA-onderzoek van de hoofdhaar(delen) 207 en 219, ten vervolge op een rapport van dr. De Knijff van 13 april 2000 met betrekking tot die haren en het op het slachtoffer aangetroffen sperma. Laatstgenoemd rapport behelsde als conclusie dat niet kon worden uitgesloten dat de haren en het sperma afkomstig zijn van dezelfde persoon.
In het thans overgelegde rapport wordt geconcludeerd dat de hoofdhaardelen 207 en 219 niet van de aanvragers afkomstig kunnen zijn.

4.2. De omstandigheid dat de hoofdhaardelen 207 en 219 niet passen in de hoofdhaarpaletten van de aanvragers was het Hof bekend (vgl. hiervoor onder 3 sub (v)). De enkele omstandigheid dat het thans overgelegde rapport dienaangaande meer zekerheid biedt, kan, op zichzelf beschouwd, niet gelden als een omstandigheid als bedoeld in art. 457, eerste lid aanhef en onder 2°, Sv. Dat op genoemd punt meer zekerheid is verkregen is evenwel in het licht van hetgeen hierna wordt overwogen niet geheel zonder betekenis, gelet op de ook door het Hof gelegde samenhang tussen het onderzoek van de aangetroffen haren en dat van het aangetroffen sperma (vgl. hierna onder 4.6). De Hoge Raad zal daarom die omstandigheid in aanmerking nemen bij zijn beoordeling van het tweede onderdeel van de aanvragen.

4.3. In het tweede onderdeel van de aanvragen wordt onder het hoofd "Non-bewijs sleeptheorie" een beroep gedaan op de inhoud van een bij de aanvrage als productie 5 overgelegd rapport van prof. dr. T.K.A.B. Eskes van 14 september 2000.

4.4. Bij aan mr. Knoops gerichte brief van 17 februari 2001 heeft prof. Eskes dat rapport bij wijze van reactie op de conclusie van de Advocaat-Generaal nader toegelicht. Die brief is gehecht aan het commentaar van de raadsman op die conclusie.

4.5. Voor de beoordeling van dit onderdeel van de aanvragen is het volgende van belang.

4.5.1. In deze zaak heeft zich de bijzonderheid voorgedaan dat op en in het lichaam van het slachtoffer sperma is aangetroffen waarvan uit DNA-onderzoek is gebleken dat het niet van de aanvragers afkomstig kon zijn.
Dat sperma is aangetroffen bij de ingang van de vagina, in de vagina, bij de baarmoedermond, bij de anus en op het rechterbovenbeen van het slachtoffer.

4.5.2. Blijkens een daarvan opgemaakt proces-verbaal heeft de politie prof. Eskes op 26 mei 1994 geconsulteerd omtrent de vraag "welke theorieën denkbaar zijn wanneer een slachtoffer door 2 mannen wordt verkracht en deze volgens hun zeggen niet zijn klaargekomen en er toch buiten de vagina sperma wordt aangetroffen".
De inhoud van het daarvan opgemaakte proces-verbaal is weergegeven in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 32.
Vervolgens is prof. Eskes door de Rechter-Commissaris als getuige-deskundige beëdigd en zijn hem door deze schriftelijke vragen voorgelegd, die door prof. Eskes bij brief van 14 juli 1994 zijn beantwoord.
Die vragen en antwoorden zijn, voorzover hier van belang, weergegeven in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 40.
Prof. Eskes is gehoord ter terechtzittingen in hoger beroep van 27 juni en 7 september 1995.

4.6. Bij de beoordeling van dit onderdeel van de aanvragen stelt de Hoge Raad voorop dat aan de resultaten van een DNA-onderzoek grote overtuigingskracht pleegt te worden toegekend, die niet alleen ten laste, maar ook ter ontlasting van een verdachte kan strekken (vgl. HR 7 mei 1996, NJ 1996, 573, rov. 7.4).
Het Hof, met de hiervoor onder 4.5.1 genoemde bijzonderheid geconfronteerd, heeft, zoals blijkt uit het verhandelde ter terechtzittingen in hoger beroep, het onderzoek onder meer toegespitst op de vraag of voor die ogenschijnlijke ongerijmdheid een verklaring kon worden gegeven. De bij tussenarrest van 13 juli 1995 en bij tussenbeslissing van 7 september 1995 gelaste onderzoeken strekten er, gelet op de vraagstellingen van het Hof, onmiskenbaar toe te doen vaststellen of de op de hals en de trui van het slachtoffer aangetroffen haren - in samenhang met het aangetroffen sperma - tot een ander dan de aanvragers ("dezelfde persoon") konden worden herleid.
De verrichte onderzoeken hebben op dat punt geen duidelijkheid verschaft.

4.7. In zijn eindarresten heeft het Hof geen oordeel gegeven omtrent de mogelijke herkomst van het sperma. Het was daartoe ook niet gehouden.
In die arresten ligt wel als zijn oordeel besloten dat de omstandigheid dat het aangetroffen sperma niet van de aanvragers afkomstig kon zijn niet afdoet aan de overtuigende kracht van het gebezigde bewijsmateriaal en niet onverenigbaar is met de bewezenverklaring.
Aan de in hoger beroep door prof. Eskes afgelegde verklaringen kan als mogelijke feitelijke toedracht worden ontleend dat het op het rechterbovenbeen van het slachtoffer aangetroffen sperma afkomstig was van een eerder, niet met de onderhavige verkrachting verband houdend, seksueel contact van het slachtoffer met een derde, en dat dat sperma daarna door de aanvragers bij hun seksueel contact met het slachtoffer uit haar vagina op haar rechterbovenbeen is terechtgekomen ("versleept"). Het kan daarom niet anders zijn dan dat het Hof bij zijn beraadslaging omtrent de overtuigende kracht van het de aanvragers belastende bewijsmateriaal - in navolging van het door het Openbaar Ministerie in eerste aanleg en in hoger beroep ingenomen standpunt - die toedracht voor wat betreft de herkomst van dat sperma en van de overige spermasporen niet dermate onwaarschijnlijk heeft geoordeeld dat de hiervoor onder 4.5.1 genoemde bijzonderheid aan een bewezenverklaring in de weg stond, terwijl voorts aannemelijk is dat het Hof dat oordeel heeft gebaseerd op de in hoger beroep door prof. Eskes afgelegde verklaringen.

4.8. Het thans aan de aanvragen ten grondslag gelegde oordeel van prof. Eskes komt erop neer dat het op en in het lichaam van het slachtoffer aangetroffen sperma afkomstig moet zijn van het seksueel contact dat heeft plaatsgevonden ten tijde van de onderhavige verkrachting en dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat het buiten de vagina aangetroffen sperma afkomstig is van een eerdere coïtus en bij die verkrachting is "versleept".

4.9. Prof. Eskes heeft bij zijn verhoor door de Raadsheer-Commissaris op 19 april 2001 in de kern het volgende verklaard.
Hij, Eskes, heeft bij het geven van zijn oordeel in hoger beroep niet de beschikking gehad over het sectierapport en de rapporten van het Gerechtelijk Laboratorium. Hij heeft niet geweten, althans is bij zijn oordeelsvorming zich er niet van bewust geweest, dat ook elders dan op het rechterbovenbeen, dus ook rond en in de vagina van het slachtoffer, sperma was aangetroffen. Het beeld van die gezamenlijkheid van sporen brengt hem thans tot de conclusie dat het aangetroffen spermaspoor op het rechterbovenbeen afkomstig moet zijn van degene die ten tijde van de tenlastegelegde en bewezenverklaarde delicten een zaadlozing in de vagina van het slachtoffer heeft gehad.
Dat laatste leidt hij voorts af uit de omstandigheid dat versleping door een coïtus van zaadvloeistof die afkomstig is van een eerdere coïtus wel mogelijk is, maar alleen binnen ongeveer een half uur na de eerste coïtus, omdat de zaadvloeistof in de schede na dat tijdsbestek is gereduceerd tot plusminus 1 ml.

4.10.1. Voor wat betreft de stelling van prof. Eskes dat hij destijds niet heeft geweten dat ook elders dan op het rechterbovenbeen van het slachtoffer sperma is aangetroffen moet het volgende worden geoordeeld.
In aanmerking genomen dat de dossiers van de strafzaken geen aanknopingspunten bevatten voor het tegendeel, acht de Hoge Raad aannemelijk dat prof. Eskes destijds bij het afleggen van zijn verklaringen niet de beschikking heeft gehad over het sectierapport en de rapporten van het Gerechtelijk Laboratorium.
Weliswaar bieden die dossiers een enkele aanwijzing daarvoor dat prof. Eskes ervan op de hoogte had kunnen zijn dat behalve op het rechterbovenbeen ook elders sperma was aangetroffen, maar uit die dossiers blijkt anderzijds dat in de onderscheiden fasen van het onderzoek het aantreffen van een druppel sperma op het rechterbovenbeen van het slachtoffer sterk is benadrukt. Het proces-verbaal van politie van 26 mei 1994, dat een relaas behelst van de eerste consultatie door de politie van prof. Eskes, houdt als vraagstelling in: "(...) welke theorieën denkbaar zijn wanneer een slachtoffer door 2 mannen wordt verkracht en deze volgens hun zeggen niet zijn klaargekomen en er toch buiten de vagina sperma van een derde wordt aangetroffen".
De eerste door de Rechter-Commissaris aan prof. Eskes gestelde vraag is in gelijkluidende bewoordingen gesteld.
De door prof. Eskes in hoger beroep op 27 juni 1995 afgelegde verklaring wijst erop dat de vraagstelling zich heeft toegespitst op de aangetroffen druppel sperma op het rechterbovenbeen, terwijl diens op 7 september 1995 in hoger beroep afgelegde verklaring daarop geheel is toegesneden.
Gelet op hetgeen door prof. Eskes ten overstaan van de Raadsheer-Commissaris is verklaard, acht de Hoge Raad het aannemelijk dat Eskes' huidige oordeel, hierop neerkomende dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat het buiten de vagina aangetroffen sperma ten tijde van de tenlastegelegde en bewezenverklaarde delicten is "versleept", is ingegeven door feiten en omstandigheden die hij niet heeft betrokken bij het vormen van zijn ten overstaan van het Hof gegeven oordeel.

4.10.2. Het aan de aanvragen ten grondslag gelegde oordeel van prof. Eskes berust bovendien daarop dat ­ naar hij in de onderhavige herzieningsprocedure gemotiveerd heeft uiteengezet ­ versleping door een coïtus van zaadvloeistof die van een eerdere coïtus afkomstig is slechts mogelijk is binnen een tijdsbestek van een half uur na die eerdere coïtus.
Waar aan de door prof. Eskes in hoger beroep afgelegde verklaringen de gevolgtrekking kon worden ontleend dat een zodanige "versleping" ook na genoemd tijdsbestek van een half uur kan plaatsvinden, moet thans worden geoordeeld dat die gevolgtrekking onjuist is.

4.11. Als grondslag voor een herziening kan, voorzover hier van belang, krachtens het eerste lid aanhef en onder 2°, van art. 457 Sv slechts dienen een door opgave van bewijsmiddelen gestaafde omstandigheid die de rechter niet is gebleken en die op zichzelf of in verband met de vroeger geleverde bewijzen met de uitspraak niet bestaanbaar schijnt in dier voege dat het ernstig vermoeden ontstaat dat, ware zij bekend geweest, het onderzoek der zaak zou hebben geleid tot vrijspraak van de veroordeelde.
De hier bedoelde grondslag voor een herzieningsaanvrage ­ hierna als "novum" aan te duiden - kan slechts een omstandigheid van feitelijke aard betreffen. Een mening, overtuiging of gevolgtrekking kan in het algemeen niet als een zodanige feitelijke omstandigheid worden aangemerkt. Dat brengt mee dat het oordeel van een deskundige in beginsel slechts als een novum kan gelden voorzover daarbij wordt uitgegaan van feiten en/of omstandigheden van feitelijke aard welke niet bekend waren dan wel niet geacht kunnen worden bekend te zijn geweest aan de rechter die de uitspraak, waarvan herziening wordt gevraagd, heeft gewezen. In beginsel, omdat bijzondere omstandigheden, als in het onderhavige geval, kunnen meebrengen dat daarover anders moet worden geoordeeld.

4.12. Het onderhavige geval wordt hierdoor gekenmerkt dat het, naar hiervoor onder 4.6 tot en met 4.8 is overwogen, niet anders kan zijn dan dat het Hof bij de beoordeling van de overtuigende kracht van de gebezigde bewijsmiddelen in aanmerking heeft genomen dat het aangetroffen sperma waarschijnlijk afkomstig was van een eerder, niet met de onderhavige verkrachting verband houdend seksueel contact van het slachtoffer met een derde, terwijl het de mogelijkheid van een zodanige feitelijke toedracht heeft ontleend aan het in hoger beroep door prof. Eskes gegeven oordeel.
Het door die deskundige in de strafzaken gegeven oordeel staat dus in rechtstreeks verband met de bewezenverklaringen.
Onder die omstandigheden kan het thans aan de aanvragen ten grondslag gelegde oordeel van prof. Eskes, hierop neerkomende dat genoemde mogelijkheid hoogst onwaarschijnlijk is, als een novum worden aangemerkt.
Daarbij kan in het midden blijven of prof. Eskes zelf enig verwijt treft van de omstandigheid dat hij zich van bepaalde gegevens ­ die de rechter destijds wel bekend waren - niet bewust is geweest, omdat zulks voor het oordeel dat sprake is van een novum niet van belang is.
Datzelfde geldt ten aanzien van de omstandigheid dat in het ongewisse is gebleven waarom prof. Eskes ten overstaan van het Hof zijn oordeel omtrent het tijdsbestek waarin de door hem bedoelde "versleping" mogelijk is, niet heeft gespecificeerd als hiervoor onder 4.10.2 is weergegeven.

4.13. De aanvragers zijn veroordeeld ter zake van het medeplegen van doodslag en het medeplegen van verkrachting. De door het Hof gebezigde bewijsmiddelen houden in dat het bewezenverklaarde medeplegen van doodslag is gepleegd in onmiddellijke aansluiting op en samenhangend met het bewezenverklaarde medeplegen van verkrachting.
Hetgeen hiervoor onder 4.1 tot en met 4.12 is overwogen leidt tot het oordeel dat aan het aan het tweede onderdeel van de aanvragen ten grondslag gelegde oordeel van de deskundige prof. Eskes, zoals door hem nader toegelicht, een ernstig vermoeden valt te ontlenen dat het Hof, ware het daarmee bekend geweest, de aanvragers van de hun tenlastegelegde en bewezenverklaarde feiten, gelet ook op de samenhang tussen die feiten, zou hebben vrijgesproken.

5. Slotsom

Uit het vorenoverwogene volgt dat de aanvragen gegrond zijn, dat de gronden waarop deze steunen voor het overige geen bespreking behoeven, en dat als volgt moet worden beslist.

6. Beslissing

De Hoge Raad:
Verklaart de aanvragen tot herziening gegrond;
Beveelt, voorzover nodig, de opschorting of schorsing van de tenuitvoerlegging van voormelde arresten van het Gerechtshof te Arnhem van 3 oktober 1995;
Verwijst de zaken naar het Gerechtshof te Leeuwarden opdat de zaken op de voet van art. 467 Sv opnieuw zullen worden behandeld en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de president W.E. Haak als voorzitter, en de raadsheren J.L.M. Urlings, F.H. Koster, A.M.M. Orie en E.J. Numann, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 26 juni 2001.

20 maart 2001
Strafkamer
nrs. 03256/00 H
03257/00 H

Hoge Raad der Nederlanden

TUSSENARREST

op aanvragen tot herziening van in kracht van gewijsde gegane arresten van het
Gerechtshof te Arnhem van 3 oktober 1995, ingediend door mr. G.G.J. Knoops,
advocaat te Amsterdam, namens:
[aanvrager 1], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1960, wonende te
[woonplaats],
en
[aanvrager 2], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1971, wonende te
[woonplaats].

1. De uitspraken waarvan herziening is gevraagd

1.1. Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van vonnissen van de Arrondissementsrechtbank te Zutphen van 6 januari 1995 - ieder van de aanvragers ter zake van 1. “medeplegen van doodslag” en 2. “medeplegen van verkrachting” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de tijd van tien jaren, met aftrek overeenkomstig art. 27 Sr.

1.2. De Hoge Raad heeft bij arresten van 16 september 1996 de tegen ’s Hofs arresten ingestelde cassatieberoepen verworpen.

1.3. De Hoge Raad heeft bij beschikking van 14 oktober 1997 een aanvrage tot herziening van de aanvrager [aanvrager 2] niet-ontvankelijk verklaard. Bij arresten van 27 juni 2000 heeft de Hoge Raad aanvragen tot herziening van beide aanvragers afgewezen.

1.4. De Hoge Raad voegt de behandeling van de onderhavige aanvragen tot herziening.

2. De procesgang in herziening

2.1. De aanvragen tot herziening zijn op 29 september 2000 bij de Hoge Raad ingediend. Op 6 oktober 2000 heeft mr. Knoops in beide herzieningszaken een “aanvulling op verzoek tot herziening” ingediend. Bij brieven van
24 oktober 2000, 19 december 2000 en 9 januari 2001 heeft mr. Knoops aanvullende producties overgelegd.

2.2. De aanvragen zijn behandeld ter openbare terechtzitting van de Hoge Raad van 16 januari 2001. Aldaar heeft mr. Knoops de aanvragen mondeling toegelicht onder overlegging van een viertal aanvullende producties.

2.3. De Advocaat-Generaal Wortel heeft in beide herzieningszaken geconcludeerd dat de Hoge Raad de aanvrage zal afwijzen.

2.4. De Hoge Raad heeft kennisgenomen van het schriftelijk commentaar met bijlagen van mr. Knoops op de conclusie van de Advocaat-Generaal.

3. De bewezenverklaring

3.1. Ten laste van ieder van de aanvragers is bewezenverklaard dat:

“1. hij op 09 januari 1994 in de gemeente Putten tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk [het slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte tezamen en in vereniging met een mededader (telkens) opzettelijk gewelddadig de keel van [dat slachtoffer] dichtgedrukt en dichtgedrukt gehouden en met een mes, althans een scherp voorwerp, meermalen in de hals van [dat slachtoffer] gestoken en/of gesneden, mede tengevolge van welke handelingen voornoemd [slachtoffer] is overleden;

2. hij op 09 januari 1994 in de gemeente Putten tezamen en in vereniging met een ander door geweld [het slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van (een) handeling(en) die bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van [dat slachtoffer], hebbende verdachte tezamen en in vereniging met een mededader hun penis(sen) in de vagina van [dat slachtoffer] gebracht, en bestaande dat geweld hierin dat verdachte tezamen en in verenging met een mededader telkens opzettelijk gewelddadig
- [dat slachtoffer] heeft vastgegrepen en/of vastgepakt en of vastgehouden en
- tegen het hoofd en/of lichaam van [dat slachtoffer] heeft geslagen en
- [dat slachtoffer] tegen de grond heeft getrokken en
- de boven- en onderbroek van [dat slachtoffer] heeft uitgetrokken”.

3.2. Deze bewezenverklaring steunt - samengevat - op tegenover de politie afgelegde verklaringen van twee getuigen en eveneens tegenover de politie afgelegde (bekennende) verklaringen van de aanvragers alsmede op de resultaten van een vergelijkend vezelonderzoek.

4. De grondslag van de aanvragen

De aanvragers beroepen zich op een negental omstandigheden als bedoeld in art. 457, eerste lid sub 2°, Sv. De in dat artikelonderdeel genoemde grond voor herziening betreft, voorzover hier van belang, een omstandigheid die bij het onderzoek op de terechtzitting de rechter niet was gebleken en die op zichzelf of in verband met de vroeger geleverde bewijzen met de uitspraak niet bestaanbaar schijnt in dier voege dat ernstig vermoeden ontstaat dat ware zij bekend geweest het onderzoek der zaak zou hebben geleid tot vrijspraak van de veroordeelde.

5. Beoordeling van de aanvragen

Het tweede onderdeel van de aanvragen is gebaseerd op een daarbij overgelegd rapport van de - destijds door het Hof gehoorde - deskundige Prof. Dr. T.K.A.B. Eskes.
In verband met hetgeen in dat onderdeel van de aanvragen wordt gesteld acht de Hoge Raad, alvorens verder te beslissen, nader onderzoek noodzakelijk ter beantwoording van de vraag op grond waarvan die deskundige tot zijn in dat rapport neergelegde oordeel is gekomen.

6. Beslissing

De Hoge Raad:
Beveelt een onderzoek als hiervoor onder 5 omschreven en draagt dit op aan de daartoe uit zijn midden benoemde raadsheer-commissaris mr. F.H. Koster, die dit onderzoek op de daartoe in de wet voorgeschreven wijze zal verrichten op nader door hem te bepalen plaats en tijd en met oproeping van de deskundige Prof. Dr. T.K.A.B. Eskes, en zonodig van andere door hem aangewezen personen;
Houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door de president W.E. Haak als voorzitter, en de raadsheren J.L.M. Urlings, F.H. Koster, A.M.M. Orie en E.J. Numann, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 20 maart 2001.
Mr. Urlings is buiten staat dit arrest te ondertekenen.

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
RAADSHEER-COMMISSARIS

VERHOOR VAN GETUIGE-DESKUNDIGE

Proces-verbaal van getuigenverhoor in het kader van het onderzoek als bedoeld in art. 465 Sv naar aanleiding van de aanvragen tot herziening, ingediend namens


[aanvrager 1], geboren te [geboorteplaats] op
[geboortedatum] 1960, wonende te [woonplaats], en
[aanvrager 2], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1971, wonende te [woonplaats].


Aanwezig:
Raadsheer-Commissaris: mr. F.H. Koster
Griffiers: dhr. S.P. Bakker en mr. E.H. Schulten
mr. G.J.J. Knoops, advocaat van de aanvragers tot herziening

Datum verhoor: 19 april 2001
Aanvang verhoor: 14.00 uur
Sluiting: 18.30 uur

De getuige-deskundige verklaart omtrent naam, voornaam, leeftijd, beroep en woonplaats zoals hieronder is vermeld en verklaart voorts geen bloed- of aanverwant van de aanvragers te zijn. Vervolgens is de getuige-deskundige door de Raadsheer-Commissaris beëdigd dat hij de gehele waarheid en niets dan de waarheid zal zeggen en voorts dat hij zijn taak naar geweten zal vervullen.

De getuige-deskundige Eskes, Tom Kees Anton Bonifacius,
67 jaar, emeritus hoogleraar, wonende te [woonplaats], verklaart, zakelijk weergegeven, als volgt:

Op 26 mei 1994 heb ik bezoek gehad van de verbalisanten Van den Bosch en Dooyeweerd. Het was een informatief gesprek; ik had geen voorinformatie. Ik kan mij de inhoud van dat gesprek niet meer heel goed herinneren. Ik weet wel dat ze me kleurenfoto´s hebben laten zien en dat ik tamelijk geëmotioneerd was. Ik weet niet goed meer of ze gezegd hebben dat het bekennende verdachten waren. Het gesprek heeft niet langer dan een uur geduurd. Ik zou daarna vragen van de RC ontvangen. Ik heb het proces-verbaal van dat gesprek tot op heden nooit gezien. Ik hoor de inhoud nu voor het eerst van u. In dat proces-verbaal is sprake van "spil". Daarmee wordt medisch gezien bedoeld het morsen van zaad uit de penis na penetratie. Ook vrijkomen van zaad na masturbatie heet "spil". "Spil" is dus niet het slepen van vloeistof uit de vagina.
Zaadvloeistof bestaat uit vloeistof uit de prostaat en zaadblaasjes. Dat geheel stolt als het uit de penis komt. Dat stolsel heet coagulum. Uitgestort in de schede vervloeit het met vaginavocht. Dat bedoelt Dr. Lee in zijn rapport met liquidification. Na die vervloeiing maken zich zaadcellen vrij die naar de baarmoeder gaan. Er blijven ook zaadcellen achter; het langst in de achterste schedegroeve. De zaadvloeistof in de schede vermindert na ongeveer een half uur tot plus minus 1 ml. Dat betekent dat die vloeistof na ongeveer een half uur niet of nauwelijks meer in de schede aanwezig is. In dat halve uur kan het door een volgende coïtus naar buiten worden gesleept. In die zin is er versleping van zaadvloeistof mogelijk, maar dus alleen binnen een tijdsbestek van een half uur na de eerste coïtus. Dat geldt ook ten aanzien van de mogelijkheid van uitpersing ten gevolge van geweld of angst.
De zaadcellen zelf blijven langer in de schede. De dode zaadcellen kunnen dagenlang in de schede blijven. De zaadcellen sec kunnen door een latere coïtus wel naar buiten worden gesleept, maar dan alleen in het vaginale vocht.
U houdt mij nu voor de brief van de Rechter-Commissaris van 7 juli 1994. Ik zie dat daarin staat dat ook in de vagina sperma is aangetroffen. Ik ben daar bij de beantwoording van mijn vragen niet vanuit gegaan. Het is mij waarschijnlijk eenvoudigweg ontgaan. De beantwoording van vraag 1 wijst daar naar mijn mening ook op. Ik kom nu op het kardinale punt. Ik heb tijdens het proces niet geweten dat er ook sperma was aangetroffen aan de buitenzijde van de vagina, in de vagina en bij de anus. Voorzover dat wel in het proces ter sprake is gekomen, is dat niet tot mij doorgedrongen. Ik heb het sectierapport toen niet gezien en ook het rapport van het Gerechtelijk Laboratorium van 20 mei 1994 heb ik toen niet gezien. Het aantreffen van sperma op andere plaatsen is doorslaggevend geweest voor mijn huidige standpunt. Als ik geweten had, althans mij had gerealiseerd, dat ook op andere plekken dan het bovenbeen sperma was aangetroffen, dan zou ik dezelfde conclusie hebben getrokken, als ik nu trek, namelijk dat de druppel op het bovenbeen afkomstig is van degene die kort voor of ten tijde van het misdrijf een zaadlozing in de vagina van het slachtoffer heeft gehad. Bovendien past een enkele druppel niet bij versleping; dat zou dan een spoor moeten zijn. U vraagt mij waarom dat laatste en de omstandigheid dat de versleping van zaadvloeistof eigenlijk maar binnen ongeveer een half uur kan plaatsvinden, omdat na die periode die vloeistof is gereduceerd tot 1 ml, niet bij het Hof aan de orde zijn geweest in mijn verklaringen. Zoals ik u heb gezegd had ik niet alle informatie over deze zaak. Bij het Hof heb ik naar mijn idee vooral vragen beantwoord van algemeen technische aard, die niet zozeer waren toegespitst op het concrete geval, althans zo heb ik dat ervaren.
Ik ben op de zitting van 27 juni 1995, naar mij bestaat, alleen aanwezig geweest tijdens mijn verhoor. Van de zitting van 7 september 1995 staat mij weinig meer bij. Dat het rapport van Dr. Lee daar ter sprake is geweest herinner ik mij geheel niet. Ik heb dat rapport eerst later van mr. Knoops gekregen. Dat ik dat rapport belangrijk vind, komt doordat Dr. Lee bevestigt dat de liquidification gebruikelijk 10-20 minuten in beslag neemt.
Op een vraag van mr. Knoops antwoord ik dat ik mij bij het Hof wel enigszins voelde gemanoeuvreerd in een positie die ik niet wilde, namelijk in de positie van partij-getuige. Met de vrouwelijke Advocaat-Generaal die vragen stelde tijdens de zitting kon ik niet goed overweg. Noch vóór de zitting, noch daarna heb ik contact gehad met het Openbaar Ministerie. Mijn optreden bij het Hof heb ik als zeer onaangenaam ervaren. Ik herinner mij op een gegeven moment nog dat de Advocaat-Generaal twijfelde aan mijn deskundigheid op een bepaald punt. Daar kan ik slecht tegen en ik dacht alleen maar hoe snel kom ik hier weg. Ik maak mij achteraf wel verwijten dat ik misschien niet steeds even alert ben geweest. Ik heb het gewicht van mijn inbreng in het proces onderschat.
Mr. Knoops vraagt mij nog of ik tijdens het gesprek met de politie op 26 mei 1994 wist of er al dan niet sprake is geweest van een vrijwillig seksueel contact voorafgaand aan het misdrijf. Dat is niet aan de orde geweest en dat heeft mijn oordeel dus toen ook niet beïnvloed. Gelet op wat ik nu weet, zou een dergelijk vrijwillig contact alleen kunnen hebben plaatsvinden binnen een half uur voor het misdrijf, als je er tenminste van uitgaat dat het aangetroffen sperma niet van een dader is. Medisch-technisch gezien is mogelijk dat de coïtus na de dood heeft plaatsgevonden en dat het zaad daarvan afkomstig is.

Aldus voorgelezen en volhard.

T.K.A.B. Eskes

De Raadsheer-Commissaris,

De griffiers,

Ingevolge een bij brief van 25 april 2001 door de getuige-deskundige Eskes aangebrachte correctie is het woord "vrouwelijke" in regel 25 van pagina 3 doorgehaald.

De Raadsheer-Commissaris,

De griffier Schulten,

Zijnde prof. Eskes en de griffier Bakker buiten staat deze doorhaling mede te ondertekenen.
Conclusie
Mr Wortel
Zitting: 13 februari 2001

conclusie inzake:
Nr 03256/00 Herz
[Aanvrager 1]
en
Nr 03257/00 Herz
[Aanvrager 2]

Edelhoogachtbaar College,

1. Het verzoek tot herziening betreft arresten van het Gerechtshof te Arnhem van 3 oktober 1995 waarbij de aanvragers ieder wegens “medeplegen van doodslag” en “medeplegen van verkrachting” zijn veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaren.

2. Tegen deze uitspraken ingestelde cassatieberoepen zijn door de Hoge Raad bij arresten van 16 september 1996 verworpen.
Namens de aanvrager [aanvrager 1] werd eenmaal eerder een herzieningsverzoek ingediend, dat is afgewezen bij arrest van 27 juni 2000.
Namens de aanvrager [aanvrager 2] zijn twee eerdere herzieningsverzoeken gedaan. In het eerste is hij bij beschikking van 14 oktober 1997 niet-ontvankelijk verklaard, het tweede werd bij arrest van 27 juni 2000 afgewezen.

3. Het verzoek is neergelegd in een namens de aanvragers door Mr G.G.J. Knoops ingediende schriftuur met bijlagen, op 29 september 2000 bij de Hoge Raad binnengekomen. Op 6 oktober 2000 is een aanvulling op het verzoek ontvangen, houdende een commentaar op afgenomen verhoren van de hand van prof. dr P.J. van Koppen en een door de opsteller van het verzoek daarop gegeven toelichting. Bij op 25 oktober 2000 en 21 december 2000 binnengekomen brieven zijn aan het verzoek nog toegevoegd afschriften van twee krantenartikelen, een lezing en een namens de aanvrager [aanvrager 2] aan het Europees Hof voor de Rechten van de Mens gerichte aanvrage tot in behandeling nemen van een klacht betreffende schending van art. 6 EVRM.
Ter zitting van de Hoge Raad van 16 januari 2001 heeft Mr Knoops de namens de aanvragers betrokken standpunten bij pleidooi nader toegelicht. Voorafgaande aan die zitting zijn nog aan de Hoge Raad toegezonden op schrift gestelde opmerkingen van de aanvragers met betrekking tot de wijze waarop zij door de politie zijn verhoord.

4. Namens de beide aanvragers is een identiek herzieningsverzoek gedaan. Het richt zich tegen bewezen- en strafbaarverklaringen die ten aanzien van de beide aanvragers dezelfde zijn. Daarom acht ik mij vrij ten aanzien van de beide aanvragers één conclusie te nemen.

5. Het verzoek steunt op de stelling dat omstandigheden bekend zijn geworden die bij het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep niet zijn gebleken, en die het ernstig vermoeden doen rijzen dat het Hof, ware het met die omstandigheden bekend geweest, niet tot een bewezenverklaring zou zijn gekomen, een en ander als bedoeld in art. 457, eerste lid, onder 2o Sv.

6. Ten laste van elk van de aanvragers is bewezenverklaard dat:

“(1) hij op 09 januari 1994 in de gemeente Putten tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk [het slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte tezamen en in vereniging met een mededader (telkens) opzettelijk gewelddadig de keel van [dat slachtoffer] dichtgedrukt en dichtgedrukt gehouden en met een mes, althans een scherp voorwerp, meermalen in de hals van [dat slachtoffer] gestoken en/of gesneden, mede tengevolge van welke handelingen voornoemd [slachtoffer] is overleden;

(2) hij op 09 januari 1994 in de gemeente Putten tezamen en in vereniging met een ander door geweld [het slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van (een) handeling(en) die bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van [dat slachtoffer], hebbende verdachte tezamen en in vereniging met een mededader hun penis(sen) in de vagina van [dat slachtoffer] gebracht, en bestaande dat geweld hierin dat verdachte tezamen en in vereniging met een mededader (telkens) opzettelijk gewelddadig
- [dat slachtoffer] heeft vastgegrepen en/of vastgepakt en/of vastgehouden en
- tegen het hoofd en/of het lichaam van [dat slachtoffer] heeft geslagen en
- [dat slachtoffer] tegen de grond heeft getrokken en
- de boven- en onderbroek van [dat slachtoffer] heeft uitgetrokken”

7. Deze bewezenverklaring berust - afgezien van de omschrijving van de situatie waarin (het lichaam van) het slachtoffer werd aangetroffen en de vaststelling van de doodsoorzaak - op een bij de politie afgelegde verklaring van [getuige 1], bij de politie en bij de rechter-commissaris afgelegde verklaringen van [getuige 2], bij de politie afgelegde verklaringen van de aanvrager [aanvrager 1], een bij de politie afgelegde verklaring van de aanvrager [aanvrager 2], alsmede bewijsmiddelen die inhouden dat op een in de woning van de aanvrager [aanvrager 1] inbeslaggenomen broek enkele vezels zijn aangetroffen die niet te onderscheiden zijn van het vezelmateriaal van een vloerkleed en van een vloermat die zijn ‘veiliggesteld’ in de woning waarin het slachtoffer werd aangetroffen, hetgeen wijst op de mogelijkheid dat de broek met dat vloerkleed en die vloermat in contact is geweest.

8. Kennisneming van herzieningsverzoek en dossier wijst aanstonds uit dat de opsteller van het verzoek zich voor een formidabel probleem geplaatst ziet. De argumenten die naar voren gebracht kunnen worden raken in belangrijke mate aan kwesties die bij de behandeling ter terechtzitting reeds uitvoerig aan de orde zijn gekomen.
In paragraaf II van het verzoek worden de argumenten samengevat. Hetgeen wordt uitgewerkt in paragraaf II.1: 'Nieuwe DNA-gegevens', en in paragraaf II.2: 'Non-bewijs "sleep-theorie" (verslepingstheorie)', betreft de betekenis van een op het slachtoffer aangetroffen spermaspoor en op het slachtoffer aangetroffen haren (haardelen). Paragraaf II.5: 'Twee nova ten aanzien van de "bekentenissen", ziet op de waarde van de door de politie opgenomen verklaringen voor zover die een bekentenis (van de aanvragers) of belastende verklaringen (van twee andere, in het opsporingsonderzoek als verdachte aangemerkte personen) inhouden.
Daarnaast wordt gewezen op omstandigheden die in ieder geval op de wijze waarop zij thans worden gepresenteerd niet aan de orde zijn geweest bij de behandeling in feitelijke aanleg, te weten grote twijfel die inmiddels is geuit omtrent de kwaliteit van het opsporingsonderzoek over het geheel genomen (paragraaf II.3: ‘Onbruikbaarheid politieonderzoek’), uitlatingen van de zijde van het openbaar ministerie (paragraaf II.4: ‘Nieuwe gegevens zijdens Justitie’) en een aangifte van de vader van het slachtoffer (paragraaf II.6: ‘Aangifte [de vader van het slachtoffer]).

9. Met betrekking tot de waarde van de bekentenissen en belastende verklaringen die, na vele verhoren en aanvankelijke ontkenningen, zijn afgelegd is reeds ter terechtzitting in eerste aanleg door de aanvragers uitvoerig betoogd dat de verklaringen die de politie van hen heeft opgenomen, voor zover die een bekentenis inhouden, niet de waarheid bevatten en dat die verklaringen onder druk en door misleidende vormen van ondervraging tot stand zijn gekomen. De raadslieden hebben dat onderstreept. Een en ander blijkt uit de processen-verbaal van de op 13 en 14 december 1994 gehouden terechtzittingen en de bij het dossier gevoegde pleitnotities.

10. In hoger beroep is namens de aanvragers verzocht diverse personen ter terechtzitting te horen, ook met betrekking tot de gang van zaken bij de verhoren tijdens het opsporingsonderzoek en de ontoelaatbare druk die daarbij zou zijn uitgeoefend. Ter zake heeft het Hof onder anderen gehoord de politiefunctionarissen Baars, Vogelenzang en Brandts, alsmede [getuige 1] en [getuige 2].

11. In de arresten is het verweer dat de bekennende verklaringen van de aanvragers en de belastende verklaringen van [getuige 2] en [getuige 1] niet geacht kunnen worden in vrijheid te zijn afgelegd, en onbetrouwbaar zijn, zodat zij niet voor het bewijs gebruikt zouden mogen worden, verworpen, waartoe is overwogen

“Gelet op hetgeen de verbalisanten Baars, Vogelenzang en Brandts ter terechtzitting hebben verklaard over de gang van zaken bij de verhoren die hebben geresulteerd in de betwiste verklaringen, kan niet gezegd worden dat die verklaringen niet in vrijheid zouden zijn afgelegd.
Het hof wijst er in dit verband voorts op dat verdachte, [aanvrager 2], [getuige 2] en [getuige 1] verklaringen hebben afgelegd die over en weer ondersteuning vinden zowel op de hoofdlijnen als met betrekking tot kenmerkende details, terwijl deze onderlinge congruentie, naar de verbalisanten die genoemde personen hebben verhoord ter terechtzitting als getuige hebben verklaard, niet anders kan worden verklaard dan door de omstandigheid dat de verklaringen van verdachte, [aanvrager 2], [getuige 2] en [getuige 1] uit geen andere bron dan uit eigen authentieke wetenschap afkomstig kunnen zijn.”

12. Met betrekking tot de aangetroffen haren (haardelen), het spermaspoor, en het DNA-profiel van dat spermaspoor, blijkt uit een proces-verbaal van het Recherchebijstandsteam Gelderland, Technische Recherche, kenmerk B.P.S. nr 93-524610, betreffende ‘technisch sporenonderzoek’, opgemaakt door de technisch rechercheurs Benne, Kogelman, Kroes, Amptmeijer, Kerkhoven en Lebens en afgesloten op 2 augustus 1994, met de daarbij gevoegde bijlagen (een overzicht van 'stukken van overtuiging' en onderzoeksrapporten) het volgende.
- Er zijn hoofdhaardelen aangetroffen op een door het slachtoffer gedragen trui (nummer 207 op de bij het proces-verbaal gevoegde lijst van stukken van overtuiging) en op haar hals (nummer 219 op die lijst). Het Gerechtelijk Laboratorium van het Ministerie van Justitie stelde vast dat die hoofdhaardelen niet alleen niet pasten in het hoofdhaarpalet van het slachtoffer, maar evenmin in de hoofdhaarpaletten van de aanvragers of andere personen die in het vooronderzoek vergelijkingsmateriaal hebben afgestaan (rapport van 25 mei 1994 van ing. P.E. de Vreede). In een ‘gekamd schaamhaarmonster’ afkomstig van het slachtoffer werd een schaamhaar aangetroffen (nr 226 op de lijst van stukken van overtuiging) die niet in haar eigen schaamhaarpalet paste, maar evenmin in dat van de aanvragers (het rapport van 25 mei 1994).
- De technisch rechercheurs namen op het rechter dijbeen van het slachtoffer, nabij de lies, een witte, gelei-achtige, op sperma gelijkende substantie waar. Een monster daarvan werd door tussenkomst van de patholoog-anatoom aan het Gerechtelijk Laboratorium ter beschikking werd. Aldaar is vastgesteld dat het inderdaad om sperma gaat, maar tevens, op grond van DNA-onderzoek, dat het van géén van de in het vooronderzoek als verdachte aangemerkte personen afkomstig kon zijn. Wèl kon worden vastgesteld dat de spermamonsters - naast het monster van hetgeen op een bovenbeen werd aangetroffen monsters die waren genomen vanuit het lichaam van het slachtoffer - afkomstig kunnen zijn van één en dezelfde persoon (voorlopig rapport van 20 mei 1994 en rapport van 19 juli 1994, beide van ir H.J.T. Janssen).

13. Bij beschikking van 11 juli 1994 heeft de rechter-commissaris als deskundige benoemd prof. dr T.K.A.B. Eskes, gynaecoloog, die daartoe de eed heeft afgelegd. In een aan de rechter-commissaris gericht schrijven van 14 juli 1994 heeft prof. dr Eskes een aantal vragen beantwoord betreffende het aantreffen van sperma op het lichaam van het slachtoffer.

14. Prof. dr Eskes is gehoord op 's Hofs terechtzitting van 27 juni 1995. Toen is ook gehoord de technisch rechercheur Kroes, waarbij onder meer aan de orde kwam het aantreffen van de ‘gelei-achtige substantie’ op een been van het slachtoffer.

15. Bij tussenarresten van 13 juli 1995 heeft het Hof overwogen dat het ten aanzien van enkele onderwerpen nader onderzoek wenselijk achtte. Dat betrof onder meer de hierboven bedoelde, op de hals en op een trui van het slachtoffer aangetroffen, haren en een schaamhaarmonster. Het Hof achtte het met name van belang of vastgesteld zou kunnen worden of twee of meer van deze haren van dezelfde persoon afkomstig konden zijn, of er DNA-onderzoek was ingesteld aan het schaamhaarmonster en zo ja, tot welke conclusie dat onderzoek had geleid of zo nee, of zulk onderzoek alsnog zou kunnen worden uitgevoerd.
Ook wenste het Hof dat bij proces-verbaal een nauwkeuriger omschrijving zou worden gegeven van de op een been van het slachtoffer aangetroffen 'gelei-achtige substantie', in het bijzonder met betrekking tot de hoeveelheid en de mate van indroging. Voorts achtte het Hof het wenselijk dat, indien mogelijk, het Gerechtelijk Laboratorium alsnog een onderzoek zou instellen naar de samenstelling van die substantie, terwijl prof. Eskes diende te worden verzocht op basis van het nader op te maken proces-verbaal en het (zo mogelijk op te stellen) rapport van het Gerechtelijk Laboratorium - in het licht van hetgeen ter terechtzitting reeds was gevraagd - (nader) verslag uit te brengen.
Ir Janssen (verbonden aan het Gerechtelijk Laboratorium) en prof. dr Eskes dienden te worden opgeroepen om voor een volgende zitting (opnieuw) te verschijnen.

16. Ter terechtzitting van 7 september 1995 heeft de voorzitter mededeling gedaan van diverse ingekomen stukken, waaronder:

- een proces-verbaal, opgemaakt door J.A. Kroes, inspecteur van politie, kenmerk B.P.S. nr 94-602208, afgesloten op 19 juli 1995, en
- vier rapporten van het Gerechtelijk Laboratorium.

17. Deze stukken bevinden zich in het dossier. In het proces-verbaal is gerelateerd dat telefonische navraag bij de technisch rechercheurs die het bovengenoemde proces-verbaal van technisch onderzoek opstelden leerde - samengevat - dat één van hen op de plaats waar het slachtoffer werd aangetroffen de substantie heeft waargenomen, en die nader omschreef als glimmend in het middengedeelte en aan de randen dof; (een vlek of druppel) iets groter dan een gulden, maar kennelijk platgedrukt tussen de benen en daarom moeilijk naar hoeveelheid te schatten, terwijl een van de andere technisch rechercheurs de substantie (voor het eerst) waarnam ter gelegenheid van de sectie op het lichaam van het slachtoffer op 10 januari 1994, en haar op gelijke wijze omschreef, derhalve platgedrukt, aan de randen dof verkleurd, kennelijk door indrogen. Deze opsporingsambtenaar nam waar dat de patholoog-anatoom het nog vloeibare, centrale deel van de substantie bemonsterde.
In het rapport van het Gerechtelijk Laboratorium, kenmerk 94.01.11.025/B, de dato 9 augustus 1995, opgesteld door ir H.J.T. Janssen, is te vinden dat aan wortelmateriaal van de schaamhaar (monster 226) DNA-onderzoek is gedaan dat geen eenduidige conclusie opleverde, en dat onderzoek aan het sperma-monster uitwees dat daarin een zodanig aantal spermatozoa is aangetroffen dat DNA-onderzoek kansrijk zou zijn.
In het rapport van het Gerechtelijk Laboratorium, kenmerk 94.01.11.025/C, de dato 9 augustus 1995, opgesteld door ing. P.E. de Vreede, is onder meer te vinden dat vergelijkend onderzoek van hoofd- en schaamharen niet kan uitwijzen of die van dezelfde persoon afkomstig zijn; dat gelet op morfologische kenmerken van hoofdhaardelen aangetroffen op de trui van het slachtoffer (207) en op de tape genummerd 219 (dat is het haardeel dat in de hals van het slachtoffer werd aangetroffen), alsmede op een blouse van het slachtoffer (208), het zeer wel mogelijk is dat deze haardelen van twee of drie verschillende personen afkomstig zijn, maar dat niet is uit te sluiten dat zij van één, of zelfs vier of vijf personen afkomstig zijn; en dat een schaamhaar, aangetroffen op de trui van het slachtoffer en een monster uit 'gekamd' schaamhaar van het slachtoffer zeer wel mogelijk van twee personen afkomstig zijn, maar dat ook daarbij niet is uit te sluiten dat zij van één persoon afkomstig zijn.

18. Ten aanzien van laatstbedoeld rapport stelde de voorzitter vast dat daarin ten onrechte is gesteld dat van de verdachte [aanvrager 2] geen schaamhaarmonster ter vergelijking werd ontvangen; het tegendeel blijkt uit een eerder opgesteld rapport.
Op die terechtzitting van 7 september 1995 zijn wederom gehoord H.J.T. Janssen (Gerechtelijk Laboratorium), met betrekking tot DNA-onderzoek, en T.K.A.B. Eskes, de gynaecoloog, die opmerkte kennis te hebben genomen van het hierboven genoemde proces-verbaal van de technische recherche.
Ter zitting heeft het Hof aan Janssen aanvullende vragen gesteld, betrekking hebbend op de mogelijkheid verder onderzoek te doen aan het (door de patholoog-anatoom) genomen monster van de spermavlek, en het doen van DNA-onderzoek op haren, aangetroffen op de trui en de blouse van het slachtoffer.
Na telefonisch inlichtingen ingewonnen te hebben, merkte Janssen op dat er van het wattenstaafje waarmee de patholoog-anatoom het monster heeft genomen zo weinig overgebleven was dat nader onderzoek naar verwachting niets meer zou opleveren, en dat in één schaamhaarmonster celmateriaal was aangetroffen dat in beginsel geschikt zou zijn voor DNA-onderzoek, maar in zeer geringe hoeveelheid.
Vervolgens heeft het Hof vastgesteld dat het eerder aan het Gerechtelijk Laboratorium opgedragen onderzoek door een misverstand niet volledig was geweest, en dat het Hof (zo mogelijk) nader DNA-onderzoek ten aanzien van de haar, aangetroffen op de trui van het slachtoffer wenselijk achtte.

19. Ter terechtzitting van 19 september 1995 is melding gemaakt van nadere rapporten van het Gerechtelijk Laboratorium, opgemaakt op 14 september 1995 (ing P.E. de Vreede) en 18 september 1995 (ir H.J.T. Janssen).
Ook die bevinden zich bij de stukken.
In het rapport van De Vreede is te vinden dat de schaamhaar op de trui van het slachtoffer (nr 207) grote overeenkomsten vertoonde met een schaamhaarpallet van de aanvrager [aanvrager 2], maar voor een deel een verschil in intensiteit vertoonde, hetgeen deze deskundige bracht tot de uitspraak dat 'niet is uit te sluiten' dat het op de trui aangetroffen schaamhaardeel van de aanvrager [aanvrager 2] afkomstig is.
In het rapport van Janssen is te vinden dat van de haarwortel van dezelfde haar slechts zeer weinig DNA geïsoleerd kon worden, en dat een poging dat materiaal te vermeerderen zonder resultaat bleef. Ook is daarin opgemerkt dat van het wattenstaafje waarmee het sperma-monster was genomen (inderdaad) weinig meer over was, terwijl in microscooppreparaten geen epitheelcellen waren waargenomen, waarbij deze deskundige er op wees dat hij er ter terechtzitting van 7 september 1995 reeds op had gewezen dat in de ‘vaginale fractie’ van het spermabevattend spoor wèl celmateriaal was aangetoond dat van het slachtoffer afkomstig kon zijn, ofschoon de aard van dat celmateriaal niet was onderzocht.

20. In het licht van het vorenstaande kan er geen misverstand over bestaan dat ter terechtzitting in hoger beroep uitvoerig aan de orde is geweest:

- de vraag of de door de aanvragers, [getuige 1] en [getuige 2] afgelegde verklaringen, voor zover daarin het verkrachten en vermoorden van het slachtoffer is toegegeven of beschreven, door te grote druk of (overigens) onjuiste wijzen van verhoor tot stand waren gekomen;
- de betekenis van de op het lichaam van het slachtoffer aangetroffen (niet volledig ingedroogde) spermavlek, die niet van één van de als verdachte aangemerkte personen afkomstig kon zijn, en de op haar trui en hals aangetroffen haren.

21. In paragraaf II.1 wordt betoogd dat een novum is gelegen in een rapport, opgemaakt door dr P. de Knijff, vast gerechtelijk deskundige verbonden aan het Forensisch Laboratorium voor DNA Onderzoek, gedateerd 15 september 2000. Het is als productie 3 bij de aanvrage gevoegd.
In dit rapport wordt melding gemaakt van een vorig rapport van dezelfde deskundige, kenmerk FLDO 00-036, gedateerd 16 mei 2000. Dat is bij de stukken niet te vinden.
Aan het eerder gedane herzieningsverzoek, bij de Hoge Raad ontvangen op 16 mei 2000, lag een (korte samenvatting van) een door dr De Knijff opgesteld rapport met het kenmerk FLDO 00-036 ten grondslag, gedateerd 13 april 2000. Ik houd het er op dat in het nu gepresenteerde rapport door een misslag melding is gemaakt van een rapport van 16 mei 2000, en dat is bedoeld te verwijzen naar het rapport van 13 april 2000. Daarin is, ook op grond van DNA-onderzoek, vastgesteld:

het meest waarschijnlijk is dat het op het lichaam van het slachtoffer aangetroffen spermaspoor afkomstig is van een onbekende man, niet verwant aan het slachtoffer, en
- het is niet uit te sluiten dat de op het slachtoffer aangetroffen haren en het sperma afkomstig zijn van dezelfde persoon.

22. Op basis van het rapport van 13 april 2000 werd in het eerdere herzieningsverzoek als ‘novum’ voorgesteld dat de op het slachtoffer aangetroffen spermasporen en haren van één en dezelfde persoon afkomstig waren, niet zijnde één der aanvragers.
In de arresten van 27 juni 2000 is dienaangaande overwogen:

"Nog daargelaten dat die stelling slechts in zoverre wordt ondersteund door het (…) bewijsmiddel dat daarin slechts wordt geconcludeerd dat "niet kan worden uitgesloten dat de haren en het sperma afkomstig zijn van dezelfde persoon", is de omstandigheid dat die sporen en haren van één en dezelfde persoon - niet zijnde de aanvrager of diens mededader - afkomstig zouden zijn, niet van dien aard dat op grond daarvan het ernstige vermoeden ontstaat dat het Hof, ware het daarmee bekend geweest, de aanvrager zou hebben vrijgesproken van het hem tenlastegelegde. Uit het hiervoor (…) overwogene volgt immers dat aan het Hof bekend was dat de op het slachtoffer aangetroffen spermasporen en haren niet van de aanvrager en/of zijn mededader afkomstig zijn, terwijl uit niets kan volgen dat voor het Hof van betekenis is geweest de vraag of die sporen en haren al of niet van één persoon afkomstig zijn."

23. In het rapport van 15 september 2000 is te vinden dat het eerder in de haren en het sperma vastgestelde DNA-profiel verschilt van DNA-profielen die zijn vastgesteld in op 7 juli 2000 van de aanvragers afgenomen bloed- of speekselmonsters. De op het slachtoffer aangetroffen haren en spermamonster kunnen derhalve niet van hen afkomstig zijn.

24. De opsteller van het verzoek ziet de betekenis van het nu uitgebrachte rapport ten opzichte van het in april 2000 uitgebrachte rapport hierin dat in het eerdere rapport nog niet kon worden uitgesloten dat "de haren qua mtDNA profiel overeenkomen met de spermasporen en met (een van) de verdachte(n)", terwijl nu met zekerheid kan worden vastgesteld dat die haren en sporen niet door de aanvragers op het slachtoffer zijn achtergelaten (verzoek, paragraaf II.1 onder 5).
Mij komt het evenwel voor dat in het verzoek (paragraaf II.1 onder 4) niet de juiste betekenis wordt gehecht aan de in de arresten van 27 juni 2000 opgenomen overweging dat de in het vorige verzoek betrokken stelling slechts gedeeltelijk steun vond in het eerdere rapport van dr De Knijff, namelijk in zoverre niet werd uitgesloten dat de spermasporen en de haren van dezelfde persoon afkomstig zijn.
In het verzoek wordt gesteld: "[h]ieraan kan zeker worden ontleend dat ook voor Uw Raad, in geval van een meer duidelijk vergelijkend DNA onderzoek, geen werkelijk zicht meer kan bestaan "op een mogelijke wanverhouding tussen het bewijsoordeel van de rechter en zijn overtuiging" in relatie tot de […] bewijsconstructie van het Hof Arnhem" (de tournure lijkt ontleend aan de annotatie bij één van de arresten van 27 juni 2000 in NJ 2000, 503). Hier is evenwel, lijkt mij, uit het oog verloren dat de passage uit de eerdere arresten waarin er op werd gewezen dat in het verzoek een verdergaande stelling was betrokken dan in het onderliggende rapport besloten lag niet raakte aan de reden om dat verzoek af te wijzen. De Hoge Raad heeft het verschil tussen verzoek en rapport ‘daargelaten’. Waar het om ging was dat het Hof er reeds van op de hoogte is geweest dat spermasporen en haren niet van de aanvragers afkomstig zijn, terwijl niet is gebleken dat het voor de beslissing van het Hof van betekenis is geweest of sporen en haren al dan niet van dezelfde persoon afkomstig waren.

25. In die constatering kunnen dit verzoek en het rapport van dr De Knijff van 15 september 2000 geen verandering brengen. Overigens wordt in het verzoek ook wel onderkend dat reeds het rapport van het Gerechtelijk Laboratorium van 25 mei 1994 uitwees dat de op het slachtoffer aangetroffen haren niet pasten in de hoofdhaarpaletten van de aanvragers. Thans is er de zekerheid dat zij niet van hen afkomstig zijn. Met betrekking tot het spermaspoor was die zekerheid er al ten tijde van de behandeling ter terechtzitting (vgl. het voorlopig rapport van 20 mei 1994 en het rapport van 19 juli 1994 van het Gerechtelijk laboratorium).
Niet valt in te zien waarom de meerdere zekerheid die er nu ten aanzien van de haren bestaat het Hof tot een andere afweging gebracht zou hebben met betrekking tot de mogelijkheid van een andere dader dan de aanvragers.

26. Het is mogelijk dat dit onderdeel van het verzoek een uitnodiging bevat om terug te komen op de overweging die in de arresten van 27 juni 2000 voerde tot afwijzing van het vorige verzoek. In het voetspoor van de annotator van dat arrest wordt opgemerkt dat die overweging er aan voorbij gaat dat uit de tussenuitspraak van 13 juli 1995 blijkt dat het Hof belang heeft gehecht aan het antwoord op de vraag of twee of meer van de op het slachtoffer aangetroffen haren van dezelfde persoon afkomstig kunnen zijn, ook omdat in hetzelfde tussenarrest is opgenomen dat (zo mogelijk) nader onderzoek aan het spermaspoor diende te worden verricht, “met geen ander doel dan vast te stellen of het slachtoffer wellicht eerder met een ander seksueel contact had gehad”.

27. Onmiskenbaar duidt het aantreffen van sperma op en in het lichaam van het slachtoffer, gevoegd bij het aantreffen van niet van haarzelf afkomstige haren (waaronder een schaamhaar) op haar lichaam en kleding, er op dat een mannelijk persoon, al dan niet met haar instemming, tamelijk korte tijd voordat zij werd gevonden sexueel contact met haar heeft gehad. Een dwingende aanwijzing dat dit contact in direct verband heeft gestaan met de dood van het slachtoffer is er evenwel niet in te vinden. De ten laste van de aanvragers bewezenverklaarde verkrachting en levensberoving worden er niet door uitgesloten.

28. Het spreekt wel vanzelf dat het Hof het nader onderzoek aan de haren en het spoor heeft gelast omdat het geen mogelijkheid onbenut wilde laten zo veel mogelijk vast te stellen hoe het gegeven dat een onbekende man sexueel contact met het slachtoffer heeft gehad zich verhoudt tot de aanwijzingen dat de aanvragers het slachtoffer aan sexuele handelingen hebben onderworpen en haar vervolgens om het leven hebben gebracht.
Uiteraard hechtte het Hof in dat verband met name belang aan het tijdstip van het contact tussen het slachtoffer en degene die zijn sperma bij haar heeft achtergelaten (ik breng in herinnering dat het Hof met name noemde de mate van indroging van de aangetroffen vlek, en de (relatieve) hoeveelheid spermatozoën daarin).

29. Het was het Hof bekend dat de spermasporen die op en in het lichaam van het slachtoffer zijn aangetroffen van dezelfde persoon afkomstig konden zijn (de rapporten van 20 mei en 19 juli 1994). Het kreeg daarbij de informatie dat niet valt uit te sluiten dat ook de niet van het slachtoffer zelf afkomstige haren of haardelen (hoofdhaar en schaamhaar) van één persoon afkomstig zijn (rapport van 9 augustus 1995, kenmerk 94.01.11.025C).
In het bezit van deze gegevens heeft het Hof in de omstandigheid dat er - op een moment dat betrekkelijk dicht bij het tijdstip van haar dood gelegen moet zijn geweest - sexueel contact tussen het slachtoffer en een onbekende man geweest moet zijn geen belemmering gezien aan te nemen dat de verkrachting en het doden van het slachtoffer hebben plaatsgevonden zoals dat is beschreven in (uiteindelijk) afgelegde verklaringen, enigermate bevestigd door het aantreffen van textielvezels op een broek van de aanvrager [aanvrager 1] die niet te onderscheiden zijn van vezels uit een vloermat en een vloerkleed die lagen in de woning waarin het slachtoffer werd aangetroffen.
Ik zie, ook in verband met hetgeen is overwogen in ’s Hofs tussenuitspraken van 13 juli 1995, niet in waarom de Hoge Raad in de arresten van 27 juni 2000 ten onrechte zou hebben overwogen dat nergens uit kan blijken dat nadere aanwijzingen dat de haren en het sperma inderdaad van dezelfde onbekende persoon afkomstig kunnen zijn de eindbeslissingen van het Hof anders hadden kunnen doen uitvallen.

30. De nu aan het bekende feitenmateriaal toegevoegde vaststelling dat de aangetroffen haren zeker niet van de aanvragers afkomstig zijn maakt dat niet anders.
Naar mijn inzicht levert het rapport van dr De Knijff van 15 september 2000 geen omstandigheid als bedoeld in art. 457, eerste lid, onder 2o Sv op.

31. In paragraaf II.2 wordt betoogd dat een ‘novum’ is te vinden in een rapport van de in het gerechtelijk vooronderzoek geraadpleegde, en ter terechtzitting in hoger beroep als deskundige gehoorde, prof dr Eskes, gedateerd 14 september 2000, als productie 5 bij het verzoek gevoegd.
De paragraaf vangt aan met de mededeling: “Met de door het Gerechtshof te Arnhem gebruikte bewijsmiddelen is in feite de theorie van een onbekende dader(s) weerlegd alsmede de door de politie en justitie in onderhavige strafzaak geïntroduceerde zogeheten verslepingstheorie als feitelijke onmogelijk c.q. onwaarschijnlijk verworpen”.
Dat is slechts ten dele terecht opgemerkt. Uit de bewijsmiddelen (en de bewezenverklaring) volgt inderdaad dat het Hof, ofschoon als vaststaand feit moet worden beschouwd dat een onbekende man sexueel contact met het slachtoffer heeft gehad, (betrekkelijk) korte tijd voordat zij werd aangetroffen, heeft aangenomen dat de in de tenlastelegging omschreven feiten niet door die onbekende man zijn begaan.
Onjuist is daarentegen dat de zogenaamde ‘verslepingstheorie’ door de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen of door de bewezenverklaring als onmogelijk of onwaarschijnlijk is verworpen, terwijl uit de stukken blijkt dat men ook niet zonder meer kan zeggen dat die theorie door de politie of het openbaar ministerie is geïntroduceerd.

32. Blijkens een proces-verbaal, opgemaakt op 26 mei 1994 door de opsporingsambtenaren J. van den Bosch en A. Dooyeweerd (kenmerk 940526.1445, bijlage 76 bij het de stukken van het opsporingsonderzoek) hebben deze verbalisanten op die dag een ‘informatief gesprek’ gevoerd met prof. Eskes. Daarbij is hem medegedeeld dat het ging om een levenloos aangetroffen jonge vrouw, door verwurging en messteken om het leven gebracht; dat bij de sectie en microscopisch onderzoek was gebleken dat er in en buiten de vagina grijswit gekleurd slijmmateriaal was aangetroffen waarin spermatozoïden bleken te zitten; dat er drie verdachten waren aangehouden; dat was verklaard dat twee van hen de vrouw op de plaats waar zij is aangetroffen hebben verkracht waarbij zij niet zijn ‘klaargekomen’, en dat bij beperkt DNA-onderzoek was gebleken dat het aangetroffen sperma niet van deze verdachten afkomstig was.
Prof. Eskes is daarop de vraag voorgelegd “[w]elke theorieën denkbaar zijn wanneer een slachtoffer door 2 mannen wordt verkracht en deze volgens hun zeggen niet zijn klaargekomen en er toch buiten de vagina sperma wordt aangetroffen”.
De verbalisanten relateren dat in het daarop volgende gesprek bleek dat het mogelijk is dat door middel van spil, dat wil zeggen versleping door penetratie, vloeistof met daarin zaadcellen buiten de vagina wordt aangetroffen; dat het mogelijk is dat na een eerdere gemeenschap sperma dagen in de vagina blijft dat daaruit door latere penetratie weer naar buiten wordt gehaald. Tevens werd, aldus de verbalisanten, duidelijk dat er ondanks het feit dat het slachtoffer van haar ouderlijk huis naar de woning van haar oma is gefietst, niet noodzakelijk ook sperma in haar slipje behoefde te zitten, als gevolg van de natuurlijke sluiting van de vagina.
Voorts bleek dat niet aannemelijk is dat sperma door uiterlijk geweld uit de schede wordt geperst, maar dat wel mogelijk is dat als gevolg van persing van het slachtoffer (ik begrijp: samentrekkende spierbewegingen), bijvoorbeeld door angst, sperma uit de vagina komt.
In overleg met prof. Eskes zouden hem door tussenkomst van de officier van justitie op schrift gestelde vragen worden toegezonden, die hij zou beantwoorden.
Vervolgens zijn aan prof. Eskes 16 vragen gesteld in een brief van de rechter-commissaris gedateerd 7 juli 1994, onder mededeling dat de rechter-commissaris voornemens was prof. Eskes als deskundige te beëdigen.
Die vragen heeft prof. Eskes beantwoord bij brief van 14 juli 1994.

33. In het verzoek wordt nu gesteld dat inmiddels is gebleken dat de veronderstelling dat het spermaspoor niet noodzakelijk van de dader(s) van het delict afkomstig behoefde te zijn maar verklaard kan worden door gemeenschap op een tijdstip voordat de bewezenverklaarde feiten zijn begaan, geen enkele feitelijke grondslag heeft en ook nimmer heeft gehad. Dat moet blijken uit het nu geproduceerde rapport van dr Eskes.

34. De vraag is echter welke waarde aan dat rapport kan worden toegekend ten aanzien van de feitelijke grondslag waarop het Hof oordeelde dat het spermaspoor niet afkomstig behoefde te zijn van degene die het slachtoffer (na haar te hebben verkracht) om het leven heeft gebracht.
Prof. Eskes geeft thans op dat “[d]e verslepingstheorie is ontstaan nadat anderen mijn antwoorden op vragen aan de rechter-commissaris […] in handen hebben gekregen”. Voor zover het al van enig belang zou zijn vast te stellen hoe die ‘verslepingstheorie’ is ontstaan, lijkt het mij evenwel, gelet op het bovengenoemde proces-verbaal betreffende het gesprek dat verbalisanten op 26 mei 1994 met prof. Eskes hadden, niet onjuist om prof. Eskes zelf als die bron te zien, zowel ten aanzien van het woord als ten aanzien van de daarmee aangeduide mogelijkheid dat het spermaspoor op een eerder sexueel contact kan worden herleid.

35. In zijn rapport van 14 september 2000 geeft prof. Eskes op dat hij, achteraf bezien, in de jaren 1994 - 1995 een onvolledige rapportage heeft ontvangen. Hij stelt wel een fotorapportage en verslagen van verhoren ingezien te kunnen hebben, maar niet de beschikking te hebben gehad over het sectierapport, het rapport van het Gerechtelijk laboratorium van 20 mei 1994 of “de belangrijke brief van Dr Henry C. Lee (21 augustus 1995)”.
De gestelde onbekendheid met die brief van dr H.C. Lee is opmerkelijk omdat uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 7 september 1995 blijkt dat aldaar door de verdediging aan het Hof correspondentie tussen de raadsman mr Van Bavel en Henry C. Lee, te Meriden, Connecticut, Verenigde Staten, is overgelegd, en dat de voorzitter - na een ‘leespauze’ - ter terechtzitting mondeling de korte inhoud heeft medegedeeld van die stukken, waaronder het in de Engelse taal gestelde antwoord van Henry C. Lee op hem door mr Van Bavel gestelde vragen, gedateerd 21 augustus 1995.
Blijkens datzelfde proces-verbaal heeft de voorzitter vervolgens bevolen dat de verschenen getuigen en deskundigen, met uitzondering van degene die als eerste zou worden gehoord, zich naar het voor hen bestemde vertrek zouden begeven, en is, na ir H.J.T. Janssen (Gerechtelijk Laboratorium), prof. Eskes (wederom) als deskundige ter zitting gehoord. Een en ander doet vermoeden dat prof. Eskes, op die zitting aanwezig, de korte inhoud van de brief van Henry C. Lee heeft horen voorlezen. Uit zijn vervolgens afgelegde verklaring blijkt niet dat prof. Eskes daaraan enige betekenis heeft toegekend.

36. Doch nog afgezien daarvan overtuigt het nu door prof. Eskes ingenomen standpunt dat de voorlichting die hij het Hof heeft gegeven niet adequaat heeft kunnen zijn door een onvolledig inzicht in de feiten mij niet.
Uit het proces-verbaal dat is opgemaakt van het ‘informatieve gesprek’ van de verbalisanten met prof. Eskes, maar ook uit de vragen die de rechter-commissaris hem vervolgens heeft gesteld, blijkt dat prof. Eskes als uitkomst van DNA-onderzoek is voorgelegd dat het aangetroffen sperma niet van de aanvragers afkomstig kon zijn. In welk opzicht het (voorlopig) rapport van het Gerechtelijk Laboratorium van 20 mei 1994 nog andere gegevens bevat die van belang zouden kunnen zijn geweest voor de inlichtingen die prof. Eskes verschafte valt niet aanstonds in te zien. Datzelfde geldt voor het sectierapport. Behoedzaamheid is vanzelfsprekend geboden als het er om gaat vast te stellen welke gegevens voor het oordeel van een deskundige van belang kunnen zijn. Waar evenwel zo onduidelijk is wat de relevantie van de volledige inhoud van het rapport van het Gerechtelijk Laboratorium en van de inhoud van het sectierapport kan zijn geweest voor beantwoording van de aan prof. Eskes voorgelegde vragen, zou de stelling dat aan diens eerdere opgaven geen, of beperkte, betekenis mag worden toegekend als gevolg van onbekendheid met die rapporten nader toegelicht dienen te zijn. Dat klemt temeer in verband met het volgende.

37. Ter terechtzitting van 27 juni 1995 verklaarde prof. Eskes omtrent de informatie op basis waarvan hij de vragen van de twee politiefunctionarissen en vervolgens van de rechter-commissaris beantwoordde:

“Daarbij kreeg ik inzage in het fotodossier, en ik heb toelichting verschaft op vragen die waren gerezen over zaken uit mijn vakgebied. Ik geloof niet dat ik andere stukken van het dossier heb gezien. Ik heb ook niet om andere stukken gevraagd. Later heeft de rechter-commissaris mij hierover weer benaderd, en heb ik, inclusief telefonische toelichting, de opdracht gekregen vragen schriftelijk te beantwoorden. Ik blijf bij hetgeen ik heb verklaard.
Ik heb een mondelinge toelichting gehad over wat er zou zijn gepasseerd. Ik had om te voldoen aan mijn opdracht geen verdere stukken nodig.”

38. In zijn rapport van 14 september 2000 vermeldt prof. Eskes dat “de verwarring [met name is] ontstaan omdat men meende dat zaad van een andere persoon uit de schede kon worden versleept”, maar dat de zogenaamde ‘verslepingstheorie’ hem op grond van de gegevens waarover hij thans beschikt zeer onwaarschijnlijk lijkt. Dat wordt aldus toegelicht:

“De ten dele ingedroogde druppel op het rechter bovenbeen is zeer waarschijnlijk afkomstig uit de penis na intra-vaginale coïtus door een en dezelfde persoon.
Een laatste seksueel contact moet hebben plaatsgevonden kort vóór het moment van het delict. Immers de druppel spermavloeistof droogt buiten het lichaam geheel in na ongeveer 5 - 20 minuten.
Ook het feit dat in het slipje van [het slachtoffer] geen spermaspoor is aangetroffen pleit voor deze visie.”

39. Aldus heeft prof. Eskes kennelijk de gegevens willen omschrijven die hem eerder onbekend zouden zijn geweest en die hem thans aanleiding geven het ‘verslepen’ van bij een eerdere gelegenheid in het lichaam van het slachtoffer achtergelaten sperma zeer onwaarschijnlijk te achten.
Dat is een opvallende stellingname, omdat uit zijn antwoorden op de door de rechter-commissaris gestelde vragen en zijn verklaringen ter terechtzitting in hoger beroep onmiskenbaar volgt dat deze feitelijkheden prof. Eskes ook toen al bekend waren, en bij het bepalen van zijn standpunten een rol hebben gespeeld.

40. Zo antwoordde prof. Eskes op de vragen van de rechter-commissaris onder meer:

“Ik ga er vanuit dat het DNA onderzoek van de bij het slachtoffer aangetroffen en verkregen spermatozoa niet overeenkomt met het DNA in de leucocyten uit het bloed van de twee verdachten die een worsteling hadden met het slachtoffer (c.q. verkrachting) en van verkrachting verdacht worden.
Sperma kan buiten de vagina worden aangetroffen zoals door U beschreven. Indien daarin zaadcellen zijn aangetroffen moet dat een zaaduitstorting zijn geweest van een derde (onbekende?) persoon, die geen azoospermie heeft. De lokatie van het extravaginale zaad doet premature ejaculatie ante portas veronderstellen.”
“Zaadcellen kunnen in de vagina blijven tot enige dagen na coïtus. Indien uitwendig droogt zaadvloeistof snel in. Zaadcellen worden inactief maar blijven microscopisch herkenbaar (enige tijd) en kunnen op DNA worden onderzocht (nog lange tijd).”
(op de vraag: “Indien het slachtoffer vóór zondag 9 januari 1994, 16.15 uur, bijvoorbeeld op de daaraan voorafgaande zaterdag, of op zondag kort voor 16.15 uur, gemeenschap heeft gehad, is het dan mogelijk dat vocht met daarin spermatozoïden door een latere penetratie van anderen uit de vagina wordt getrokken en als zodanig herkenbaar is>
Zo ja, hoe waarschijnlijk is dat en zijn er nog omstandigheden die dat kunnen beïnvloeden?”):
“Na coïtus, zeker bij een nulligravida, blijft er slechts een deel van het ejaculaat in de vagina achter. Een deel van het ejaculaat wordt tijdens de coïtus reeds langs de penisschacht naar buiten geperst. Bij herhaalde coïtus kort op elkaar zal het grootste deel van de ejaculaten extravaginaal terecht komen. Het is derhalve zeer wel denkbaar dat een tweede coïtus enige uren na coïtus waarbij zaadhoudend semen werd gedeponeerd in de vagina kan resulteren in extravaginale aanwezigheid van spermatozoa van het eerste ejaculaat.”
(op de vragen: “Het slachtoffer is van haar ouderlijk huis naar de woning van haar oma (plaats van aantreffen) gefietst. De fietsafstand bedraagt ongeveer vijf en een halve minuut.
Is het mogelijk dat het sperma dan inwendig blijft zitten?
Hierbij wordt aangetekend dat geen sperma in het slipje van het slachtoffer werd aangetroffen.”
en
Zo ja, hoe waarschijnlijk is dat en zijn er nog omstandigheden die dat kunnen beïnvloeden?):
“Ja.”
en
“Bij fietsaktiviteiten kunnen de bekkenbodemspieren de vagina-inhoud ‘poolen’ in de achterste schedehelft”.
(op de vraag: “Als er een verwurging plaatsvindt, kan het dan zijn dat inwendig sperma door de verandering van spierfuncties vanuit de vagina/baarmoeder naar buiten stroomt?):
“Ja, uitgeperst”.
(op de vraag: Kan door uitwendig geweld, persen en/of drukken door het gewicht van de verkrachter op de buik van het slachtoffer, sperma uit de vagina of baarmoeder worden geperst?):
“Ja, alleen uit de vagina.”
(op de vraag: In hoeverre is, nadat gemeenschap heeft plaatsgevonden, het nemen van een douche of een bad door het slachtoffer van invloed op de aanwezigheid inwendig (vagina, baarmoeder) van spermatozoïden):
“Niet van invloed bij een nulligravida behalve de natuurlijke uitvloed in staande houding”
(en op de vraag: Is het mogelijk dat nadat het slachtoffer door twee personen wordt verkracht (zonder condoom) geen sporen (prostaatvloeistof, sperma, schaamhaar, huidcellen, inwendige verwondingen) in of in de nabijheid van de vagina worden aangetroffen? Hoe waarschijnlijk is dat te achten?):
“Theoretisch is dit mogelijk omdat er sprake kan zijn geweest van retrograde ejaculatie (het ejaculaat komt dan in de blaas terecht). Waarschijnlijk is dat echter niet.”

41. Ter terechtzitting van 27 juni 1995 verklaarde prof. Eskes onder meer:

“Het fotodossier bevatte een foto, waarop een druppel sperma te zien zou zijn. Ik begrijp dat zo’n druppel, in grootte tussen een kwartje en een gulden, zich op het been van het slachtoffer moet hebben bevonden. Zo’n druppel droogt naar mijn idee al heel snel uit. Dat kan alleen een soort vlek zijn geweest. Als in het technisch proces-verbaal staat een witte gelei-achtige substantie, wijst dat op een recente uitstoting. Gelei-achtig betekent immers niet-uitgedroogd. Binnen een half uur zal zoiets uitgedroogd zijn, en daarbij maakt het niet uit of die druppel ook vocht uit de schede kan hebben bevat. Als er sperma in de schede is gebleven, kan dat vloeibaar gebleven zijn.
Het is mogelijk dat al in de vagina aanwezig sperma in de laatste levensfase, door de verhoogde druk op de buik, naar buiten is geperst. Ik zou dan een hoeveelheid sperma niet op het been verwachten, maar meer in de nabijheid van de schede. Ik zie op één van de foto’s waar de druppel moet zijn aangetroffen. Sperma op die plek kan heel wel uit de vagina afkomstig zijn geweest. Het kan uit de vagina zijn gekomen door persen, of door latere penetratie. Als er één milliliter sperma zou zijn uitgeperst, lijkt dat te weinig voor een plek ter grootte van een gulden. (…)
Dat er een gelei-achtige substantie is aangetroffen, wil niet zeggen dat de intravaginale coïtus recent heeft plaatsgehad. Het tijdstip van de coïtus zal moeten worden afgeleid uit de uitdrogingsfactor van het aangetroffen sperma en uit de beweeglijkheid van de zaadcellen. Ik neem aan dat men geen beweeglijke cellen heeft gezien. Ik acht het van belang dat daarop wordt gelet. Dat kan door middel van relatief eenvoudig microscopisch onderzoek worden vastgesteld. Dat het Gerechtelijk Laboratorium dat later niet meer heeft gedaan, begrijp ik wel. Dat zou zinloos zijn geweest. Er moet op de plek van het aantreffen van het slachtoffer worden bemonsterd (…)
Buiten het lichaam blijft sperma minder dan 4 uur goed, binnen het lichaam ongeveer 4 uur. Bij een vrouw die nog geen kinderen gebaard heeft is de schede nauwer, en is de kans dat sperma buiten het lichaam terecht komt groter.
Het in het lichaam komende sperma stolt eerst en lost dan weer op (…) Het vocht loopt dan regelmatig weg. Bij verschillende vrouwen verloopt dat proces verschillend. Sommige vrouwen kunnen het aanwezige vocht direct weg persen. (…)
Het is theoretisch mogelijk dat de hoeveelheid sperma op het bovenbeen met de hand is aangebracht. Het is mogelijk dat een man heeft gemasturbeerd en daar sperma heeft achtergelaten. Als niets van sperma in de slip van het slachtoffer is aangetroffen, zegt dat niets.
Het is mogelijk dat penetratie plaatsvindt, zonder dat achteraf sporen daarvan aantoonbaar zijn. Het is mogelijk dat iemand door twee personen wordt verkracht, zonder condoom, zonder dat zaadlozing plaatsvindt, en er geen sporen worden gevonden.”

Nader gehoord verklaarde hij ter terechtzitting van 7 september 1995 vervolgens:

“Ik heb kennis genomen van de inhoud van het aanvullend proces-verbaal van de technische recherche. Wat daarin verklaard wordt over de waarneming van de spermadruppel op het bovenbeen van het slachtoffer, brengt mij niet veel verder. De term gelei-achtige substantie duidt op het niet volledig ingedroogd zijn, maar is eigenlijk een interpretatie van een waarneming (…) Hoe dan ook, als gesproken wordt van een gelei-achtige substantie, kan dat wijzen op recente uitstoting, maar ik durf daaraan geen conclusie te verbinden.
Het is mogelijk dat na de dood van het slachtoffer, bijvoorbeeld door verplaatsing of door druk op de buik, sperma uit de vagina is geperst. In dat geval ligt het echter meer voor de hand dat er een spoor wordt aangetroffen, en geen druppel. Het aanvullend proces-verbaal vermeldt dat bij de sectie door dr Visser op 10 januari het vloeibaar gedeelte werd bemonsterd. Het verbaast mij dat die substantie niet volledig was ingedroogd. Sperma droogt in als het aan de buitenlucht wordt blootgesteld. Ik meen me te herinneren van de mij getoonde foto dat de bedoelde plek op het bovenbeen niet is verborgen bij gesloten benen. Het zal echter toch wel zo zijn geweest dat die plek niet rechtstreeks aan de buitenlucht is blootgesteld, maar ik ben geen specialist op het gebied van indroging van sperma (…)
Het is mogelijk dat een gemeenschap zonder zaadlozing geen sporen achterlaat op of in het lichaam van een vrouw. Het is dan ook mogelijk dat eerder aanwezig sperma door een dader als het ware naar buiten wordt getrokken, zonder dat van die dader verder nog sporen worden gevonden.
Ik weet niet of het mogelijk is dat bijvoorbeeld door transport van het stoffelijk overschot een reeds ingedroogde spermadruppel weer is opengebarsten en vloeibaar geworden kan zijn.
Als onderzocht zou moeten worden of de aangetroffen spermadruppel in het lichaam van het slachtoffer geweest is, kan het beste gezocht worden naar vaginaalepitheelcellen (…) Mijn theorie over het kunnen aantreffen van een spermadruppel in zo’n geval is de volgende. Er heeft een coïtus met zaadlozing plaatsgevonden; de man trekt zich terug; er komt nog enige uitvloed uit zijn penis, die terecht komt op de schaamlippen of op het bovenbeen; die hoeveelheid sperma zal daar blijven totdat die wordt weggewassen of -geveegd. Ik weet niet wanneer in casu die coïtus zal hebben plaatsgehad.”

42. De in het vooronderzoek en ter terechtzitting door prof. Eskes afgelegde verklaringen laten er geen enkele onduidelijkheid over bestaan dat deze deskundige reeds toen in zijn beschouwingen de gegevens betrok die hij nu, in zijn rapport van 14 september 2000, aanvoert ten betoge dat zijn eerdere verklaringen op een onvolledig inzicht in de feiten hebben berust. Nadrukkelijk heeft hij er destijds op gewezen dat de gelei-achtige toestand van de op het been van het slachtoffer aangetroffen stof wees op een recente deponering, aangezien sperma, zodra het in de buitenlucht komt, binnen het half uur zal uitdrogen, en dat naar zijn inzicht (zoals prof. Eskes het omschreef naar aanleiding van de door de rechter-commissaris gestelde vragen) “de lokatie van het extravaginale zaad […] premature ejaculatie ante portas [doet] veronderstellen”.
Prof. Eskes heeft opgegeven dat desalniettemin niet uit te sluiten is dat het spermaspoor verband hield met een sexueel contact dat het slachtoffer heeft gehad op een tijdstip voorafgaande aan de tenlastegelegde feiten, omdat denkbaar is dat het sperma enige tijd in haar lichaam bewaard is gebleven, en in verband met die tenlastegelegde feiten weer haar lichaam heeft verlaten, hetzij door de afgedwongen penetratie, hetzij door uitwendig geweld, hetzij door spierbewegingen van het slachtoffer.
In zijn brief aan de rechter-commissaris heeft prof. Eskes, met opgave van redenen, vermeld dat hierbij geen betekenis toekomt aan het ontbreken van spermasporen in de onderkleding van het slachtoffer. Hij herhaalde dat ter terechtzitting in hoger beroep.

43. Overigens toont de omstandigheid dat één der verbalisanten bij de sectie op het stoffelijk overschot, de dag nadat het slachtoffer was aangetroffen, waarnam dat ook toen nog de vlek alleen aan de randen leek te zijn ingedroogd, en dat de patholoog-anatoom een monster van het nog niet ingedroogde middelste deel ervan nam, aan dat het argument van de te verwachten snelle indroging van niet meer dan betrekkelijke waarde is.

44. Waar dr H.C. Lee er op wijst dat de afwezigheid van vaginale epitheelcellen in een spermaspoor een doorslaggevende aanwijzing oplevert dat het spoor niet uit het lichaam van het slachtoffer gekomen kan zijn, lijkt er sprake te zijn van een onjuist inzicht zijnerzijds in de onderzoeksresultaten. Ik breng in herinnering dat ir H.J.T. Janssen er in zijn aanvullend rapport van 18 september 1995 op wees dat hij ter terechtzitting van 7 september 1995 had opgegeven dat in de ‘vaginale fractie’ van het spermabevattend spoor wèl celmateriaal was aangetoond dat van het slachtoffer afkomstig kon zijn. Zijn op die terechtzitting afgelegde verklaring is in het daarvan opgemaakte proces-verbaal anders weergegeven: genoteerd is dat ir Janssen heeft gezegd dat het monster is gecentrifugeerd, dat de fractie met spermacellen is onderzocht, maar niet het residu waarin de van het slachtoffer afkomstige epitheelcellen moeten zijn achtergebleven.
Wellicht zou men de opmerking in het rapport van 18 september 1995 aldus kunnen opvatten dat ter terechtzitting niet voldoende duidelijk is geworden dat ir Janssen bedoelde te zeggen dat er epitheelcellen in het residu zijn waargenomen die evenwel niet verder zijn onderzocht. Doch hoe dat ook zij, er is kennelijk niet vastgesteld - gelijk dr Lee tot uitgangspunt nam - dat er géén van het slachtoffer afkomstige epitheelcellen in het monster zijn gevonden.

45. In het licht van de feiten die prof. Eskes duidelijk zichtbaar heeft betrokken in zijn opgaven tijdens het vooronderzoek en ter terechtzitting in hoger beroep, meen ik dat zijn thans ingenomen standpunt dat zijn destijds gegeven toelichtingen op een onvolkomen inzicht in de feiten hebben berust niet houdbaar is, ook niet met het oog op de brief van dr Henry C. Lee (die ter terechtzitting in hoger beroep reeds ter sprake is geweest).
Ook in dit opzicht doet zich naar mijn oordeel geen omstandigheid als bedoeld in art. 457, eerste lid, onder 2o Sv voor.

46. In paragraaf II.3 van het verzoek wordt betoogd dat een 'novum' is gelegen in de bevindingen van de oud-commissaris van politie J.A. Blaauw. Die heeft zich uitvoerig met deze strafzaak bezigheden en daaromtrent gepubliceerd. Bij het verzoek is gevoegd (productie 7) een analyse van diens hand, gedateerd 4 september 2000.
De uitkomst van die analyse is dat de waarde (overeenstemming met de werkelijkheid) van de uiteindelijk afgelegde bekentenissen en belastende verklaringen dubieus is, met name doordat daarin niets is onthuld omtrent essentiële aspecten van de feiten (directe aanleiding, wijze van uitvoering) die alleen de werkelijke daders bekend kunnen zijn, en ook doordat die verklaringen de intrigerende vraag onbeantwoord laten hoe het kan zijn dat de dader(s) de achterdeur afsloten en de sleutel terughingen op een plek (in een schuur) waar die thuishoorde; dat het opsporingsonderzoek door gebrek aan professionaliteit volkomen heeft gefaald (met name door het achterwege laten van een reconstructie), terwijl een door de heer Blaauw opgestelde tijdlijn laat zien dat de feiten niet begaan kunnen zijn zoals dat in de bekentenissen en belastende verklaringen besloten ligt.

47. Dat het opsporingsonderzoek niet feilloos is uitgevoerd, of in ieder geval de verslaglegging (met betrekking tot onderzoekshandelingen die zonder resultaat bleven) niet volledig is geweest, lijkt mij niet te betwisten. Daarop wijst ook reeds de omstandigheid dat het Hof zich genoodzaakt zag in zijn tussenuitspraak van 13 juli 1995, naast de hierboven reeds genoemde punten, aan te dringen op nader onderzoek naar de vraag of de door het slachtoffer gedragen kleding wellicht sporen droeg die er op zouden kunnen wijzen dat zij daarmee is verwurgd, en ook op nader onderzoek naar eventuele sporen op een mes dat op aanwijzingen van [getuige 2] meer dan vier maanden na de dood van het slachtoffer in een wegberm is gevonden.

48. Dat illustreert, dunkt mij, gelijk de zwakke plek van de nu opgeworpen stelling dat het zichtbaar maken van fouten in het opsporingsonderzoek een 'novum' oplevert dat tot herziening moet leiden.
Terecht wordt er in het verzoek (onderdeel 7 van paragraaf II.3) op gewezen dat in eerdere beslissingen op herzieningsverzoeken de mogelijkheid is opengelaten dat een 'novum' is gelegen in een deskundigenbericht, maar alleen indien de deskundige zijn oordeel bereikt op grond van feiten, of omstandigheden van feitelijke aard, die niet bekend zijn geweest, dan wel niet geacht kunnen worden bekend te zijn geweest, aan de rechters die de uitspraak hebben gedaan (vgl. HR DD 95.165).
Aan dat vereiste voldoet de hier gepresenteerde analyse van de oud-commissaris Blaauw naar mijn inzicht niet. Alle onzekerheden, curieuze omstandigheden en tegenstrijdigheden waarop hij wijst zijn reeds aan het Hof bekend geweest, of moeten worden geacht aan het Hof bekend te zijn geweest.
Desalniettemin zal ik op de beschouwingen van de heer Blaauw, voor zover die niet samenvallen met andere onderdelen van het herzieningsverzoek, ingaan.
Voor zover het verzoek in dit onderdeel berust op de gedachte dat, ofschoon de door de heer Blaauw gereleveerde feiten reeds aan het Hof kenbaar waren, diens bevindingen als een omstandigheid als bedoeld in art. 457, eerste lid onder 2o Sv moeten worden aangemerkt omdat de resultaten van het opsporingsonderzoek niet eerder op deze wijze, met gebruikmaking van aan de heer Blaauw toe te kennen deskundigheid ten aanzien van recherchezaken, werden becommentarieerd, verwijs ik naar hetgeen hieronder naar aanleiding van paragraaf II.5 van het herzieningsverzoek zal worden opgemerkt.

49. Hetgeen wordt opmerkt over de waarde van de bekentenissen en belastende verklaringen in verband met de wijze waarop de verhoren zijn afgenomen (onderdeel 3 van de analyse) leent zich voor bespreking in verband met gelijke bezwaren tegen de wijze waarop de verklaringen zijn verkregen die worden gepresenteerd in paragraaf II.5 van het verzoek. Hetgeen in de analyse wordt opgemerkt omtrent het DNA-profiel (verkregen uit het op het lichaam van het slachtoffer aangetroffen spermaspoor; onderdeel 4 van de analyse) komt ten dele overeen met hetgeen in paragraaf II.1 van het verzoek is opgemerkt, en bevat voorts opmerkingen van gelijke strekking als voorkomen in paragraaf II.4 van het verzoek. Ook bedenkingen die in het vierde onderdeel van de analyse worden gemaakt tegen de gang van zaken met betrekking tot een bij het slachtoffer aangetroffen melktandje vallen samen met in paragraaf II.4 van het verzoek betrokken standpunten. Dienaangaande zij verwezen naar hetgeen in deze conclusie naar aanleiding van die andere onderdelen van het verzoek is of nog zal worden opgemerkt.

50. De vaststelling (onderdeel 1 van de analyse) dat in de bekentenissen van de aanvragers "geen enkel op feiten aantoonbaar juist antwoord is gegeven op de acht cruciale opsporingsvragen" (de precieze gang van zaken bij de feiten; aanleiding en voorafgaande bekendheid met het slachtoffer; wijze van om het leven brengen en wat er met het moordwapen is gedaan; gedeeltelijk toedekken van het lichaam van het slachtoffer; achterlaten - op de juiste plaats - van de achterdeursleutel) komt mij voor niet juist te zijn. Over de meeste van die omstandigheden is wel degelijk verklaard. Men kan opmerken dat de verklaringen opvallend vaag zijn over bepaalde details (gedeeltelijk toedekken van het slachtoffer; geen duidelijke verklaringen over het steekwapen), en er is de ongerijmdheid met betrekking tot de achterdeursleutel (waaromtrent hieronder nader), maar naar mijn inzicht kan niet gezegd worden dat de juistheid van die verklaringen op geen enkele wijze aan de hand van vastgestelde feiten te verifiëren valt.

51. Onjuist acht ik ook de stelling dat de verklaringen over de wijze waarop het contact met het slachtoffer is gelegd en de daders het huis zijn binnengekomen op ‘pure fantasie’ moeten berusten omdat nooit vastgesteld is kunnen worden dat één of meer van de betrokkenen het slachtoffer reeds (van vroeger) kenden. In het vooronderzoek is verklaard dat de aanvrager [aanvrager 2], nog in de auto, toen zij het slachtoffer zagen fietsen, opmerkte ooit 'met haar te hebben gelopen', verkering met haar te hebben gehad of iets dergelijks. Dat kan een onjuiste opmerking zijn geweest, of een overdreven beschrijving van een vroeger contact, maar waarom het ontbreken van een bevestiging van eerdere contacten met het slachtoffer de afgelegde verklaringen, voor zover die inhouden dat de aanvragers door het slachtoffer het huis zijn binnengelaten, tot 'pure fantasie' zou moeten maken zie ik niet in. Dat geldt temeer omdat de feiten zich hebben afgespeeld in een tamelijk kleine gemeente, zodat niet bij voorbaat onaannemelijk kan worden geacht dat het slachtoffer de aanvragers ten minste van gezicht kende. Ik wijs er op dat uit één van de verklaringen van [getuige 2] (dossierkenmerk C-52) volgt dat de aanvrager [aanvrager 1], toen de vier mannen in de Mercedes het slachtoffer zagen fietsen, op een vraag van [getuige 2] wist te melden dat zij stewardess was.

52. Met name op grond van de verklaringen van de aanvankelijk als verdachten aangemerkte [getuige 2] en [getuige 1] is in de analyse een tijdlijn opgesteld, die tot de slotsom moet voeren dat hun voor de aanvragers belastende verklaringen niet juist kunnen zijn (onderdeel 2 van de analyse).
Met de opmerking van de heer Blaauw dat een reconstructie op de plaats van het delict, naar aanleiding van de afgelegde verklaringen, aangewezen zou zijn geweest ben ik het eens. Juist in een onderzoek als het onderhavige, waarin ook aanwijzingen worden gevonden die op de betrokkenheid van anderen kunnen wijzen, wisselende verklaringen worden afgelegd en het aanwijsbaar gebruikte steekwapen niet is teruggevonden, zou een reconstructie van grote waarde zijn geweest.
De verhoren waarin uiteindelijk de bekennende en belastende verklaringen werden afgelegd zijn eerst geruime tijd na het begaan van de feiten afgenomen, en het ging om een groot aantal verklaringen. Als men de omstandigheden voor het houden van een reconstructie ongunstig heeft geacht valt daar wellicht enig begrip voor op te brengen. Dat neemt niet weg dat het achterwege laten ervan tot gevolg heeft dat een bruikbaar hulpmiddel om de afgelegde verklaringen reeds in het vooronderzoek op hun betrouwbaarheid te onderzoeken onbenut is gebleven.

53. De tijdlijn die in de analyse is opgenomen zou men als een achteraf op papier uitgevoerde reconstructie kunnen beschouwen. Er zou uit volgen dat [getuige 2] (benieuwd waar zijn vrienden waren gebleven) minimaal 27 minuten nadat de aanvragers uit de auto waren gestapt bij het bewuste huis is aangekomen, terwijl het 'drama' zich, uitgaande van de aannames die aan de tijdlijn ten grondslag liggen, toen reeds 12 minuten eerder volledig moet hebben voltrokken. Er zou ook uit volgen dat er, op het moment waarop ook [getuige 1] bij het huis was aangekomen en [getuige 2] en [getuige 1] voor het raam stonden, 34 minuten waren verstreken sinds de aanvragers het huis waren binnengegaan, terwijl uit hun verklaringen volgt dat zij vervolgens (voor het raam) nog eens 10 tot 15 minuten hebben staan kijken naar de verkrachting en de levensberoving, die zij vrijwel volledig hebben zien begaan.

54. Geplaatst binnen dit tijdsverloop zijn de verklaringen inderdaad ongerijmd te noemen. Dit tijdsverloop, waarop de analyse is opgebouwd, is evenwel niet zeker. Het berust op veronderstellingen. Zo is onzeker hoeveel tijd er is verstreken tussen het moment waarop de aanvragers de auto verlieten en de aanvang van de bewezenverklaarde feiten. Naar het inzicht van de heer Blaauw ligt in de bekentenissen van de aanvragers besloten dat dezen binnen 2 tot 3 minuten na het verlaten van de auto de plaats van het delict (het huis) zijn binnengegaan, terwijl direct daarop de handtastelijkheden zijn begonnen.
Zoals de verklaringen luiden valt dat er niet zonder meer in terug te vinden. Er zij op gewezen dat de aanvrager [aanvrager 1] heeft verklaard dat [aanvrager 2] eerst enige tijd met het slachtoffer heeft staan praten vóór het huis, en vervolgens ook nog achter de woning (vgl. het proces-verbaal betreffende het verhoor dat is afgenomen op 25 april vanaf 19.40 uur, en voortgezet op 26 april 1994, dossierkenmerk A-60). Over hetgeen is gebeurd toen de aanvragers door het slachtoffer in de woning waren binnengelaten heeft [aanvrager 1] in verschillende zin verklaard. In de zo-even aangehaalde verklaring is te vinden dat zij door de keuken en een hal in de woonkamer terechtkwamen, alwaar [aanvrager 1] plaatsnam, het slachtoffer vroeg of de aanvragers iets wilden drinken, en op dat moment ‘het gekloot begon’. In een latere verklaring (verhoor van 10 mei 1994, dossierkenmerk A-63) heet het dat men niet verder dan in de gang van de woning kwam alvorens de aanvrager [aanvrager 2] het slachtoffer vastgreep.
Hoeveel tijd er is verstreken tussen het verlaten van de auto en de aanvang van de gewelddadigheden is niet zeker. Dat uit de afgelegde verklaringen min of meer dwingend voortvloeit dat dit niet meer dan twee of drie minuten geweest kunnen zijn kan ik echter niet volgen. Met inbegrip van het aanspreken van het latere slachtoffer vóór en achter de woning kan daarmee ook langere tijd gemoeid zijn geweest. Dat ontneemt naar mijn inzicht het concludente karakter aan de vaststelling dat ‘het drama’ zich reeds geheel voltrokken moet hebben toen [getuige 2] voor het raam van de woning verscheen.

55. Ik kom dan weer terug bij de (wettelijke) beperking dat het herzieningsverzoek slechts toewijsbaar kan zijn voor zover aannemelijk wordt dat zich één of meer omstandigheden hebben voorgedaan die bij het onderzoek ter terechtzitting niet (kunnen) zijn gebleken, maar die - kort gezegd - ernstige twijfel oproepen of de bewezenverklaring wel bereikt zou zijn indien de rechter (het Hof) daarvan op de hoogte was geweest.
Hetgeen in paragraaf II.3 van het verzoek onder verwijzing naar de bij het verzoek gevoegde productie 7 wordt gesteld voldoet naar mijn mening niet aan die eis. Ik kan de opsteller van het verzoek niet volgen in de stelling dat in deze productie 7 mede op grond van gegevens die het Hof niet bekend zijn geweest aannemelijk is gemaakt dat de bekennende verklaringen van de aanvragers geen enkel aantoonbaar juist gegeven betreffende de toedracht van de feiten bevatten, en evenmin in de stelling dat die productie een klemmende aanwijzing geeft (ook weer: op grond van gegevens waarvan het Hof onkundig was) dat de verklaringen van [getuige 2] en [getuige 1] omtrent hetgeen zij hebben zien gebeuren niet juist kunnen zijn en niet op eigen, authentieke waarneming kunnen berusten.
Anders gezegd: met alle respect voor de, uit een rijke ervaring met recherchewerk voortkomende, deskundigheid van de heer Blaauw kan ik in zijn analyse geen feitelijke elementen onderkennen die het Hof niet in zijn oordeelsvorming betrokken kan hebben.

56. Dat geldt ook voor de kwestie van het al dan niet op slot geweest zijn van de achterdeur van de woning waarin het slachtoffer werd aangetroffen.
De aanvrager [aanvrager 1] heeft verklaard dat hij, nadat hij zich bij [aanvrager 2] had gevoegd die het slachtoffer tot achter de woning was gevolgd en daar met haar in gesprek was, en het slachtoffer hen had uitgenodigd iets te komen drinken, waarnam dat zij de deur opende zonder een sleutel te gebruiken (verklaring van 25 april 1994, dossierkenmerk A-60). Ook heeft hij verklaard na de verkrachting en gewelddadigheden als eerste de woning (door de achterdeur) te hebben verlaten (verklaring van 10 mei 1994, dossierkenmerk A-63). De aanvrager [aanvrager 2] heeft eerst opgegeven alleen te kunnen beschrijven dat hij uiteindelijk weer bij de auto terechtkwam (verklaring van 22 februari 1994, dossierkenmerk B-23), en vervolgens verklaard dat hij degene was die als eerste de woning uitrende (verklaringen van 7 maart 1994, dossierkenmerk B-30, en van 22 en 23 maart 1994, dossierkenmerk B-33).
De bewoonster van het huis (grootmoeder van het slachtoffer) heeft verklaard dat zij op de bewuste dag, omstreeks 16.00 uur haar woning heeft verlaten door de achterdeur, die zij op slot deed, en bij thuiskomst, na 17.30 uur, die achterdeur op slot vond (hetgeen haar bevreemde omdat zij de fiets van haar kleindochter achter haar woning zag staan), terwijl de politie op haar aanwijzing reservesleutels van voor- en achterdeur in een schuur aantrof, precies op de plaats waar die behoorden te hangen (respectievelijk proces-verbaal van horen van de grootmoeder van het slachtoffer, bijlage 2.2, en proces-verbaal van aantreffen van het slachtoffer, bijlage 1.0). Uit diezelfde verklaring van de grootmoeder van het slachtoffer lijkt opgemaakt te moeten worden dat naast die reservesleutels in de schuur en de sleutels die zijzelf gebruikte, slechts haar zoon nog sleutels van de woning had, en dat alleen zijzelf, haar twee kinderen en hun echtelieden en haar drie kleinkinderen (waaronder het slachtoffer) op de hoogte waren van de reservesleutels in de schuur. Voorts heeft de grootmoeder verklaard dat zij de voordeur van haar woning, alvorens die te verlaten, niet alleen met de sleutel maar ook door middel van een schuif had afgesloten, en die voordeur pas weer heeft ontsloten nadat zij de politie had gebeld.
Uit de lijst van inbeslaggenomen ‘stukken van overtuiging’ (gevoegd bij het proces-verbaal van technisch onderzoek, kenmerk B.P.S. nr 93-524610) lijkt te moeten worden afgeleid dat de politie bij het slachtoffer weliswaar een sleutelbos aantrof, maar geen sleutels van deze woning (voorwerp 203/a).

57. Deze gegevens zijn niet met elkaar te verenigen, tenzij (zo men er niet van uit wil gaan dat een onbekende persoon die wist van de reservesleutels de woning waarin het slachtoffer - reeds - lag heeft afgesloten) wordt aangenomen dat ofwel de grootmoeder zich heeft vergist ten aanzien van het afgesloten zijn van de achterdeur van haar woning, ofwel de achterdeur door het slachtoffer is ontsloten (met behulp van de reservesleutel uit de schuur of met nog weer een ander exemplaar dat niet aan haar sleutelbos zat) en de verklaringen van de aanvragers op dit punt niet volledig zijn. De beide mogelijkheden zijn moeilijk voorstelbaar, maar niet uit te sluiten. Naar aanleiding van het onderhavige verzoek staat evenwel alleen de vraag ter beantwoording of gegevens naar voren worden gebracht (en voldoende aannemelijk zijn gemaakt) die bij het onderzoek ter terechtzitting niet bekend waren. Het antwoord op die vraag is ontkennend: hoe intrigerend en onbevredigend de kwestie rond de achterdeur ook blijft, Rechtbank en Hof konden deze schijnbaar onverenigbare gegevens volledig in het dossier terugvinden. Niet gezegd kan worden dat die gegevens nu worden aangevuld met een geheel nieuwe feitelijkheid.

58. In productie 7 bij het verzoek onder 5 worden voorts opmerkingen gemaakt met betrekking tot een bij het slachtoffer aangetroffen Frans muntstukje, terwijl ook het aantreffen van haren in de hals en op de kleding van het slachtoffer weer wordt aangeroerd. Met betrekking tot het muntstukje wordt gesignaleerd dat in de verhoren van de aanvrager [aanvrager 1] mede ter sprake is gekomen dat ook in zijn woning Franse munten zijn aangetroffen. Datzelfde geldt voor het in paragraaf II.4 van het verzoek ter sprake gebrachte melktandje; ook bij [aanvrager 1] thuis werden melktandjes aangetroffen.
Er wordt op gewezen dat uit de stukken niet valt af te leiden op welk moment en om welke reden de opsporingsambtenaren het bij het slachtoffer aangetroffen melktandje niet langer hebben beschouwd als ‘daderspoor’, waarmee kennelijk wordt gedoeld op een spoor dat zeker moet zijn achtergelaten door degene die de feiten heeft gepleegd.
Datzelfde wordt opgemerkt met betrekking tot het op de plaats van het delict aangetroffen Franse muntstukje.
Daar wordt terecht op gewezen. Ook hieromtrent moet echter weer worden vastgesteld dat dit ‘open einden’, dat wil zeggen: op basis van overig materiaal niet verklaarbare feitelijkheden, zijn die zich ten tijde van de behandeling ter terechtzitting op precies dezelfde wijze aan de rechter voordeden als thans het geval is.
Dit geldt ook voor de in de hals en op de kleding van het slachtoffer aangetroffen haren. Ook dat gegeven was het Hof reeds bekend. Ik verwijs naar hetgeen hiervoor is opgemerkt naar aanleiding van het gestelde in paragraaf II.2 van het verzoek.

59. Aan het vereiste dat een deskundigenbericht, om in een herzieningsprocedure als een 'novum' te worden aangemerkt, moet berusten op gegevens waarvan niet kan worden aangenomen dat zij de rechter bekend zijn geweest voldoet de analyse van de heer Blaauw, waarop paragraaf II.3 van het verzoek steunt, naar mijn inzicht niet. De kritische beschouwing van alle ongerijmdheden die het vooronderzoek heeft opgeleverd in deze analyse is niet gebaseerd op feitelijke gegevens waarover het Hof niet reeds de beschikking had.

60. Dat wordt niet anders doordat ook in de analyse van de heer Blaauw wordt gewezen op de rapporten van dr P. de Knijff van 13 april 2000 en van 15 september 2000, omdat die rapporten slechts meer zekerheid geven ten aanzien van hetgeen het Hof reeds op grond van eerdere rapporten voor een mogelijkheid kon houden, namelijk dat het spermaspoor en haren (haardelen) - die zeker niet door de aanvragers (of door een andere, destijds als verdachte aangemerkte, persoon) achtergelaten waren - van dezelfde, onbekende persoon afkomstig zijn.
Zulke gegevens zijn evenmin te vinden in de verwijzing naar de aan de heer Blaauw gerichte brief van het College van Procureurs-Generaal van 17 juni 1999 en de beantwoording van kamervragen door de minister van Justitie op 5 november 1999. Ik verwijs naar hetgeen daaromtrent in het navolgende wordt opgemerkt.

61. In paragraaf II.4 van het verzoek wordt gewezen op twee brieven van het College van Procureurs-Generaal.
In een brief gedateerd 15 februari 2000, gericht aan een vorige raadsman van de aanvrager (productie 8 bij het verzoek), is melding gemaakt van door de politie, geruime tijd na het onherroepelijk worden van de veroordeling, verkregen informatie omtrent een melktandje dat is aangetroffen op de plaats waar het slachtoffer werd gevonden. Die informatie hield in dat het slachtoffer het melktandje, afkomstig van een vroegere vriend, bij zich droeg. Ook die vroegere vriend heeft ten tijde van het vooronderzoek DNA-materiaal afgestaan, en onderzoek wees uit dat de aangetroffen spermasporen niet van hem afkomstig waren.
Deze mededeling van het College van Procureurs-Generaal wordt in verband gebracht met de omstandigheid dat de politie het aangetroffen melktandje aanvankelijk beschouwde als een spoor dat naar de dader kon leiden - ook in de woning van de aanvrager [aanvrager 1] werden melktandjes in beslag genomen - en als ik het goed begrijp wordt nu betoogd dat deze mededeling uitwijst dat dit spoor ten onrechte is gevolgd, en zodoende een achteraf ondeugdelijk blijkende aanleiding voor het verhoren van de aanvragers en anderen is geweest.

62. Terzijde wijs ik er op dat uit de stukken van het vooronderzoek, met name een relaas dat is opgenomen in een proces-verbaal met kenmerk 940516-1200, opgemaakt door Rosman, Bosch en Jansen en afgesloten op 16 mei 1994 (‘stam-proces-verbaal’) kan worden opgemaakt dat de politie niet naar aanleiding van het gevonden melktandje, maar naar aanleiding van een buurtonderzoek bij de verdachten, waaronder de aanvragers, is uitgekomen. Door een aantal passanten is verklaard dat zij in de buurt van het huis waarin het slachtoffer werd aangetroffen een oud model Mercedes-personenauto hebben zien rijden. Het was politiemensen bekend dat [getuige 2] in zo’n auto reed, en daarmee dagelijks honden uitliet in de nabijheid van de bewuste woning. Een cruciaal onderdeel van de nasporingen die van het lichaam van het slachtoffer naar de uiteindelijk als verdachte aangemerkte personen voerde kan het melktandje niet worden genoemd.

63. Doch nog afgezien daarvan kan de omstandigheid dat eerst na het wijzen van het veroordelend arrest bekend is geworden hoe dat melktandje bij het lichaam van het slachtoffer verklaard kan worden, niet worden aangemerkt als een gegeven als bedoeld in art. 457, eerste lid, onder 2o Sv. In het licht van hetgeen in feitelijke aanleg ter sprake is geweest, en in het bijzonder van hetgeen tot bewijs is gebezigd, valt niet in te zien waarom het Hof aan de herkomst van het melktandje, indien het daarmee bekend was geweest, zodanig gewicht zou hebben toegekend dat een bewezenverklaring mogelijk niet zou zijn bereikt.

64. Voorts wordt in deze paragraaf gewezen op een brief van het College van Procureurs-Generaal gedateerd 17 juni 1999, gericht aan de heer J.A. Blaauw (productie 9 bij het verzoek). Daarin is opgemerkt dat het DNA-profiel van het op het slachtoffer aangetroffen spermaspoor is opgenomen in de DNA-databank.
Dat, zoals wordt betoogd, in deze mededeling de erkenning besloten ligt dat het spermaspoor naar het inzicht van het openbaar ministerie naar een dader zou kunnen voeren lijkt mij onmiskenbaar juist. Niet juist daarentegen lijkt mij de stelling dat deze erkenning in het jegens de aanvrager gevoerde strafproces ‘niet eerder werd tentoongesteld’. Uit de stukken blijkt zeer duidelijk dat in het vooronderzoek is gezocht naar een antwoord op de vraag welke betekenis aan dit spermaspoor moet worden toegekend. Dat is in het vorenstaande uitvoerig aan de orde geweest.

65. Overigens bespeur ik in de aanvrage (p. 16, eerste volle alinea) een denkfout. Daar wordt uit het opnemen van het DNA-profiel in de databank naar aanleiding van de moord op een mevrouw Thomson, begaan op 9 september 1994, afgeleid dat justitie de relatie tussen dat misdrijf en de in de onderhavige zaak berechte feiten reeds heeft gelegd toen het onderzoek naar de verkrachting van, en moord op, mevrouw Thomson een aanvang nam, derhalve toen de aanvrager reeds een half jaar in voorarrest zat maar royaal vóórdat het Hof tot een einduitspraak kwam.
Die conclusie kan niet getrokken worden. Vastgesteld kan alleen worden dat het openbaar ministerie in 1997 heeft besloten het DNA-profiel in de databank te laten onderbrengen. Overigens bevindt zich bij het - inmiddels zeer omvangrijke - dossier ook een bundel bescheiden die klaarblijkelijk is tot stand gekomen in verband met een (afgewezen) verzoek aan de civiele rechter een voorlopig getuigenverhoor te bevelen. Daarbij bevindt zich de brief van de officier van justitie waarbij het Gerechtelijk Laboratorium is verzocht het DNA-profiel op te nemen in de centrale registratie van DNA-profielen. Die brief is gedateerd 21 februari 1997.
Op basis van hetgeen thans bekend is kan dus niet worden volgehouden, gelijk in de aanvrage wordt gesuggereerd, dat het openbaar ministerie het Hof onkundig heeft gehouden van de omstandigheid dat reeds in 1994 een verband werd gelegd tussen het op het lichaam van het slachtoffer [het slachtoffer] aangetroffen spermaspoor en de gewelddadige dood van een andere vrouw op 9 september 1994.

66. Dat neemt niet weg dat het door het openbaar ministerie gedane verzoek het DNA-profiel in de databank op te nemen in verband met de vondst van het lichaam van de andere vrouw - dat dit de aanleiding was voor het opnemen van het profiel in de databank wordt bevestigd door de antwoorden die de minister van Justitie op kamervragen gaf, onderdeel van productie 11 bij de aanvrage - noodzakelijkerwijs moet hebben berust op de gedachte dat het op het lichaam van het slachtoffer [het slachtoffer] aangetroffen spermaspoor afkomstig kan zijn geweest van een persoon, niet zijnde één der aanvragers, die betrokken is geweest bij het verkrachten en om het leven brengen van de andere vrouw, een half jaar later. Daarmee is nog niet gezegd dat het openbaar ministerie (omstreeks februari 1997, toen werd besloten het DNA-profiel in de databank op te nemen) ervan uit is gegaan dat het slachtoffer [het slachtoffer] door een nog onbekende persoon, en niet door de aanvragers, is verkracht en vermoord.
Dit nader (vergelijkend) onderzoek aan de hand van het uit het spermaspoor gedistilleerde DNA-profiel kan ook aldus worden uitgelegd dat het openbaar ministerie, in het oog houdend dat het merkwaardig blijft dat op het lichaam van het slachtoffer een spermaspoor van een andere, tot dusverre onbekende, persoon is aangetroffen, en ook dat na de aanvang van het eindonderzoek met grote heftigheid door en namens de aanvragers is betwist dat zij het bewezenverklaarde hebben begaan, geen gelegenheid onbenut heeft willen laten om zo mogelijk meer duidelijkheid te krijgen over de omstandigheden die ten tijde van hun berechting niet met zekerheid verklaard konden worden.

67. In ieder geval staat vast dat het opnemen van het DNA-spoor in de databank geen resultaat heeft afgeworpen in het onderzoek naar de in september 1994 gepleegde verkrachting en doding van de andere vrouw. Dat is te vinden in het antwoord van de minister van Justitie op de kamervragen. Uit de brief van het College van Procureurs-Generaal aan de heer Blauw de dato 17 juni 1999 valt af te leiden dat het opnemen van het DNA-profiel in de databank ook overigens geen aanwijzingen heeft opgeleverd ten aanzien van de identiteit van degene van wie het spermaspoor afkomstig is geweest.
Reeds daarom kan naar mijn inzicht de omstandigheid dat het openbaar ministerie in 1997 ertoe overging het aan het spermaspoor ontleende DNA-profiel in de databank op te nemen niet een omstandigheid als bedoeld in art. 457, eerste lid, onder 2o Sv opleveren.

68. Daarenboven moet zowel ten aanzien van het achterhalen van de herkomst van het melktandje als ten aanzien van het opnemen van het DNA-profiel in de databank worden vastgesteld dat dit omstandigheden zijn die zich hebben voorgedaan nadat het onderzoek ter terechtzitting reeds was gesloten. Ook daarom kunnen de geschriften waarin van het een en van het ander melding is gemaakt niet het verzoek ondersteunen. Een novum kan immers alleen gelegen zijn in een omstandigheid die zich reeds voordeed voorafgaande aan het wijzen van de uitspraak waaromtrent herziening wordt gevraagd. Alleen dan kan gezegd worden dat de rechter met die omstandigheid geen rekening heeft kunnen houden als bedoeld in art. 457, eerste lid, onder 2o Sv (HR DD 85.455, HR DD 89.057 [ook gepubliceerd in NJ 1989, 248] en G.A.M. Strijards, Revisie; inbreuken en executiegeschillen betreffende het strafgewijsde, Arnhem 1989, p. 33 en 151).

69. In paragraaf II.5 wordt gesteld dat zich nieuwe omstandigheden voordoen met betrekking tot (de waarde van) de bekentenissen en belastende verklaringen. Daartoe wordt gewezen op de reeds meermalen genoemde analyse van de heer Blaauw (productie 7 bij het verzoek) en op een rapport, gedateerd 4 oktober 2000, van de hand van prof. dr P.J. van Koppen dat (als productie 13) is gevoegd bij de aanvulling op het herzieningsverzoek, bij de Hoge Raad binnengekomen op 6 oktober 2000.

70. In grote lijnen komen de bevindingen van de heer Blaauw en die van prof. Van Koppen op hetzelfde neer: tijdens de vele verhoren zijn de verdachten (op dat moment ook nog [getuige 2] en [getuige 1]) op suggestieve wijze (soms onjuiste) gegevens voorgehouden. De heer Blaauw wijst erop dat de bekennende verklaringen met betrekking tot de plaats van het delict weliswaar details bevatten, doch van zó oppervlakkige aard dat daaraan geen waarde kan worden gehecht, waarbij wordt opgemerkt dat bepaalde gegevens zelfs geraden kunnen zijn omdat er zaken worden beschreven die in iedere woning wel zullen voorkomen. Zowel de heer Blaauw als prof. Van Koppen wijzen erop dat in het verloop van de verklaringen niet een logische lijn (van aanvankelijke ontkenning naar - volledige - bekentenis) te ontwaren is, maar dat de verklaringen heen en weer blijven schieten, zowel wat de geschetste scenario's (feitelijkheden) betreft als ten aanzien van bekenning, ontkenning of beschuldiging van anderen.
Het verslag van prof. Van Koppen bevat een algemene schets van fouten of technieken bij het horen van personen die een niet met de waarheid overeenstemmende bekentenis kunnen opleveren. Daarbij wordt er op gewezen dat kan worden onderscheiden (afgezien van de vrijwillig afgelegde valse bekentenissen) tussen gedwongen valse bekentenissen en ingebeelde valse bekentenissen. Dat exposé wordt gevolgd door een analyse van de afgelegde verklaringen tegen de achtergrond van die onderscheidene 'verleidingstechnieken'. Daarin wordt er ook nadrukkelijk op gewezen dat uit de verklaringen blijkt dat de verhoorde personen (met uitzondering van [getuige 1]) regelmatig te kennen gaven dat zij hun eigen geheugen niet vertrouwden.

71. In het voorgaande werd al opgemerkt dat de wijze van verhoren van de destijds als verdachte aangemerkte personen en, in verband daarmee, de waarde van de afgelegde bekentenissen, reeds bij de behandeling in feitelijke aanleg aan de orde is geweest. Ik breng in herinnering dat het Hof dienaangaande [getuige 1] en [getuige 2], alsmede bij de verhoren betrokken opsporingsambtenaren ter zitting heeft gehoord. Het verweer dat de bekennende en belastende verklaringen niet geacht kunnen worden in vrijheid te zijn afgelegd en onbetrouwbaar zijn is in de einduitspraak nadrukkelijk verworpen.
De heer Blaauw en prof. Van Koppen hebben in hun beschouwingen betreffende het opnemen van de verklaringen geen ander feitenmateriaal betrokken dan de inhoud van die verklaringen (de heer Blaauw brengt die ook in verband met overige gegevens uit het dossier).

72. Daarom moet het herzieningsverzoek in dit onderdeel berusten op de gedachte dat het ‘novum’ te vinden is in de bijzondere deskundigheid waarmee prof. Van Koppen en de heer Blaauw de processen-verbaal van verhoor hebben onderzocht. Ik heb de indruk dat ook paragraaf II.3 van het verzoek (in verband met de bevindingen van de heer Blaauw aangaande de kwaliteit van het opsporingsonderzoek in het algemeen) op die gedachte berust.

73. In verband daarmee breng ik wederom het uitgangspunt onder de aandacht: een omstandigheid als bedoeld in art. 457, eerste lid onder 2o Sv kan slechts gelegen zijn in een feitelijk gegeven dat zich reeds voorafgaand aan het wijzen van de uitspraak heeft voorgedaan, maar dat niet aan de rechter bekend kon zijn (vgl. HR DD 85.455 en HR DD 89.057, hierboven reeds genoemd). Dat brengt mee dat in herziening niet met vrucht een beroep kan worden gedaan op een deskundigenbericht, indien het deskundig oordeel is gebaseerd op feitelijke gegevens die ten tijde van de berechting reeds bekend waren of geacht moeten worden toen bekend te zijn geweest (HR DD 1995, 165, hierboven ook reeds aangehaald).

74. Naar aanleiding van de onderdelen II.3 en II.5 van dit herzieningsverzoek kan de vraag rijzen of het wenselijk is, en binnen de mogelijkheden van de Hoge Raad ligt, onder de in art. 457 lid 1 onder 2o Sv bedoelde omstandigheden mede te begrijpen de uitkomst van deskundig onderzoek waarbij reeds aan de rechter bekende, of bekend te achten, feiten zijn geanalyseerd of gewaardeerd in een vorm, gedragen door bepaalde wetenschappelijke of technische inzichten, waarin de rechter er geen kennis van heeft kunnen nemen, mits uiteraard dat nadien bereikte deskundig oordeel niet verenigbaar schijnt met de einduitspraak.

75. Terughoudendheid bij het overwegen van een dergelijke uitbreiding van het begrip ‘novum’ zal geboden zijn. Het buitengewoon rechtsmiddel der herziening neemt in het strafproces een bijzondere positie in, daar het een inbreuk vormt op het gezag van gewijsde. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de wetgever zich heeft laten leiden door de gedachte dat die inbreuk zo beperkt mogelijk moet blijven. Weliswaar is, naar mijn inzicht terecht, opgemerkt dat het ‘gezag van gewijsde’ steeds als een hoog rechtsgoed is voorgesteld, zonder dat met enige nauwkeurigheid onder woorden is gebracht wat de zwaarwegende redenen zijn om dat gezag van gewijsde in zo vergaande mate te ontzien (Strijards, a.w., p. 107 e.v.), dat neemt niet weg dat de strikte grenzen die de wetgever aan het buitengewoon rechtsmiddel heeft willen stellen naar mijn inzicht moeten meebrengen dat een extensieve uitleg van de tweede revisiegrond spoedig de rechtsvormende taak van de Hoge Raad te buiten zou gaan.

76. Inmiddels is in een enkel geval reeds een nuancering aangebracht op het uitgangspunt dat een novum alleen gevonden kan worden in een omstandigheid die zich reeds had verwezenlijkt vóórdat de uitspraak werd gedaan, maar waar de rechter niet van kon weten. Er zijn er enkele genoemd in G.J.M. Corstens, Het Nederlands strafproces (1999), p. 756: de veroordeelde die reeds in de cassatiefase was overleden zonder dat dit de Hoge Raad bekend was (HR NJ 1987, 805) en de ongewenstverklaring van de vreemdeling die na het gewijsde ongedaan werd gemaakt (HR NJ 1987, 848).

77. In verband met HR 27 januari 1987, griffienr 4468, wijzen zowel Corstens als Strijards (a.w., p. 185) er op dat een redelijke uitleg van art. 457 lid 1 onder 2o Sv zou kunnen meebrengen dat ook een gewijzigd inzicht van deskundigen als novum wordt aangemerkt, bijvoorbeeld indien de bewezenverklaring berust op specialistische informatie dat het toedienen van een stof in bepaalde dosis letaal is, en nadien (andere) deskundigen erop wijzen dat dit in hun vakgebied niet wordt aangenomen. In het zo-even genoemde geval heeft de Hoge Raad daarin geen novum willen zien, aangezien de deskundigen waarop in herziening een beroep werd gedaan niet waren uitgegaan van andere feiten dan bij de berechting reeds bekend.

78. Bij de door Corstens en Strijards voorgestane opvatting sluit ik mij aan. Zeker in het geval dat in herziening aannemelijk wordt dat de rechter is afgegaan op bevindingen van een deskundige die reeds toen niet overeenstemden met in deskundige kring algemeen aanvaarde inzichten omtrent de destijds bekende feiten, zou het mij minder wenselijk voorkomen dat het latere desavoueren van het deskundigenbericht waarop de uitspraak steunt onder alle omstandigheden buiten de in art. 457 lid 1 onder 2o Sv bedoelde omstandigheden gehouden moet worden. In dat geval is er in feite geen sprake van ‘gewijzigd inzicht’, maar van het achterhalen van onjuiste gegevens. Een bewezenverklaring die lijkt te zijn bereikt doordat de rechter onjuiste gegevens zijn verstrekt zal in de regel niet minder strijdig zijn met een goede rechtsbedeling dan een bewezenverklaring die vermoedelijk berust op een onvolledige voorlichting van de rechter. De gedachte vervolgend zou in voorkomend geval daarom zelfs aangewezen kunnen zijn nog een stap verder te gaan, en een herzieningsaanvrage gegrond te achten indien duidelijk wordt dat in deskundige kring eerst na het wijzen van de uitspraak het inzicht is gerezen dat de specialistische informatie waarop de rechter zich moest verlaten niet langer houdbaar is.
Overigens zou ook in deze benadering (en in het gegeven voorbeeld) het herzieningsverzoek nog kunnen stranden op de omstandigheid dat in de bewezenverklaring besloten ligt dat het handelen van de veroordeelde hoe dan ook op de dood van het slachtoffer gericht is geweest, en dat hij - ongeacht het onmiddellijk toxisch of verlammend effect van de toegediende stof - het slachtoffer in zodanige omstandigheden heeft gebracht dat het kwam te overlijden, vgl HR 16 september 1996, nr 4967 Herz.

79. De vraag, of een in herziening bijgebracht deskundigenbericht waarin (slechts) wordt teruggegrepen op feiten of omstandigheden van feitelijke aard die de rechter reeds kende, of geacht kan worden te hebben gekend, al dan niet een omstandigheid als bedoeld in art. 457, eerste lid onder 2o Sv moet opleveren, kan evenwel alleen aan de orde komen indien het gewijsde steunt op bevindingen van een deskundige. Het heeft geen zin die vraag te stellen indien er geen (achteraf te herroepen) deskundigenoordeel is dat een cruciale rol speelt in de bewijsbeslissing, blijkend uit de omstandigheid dat dit deskundig oordeel is opgenomen bij de bewijsmiddelen, of ten minste in de overwegingen waarin is uiteengezet langs welke gedachtegang aan de gebezigde bewijsmiddelen betekenis is toegekend.

80. Het oordeel of afgelegde verklaringen voldoende betrouwbaar zijn om tot bewijs gebruikt te worden is aan de rechter voorbehouden. Vanzelfsprekend kan de rechter verwijzen naar bevindingen van een deskundige, voor zover hij daarin steun vindt voor zijn eigen waardering van de bruikbaarheid van verklaringen, maar in verdergaande mate kan de rechter zich in dit verband nooit op de zienswijze van anderen verlaten. Het blijft het eigen oordeel van de rechter; de uitkomst van zijn eigen onderzoek naar hetgeen in de verklaringen meer of minder aannemelijk, en meer of minder strijdig met andere bronnen lijkt te zijn. Bovendien moet niet uit het oog worden verloren dat dit oordeel over de betrouwbaarheid van verklaringen, voor zover degenen die ze aflegden ter zitting zijn verschenen en gehoord, mede zal berusten op de eigen indruk van de rechter omtrent hun persoonlijkheid. Die indruk is, naast (in verband met hetgeen overigens uit het dossier blijkt) de inhoud van de verklaringen, van niet te onderschatten belang. De meest scherpzinnige en onderbouwde analyse van een deskundige kan dat belang van de bij de rechter zelf ontstane indruk niet wegnemen.

81. In paragraaf II.5 van het herzieningsverzoek gaat het niet om deskundige betwisting van de juistheid van door een (vorige) deskundige verstrekte inlichtingen die bij de bewijsvraag een rol hebben gespeeld. Met een beroep op deskundigen die hun visie geven op bij de berechting reeds bekende feiten wordt in dit onderdeel van het verzoek ’s Hofs eigen oordeel omtrent de waarde van de bekentenissen en belastende verklaringen betwist. Hetzelfde kan gezegd worden van hetgeen in paragraaf II.3 van het verzoek naar voren is gebracht ten aanzien van de deugdelijkheid van het opsporingsonderzoek. Als het verzoek in deze onderdelen gegrond zou worden bevonden zou dat er op neerkomen dat het rechtsgeding weer opengebroken kan worden met een betere of uitvoeriger onderbouwing van standpunten met betrekking tot aan de rechter voorbehouden beslissingen die de verdediging, op basis van hetzelfde feitenmateriaal, reeds bij de afgesloten berechting naar voren kon brengen. Die richting inslaan zal tot gevolg hebben dat de inbreuk die de (succesvolle) herzieningsprocedure op het gezag van gewijsde kan maken aanzienlijk veel groter wordt dan de wetgever voor ogen heeft gehad. De herziening zou daardoor mede ingeroepen kunnen worden als een "termijnloos" gewoon rechtsmiddel (vgl. Strijards, a.w., p. 16).

82. Mij komt het voor dat een dergelijke verruiming in het bereik van de herziening - indien die wenselijk wordt geacht - alleen door de wetgever tot stand gebracht zou kunnen worden. Het lijkt mij niet binnen de mogelijkheden van de Hoge Raad te liggen ten aanzien van het in revisie ingeroepen deskundigenbericht de eis te laten vallen dat de deskundige zijn oordeel baseert op feiten die, op zichzelf beschouwd, binnen het bereik van art. 457, eerste lid onder 2o Sv gebracht kunnen worden, dat wil zeggen dat zij zich reeds ten tijde van de uitspraak manifesteerden, schoon de rechter er niet mee bekend was.
Slechts indien een in revisie bijgebracht deskundigenbericht laat zien dat de bewezenverklaring rechtstreeks steunt op niet te verantwoorden opgaven van een deskundige (opgaven die nooit juist zijn geweest of wellicht ook in geval van latere wijziging van inzicht) zou de in art. 457 lid 1 onder 2o Sv getrokken grens naar mijn inzicht niet wezenlijk worden overschreden, zelfs al zou er geen gewag worden gemaakt van feitelijkheden waarmee de rechter niet bekend was. Paragraaf II.2 van het onderhavige verzoek (het terugkomen van prof. Eskes op zijn eerdere opgaven) lijkt in die richting te willen gaan, maar in dat onderdeel acht ik het verzoek, als gezegd, volstrekt ontoereikend onderbouwd.

83. In paragraaf II.6 wordt betoogd dat een ‘novum’ is gelegen in een tot de hoofdofficier van justitie in het arrondissement Zutphen gerichte brief van de vader van het slachtoffer, waarin deze opgeeft aangifte te willen doen van de feiten waarvan zijn dochter het slachtoffer is geworden. Daarin wijst de [vader van het slachtoffer] op een aantal aspecten van hetgeen hem in verband met de strafzaak tegen de aanvragers (met inbegrip, naar ik begrijp, van de voorbereiding van dit herzieningsverzoek) bekend is geworden, en die hem ervan overtuigd doen zijn dat de werkelijke dader ongestraft is gebleven.

84. De in deze brief naar voren gebrachte twijfel houdt ermee verband dat nooit is vastgesteld dat het slachtoffer, voordat zij om het leven werd gebracht, vrijwillig sexueel contact met een onbekend gebleven persoon heeft gehad. Daar zal tegenover gesteld moeten worden dat ook nooit is vastgesteld dat zij een dergelijk contact niet heeft gehad. Uitgesloten is dat, gelet op de verklaringen van degenen die het slachtoffer voor haar dood nog hebben gezien, niet.
Dat de [vader van het slachtoffer] zich moeilijk kan voorstellen dat zijn dochter een sexuele relatie is aangegaan zonder dat dit in de kleine gemeenschap van haar woonplaats, met name in haar vriendenkring, bekend zou worden is een gevoelen, maar geen verwijzing naar een omstandigheid waarmee de rechter niet reeds rekening kon houden.
Dat geldt ook voor de opmerking dat het voor de [vader van het slachtoffer] als vader niet voorstelbaar is dat zijn dochter zich na een sexueel contact niet zou hebben gewassen en verkleed. Dat zou men inderdaad verwachten, maar er is op dat punt niets vastgesteld, evenmin als bekend is of de in de hals van het slachtoffer aangetroffen haar ondanks wassen of douchen daar had kunnen blijven zitten.
Ik zal de [vader van het slachtoffer] dadelijk nageven dat het opmerkelijk is dat degene met wie - in de reconstructie van de feiten die de bewezenverklaring bestaanbaar maakt - het slachtoffer voorafgaand een vrijwillig sexueel contact heeft gehad, zich na het bekend worden van de in het onderzoek gerezen vragen niet heeft gemeld. Maar ook dat is een gevoelen ten aanzien van een gegeven waarmee het Hof reeds bekend was.

85. Het Hof zag zich geplaatst voor feitelijke gegevens (het sperma op het been van het slachtoffer, de haren in haar hals en op haar kleding, ook de kwestie van de afgesloten achterdeur kan hier weer genoemd worden) die kunnen duiden op daderschap van een andere persoon dan de nu veroordeelden, maar tevens voor bewijsmateriaal dat uitwijst dat de aanvragers de feiten hebben begaan. Tussen die conflicterende aanwijzingen moest een keuze worden gemaakt. Het maken van die keuze - het wegen van hetgeen tot bewijs kan dienen op zijn overtuigende kracht, ook (en juist) als er tegenstrijdigheden in voorkomen - is de taak van de rechter.
Men kan slechts respecteren dat belanghebbenden, zoals nabestaanden, zich niet kunnen verenigen met de overtuiging die de rechter bereikt. Als zich dat voordoet verliest het strafproces iets van de betekenis die het kan hebben, in zoverre de uitkomst ervan die belanghebbenden geen steun zal geven bij het verwerken van het verlies waardoor zij zijn getroffen.
Op dit moment staat evenwel alleen de vraag te beantwoorden of de brief (aangifte tegen een onbekende dader) van de [vader van het slachtoffer] een nieuwe, tot dusverre onbekend gebleven, omstandigheid oplevert die met de bewezenverklaring niet te verenigen lijkt. Dat is niet het geval, ook niet als die brief, zoals in het herzieningsverzoek wordt voorgestaan, wordt aangemerkt als een verklaring waarover het Hof niet kon beschikken. Zij geeft uitdrukking aan inzichten en gevoelens met betrekking tot gegevens die het Hof ten tijde van de behandeling ter terechtzitting reeds bekend waren, en dat is onvoldoende om een omstandigheid als bedoeld in art. 457, eerste lid, onder 2o Sv op te leveren.

86. Bij pleidooi heeft de opsteller van het verzoek nog opgegeven dat de door de aanvragers op schrift gestelde voorbeelden van de onjuiste wijzen waarop hun verklaringen tot stand zijn gekomen (aan de Hoge Raad toegezonden bij brief die op 10 januari 2000 werd ontvangen), en de applicatie die namens de aanvrager [aanvrager 2] bij het EHRM is gedaan (bij de Hoge Raad binnengekomen op 21 december 2000) aangemerkt moeten worden als achtste en negende novum.
Ik meen daar kort over te kunnen zijn.
De voorbeelden die de aanvragers geven van het op onjuiste wijze opnemen van hun verklaringen (voor zover die een bekentenis inhouden) komen overeen met hetgeen in paragraaf II.5 van het verzoek, onder verwijzing naar de producties 7 en 13, is aangevoerd. Zij leveren geen nova op in verband met hetgeen hierboven is opgemerkt naar aanleiding van het in die paragraaf II.5 gestelde. Naar aanleiding van deze voorbeelden wijs ik er nog op dat de aanvrager [aanvrager 1] reeds ter terechtzitting van 28 juni 1995 het betoog dat zijn bekentenissen onder druk of door machinaties van de verhorende ambtenaren tot stand zijn gekomen illustreerde met voorbeelden (p. 32 van het proces-verbaal van de op 26, 27, 28 en 29 juni 1995 gehouden terechtzitting).
De tot het EHRM gerichte, namens de aanvrager [aanvrager 2] gedane, applicatie levert evenmin een novum op, ook niet als men die beziet in verband met het daarbij gevoegde exemplaar van een brief van het College van Procureurs-Generaal d.d. 6 oktober 2000, gericht aan de opsteller van het verzoek, in verband met hetgeen is overwogen in HR DD 85.455 en HR DD 89.057: die brief ziet op een omstandigheid die zich eerst na het wijzen van de uitspraak heeft voorgedaan (vgl. hiervoor, onder 68).

87. In zijn bij pleidooi verschafte toelichting heeft de opsteller van het herzieningsverzoek benadrukt, onder verwijzing naar R.E.P. de Ranitz, Herziening van arresten en vonnissen, Alphen aan de Rijn 1977, p. 81, dat er een verband is tussen de onderbouwing van de bewezenverklaring en het moment waarop vastgesteld moet worden dat een omstandigheid als bedoeld in art. 457, eerste lid onder 2o Sv in voldoende mate aannemelijk is geworden. Naarmate de bewezenverklaring steunt op schameler gronden, zal een gesteld novum het gewijsde eerder kunnen aantasten.

88. Een soortgelijke gedachte lijkt te zijn ontwikkeld in de annotatie onder één der arresten waarbij het vorige, namens de aanvragers gedane, herzieningsverzoek is afgewezen (NJ 2000, 503). In die noot is betoogd dat het aanbeveling zou verdienen de motiveringsverplichtingen voor de rechter aan te scherpen, in die zin dat de rechter, naarmate het ‘tegenverhaal’ van de verdediging een sterkere onderbouwing heeft, meer uitgebreid zou moeten verantwoorden waarom dat verhaal niet is gevolgd, maar doorslaggevende betekenis is toegekend aan hetgeen ten bezware van de verdachte kan dienen.
Daaraan voorafgaande merkte de annotator op dat het ontbreken van een motivering waarin te vinden is waarom de reconstructie van de feiten langs de lijnen van de tenlastelegging overtuigender is geacht dan een reconstructie waarbij doorslaggevend gewicht is gehecht aan omstandigheden die de andere kant uitwijzen het voor de Hoge Raad moeilijk maakt om in de herzieningsprocedure te beoordelen in hoeverre nieuwe omstandigheden op ’s Hofs oordeel invloed zouden hebben gehad.

89. Er kan geen twijfel over bestaan dat de kracht van een aangevoerd novum mede bepaald wordt door het geheel van de gebruikte bewijsmiddelen. Dat heeft de wetgever in art. 457 lid 1 onder 2o Sv onderstreept. In de zo-even bedoelde annotatie wordt de redenering naar mijn inzicht evenwel te ver doorgetrokken met de opmerking: “zonder inzicht in de verhouding tussen bewijsoordeel en overtuiging is het voor de Hoge Raad vrijwel onmogelijk om vast te stellen of er van een novum sprake is dat tot een andere uitspraak had moeten leiden”. Hier wordt er, dunkt mij, te weinig rekening mee gehouden dat de vraag of een in herziening aangevoerde feitelijkheid een novum is in de eerste plaats beantwoord zal moeten worden aan de hand van de inhoud van het dossier dat de rechter ter beschikking had. Wat daarin te vinden is kan geacht worden in de rechterlijke beoordeling te zijn betrokken (vgl. Strijards, a.w., p. 152 e.v. en recenter HR 9 november 1999, griffienr 5256 Herz, overweging 4.2).
Het komt mij voor dat het accent in deze noot te sterk op de rechterlijke overtuiging is geplaatst. Bij de beoordeling van een in herziening aangevoerd novum gaat het naar mijn oordeel niet, althans niet rechtstreeks, om de vraag hoe de rechter tot zijn overtuiging is gekomen, maar om de vraag op welke feitelijke ondergrond hij die overtuiging heeft kunnen bereiken.

90. Ik heb niet de indruk dat De Ranitz iets anders heeft willen betogen met de opmerking “dat er gelet moet worden op de verhouding tussen het als novum geponeerde feit en hetgeen tot staving van het bewezenverklaarde in de bestreden uitspraak werd aangevoerd”. Hij illustreerde dit met het in HR NJ 1927, p. 431 beoordeelde geval, waarop ook in de bij pleidooi gegeven toelichting op het onderhavige verzoek is gewezen.
Hetgeen in dat geval in herziening werd aangevoerd viel zonder enige twijfel binnen de grenzen van art. 457 lid 1 onder 2o Sv: pas na zijn veroordeling was de aanvrager achter de identiteit gekomen van de persoon die openlijk geweld had gepleegd op de wijze waarop dat jegens de aanvrager was bewezen verklaard. Hij stelde dat getuigen konden bevestigen dat die andere persoon inmiddels over dat door hem gepleegde geweld had gesproken, en dat één van die getuigen ook zou kunnen verklaren dat de aanvrager pas ter plaatse was gekomen toen de geweldpleging reeds was begaan.
Het ‘schamele’ in de bewijsvoering in die zaak was er in gelegen dat in de bewijsmiddelen niets te vinden was dat rechtstreeks op de veroordeelde wees. De bewezenverklaring berustte op de verklaring van een getuige die had gezien dat het geweld was gepleegd door een man met een pet op en een blauwe jas aan, een verklaring van het slachtoffer dat hij was belaagd door iemand die langer was dan hijzelf, gevoegd bij de waarneming van de rechter dat de veroordeelde langer was dan het slachtoffer - dat slachtoffer was dus ter terechtzitting aanwezig, maar herkende de veroordeelde kennelijk niet - en de verklaring van de veroordeelde dat hij op de bewuste plaats was geweest, gekleed in een blauwe jas en met een pet op.
De Hoge Raad vond in de omstandigheid dat de bewijsmiddelen ‘schamel’ waren in het aanwijzen van de veroordeelde aanleiding om het herzieningsverzoek niet te laten afstuiten op een gebrekkige onderbouwing. Die beslissing had evenwel betrekking op een situatie die wezenlijk verschilt van de onderhavige zaak, waarin er bewijsmiddelen zijn gebruikt die, hoezeer zij ook betwist zijn, wel degelijk naar de aanvragers wijzen.

91. Deze conclusie is omvangrijk geworden. Een breedvoerig betoog duidt niet zelden op (het overwinnen van) onzekerheid, en ik kom er rond voor uit dat ik met de zaak heb geworsteld.
Enerzijds valt er geen spoor aan te wijzen dat er dwingend op wijst dat de aanvragers de feiten niet begaan kunnen hebben. Telkens kan men voor een gegeven dat op daderschap van een onbekende persoon wijst (althans onverenigbaar lijkt met het begaan van de feiten door niemand anders dan de twee aanvragers) uiteindelijk een verklaring vinden, waardoor het zijn strijdigheid met de bewezenverklaring verliest. De afwezigheid van schoensporen of vingerafdrukken zegt niet zoveel, omdat het zeer wel denkbaar is dat de aanvragers in het huis niets hebben aangeraakt waarop een vingerafdruk zichtbaar zou worden, en uit het proces-verbaal van technisch onderzoek blijkt dat er naast schoensporen die op personen konden worden herleid ook schoensporen zijn waargenomen waarvan geen afdruk kon worden vervaardigd omdat de sporen te vaag waren (vgl. het proces-verbaal van technisch sporenonderzoek, R.P.S. nr 93-524610).
Anderzijds is dit een dossier dat onrustig maakt; steeds weer blijven vragen terugkomen. De al dan niet afgesloten achterdeur heeft mij minstens zozeer beziggehouden als het spermaspoor. Dit zijn hoe dan ook curieuze fenomenen. Het is niet makkelijk voorstelbaar dat de grootmoeder zich vergist zou hebben, zowel ten aanzien van de omstandigheid dat zij zelf bij vertrek de achterdeur van haar huis op slot draaide, als ten aanzien van het afgesloten zijn van die achterdeur toen zij weer terugkwam, te meer omdat zij voor dat laatste een bijzondere reden heeft opgegeven: zij zag de fiets van haar kleindochter achter het huis staan en juist daarom viel het haar op dat de achterdeur op slot was. Heel erg voor de hand liggend is het evenmin dat geen van de aanvragers, toen zij eenmaal bekenden, zich iets kon herinneren omtrent het afsluiten van die achterdeur, waar de sleutel vandaan kwam en wat er mee is gebeurd.

92. Gevoelig ben ik ook voor het argument dat een verdachte of getuige niet à tort et à travers aan een eenmaal afgelegde, bekennende of belastende, verklaring gehouden kan worden. Ik zal niet betwisten dat het voor kan komen dat een bekentenis of belastende verklaring zodanig is vastgelegd dat (belangrijke) nuanceringen of bijstellingen die de verklarende persoon heeft aangebracht niet meer terug te vinden zijn, en dat zelfs niet geheel uitgesloten kan worden dat een verklaring is weergegeven op een wijze die in het geheel niet overeenstemt met de authentieke herinnering van degene die is verhoord.

93. Men dient dat evenwel in de juiste proporties te blijven zien. In de beschrijving van verstorende factoren die in het rapport van prof. Van Koppen onder het kopje “Bekentenissen in het algemeen” is opgenomen, wordt gesproken over “druk, trucs en verleiding” en over “verleidingstechnieken”. Die woorden, en ook overigens het aldaar opgemerkte, wekken de indruk dat het dan steeds gaat om welbewuste manipulatie van de opgenomen verklaring. Naar mijn overtuiging is dat niet juist uitgedrukt, en kan deze omschrijving een ongegrond negatief beeld doen ontstaan van de wijze waarop politiemensen hun werk doen. Het kan noodzakelijk en acceptabel zijn een verdachte die tegen beter weten in lijkt te ontkennen, te confronteren met voor hem belastende onderzoeksresultaten of verklaringen van anderen. Verhorende ambtenaren zouden hun werk niet goed doen indien zij niet voortdurend structuur aanbrengen in wat bij het verhoor ter sprake komt, mede gelet op hetgeen hen overigens bekend is. Zij doen er niet per sé verkeerd aan de verhoorde persoon voor te houden dat zijn verklaring strijdt met bevindingen of met andere verklaringen. Het is ook niet onder alle omstandigheden ontoelaatbaar dat de verhoorde persoon wordt voorgehouden dat zijn verklaring mogelijkheden openlaat; dat hetgeen hij reeds heeft verklaard mogelijk maakt dat hij iets heeft gezien of gehoord, of dat hij vervolgens op een bepaalde wijze iets heeft gedaan. Dat alles kan acceptabele (en noodzakelijke) verhoorstechniek zijn, waarbij uiteraard steeds de eis gesteld moet worden dat in het proces-verbaal duidelijk naar voren komt wat er zonder hulp uit het geheugen van de verdachte of getuige komt, op welke punten hij niet zeker is, en wat er in zijn herinnering terugkeerde omdat hem zaken zijn voorgehouden.

94. Dit neemt niet weg dat achterdocht kan rijzen door de omstandigheid dat de video-opnamen van de verhoren bleken te zijn gewist, zodat de rechter er geen kennis van kon nemen.
Voorts wordt er in het rapport van prof. Van Koppen terecht op gewezen dat het opmerkelijk is dat de aanvrager [aanvrager 1], ook na zijn betrokkenheid te hebben erkend, daar weer op terug is gekomen, en zelfs weer is teruggekeerd naar zijn oorspronkelijke stelling dat hij op de bewuste dag niet in de buurt is geweest van het huis waar het slachtoffer werd aangetroffen (verklaring met dossierkenmerk A-36, d.d. 5 april 1994, vanaf 10.00 uur), terwijl hij tussen de bekennende verklaringen in ook [getuige 2] heeft aangewezen als degene die het slachtoffer om het leven bracht (hij stelde in eerdere verklaringen zichzelf in de rol van [getuige 2] te hebben geplaatst, vgl. verklaring met dossierkenmerk A-54, d.d. 21 april 1994, vanaf 14.30 uur). Nog opmerkelijker zijn de verklaringen van de aanvrager [aanvrager 2], die vrijwel steeds in beelden sprak, als ware hij in trance of beschreef hij droombeelden.

95. Aan de andere kant is even opmerkelijk dat op 16 mei 1994, naar aanleiding van de op 10 mei 1994 door [getuige 2] afgelegde verklaring, daadwerkelijk een mes werd aangetroffen op de plek waarvan [getuige 2] zei dat de aanvrager [aanvrager 1] daar op de bewuste dag iets uit het raam van de auto had gegooid. Dat mes, een ingeklapte stiletto, werd (door militairen met detectie-apparatuur) onder een laagje humus gevonden en het was roestig, hetgeen er op kan duiden dat het enige tijd op die plek heeft gelegen (vgl. de verklaring van [getuige 2], dossierkenmerk C-52, bijlage 75 en de foto’s 108 tot en met 111 bij het proces-verbaal van technisch sporenonderzoek, R.P.S. nr 93-524610).
Vervolgens stelde het Gerechtelijk Laboratorium vast dat er geen bloedsporen op dat mes aanwezig waren. Dat zegt niets omdat weersomstandigheden en tijdsverloop zulke sporen kunnen wegnemen (vgl. de brief van ir H.J.T. Janssen van 9 augustus 1995, kenmerk 94.01.11.025/B), terwijl dezelfde omstandigheden vingerafdrukken en vezelsporen hebben kunnen doen verdwijnen (brief van ing. J.C.M. Limborgh d.d. 9 augustus 1995, kenmerk 94.01.11.025, en brief van S.A. Hiemstra, bc, d.d. 4 augustus 1995, kenmerk 94.01.11.025/B).
Daarom kan men in het aantreffen van het mes op de door [getuige 2] aangeduide plaats, ook al werden er geen bloedsporen, vingerafdrukken en dergelijke op aangetroffen, een bevestiging vinden dat hetgeen overigens in die verklaring van [getuige 2] is opgenomen, te weten dat de aanvragers, [getuige 1] en [getuige 2] zelf de bewuste dag in de Mercedes hebben gereden; dat zij het slachtoffer zagen fietsen en de aanvrager [aanvrager 1] naar aanleiding van een vraag van [getuige 2] zei “Dat is een stewardess”; dat zij achter haar aan zijn blijven rijden, dat de aanvragers zijn uitgestapt en met het slachtoffer zijn gaan praten en vervolgens met haar naar de achterkant van het huis liepen; dat [getuige 2] na even rondgereden te hebben door een raam van het huis zag dat de aanvragers “met dat meidje aan het rommelen waren” en dat later de aanvragers weer in de auto zijn gestapt, op waarheid berust. Kort gezegd: de vondst van het mes kan als een aanwijzing worden gezien dat [getuige 2] in deze verklaring naar waarheid heeft verklaard dat de aanvragers op dat tijdstip bij het huis zijn geweest, daar met het slachtoffer contact hebben gehad, en ook in dat huis iets met haar hebben gedaan.

96. Een aanwijzing dat de aanvragers en [getuige 2] op hun bekentenissen en belastende verklaringen hebben willen terugkomen door in strijd met de waarheid weer terug te keren naar hun aanvankelijke opgave op de bewuste dag niet in de buurt van het huis waarin het slachtoffer werd gevonden te zijn geweest, kan voorts worden gezien in het volgende.
Er is een telefoongesprek afgeluisterd dat op 8 februari 1994 - derhalve voordat aanhoudingen hadden plaatsgevonden - is gevoerd tussen [getuige 1] en de echtgenote van [getuige 2]. [getuige 1] deelde mee dat hij naar de politie moest. De echtgenote van [getuige 2] zei hem toen: “Je weet die zondag bin jullie niet weg geweest” en op de vraag van [getuige 1] of het 9 januari was: “Ja, dat zeggen hun wel, maar let een beetje op je woorden. Die zondag heb, is de visite lang blijven zitten” (bijlage 25.0)
De aanvrager [aanvrager 1] heeft verklaard dat de afspraak om bij de politie te ontkennen dat men op zondag 9 januari 1994 nabij de plaats van de moord was geweest op zijn initiatief tot stand kwam, ingegeven door de wens [getuige 1] de hand boven het hoofd te houden omdat deze een verleden op het gebied van verkrachting zou hebben (verklaring nr A-2, d.d. 10 februari 1994, vanaf 16.30 uur).
Die afspraak, met die reden, is onzinnig indien [aanvrager 1] er voor zichzelf zeker van zou zijn dat hij de bewuste zondag niet met de anderen nabij de plaats van de misdrijven is geweest. Dat heeft de rechter-commissaris hem bij diens verhoor ter gelegenheid van de voorgeleiding ook voorgehouden.

97. In het bij het herzieningsverzoek gevoegde rapport van prof. Van Koppen is samenvattend opgemerkt “dat de analyse laat zien dat in de processen-verbaal van de verhoren van de vier verdachten elementen gevonden worden die uw stelling ondersteunen dat de laatste bekennende verklaringen van de verdachten onjuist zijn”, maar dat “[d]e tegenovergestelde hypothese, namelijk dat de verklaringen (in grote lijnen) juist zijn, […] slechts logisch uitgesloten [kan] worden als de verklaringen minutieus vergeleken worden met overige gegevens uit het dossier, bijvoorbeeld door middel van een reconstructie”.

98. Een reconstructie heeft in het vooronderzoek niet plaatsgevonden, en dat is (al kunnen er redenen zijn geweest van het houden daarvan af te zien) een gemis. Dat neemt niet weg dat het Hof de afgelegde verklaringen heeft kunnen plaatsen tegen de achtergrond van de ‘overige gegevens uit het dossier’, en in die overige gegevens kon het aanknopingspunten vinden die de juistheid van de bekentenissen en belastende verklaringen bevestigen.
Men kan de achterdocht ten aanzien van het afnemen en vastleggen van deze verklaringen natuurlijk zo ver kan drijven als men wenst, maar de weergave daarvan is bepaald niet zodanig dat daarin niet is terug te vinden op welke punten de verhoorde personen stellig dan wel onzeker zijn geweest, of hebben gereageerd op door de verhorende ambtenaren verschafte informatie of gesuggereerde mogelijkheden. Het Hof kon daarmee rekening houden.
Ook kon het Hof in het dossier aanknopingspunten vinden om de geloofwaardigheid te onderzoeken van het door de aanvragers tijdens het onderzoek ter terechtzitting ingenomen standpunt dat zij op de bewuste dag in het geheel niet in de buurt van het huisje waar het slachtoffer werd aangetroffen zijn geweest, en geen contact met haar hebben gehad. Twee daarvan zijn hierboven weergegeven.
Ten slotte kom ik weer terug bij de vaststelling dat het Hof ook zijn eigen indrukken van de ter zitting verschenen personen heeft kunnen gebruiken, niet alleen betreffende de aanvragers, maar ook ten aanzien van opsporingsambtenaren die bij het afnemen van de verhoren betrokken waren, van [getuige 2] en van [getuige 1]. De laatste bleef bij zijn belastende verklaring. Hij gaf op dat hij tijdens de politieverhoren niet onder druk was gezet (éénmaal had een politieman hem voor verkrachter uitgemaakt), en dat hem geen antwoorden in de mond waren gelegd.

99. De omvang van deze conclusie is mede bepaald door de vragen die de zaak bij mij opriep. Twijfel noopt tot verder lezen, en deze conclusie bevat daarvan de weerslag. In dat opzicht had ik mij wellicht beperkingen moeten opleggen. Er is een verschil tussen het door bewijsdubia lastig te beoordelen zijn van een zaak, en de beoordeling van in herziening als ‘nova’ aangevoerde omstandigheden. In dit geval kan vrij snel vastgesteld worden dat reeds ten tijde van de behandeling ter terechtzitting duidelijk was op welke punten geen duidelijke verklaring voor de achterhaalde feiten gevonden kon worden. Het zijn juist die punten die in dit herzieningsverzoek weer aan de orde worden gesteld, maar ten opzichte van de reeds toen voor het Hof beschikbare gegevens vind ik geen enkele nieuwe feitelijkheid toegevoegd. Waar de opsteller van het verzoek bij pleidooi heeft benadrukt dat het aangevoerde als nova dient te worden erkend “temeer nu deze nova het Arnhemse Hof wèl had (hadden) kunnen blijken” kan ik hem in het geheel niet volgen. Die opmerking, op zichzelf beschouwd volkomen terecht geplaatst, maakt het betoog juist niet sterker, vgl. het hierboven, onder 89 opgemerkte.
Hetgeen wordt aangevoerd kan naar mijn inzicht evenmin het karakter van - aannemelijk gemaakte - nova krijgen omdat het deels is gegoten in de vorm van bevindingen van deskundigen, en die bevindingen, in die vorm, aan het Hof niet bekend zijn geweest. De toegevoegde waarde van deze bevindingen kan uitsluitend gelegen zijn in de expertise van de deskundigen. Zij hebben in hun oordeel geen feiten, of omstandigheden van feitelijke aard, betrokken die aan het Hof niet bekend waren, dan wel niet geacht kunnen worden aan het Hof bekend te zijn geweest.

100. De verzoeken acht ik ongegrond. Deze conclusie strekt ertoe dat zij zullen worden afgewezen.

De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden