We hebben 113 gasten online

Deel 7 Puttense moordzaak

Gepost in Strafzaken

Requisitoir Procureur-Generaal in de zaken d.B. en V 9 april 2002 deel1

Mijnheer de president, edelgrootachtbaar college,

1. Inleiding. Een unieke zaak, een uniek novum

Ik zal in beide zaken gelijktijdig requireren.

Voor ik de zaak inhoudelijk bezie wil ik allereerst, hoewel dat weliswaar ongebruikelijk is, maar mij in deze zaak zeer op zijn plaats lijkt, mijn waardering uiten in de richting van uw hof voor de voortreffelijke wijze waarop het onderzoek ter terechtzitting is gevoerd.

Alles dat redelijkerwijs mogelijk was is in stelling gebracht om tot een optimale waarheidsvinding te geraken.

Een bijzonder woord van waardering wil ik ook richten tot de raadsman van de heren d.B. en V. en zijn kundige gevolg.

Er wordt over de relatie tussen Openbaar Ministerie en verdediging vaak gesproken in termen van conflict en winnen dan wel verliezen, maar hoe het ook anders kan zijn heeft deze zaak wel bewezen.

Zonder mr. Knoops had de zitting hier in Leeuwarden niet eens plaatsgevonden en hij is erin geslaagd met respect voor alle betrokkenen, inclusief de getuigen, vakwerk af te leveren.

Het Openbaar Ministerie heeft eveneens al het mogelijke in het werk gesteld om tot een optimale waarheidsvinding te geraken.

Ik noem zonder naar volledigheid te streven wat voorbeelden.

In samenspraak met de heer Knoops hebben wij ons sterk gemaakt voor een bezoek van het hof aan de plaats van het delict.

Dit is een even bijzondere als uiterst zinvolle exercitie gebleken.

Nationale en internationale DNA-databanken zijn geraadpleegd.

Van tientallen personen is lichaamsmateriaal afgenomen ten behoeve van nieuw DNA-onderzoek.

Er is een groot aantal nieuwe technische onderzoeken geïnitieerd dat tot interessante bevindingen leidde en ook in elk geval soms hypotheses kon ontzenuwen.

Voorts is er serieus gezocht naar de identiteit van de auteur van het sperma.

Om te bezien of er lijn viel te brengen in de afgelegde verklaringen is er een misdaadanalyse uitgevoerd met betrekking tot het tijdsverloop op 9 januari 1994.

Deze analyse richtte zich ook op eventueel aanwezige daderwetenschap bij de betrokkenen.

De analyse heeft geresulteerd in een helder en interessant rapport.

Diverse binnenlandse en buitenlandse medische deskundigen zijn geraadpleegd en er is in dat kader aanvullend onderzoek gedaan.

Aldus is een beter zicht verkregen op onder meer de merites van de fameuze sleeptheorie.

Zo is het met de wetenschap die we inmiddels hebben opgedaan in feite bevreemdend dat de bekende en voor een deel nogal wisselende opvattingen van de heer Eskes zo'n belangrijke rol zijn gaan spelen in dit proces.

We naderen al met al allengs het einde van een unieke zaak.

Het is een zaak die de gemoederen in Nederland flink in beweging heeft gebracht
Drie gerenommeerde raadsheren van het Gerechtshof Arnhem zouden, zo meent menigeen, H.d.B. en W.V. volkomen ten onrechte tot vrijheidsstraf hebben veroordeeld.

Er is wel gesproken van de grootste gerechtelijke dwaling ooit. Dat valt nog alleszins te bezien en hangt overigens ook af van de uitspraak van uw hof.

Laten we in elk geval hopen dat met uw arrest de rust op dit punt terugkeert.

Ik heb mij vanaf het begin van mijn betrokkenheid bij deze zaak volstrekt open opgesteld, open voor belastende en ontlastende informatie.

Ik heb de afgelopen periode kennisgenomen van de diverse verklaringen die ter zitting zijn afgelegd en de informatie die is verkregen en maak dan nu de balans op.

Ik heb me, zeker na de bijzondere uitslag van het haaronderzoek die vorige week binnen is gekomen, uiteraard de vraag gesteld welke contouren mijn requisitoir zou moeten aannemen.

Kon ik niet met een betoog van vijf minuten volstaan?

Ik heb in deze unieke zaak uiteindelijk gekozen voor een bespreking van alle relevante zaken die in deze herzieningsprocedure ter tafel zijn gekomen.

Dat betekent tevens dat ik me zal moeten buigen over technische aangelegenheden die voor een eenvoudige jurist niet alledaags zijn. Maar dat is onvermijdelijk.

Ik sprak van een unieke zaak.

Niet alleen uniek vanwege alle emoties, ook nu weer tijdens de behandeling van de zaak in Leeuwarden, maar ook uniek door de opmerkelijke herzieningsprocedure.

Normaliter levert een door de Hoge Raad aangenomen novum, een nieuw feit, een situatie op die met veroordeling direct onbestaanbaar is.

In deze zaak is dat geenszins het geval gebleken.

Dat kan mede worden verklaard vanuit de omstandigheid dat de beslissing van de Hoge Raad de bewijsconstructie die door het Arnhemse hof werd gebezigd niet in de kern heeft aangetast.

2. Opmerkelijke scenario's: Valse bekentenissen of versleping?

De verwijzing van de zaken naar Leeuwarden heeft er in elk geval voor gezorgd dat de zaak weer in volle omvang kon worden bezien, waarbij ook diverse thema's die niet aan het novum waren gelieerd konden worden onderzocht.

Want ook door de specifieke aspecten van deze zaak is deze uniek.

Wanneer er al in 1994 geen moderne opsporingstechnieken, zoals DNA-onderzoek hadden bestaan, was ongetwijfeld, in combinatie met de overige processtukken, direct het beeld ontstaan dat het gevonden sperma tot de heren d.B. en V. diende te worden herleid.

Nu ontstond van meet af aan de merkwaardige situatie dat de beide heren bekennende verklaringen aflegden, die bovendien werden ondersteunend door getuigenverklaringen van personen die hen bepaaldelijk niet persoonlijk ongunstig gezind waren, zoals hun schoonvader.

En dat terwijl het sperma en naar later bleek ook een aantal andere sporen van iemand anders waren.

De belastende verklaringen zijn inmiddels ingetrokken en het verhaal is nu dat de politie de bekennende verklaringen door druk heeft verkregen.

Daarbij geven de heren inmiddels, ook tijdens de behandeling van deze zaak door uw hof, zelfs aan in het geheel niet in de buurt van de plaats van het delict te zijn geweest.

Men is er die bewuste zondag, zo wordt met klem gesteld, zelfs in het geheel niet met de Mercedes van S. gezamenlijk op uit gegaan.

Er zou in deze voorstelling van zaken dus sprake zijn geweest van een groep verhorende verbalisanten die, opererend binnen een diabolisch complot of gewoon uit pure klunzigheid, geen middel hebben geschuwd om de beide heren de politie welgevallige informatie te laten verschaffen door druk, chantage en/of verleidingstechnieken.

Het is een understatement wanneer ik hier stel dat men uiteraard beducht moet zijn op valse bekentenissen.

Onlangs nog, we hoorden dat gisteren al van u meneer de president, meldde zich een persoon bij de politie die verklaarde zich schuldig te hebben gemaakt aan de dood en de verkrachting van Christel Ambrosius.

Tevens bekende hij de moord op zes Limburgse prostituees en zijn cruciale aandeel in de vuurwerkramp te Enschede.

In zijn bekende boek, dat overigens geen processtuk is, behandelt de heer Blaauw diverse voorbeelden van valse bekentenissen.

De voorbeelden variëren van pure fantasten, die door de politie niet werden doorzien, tot wat ik maar even Amerikaanse toestanden noem waarbij volledig onschuldigen in de dodencel belanden.

Zonder direct al te zeer op de zaken vooruit te lopen dunkt me toch dat geen van de door Blaauw gegeven voorbeelden ook maar in de verste verte in de buurt komt van datgene wat zich dan in Puttense zaak zou moeten hebben voltrokken.

Daar legden immers niet minder dan vier man, waarvan er een dat tot op de gedenkwaardige eerste dinsdag van het proces hier in Leeuwarden jarenlang heeft volgehouden, een in de kern van de zaak - een verkrachting en levensberoving door d.B. en V.- gelijkluidende verklaring af.

En dat zou dan ook nog eens moeten zijn gebeurd in een situatie waarin een viertal verhoorkoppels op, zoals de heer Van Koppen hier ter terechtzitting concludeert, integere wijze te werk is gegaan, geen ontoelaatbare druk heeft uitgeoefend en naar waarheid proces-verbaal heeft opgemaakt.

De heer Van Koppen concludeert dat de verhorende teams wellicht te zeer in de mist hebben gewerkt, hetgeen kan worden verklaard uit het feit dat men de resultaten die de andere koppels bereikten onvoldoende kende, en hij stelt dat men wellicht soms langs elkaar heen werkte.

Maar juist dat gegeven maakt het vermeende Puttener scenario even bizar als uniek.

Dezelfde conclusie komt in aanmerking als we kijken naar de voorbeelden die de heer Van Koppen geeft van mensen die op valse bekentenissen zijn veroordeeld.

Hij doet dat in het artikel dat aan het herzieningsverzoek van mr. Knoops is toegevoegd. De zaak Veldman betrof immers uiteindelijk slechts een persoon.

Het gaat dan ook nog eens, en dat onderscheidt deze zaak van beruchte zaken als die van de Guildford Four en de Birmingham Six in het Verenigd Koninkrijk, om verklaringen die de vier voor een deel als getuige, en ook voor een deel tegenover de rechter-commissaris, en wat B. betreft, ook nog eens tegenover rechtbank en gerechtshof hebben afgelegd.

Verklaringen die door de rechter-commissaris Honig "volstrekt authentiek" zijn genoemd.

In het licht van die stand van zaken is het scenario dat d.B., S. , B. en V. onvrijwillige en in elk geval over de gehele linie alle vier faliekant onjuiste verklaringen zouden hebben afgelegd en dat d.B. en V. daarom volstrekt ten onrechte zijn veroordeeld bijzonder onwaarschijnlijk.

Het scenario is zo ongelooflijk onwaarschijnlijk, gelet op de verhoren van de verbalisanten hier voor uw hof, de analyse van de heer Van Koppen, die erop neer komt dat de verbalen naar waarheid zijn opgemaakt, dat er integer door de politiemensen is verhoord en dat van ontoelaatbaar handelen niet blijkt en gegeven de harde data die overigens voorhanden zijn - en ik kom daar nog uitvoerig op terug - dat het slechts aannemelijk zou moeten worden geacht wanneer daartegenover een scenario wordt geschetst dat de beide heren met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid als dader uitsluit.

En er zou zich - zo meent menigeen - hier wellicht een dergelijke omstandigheid kunnen voordoen.

Dat er geen spermasporen van V. en d.B. op de plaats van het delict zijn aangetroffen zegt daarbij op zichzelf niet zoveel.

We hebben dat gisteren nog weer eens gehoord van met name de heer Kloosterman. Bij heel veel verkrachtingen wordt helemaal geen sperma aangetroffen en soms ook wel sperma van totaal onschuldigen.

Maar op het bovenbeen van het slachtoffer is een vlek aangetroffen.

Daarin is bij onderzoek sperma aangetroffen, zoals ook op andere plaatsen in het lichaam.

Dat sperma is niet afkomstig van de heren d.B. en V. en datzelfde geldt, zo weten we inmiddels, voor een aantal onderzochte haren die op de plaats van het delict zijn aangetroffen.

Dat er inmiddels door de heer De Knijff een schaamhaar is gediagnosticeerd die volledig overeenkomt met de haren van W.V. is overigens weer een geheel andere kwestie.

Het sperma en de eerder geanalyseerde haren zijn in elk geval van dezelfde persoon.

In het slipje van Christel werd geen sperma aangetroffen.

Inmiddels heeft het nadere onderzoek dat door mij met het oog op de optimale waarheidsvinding is geëntameerd weer nieuwe sporen aan het licht gebracht die voor een deel ook niet aan de beide heren kunnen worden gelieerd, en voor een deel ook weer wel aan de auteur van het sperma.

Er is al met al zeker sprake van een complexe situatie.

Bij een dergelijke stand van zaken zouden op zichzelf opmerkelijke theorieën ter verklaring ter tafel kunnen komen.

Zo zouden de sporen na het plegen van de misdrijven kunnen zijn aangebracht.

Dat levert wel een heel bizar scenario op.

In elk geval vind ik in het dossier geen aanwijzingen in die richting.

Ook de klaarblijkelijk tegenwoordig wel bij verkrachters in zwang zijnde methode om sporen van een ander naar de plaats van het delict mee te nemen, acht ik in casu volstrekt onaannemelijk.

Als d.B. en V. de misdrijven hebben gepleegd dan is dat niet met voorbedachten rade gebeurd.

Een stuk realistischer is de verslepingstheorie, die in deze zaak is geïntroduceerd door de deskundige Eskes.

Gevraagd naar de mogelijkheid of sperma na een eerder sexueel contact uit de vagina kan worden gesleept antwoordt Eskes zonder voorbehoud bevestigend.

In zijn brief van 14 juli 1994 aan de rechter-commissaris te Zutphen beantwoordt de heer Eskes een van de aan hem gestelde vragen als volgt:

Na coïtus zeker bij een nullagravida, blijft er slechts een deel van het ejaculaat in de vagina achter.

Een deel van het ejaculaat wordt tijdens de coïtus reeds langs de penisschacht naar buiten geperst.

Bij herhaalde coïtus kort op elkaar zal het grootste deel van de ejaculaten extravaginaal terechtkomen.

Het is derhalve zeer wel denkbaar dat een tweede coïtus enige uren na coïtus waarbij zaadhoudend semen werd gedeponeerd in de vagina kan resulteren in extravaginale aanwezigheid van spermatozoa van het eerste ejaculaat.

Eskes heeft zijn verslepingstheorie ook altijd volgehouden.

Zelfs tijdens zijn recente verhoor door de raadsheer-commissaris bij de Hoge Raad stelde Eskes:

De zaadvloeistof in de schede vermindert na ongeveer een half uur tot plusminus 1 ml. Dat betekent dat die vloeistof na ongeveer een half uur niet of nauwelijks meer in de schede aanwezig is.

In dat halve uur kan het door een volgende coïtus naar buiten worden gesleept.

In die zin is er versleping van zaadvloeistof mogelijk.

In hetzelfde verhoor stelt hij nog:

De zaadcellen sec kunnen door een latere coïtus wel naar buiten worden gesleept, maar dan alleen in het vaginale vocht.

Over het feit dat versleping mogelijk is, is Eskes altijd consequent geweest. Ja, dat is mogelijk.

Eskes wordt hierin gesteund door het deskundigenbericht van de befaamde Duitse forensische specialist Brinkmann.

Deze stelt (deskundigenbericht van 18 januari 2002, pagina 7)

In der Vagina einer lebenden Frau wäre mit nachweisbarem Vorhandensein von Sperma bis zu ca. 24 Stunden postkoital zu rechnen.

Somit konnten Bestandteile eines Ejakulats vom Sonntag, ggfs. vom Samstag bei einer Penetration am Sonntag 16.15 Uhr nach drauben "verschleppt" worden sein.

Ook de bekende Amerikaanse sexuologe Faugno acht versleping door een later sexueel contact van vloeistoffen, waaronder sperma, uit de vagina zonder meer mogelijk.

(deskundigenbericht d.d. 24 januari 2002)

De verslepingstheorie van Eskes vindt dus steun. in de opinies van vooraanstaande buitenlandse deskundigen.

Dat geldt ook voor de Britse bioloog Robin Baker, auteur van het bekende recente boek "De spermaoorlog".

In een uitzending van enkele weken geleden van het VPRO- programma Noorderlicht - we hebben daarvan een deel op de zitting vertoond- meldt Baker zelfs dat hem uit omvangrijk wetenschappelijk onderzoek is gebleken dat versleping een volstrekt normale gang van zaken is.

Hij stelt en ik gebruik hierbij de Nederlandse ondertiteling:

Wat doet de penis tijdens de copulatie?

Iedereen denkt dat hij dat weet, namelijk sperma inspuiten.

Maar aan het binneneinde van de vagina bevindt zich een holte. Het is geen doorgaande weg. De baarmoederhals bevindt zich erboven. De vrouw ligt op haar rug. De cervix bevindt zich aan het boveneinde.

Bij de ejaculatie hangt de baarmoederhals in het plasje met zaadcellen. De man schiet het sperma niet door de baarmoederhals. Er ligt dus een plasje sperma.

Als een andere man daarna met de vrouw copuleert zal zijn penis tijdens het stoten het reeds aanwezige sperma terughalen. De rand achter de eikel fungeert als terughaalmechanisme. Het aanwezige sperma gaat achter die rand zitten.

Bij het stoten wordt de vagina dus eigenlijk schoongemaakt en het sperma van een recente ejaculatie van een andere man verwijderd.

(Vindplaats www.vpro.nl : noorderlicht - archief)

De conclusie is duidelijk: Versleping uit de vagina is de normaalste zaak van de wereld.

Daarnaast noemt Eskes nog de mogelijkheid van uitpersing, een optie die de deskundigen Barten en Van Seumeren "minstens zo waarschijnlijk" noemen.

3. Versleping en indroging

3.1. Druppel?

Dat de deskundige Eskes zijn sleeptheorie in casu niet langer aannemelijk acht heeft, als we kijken naar het verhoor bij de raadsheer-commissaris bij de Hoge Raad, te maken met de kwestie van de indrogingstijd van sperma.

Daarnaast - aldus stelt Eskes bij zijn verhoor door uw hof - zou er in dit concrete geval geen druppel, maar een spoor zichtbaar moeten zijn geweest.

Hij lijkt dit te ontlenen aan de inzichten van de deskundige Brinkmann.

(zie onder andere pagina 7 van diens deskundigenbericht)

Waarom er een spoor zichtbaar zou moeten zijn kan Eskes zelf niet wetenschappelijk of anderszins vanuit zijn deskundigheid onderbouwen.

Hij zou het, zo antwoordde hij op een van mijn vragen, op het internet moeten opzoeken.

Hij heeft van dit thema als gynaecoloog in elk geval naar mijn mening niet zo vreselijk veel verstand.

De vraag hoe sperma zich gedraagt behoort namelijk niet tot het domein van een vrouwenarts.

Voorts is het uiterst kwestieus of we de geleiachtige substantie die is aangetroffen wel als druppel kunnen aanduiden.

Het spoor is slechts zeer globaal in ogenschouw genomen en absoluut niet grondig naar vorm, en overigens ook niet naar samenstelling, geanalyseerd.

Bij zijn verhoor door uw hof spreekt de heer Benne over een ovaal.

Het lijkt me al met al verstandig voorzichtig om te gaan met uitspraken over de vorm van het spoor toen het op de plaats van het delict werd aangetroffen.

Al even voorzichtig moeten we zijn waar het gaat om de consequenties die aan de vermeende vorm zouden moeten worden verbonden.

Uitspraken van de heer Eskes op dit punt dienen in elk geval niet al te serieus worden genomen.
Van de vorm of het gedrag van vocht dat uit de vagina komt heeft een gynaecoloog als gezegd geen verstand.

3.2. Indrogingstijd

In deze procedure is tot dusverre voor de verdediging kennelijk een zo kort mogelijke indrogingstijd van sperma cruciaal geweest.

Men mag zich daarin wellicht enigszins gesteund voelen door de curieuze herzieningsbeslissing door de Hoge Raad maar ik blijf het gehamer op het aambeeld van korte indrogingstijden als ontlastend voor de beide heren volstrekt onbegrijpelijk vinden, wanneer we deze casus in aanmerking nemen.

Ik licht dat uiteraard nog toe.

Als we praten over indrogingstijd van sperma en ander vaginaal materiaal dient mijns inziens nogmaals vooropgesteld te worden dat de deskundigheid van de heer Eskes als gynaecoloog ook op dit punt kwestieus is.

Hij is trouwens zelf de eerste om dat toe te geven.

Tijdens de zitting van het Gerechtshof Arnhem d.d. 07 september 1995 stelde hij:

Ik ben geen specialist op het gebied van indroging van sperma.

Ook de heer Brinkmann (deskundigenbericht 08 februari 2002): meent dat dit geen kolfje naar de hand van gynaecologen is:

Hij stelt:

Relevantes Erfahrungswissen durfte weder in der Gynakologie, noch in der Andrologie oder Rechtsmedizin in ausrechendem Mabe vorhanden sein.

En naar aanleiding van een indrogingsexperiment maakt hij korte metten met met de analyse van Eskes.

Selbst fur die Trocknung eines kleinen 50mL - Tropfens benoetigten wir ca 45 Minuten.
Wir vermuten, dass Dr. Eskens und Dr. Lee ihre Zeitangaben auf reine Schaetzung gestutzt haben.

Een mogelijke versleping van sperma uit de vagina is, aldus Eskes, die rekening houdt met de inzichten van Lee, slechts mogelijk indien het sperma kort tevoren is aangebracht.

Een mogelijk vrijwillig contact tussen Christel en de tot dusverre onbekende persoon van wie het sperma afkomstig is moet dus, aldus Eskes, vlak voor haar dood hebben plaatsgehad.

Deze overigens aanvechtbare opinie zou slechts van belang zijn indien we van een zuiver spermaspoor zouden moeten uitgaan.

Dat is mijns inziens evenwel niet het geval.

3.3. Geen spermavlek. Andere indrogingstijden

Inderdaad is sperma in de vlek aangetroffen.

Daarmee is echter niet gezegd dat het ook een pure spermavlek is.

Toen de patholoog Visser sectie verrichtte - en dat was de volgende dag om 11.00 uur - nam hij vloeibaarheid van de vlek waar.

(Sectierapport 3 februari 1994, pagina 7 samenvatting onder h):

Hij spreekt van:

Enig grijswit gekleurd, deels ingedroogd vocht/materiaal in de schaamstreek...

Tijdens de zitting van uw hof heeft de heer Eskes aan het waarnemingsvermogen van de heer Visser getwijfeld.

Dat lijkt me gezien de reputatie van deze secure deskundige, in samenhang met de indruk die hij hier ter zitting heeft gemaakt en het feit dat ook anderen een vorm van vloeibaarheid waarnemen, een bizarre en onhoudbare aantijging van de kant van de heer Eskes.

Als de vlek inderdaad niet was ingedroogd is dat nu ineens voor Eskes ook een mysterie.
(Proces-verbaal terechtzitting 11 februari 2002, vervolgblad 27)

Voor mij blijft een mysterie dat op de plek van de misdaad een half ingedroogde vlek is geconstateerd en dat dit na 24 uren nog zo is.

Een hypothese van Eskes is dat er mogelijk nog vocht door broei tussen de benen is overgebleven.
(Proces-verbaal terechtzitting 11 februari 2002, vervolgblad 27)

Ik kan alleen bedenken dat het op elkaar liggen van de benen, samen met het snel bewaren op koeltemperatuur, verdamping heeft tegengehouden.

Deze hypothese kan echter worden gefalsificeerd door hetgeen de heer Benne hier ter zitting over het inpakken en vervoeren van het slachtoffer heeft opgemerkt.

(Proces-verbaal terechtzitting 15 februari 2002, vervolgblad 25):

Het slachtoffer is op een gegeven moment afgevoerd in een lijkenzak.

Die lijkenzak wordt in een brancard met een polyester omhulsel getild.

Daarbij is uitermate zorg besteed aan het niet verstoren van het spoor op het rechterdijbeen door er voor te zorgen dat de zak niet op dat spoor kwam.

Verder stelt de heer Benne:

Het slachtoffer is opgetild en dan verandert er iets aan het lichaam.

Op het andere been is niet van een dergelijk spoor gebleken

Inderdaad zouden er bij de door heer Eskes gestipuleerde broei ook op andere plaatsen op het been sporen moeten zijn aangetroffen.

Dat de vlek niet geheel was ingedroogd is reuze opmerkelijk.

Immers het lichaam van het slachtoffer was afgedekt en daarna verpakt.

Niettemin neemt als gezegd de heer Visser een slechts gedeeltelijk ingedroogde substantie waar.

Ook de andere bij de sectie aanwezige personen zagen dat de vlek vloeibaar was.

In het technisch journaal lezen we in een mutatie d.d. 12 januari 1994, 11.15 uur

Fons GL (Koks) deelt tel mede….

De uitwendig aangetroffen sperma was nog kleverig en nauwelijks ingedroogd

Wanneer het om een zuiver spermaspoor was gegaan zou de vlek, aldus ook Lee en in diens voetspoor Eskes, al lang en breed ingedroogd moeten zijn geweest.

Datzelfde valt af te leiden uit het experiment van de heer Brinkmann,

Hij stelt:

Spatestens 60 Minuten nach Setzen der Spur mübte demnach der Trocknungsvorgang bei einem kleinen Tropfen (ca. 50mL) abgeschlossen gewesen sein.

Duidelijk is dus dat we hier niet te maken hebben met een zuiver spermaspoor maar evidentelijk met een ander spoor, mogelijk bestaande uit cervixslijm dat mede sperma bevat, maar hoe dan ook evidentelijk geen spermaspoor.

De klinisch chemicus Janssens van het Rijnstateziekenhuis berichtte op 26 februari 2002 naar aanleiding van een aantal boeiende experimenten:

  • Menselijk sperma is vrij vloeibaar, verspreidt zich over een oppervlak en verdampt op een oppervlak vrij snel "0,5 ml in ca. 1,5 uur)
  • Menselijk cervixslijm is een taaie gel, verspreidt zich niet over een oppervlak en verdampt in dat geval vrij traag ( 0,5 ml. In 5,5 uur).

Ook de deskundigen Barten en Van Seumeren komen tot de slotsom dat er van een zuiver spermaspoor geen sprake is ( deskundigenbericht van 19 maart 2002).

Zij concluderen:

Op grond van het gevonden lage aantal spermacellen per gezichtsveld, de trage indroging en het niet vervloeien van het materiaal komen wij tot de conclusie, dat het hier zeer waarschijnlijk moet hebben gegaan om cervixslijm

Met name mevrouw Van Seumeren heeft gisteren voor uw hof gewezen op de hardnekkige aanwezigheid van cervixslijm, dat onder omstandigheden zelfs wel veertien dagen viscoos blijft.

Naast de mogelijkheid van versleping van dit met sperma vermengde slijm, wijzen zij, evenals de heer Eskes dat trouwens al deed, op de mogelijkheid van uitpersen.

Barten en Van Seumeren achten de stelling van Eskes dat hier om een " recente depositie van sperma, c.q. ejaculaat" zou moeten gaan, al met al niet houdbaar.

Als het niet om een zuiver spermaspoor gaat gelden inderdaad geheel andere indrogingstijden, hetgeen dit praktijkvoorbeeld ook aantoont.

En bovendien is dan zonneklaar, althans volstrekt voor de hand liggend, dat de substantie uit de vagina is overgeheveld.

De suggestie van de niet in sperma gespecialiseerde gynaecoloog Eskes dat het hier om een nadruppel van de auteur van het sperma ging kan dan ook naar het rijk der fabelen verwezen worden.

Bij het onderzoek naar de samenstelling van de vlek en het overige materiaal dat in het lichaam is aangetroffen is de aandacht - en dat was met alles wat men toen wist ook niet onbegrijpelijk - puur gericht geweest op de factor sperma.

Zo verklaarde de deskundige Janssen van het NFI hier bij uw hof:

In de meeste gevallen kijken we of we spermacellen vinden en doen we geen onderzoek naar vaginale epitheelcellen

Het residu is al met al niet in zijn geheel en in elk geval niet grondig onderzocht en kan nu ook niet meer nader worden onderzocht.

Gezien het feit dat de vlek bijna een dag na de levensberoving, ondanks verpakking en vervoer, nog vloeibaar was, is mijn conclusie als eenvoudige jurist, overigens in het voetspoor van de echte specialisten, dat het hier mede om een andere vaginale substantie, bijvoorbeeld cervixslijm, gaat.

En een dergelijke substantie moet dan onvermijdelijk uit de vagina zijn versleept. Er was dus een eerder sexueel contact van Christel Ambrosius met degene die ook een aantal haren en een bloedvlekje als sporen heeft achtergelaten.

De niet steeds door expertise gevoede intuïtie in 1994 van de in deze procedure enigszins zwalkende heer Eskes blijkt dan ook bij nader inzien perfect te zijn geweest.

Een gemengde uit de vagina afkomstige substantie kan, afhankelijk van de vaststelling van de beweeglijkheid van het sperma dat daarin voorkomt, bij versleping of uitpersing afkomstig zijn van een vrijwillig contact dat bijvoorbeeld een dag eerder heeft plaatsgevonden.

3.4. Geen sperma in de slip. Vrijwillig contact

In het slipje van het slachtoffer is geen sperma aangetroffen.

Dit ondanks het feit dat zij een tochtje op haar mountainbike van ongeveer vijf minuten had gemaakt naar het huisje van oma.

Deskundige Brinkmann had sperma in de slip verwacht. Ook de deskundige Van Seumeren, zo hoorden we gisteren, heeft op dit punt vraagtekens, waarbij ook zij aantekent dat de aanwezigheid van sporen uiteraard meer zegt dan de afwezigheid daarvan.

De andere deskundigen die zijn geraadpleegd vinden de afwezigheid van sperma minder vreemd. We weten natuurlijk ook niet hoe lang Christel Ambrosius de bewuste slip al aan had.

De heer Eskes schreef over dit thema aan de rechter-commissaris te Zutphen op 14 juli 1994 het volgende:

Bij fietsactiviteit kunnen de bekkenbodemspieren de vagina-inhoud "poolen" in de achterste schedehelft.

Ook op 11 februari j.l. heeft de heer Eskes voor uw hof in die zin verklaard:

Het niet vinden van zaad in een slipje hoeft niet te betekenen dat zich in de vagina geen zaad bevindt

Mijn conclusie uit het voorafgaande is dat in casu versleping van het vocht dat op het bovenbeen van het slachtoffer is aangetroffen mogelijk is na een vrijwillig sexueel contact dat bijvoorbeeld een dag van tevoren geheel vrijwillig heeft plaatsgevonden, ook indien het slachtoffer nadien een korte fietstocht gemaakt heeft.

Op het punt van het ontbrekende sperma in de slip is de heer Eskes als specialist met betrekking tot het vrouwelijk lichaam een betrouwbare deskundige.

Eskes ziet geen problemen op dit punt.

Bij de voor de hand liggende theorie van versleping na een eerder sexueel contact lijkt het vreemd dat de toenmalige partner van het slachtoffer nog nimmer is gevonden.

Christel Ambrosius was, zo blijkt uit de stukken en trouwens ook uit de gevonden sporen, een levenslustig en charmant meisje dat veel vriendjes had.

Het is op zichzelf bepaald niet onaannemelijk dat zij kort tevoren een of meer vrijwillige sexuele contacten heeft gehad.
Ook is niet onaannemelijk dat degenen die de sporen hebben achtergelaten er nu voor terugdeinzen zich bij justitie te melden of ervoor kiezen hun betrokkenheid bij een vrijwillig contact te ontkennen.

Ook is mogelijk dat de vriend naar het buitenland is vertrokken.

In het najaar van 2001, toen de zaak hier in behandeling werd genomen, is de heer L. uit Portugal als een mogelijk vrijwillige leverancier van sporen naar voren gekomen.

Ik merk daarbij nog op dat ik het niet begrijpelijk vind dat indertijd niet meer aandacht aan de persoon L. is besteed.

Een rechtshulpverzoek richting Portugal dat enige maanden geleden is uitgegaan heeft vooralsnog helaas geen resultaat opgeleverd.

Wij zien echter in de heer L. zeer zeker een kandidaat voor het auteurschap van het zonneklaar nadien door de daders versleepte althans uit de vagina van Christel afkomstige vocht op het bovenbeen.

Andere interessante hypotheses met betrekking tot de persoon van de vrijwillige donor konden door het omvangrijke (nadere) DNA-onderzoek worden gefalsificeerd.

Ik teken bij dit alles nog aan dat de persoon van de vrijwillige donor in deze procedure natuurlijk niet de hoofdrol speelt.

Het gaat dezer dagen om de vraag of de heren d.B. en V. zich aan doodslag en verkrachting hebben schuldig gemaakt

3.5. Eerherstel voor de sleeptheorie. Het novum in nieuw perspectief.

Na een eerder vrijwillig contact van de sexueel actieve Christel Ambrosius kan naast diens uitpersingstheorie ook de verslepingstheorie van de heer Eskes, nu we moeten vaststellen dat van een zuiver spermaspoor geen sprake is geweest, in mijn visie zeker dienen ter verklaring van de vlek die op het been van Christel is aangetroffen.

Bij een langduriger indrogingstijd komt het novum namelijk in een geheel ander daglicht te staan.

De heer Eskes heeft verklaard dat versleping uit de vagina mogelijk is en dat er geen sperma in het slipje behoeft voor te komen.

En van indrogingstijden heeft hij naar eigen zeggen geen verstand.

Hij laat zich leiden door de gebrekkige conclusies van de heer Lee, die van een zuiver spermaspoor uitgaat.

Bij een vlek van - deels - andere samenstelling met een veel langere indrogingstijd, zoals in casu, kan het oorspronkelijk betoog van Eskes echter op de kernpunten standhouden.

Het novum is geen novum meer.

4. Niet in het bos geweest en onder druk gezet?

Ik kan me alleszins voorstellen dat uitpersings - of de verslepingstheorie na een eerder vrijwillig sexueel contact zoals die door de heer Eskes is gepresenteerd en op deze casus wordt getransponeerd, alle omstandigheden van het geval in aanmerking nemend een, voor de strafrechtsjurist en anderszins strafrechtelijk geïnteresseerde leek, niet alledaags scenario oplevert.

Maar het is wetenschappelijk en feitelijk volgens de deskundigen - denk aan het onderzoek van Robin Baker- absoluut geen vreemd of onmogelijk scenario, sterker nog, het ligt in deze casus zeer sterk voor de hand, gelet op de indrogingsproblematiek.

Als het om een puur spermaspoor was gegaan was het binnen de kortste keren ingedroogd geweest en in elk geval bij de sectie niet door de uiterst punctuele heer Visser en de andere aanwezigen als "vocht" in kaart gebracht.

Overigens brengt het feit dat er inmiddels ook andere sporen van de auteur van het sperma zijn aangetroffen, zoals het bloedvlekje, geen verandering in de vaststelling dat er nadien door een ander gesleept of geperst is.

Laten we nu het andere scenario bezien.

Het scenario dat vier met elkaar bevriende mannen die die bewuste zondag in het geheel niet in het bos zijn geweest, volstrekt zonder grond door de politie middels ellenlange en mogelijk zelfs intimiderende verhoren worden bestookt en vervolgens murw gebeukt bekennen een verkrachting en levensberoving te hebben gepleegd respectievelijk deze te hebben gadegeslagen.

4.1. Helemaal niet in het bos geweest?

De stelling van de heren d.B. en V., ook uitgesproken ten overstaan van dit hof, is dat
zij net als S. en B. in het geheel niet in het bos zijn geweest.

Ik stel me dan ook op het standpunt dat ontzenuwing van deze stelling op zichzelf al toereikend zou zijn om de verhalen over ontoelaatbare druk door de politie en valse bekentenissen al evenzeer naar het rijk der fabelen te verwijzen.

Een volstrekt onafhankelijke getuige, de huisvriend van S. , P.R., scH. t over het ritje van die zondag in elk geval klare wijn en heeft daarbij ook nimmer geklaagd over druk van de politie.

De mannen zijn, aldus R., aan het eind van de middag gevieren op pad gegaan

(Proces-verbaal nr. 9402211330, d.d. 21 februari 1994, opgemaakt door de verbalisanten Van Nieuwenhuizen en Bosch)

R. stelt:

Wel weet ik, dat H., G., W. en W. die middag met de groene Mercedes weggeweest zijn.
Volgens mij waren ze met de hondjes naar het bos..

P.R. ziet de heren niet alleen vertrekken maar ook tijdens de schemering weer gevieren terugkeren.

(Proces-verbaal nr. 9402101100, d.d. 10 februari 1994 opgemaakt door de verbalisanten Vogelenzang en Brandts):

Omstreeks 15.00 uur, stond G. op en zei dat hij de honden ging uitlaten. H. , W. en W.B. gingen met G. mee.

Op het moment dat ze met de auto, een groene Mercedes Benz van G., wegreden, zat ik in de keuken.

Ik zag ze wel wegrijden, maar ik kon niet zien wie er achter het stuur zat. .

Over de terugkeer zegt hij:

Toen ik kwam aanlopen, zag ik dat de groene Mercedes van G. vanuit tegengestelde richting kwam aanrijden.

Toen ik op de dam stond zag ik dat H. achter het stuur zat en G. er naast zat. Ik merkte niets bijzonders op dat moment.

Ik weet niet precies hoe laat het was, maar het ging tegen schemer aan.

Drie van de vier betrokkenen komen al zeer vroeg in het onderzoek, nadat de Mercedes van S. is herkend, zonder ellenlange verhoren en zonder dat zij nog als verdachte worden beschouwd, tot de conclusie dat zij wel degelijk in het bos zijn geweest.

H.d.B. verklaart als volgt:

(Verklaring H.d.B. als getuige, map 1, A2, proces-verbaal no. 940210.1616 d.d. 10 februari 1994, afgelegd op 10 februari 1994 omstreeks 16.30 uur)

Op zondag 9 januari 1994, omstreeks 13.00 uur, kwam ik bij G. en T. S. …..

Op een gegeven moment stond G. op om de honden uit te laten.

Ook W., W. en ik stonden op om met G. mee te gaan. Ik nam achter het stuur van de auto van G. plaats. Dit was de groene Mercedes.

G. nam naast mij plaats. W. nam achter mij plaats en W. achter G. S. . De witte hond van G. ging op de hoedenplank liggen. De zwarte hond ging tussen W. en W. in liggen.

Ik reed vanuit de Weverstraat te Putten naar het benzinestation Texaco aan de Harderwijkerstraat te Putten. Bij het benzinestation stapte W.B. uit de auto. W. kocht een aantal blikjes bier, het aantal weet ik niet exact. Vervolgens reeds ik langs de tennisbaan en de Arnhemse Karweg, over de Garderenseweg naar het Veldje. Daar de honden uitgelaten en eigen sanitaire stop. Ik schat dat wij daar ongeveer 5 a 10 minuten zijn geweest. Daarna reden wij dezelfde weg terug via de Laak richting Driewegenweg. Vermoedelijk stopte ik in de omgeving Emmalaan om te plassen…….

Later stelt hij:

Nadat G., W. en W. ingestapt waren reed ik door tot aan de Postweg. Ik reed rechtsaf over de Postweg, over de Bosrand, tot aan de Voorthuizensestraat…...

Even later verklaart hij, nog steeds als getuige:

(Verklaring H.d.B. als getuige, map 1, A-3, proces-verbaal no. 940210.2230 d.d. 10 februari 1994, afgelegd 10 februari 1994,omstreeks 22.30 uur)

U vraagt mij of ik op zondag 9 januari 1994, tussen 14.15 en 16.30 nog als chauffeur gereden heb in de auto van G. S. , dan is dit juist.

Wij waren in ieder geval voor het donker terug. Wij zijn nooit laat.

U vraagt mij wie er tijdens de rit op zondagmiddag 9 januari 1994, mee geweest zijn. Dit zijn G. , W. en W. . Dit weet ik zeker. Ik reed, G. zat naast mij, achter mij zat W. en daarnaast zat W. .

U vraagt mij of wij op zondag 9 januari 1994, tussen 14.15 en 16.30 uur nog op de Driewegenweg te Putten zijn geweest. Ja dit moet dan wel omdat wij altijd dit rondje rijden.

Ook G.S. schenkt, als getuige, al vlot klare wijn over het bewuste ritje:

(Verklaring G.S. als getuige, map 2, C3, proces-verbaal no. 940210.1353 d.d. 10 februari 1994 afgelegd op 10 februari 1994 te 13.53 uur)

In de auto zaten de volgende personen: H. , W. en ik.

Die vierde persoon moet W. zijn geweest.

Als W. bij mij is geweest die zondagmiddag, dan moet W. het wel geweest zijn die in de auto zat. Als H. er bij was, betekent dat dat ik niet gereden heb. Ik kan mij herinneren dat wij bier hebben gehaald bij dat benzinestation, nu u mij dat voorleest uit de verklaring van H. . W. heeft dat bier gehaald. Dat weet ik zeker want dat doet W. altijd. Het is geen uitzondering dat wij daar bier haalden, want dat doen wij wel vaker. Ik kan mij nu wel herinneren dat wij met zijn vieren die zondagmiddag met mijn auto zijn weggegaan. Na de benzinepomp, Caltex, zijn wij de Laak opgereden tot aan de Arnhemse Karweg. Daar zijn wij rechtsaf gegaan een weg op. Daar weet ik de naam niet van.

Links van die weg lopen twee paarden, een schimmel en een bruintje. Die weg vervolgden wij tot aan de Postweg. Op de Postweg zijn wij rechtsaf gegaan tot aan het van Eeghenlaantje. En dan rijden wij het van Eeghenlaantje op om de hondjes uit te laten. Het kan ook zijn dat wij via de Arnhemse Karweg doorgereden zijn naar de Garderenseweg en dat wij daar rechtdoor zijn overgestoken richting het veldje aan de Arnhemse Karweg. En dan laat ik daar de hondjes uit. Ik spreek nu over de routes die wij altijd rijden als H. rijdt. U wilt de route weten die wij zondagmiddag 9 januari 1994 hebben gereden. Volgens mij zijn wij over het van Eeghenlaantje gereden.

Ook W.B., van wie later steeds is beweerd dat hij uit de wind moest worden gehouden, verklaart al snel over die 9e januari

(Verklaring W.B., map 2, bijlage D1, proces-verbaal no. 940208.1700, d.d. 09 februari 1994, als getuige afgelegd op 08 februari 1994,omstreeks 17.00 uur)

Meestal gaan we rond 16.00 uur weg. Ik weet bijna zeker dat we die bewuste zondag, 9 januari 1994 ook om 16.00 uur zijn weggereden met de groene Mercedes van G. .

Een dag later komt B., inmiddels tot verdachte gepromoveerd, al met meer details.

(Verklaring W.B., map 2, bijlage D2, proces-verbaal no. 940210.1400, d.d. 10 februari 1994, als verdachte afgelegd op 10 februari 1994, omstreeks 17.00 uur

Ik ga daar nu precies over vertellen, zoals het die zondagmiddag is gebeurd
en H. kwam met het voorstel om een stukje te gaan rijden.

H. zei tegen G. : "Laten we even een stukje gaan rijden".

We zijn naar buiten gelopen en in de auto gestapt. Als we een eindje gaan rijden, gaan we altijd in de Mercedes van G. . Dat is dezelfde auto als waarover ik in mijn vorige verklaring sprak. Ik ben ook meegegaan. Ik ga meestal mee zondagsmiddags. P. is die zondag niet meegeweest. W. ging ook mee. Ik vergis mij dit keer niet in de personen.

H. ging achter het stuur zitten. H. rijdt altijd. Dat vindt G. wel goed. G. moet er altijd bij zijn als er iemand in zijn auto rijdt. Naast H. voorin zat G. . Op de achterbank zat ik naast W. . Ik zat achter G. en W. zat achter H. , de bestuurder dus.

H. reed "van de dam" af. Via de Weverstraat reed hij naar de Dorpsstraat. Vanaf de Dorpsstraat rechtsaf de Brinkstraat op, waarbij je langs het politieburo komt.

Ik heb vanmiddag met u die route gereden en ik heb u precies gewezen welke wegen wij hebben gereden. Daar heb ik mij niet in vergist. Dat is de route die wij die zondagmiddag met z'n vieren gereden hebben. Op de verharde wegen rijden we hooguit 40/50 km. We rijden nooit hard. Meestal zo'n 40 kilometer per uur. Op de onverharde zandwegen rijden we meestal zo"n 20 - 30 kilometer per uur. Nooit harder of zo. De hele route duurde op die manier met stoppen en zo, honden uitlaten ongeveer anderhalf uur.

We zijn nooit veel langer onderweg.

De vaststelling dat het viertal in het bos geweest is leidt er vervolgens toe dat zij als verdachten worden aangemerkt en aan verhoren worden onderworpen.

Daar begint dan met name in het geval van d.B. het grote spel van toegeven en terugkrabbelen.

Al op 15 februari, tijdens een van de eerste verhoren, windt hij er geen doekjes om.

Verklaring H.d.B., map 1, A 11, proces-verbaal no. 9402151800, d.d. 15 februari 1994, afgelegd op 15 februari 1994 omstreeks 18.00 uur:

Ik zal nu het ware verhaal vertellen over de zondag 9 januari 1994, ik weet dat het 9 januari 1994 was…

Ik beken die zondagmiddag met G. S. , W.B. en W.V. in het bos in de directe omgeving van de Driewegenweg en de Emmalaan te Putten te zijn geweest

Ik beken dat er een afspraak is gemaakt om daarover te zwijgen.

Op een gegeven moment gaat de buitenwacht zich er mee bemoeien.

Verklaring H.d.B., map 1, A29, proces-verbaal no. 9403282045, d.d. 28 maart 1994, afgelegd op 28 maart 1994, omstreeks 20.45 uur:

In overleg met mijn advocaat heb ik besloten te zeggen dat ik er niet geweest ben. Dit omdat ik van mening ben dat ik er niet geweest ben…..

Ik kan nu wel zeggen dat ik op zondag 9 januari 1994, niet op de Driewegenweg te Putten ben geweest.

Het ontkennen duurt echter doorgaans niet lang. Een dag later al weer verklaart d.B.:

(Verklaring H.d.B., map 1, A 30, proces-verbaal no. 9403291100, d.d. 29 maart 1994, afgelegd op 29 maart 1994, omstreeks 11.00 uur)

Nu ik weer wat langer over de zaak heb nagedacht moet ik weer tot de conclusie komen dat ik wel degelijk in die woning, Driewegenweg 41 te Putten, ben geweest.

Ook een aantal dagen later is het ontkennen van zeer korte duur.

(Verklaring H.d.B., map 1, A 36, proces-verbaal no. 9404051000, d.d. 05 april 1994, afgelegd op 05 april 1994, omstreeks 10.00 uur)

Ik verklaar nu dat ik zondag 9 januari niet weg ben geweest.

Anderhalf uur later weerklinkt een heel ander geluid.

(Verklaring H.d.B., map 1, A 37, proces-verbaal no. 940405.1130, afgelegd op 05 april 1994, omstreeks 11.30 uur)

Ik wil mijn excuus maken voor de manier waarop ik vanmorgen begonnen ben. Datgene wat ik verklaarde was niet waar.

4.2. Druk, maar van wie?

Zodra de heren in het blikveld van justitie zijn gekomen komt er een immens offensief van het thuisfront op gang om het viertal uit de wind te houden.

Hierbij spelen mevrouw D. , de echtgenote van G.S. , maar vooral A.d.B., de vrouw van H., een cruciale rol, die net zo lang doorgaat als voor de loyale vrouwen mogelijk is.

Als W.B. naar de politie moet krijgt hij flinke instructies mee van T.D..

Op 28 februari 1994 wordt het volgende telefoongesprek tussen deze twee afgetapt:

NN-man belt in naar T.

N=man

T=T.

WOORDELIJK:

N :Ja T. ik ben vanavond efke iets later thuus. Ik moet effe naar
het politieburo toe vanavond.

T :Moet ge naar het politieburo?

N :Ja ze hadden net hierhene gebeld

T :Ahaa(lachend) G. moet ook zometeen om drie uur.

N :Drie uur ?

T :Ja

N :en ik moet euh en euh ik moet vijf voor vijf moet ik bie euh. Vijf
voor vijf moet ik er wezen.

T : Oo. Ja je weet die zondag bin jullie niet weg geweest ?

N :nee, nee. Was negen, negen januari hé.

T :Ja, maar ja dat zeggen hun wel, maar let een beetje op je woorden.

N :Ja dat heb je goed

T :die zondag heb, is de visite lang blijven zitten.

De hele familie wordt geïnstrueerd zich aan het complot te houden.

A.d.B. voert de regie.

A. verstaat zich - ook als H. zich in het huis van bewaring bevindt - via een overempathische en lekkende medewerkster van deze inrichting - met haar echtgenoot.

H. moet en zal, ook na zijn bekentenis richting A., beweren dat hij onschuldig is.

Zo verklaart hij op een zeker moment:

(Verklaring H.d.B., map 1, A39, proces-verbaal no. 940404.1500, afgelegd op 05 april 1994, omstreeks 15.00 uur)

U vertelt mij dat ik telefonisch contact met mijn vrouw A. mag hebben. Ik stel hier geen prijs op. Ik ben bang dat wanneer ik haar zou spreken, ik mijn verklaring weer zal intrekken.

Ook B.S.- de vriendin van de broer van H.d.B.- schenkt klare wijn over de rol van A.. Zij verklaart:

(Verklaring getuige B.S., afgelegd op 31 juli 1995 te 15.00 uur, map 13, proces-verbaal mutatienummer PL0611/95-115982)

Ik ben daar een keer binnen gekomen tijdens een telefoongesprek dat A. met H. voerde.
H. had bekend en ik hoorde dat A. tegen hem zei:' Je moet aan je vrouw denken. Trek je verklaring in want anders zie je je kinderen nooit meer.

Met het niet meer zien van de kinderen heeft ze ook getracht oom G.S. onder druk te zetten. Ook hij moest zijn belastende verklaringen intrekken.

H. voldoet nu en dan schoorvoetend aan de druk van A. en blijft dan heen en weer zwalken.
Maar, hoe dan ook, als er in die periode sprake is van druk, dan komt die druk in mijn visie enkel en alleen van de eigen familie.

Ook P.R. en W.B. krijgen duidelijk te verstaan dat zij zich aan de afspraak over het alibi moeten houden.

(Zie verklaring P.R., map 3, afgelegd op 8 februari 1994 te 15.05 uur, proces-verbaal no. 940208.15.05.

Zie verklaring W.B., map 2, no. D1, afgelegd op 08 februari 1994 te 17.00 uur, proces-verbaal no. 940208.1700 en de verklaring no. D5, afgelegd op 11 februari 1994 omstreeks 13.13 uur, proces-verbaal no. 940211.1313).

Ook al zijn P. en W. simpele mannen, er is geen enkele aanleiding te veronderstellen dat zij op het punt van iets simpels als de alibikwestie en de pressie die in dit kader op hen is uitgeoefend, niet betrouwbaar zouden kunnen verklaren.

4.3. Alibiafspraken onzinnig

Omdat het maken van afspraken in de familiekring ook door confrontatie met de tapverslagen niet kan worden ontkend worden er, zoals advocaat-generaal Wortel terecht stelt, door T. d. , A. en in hun kielzog de rest van de familie, onzinnige verklaringen ter rechtvaardiging bedacht.

Zo wordt gesteld dat W.B. uit de wind moest worden gehouden wegens diens zedenverleden.

In dat licht bevreemdt het dat B. zelf er van begin af aan absoluut geen moeite mee heeft om zijn aanwezigheid in het bos toe te geven.

Merkwaardig is dan verder ook dat bij de eerste de beste gelegenheid waarbij men toegeeft dat er gereden is nota bene W.B., in tegenstelling tot d.B. en V. die kennelijk niet uit de wind behoefden te worden gehouden, als passagier wordt aangemerkt

  • Verklaring getuige P.A.R., proces-verbaal no. 940208.1505, afgelegd op 08 februari 1994, map 3, bijlage 22.
  • Verklaring getuige W.B., proces-verbaal no. 940208.1700, afgelegd d.d. 08 februari 1994, map 2 bijlage D1
  • Verklaring getuige T. d. bij de rechter-commissaris afgelegd op 08/09 februari 1994, map 5
  • Verklaring G.S. bij de rechter-commissaris op 08/09 februari 1994, map 5)

Tijdens een van de eerste afleveringen die Peter de Vries in zijn interessante reeks aan de Puttense zaak wijdde meldt d.B. vanuit het huis van bewaring dat men G. uit de wind wilde houden.

Waarom is en blijft volstrekt onduidelijk.

Meer in het algemeen kan men zich de vraag stellen waarom men zonodig krampachtig een alibi moet gaan verzinnen indien men totaal onschuldig is.

Sterker nog, wat zou nu als kameraad het beste alibi kunnen zijn geweest dat je een man met een zedenverleden als B. zou kunnen verschaffen.

Dat lijkt me nogal wiedes.

Je zegt dan als makker van B. naar waarheid dat je met hem en de twee anderen bent gaan rijden en dat hij niet bij of in het huisje is geweest.

Een beter alibi kun je je als B. niet wensen.

Peter de Vries parafraserend zou ik willen stellen: Blijf bij je vrienden dan heb je altijd een alibi!

Op die idiote alibikwestie wordt door de heren nog steeds geen bevredigend antwoord gegeven.

Dat antwoord is er trouwens ook niet.

Mijn conclusie is dat de heren zich met het onzinnige gedraai rond het alibi geweldig in de kaart laten kijken en, dat moet ook de heer Blaauw toegeven, terecht als verdachte zijn aangehouden.

De eigen schuld van de twee heren in de aanloop van dit epos is in elk geval ontegenzeggelijk zeer groot.

4.4. Wel degelijk wezen rijden en in het bos geweest?

Ik zei het al.

De betrokkenen hebben aanvankelijk zeer snel zonder dat er van ellenlange verhoren en druk sprake kon zijn geweest toegegeven dat ze zijn wezen rijden en aan het eind van de middag in het bos zijn geweest.

Later hebben drie van de vier betrokkenen verklaard dat men in het geheel niet is gaan rijden.

Een zakelijk acceptabele verklaring voor dat intrekken is mijns inziens niet voorhanden.

Ook daarom zouden de heren aan hun aanvankelijke verklaring gehouden kunnen en moeten worden.

Nadat W.B. hier bij het hof heeft uitgesproken dat d.B. en V. de feiten niet gepleegd hebben heb ik hem gevraagd of ze dan wel zijn wezen rijden.

B. antwoordde dat ze of zijn gaan rijden of dat hij bij zijn moeder is geweest.

Uit een verklaring van mevrouw R., de moeder van W.B., blijkt dat hij wel degelijk met de Mercedes van S. is wezen rijden en trouwens later ook bij zijn moeder is geweest.

Hij is daar zelfs - wat zeer ongebruikelijk was - in de nacht van 9 op 10 januari 1994 blijven slapen, al kwam er voor de zeer emotionele B. van dat slapen niet veel.

De moeder van W.B. verklaarde onlangs aldus:

(Verklaring getuige H. R., proces-verbaal no. 0202201000.RAK, d.d. 20 februari 2002, afgelegd op 20 februari 2002, omstreeks 10.00 uur)

Op de zondagmiddag van de moord kwam W. niet bij mij thuis met zijn was.

Dat was op zich vreemd.

Hij kwam eigenlijk altijd naar mij omdat er op zondagmiddag bij G. S. bezoek kwam.

G. belde dan naar mij als het bezoek weer vertrokken was. Dan ging W. daar weer heen.

W. kwam op die zondagavond bij mij. U vraagt mij of ik weet hoe laat W. bij mij kwam, maar ik weet dat niet precies. Het was in ieder geval in de avond.

W. kwam bij mij thuis en hij deed heel raar. Hij was angstig en heel apart.

Hij was gewoon bang. Hij dook weg al er een auto in de buurt kwam. Hij was gewoon bang dat er volk kwam. Hij kroop dan in elkaar en dook weg kennelijk omdat hij bang was dat er iemand voor hem kwam

Voorts verhaalt de moeder van W. over intensief telefonisch contact die avond dat werd geëntameerd door G.S..

Familielid B.v.D., indertijd steun en toeverlaat van W.'s moeder en voormalig lid van een kaartclubje dat inmiddels met elkaar gebrouilleerd is geraakt, verklaart dat hij op 9 januari 1994 door de moeder van W. is opgebeld.

(Verklaring getuige B.v.D., proces-verbaal no. 0202191630.DIJ, d.d. 19 februari 2002, afgelegd op 19 februari 2002, omstreeks 16.30 uur):

Ik kan mij nog wel herinneren dat ik op de zondag van de moord telefonisch contact had met mijn schoonzuster H..

Ik weet niet hoe laat dat was, maar het was wel in de avonduren. H. belde mij wel vaker al er problemen waren, zij heeft een beetje teun aan mij.

H. vertelde mij dat haar zoon W.B. die zondag zo tegen de avond bij haar thuis kwam.

W. was heel zenuwachtig en gedroeg zich abnormaal. Als er een auto in buurt kwam dan dook hij weg volgens H..

Tevens vertelde H. mij dat G.S steeds maar weer belde naar W.. Zij hoorde dat W. steeds zei dat hij niets zou vertellen, hij had niets gezien. H. zei mij dat zij dacht dat de jongens wel iets uitgevreten zouden hebben".

Ook twee andere getuigen bevestigen de lezing van W.'s moeder en B.v.D.

Zo is getuige Kooistra, indertijd ook al lid van het inmiddels opgedoekte kaartclubje, naar de politie gegaan omdat ze naar eigen zeggen het gedraai van de heren d.B. en V. niet langer kon aanzien.

Zij stelt:

(Verklaring getuige T.K., proces-verbaal no. 0202191130.RAK, d.d. 19 februari 2002, afgelegd op 19 februari 2002, omstreeks 11.30 uur)

Vorige week zag ik een paar maal een uitzending op de televisie over de moord.

Ik maakte mij toen kwaad omdat ik beide daders daar zag. Ze zaten daar te liegen en ik ergerde mij daar heel erg aan. Dit omdat ik van B. v. d. en H. R. wat anders gehoord had. .

W.B. heeft tegen zijn moeder verzucht dat hij achteraf beter de was bij haar had kunnen komen brengen

(zie verklaring H.R., proces-verbaal no. 020220100.RAK, d.d. 20 februari 2002)

Inmiddels heeft W.B., tijdens het verhoor in wat ik maar even de meineedzaak noem, andermaal het verhaal bevestigd dat men die middag is gaan rijden.

De conclusie luidt dat - anders dan d.B., V. en S. - ook in zijn fameuze dagboekje beweren - de Mercedes van S. wel degelijk laat die middag op pad is geweest.

Dat diverse getuigen de Mercedes in het bos hebben gezien is dan ook niet verwonderlijk.

Ik merk ten overvloede nog op dat ook mevrouw D. tijdens het verhoor door de door haar als een correcte man getypeerde rechter-commissaris Honig - en die conclusie kunnen we mijns inziens na het verhoor van de heer Honig zonder meer onderschrijven - heeft toegegeven dat de mannen zijn wezen rijden.

(Verklaring getuige T.D. bij de rechter-commissaris afgelegd op 08/09 februari 1994 -map 5)

Weliswaar heeft de rechter-commissaris haar gemaand de waarheid te verklaren en in dat kader op ongetwijfeld rustige wijze op de consequenties gewezen, maar er is - ook gezien de verklaringen van de heer Honig hier ter terechtzitting - geen enkele aanleiding te veronderstellen dat mevrouw D. in haar verklaring een bepaalde richting op is geduwd.

De rechter-commissaris heeft pauzes ingelast en mevrouw D., die nu vermoeidheid als bizar excuus aanvoert, alle gelegenheid gegeven haar verklaring te overwegen en te heroverwegen.

Enige vermoeidheid tijdens het verhoor door een correcte en zorgvuldige rechter-commissaris vormt geen zinnig argument om je hele familie volstrekt ten onrechte in de gevarenzone te brengen.

Ik acht de verklaring van mevrouw D. bij de rechter-commissaris dan ook authentiek en betrouwbaar.

Er zijn al met al - ook zonder enigerlei vorm van ernstige druk - meer dan voldoende verklaringen afgelegd die de conclusie wettigen dat men is gaan rijden en als altijd in het bos is geweest, ook in de middag van de 9e januari 1994.

Verder heeft inmiddels een groep gespecialiseerde misdaadanalisten aan de hand van de verklaringen van de vier betrokkenen en de diverse getuigen vastgesteld dat er een volstrekt kloppend scenario is dat d.B. en V. op de plaats van het delict brengt en S. en B. in het bos en bij het huis.

Het verschil tussen de benadering van het analyserapport en de benadering van de heer Blaauw is dat het rapport slechts meetbare gegevens bevat en die - met gebruikmaking van moderne technische hulpmiddelen - met elkaar in verbinding brengt.

Daarbij worden de analisten uiteraard hier en daar gehandicapt door het feit dat er door getuigen soms tegenstrijdige verklaringen worden afgelegd waarvan de waarde " op de hand moet worden gewogen".

Maar aan volstrekte speculaties, zoals die in de tijdsanalyse van de heer Blaauw voorkomen, bezondigen de analisten zich niet.

Zij doen geen uitspraken, zoals die in de bijlage van de heer Blaauw bij het laatste herzieningsverzoek voorkomen, die aan diens videoregistratie ten grondslag liggen en die erop neerkomen dat d.B. en V. meteen achter Christel naar binnen zijn gegaan en dat het hele drama niet langer dan tien minuten heeft geduurd.

Dat wat Blaauw doet is gokken, weliswaar gokken op basis van een rijke ervaring, maar wel gokken.
En dat past niet bij moderne operationele misdaadanalyse, een wetenschappelijk getinte en uiterst nuttige politieactiviteit die in de goede oude tijd van de heer Blaauw helaas nog niet bestond.

Ik vat de hoofdpunten uit het analyserapport nog maar even samen.

Wanneer de mannen precies, zoals ze hebben verklaard, in het bos zijn gaan rijden, is niet geheel duidelijk.

P.R. meent dat de Mercedes van S. om een uur of drie van de Weverstraat vertrekt.

Over met name de pauzes die men heeft genomen tijdens de route die d.B., S. en B. verklaren te hebben gereden bestaat enige verdeeldheid, maar op een zeker moment rijdt men achter Christel Ambrosius aan die enige minuten tevoren op haar mountainbike van huis is vertrokken.

Zowel d.B., S. als B. verklaren hierover.

Het is dan 16.15 uur, gelet ook op de verklaringen van degenen die Christel hebben zien fietsen, met name de getuigen S. en S..

Gelet op een door de politie verrichte tijdmeting moet Christel om 16.16 uur het huisje van oma hebben bereikt.

Uit de verklaringen van de heren zelf blijkt dat d.B. de Mercedes net voorbij de oprit neerzet en dat d.B. en V. dan het voertuig verlaten.

H.d.B. verklaart hierover als volgt:

Verklaring H.d.B., proces-verbaal no. 9403071035, map 1, A21, pagina 3, d.d. 07 maart 1994, afgelegd op 7 maart 1994 te 10.35 uur:

Ik stopte direct na de oprit naar de woning waar Christel zojuist in was gereden.

Dit spoort met de verklaring van S..

Verklaring G.S., proces-verbaal no. 940318.1000, afgelegd op 18 maart 1994, map 2, C 24, afgelegd op 18 maart 1994, omstreeks 10.00 uur:

Vlak voor de kruising met de Driewegenweg reed dat meisje voor ons op haar fiets en sloeg rechtsaf de Driewegenweg op. We reden daar nog steeds achter haar.

Op dat moment werden door W. en H. wat opmerkingen gemaakt over dat meisje.

Ik zei tegen die jongens "Gedij een beetje" omdat ik de opmerkingen een beetje grof vond.

W. zei onder andere dat hij dat meidje wel kende en dat hij haar wel eens genaaid had. H. zei toen dat hij haar ook wel eens wilde naaien. Dat meidje ging toen linksaf de oprit van het huisje op en H. stopte net iets voorbij de oprit. H. en W. stapten toen uit en liepen volgens mij iets door het bos in de richting van het huisje".

W.B. bevestigt deze gang van zaken.

Verklaring verdachte B., proces-verbaal no. 940321.1320 map 2, D23 d.d. 3, 21 maart 1994, afgelegd op 21 maart 1994, te 13.20 uur:

Toen wij op zondagmiddag 9 januari 1994 vanaf de Bosrand de Driewegenweg opreden, reden wij achter het meisje op een fiets.

Die fiets omschrijf ik als een fiets met brede banden. Op het moment dat wij het meisje rechts passeerde zei W. meteen daarop: "Stop ik moet er even uit". H. stopte net voorbij de inrit van het witte huisje.

Rond 18 over 4 rijdt de Mercedes weer verder, nu met S. aan het stuur en B., alsmede de honden, aan boord.

Op enig moment loopt S. na enig plassen, bier drinken en honden uitlaten weer terug naar de woning.

Dat doet hij echter niet vanaf de bekende kruising van de Driewegenweg en de Emmalaan.

Getuige G. die op dat moment langs Driewegenweg 41 naar de kruising met de Emmalaan loopt en om 16.19 een meisje in het pand Driewegenweg 41 ziet verklaart onder hypnose helemaal niemand gezien te hebben, ook niet op de bewuste kruising.

I: je loopt op die weg, het is zonnig het is stil. Het enige wat er staat zijn de huizen.

G: Ja.

I: Zoals ze er altijd staan. Je bent bij een huisje wat altijd verlaten is.

G: Ook weer een leuk huisje voor mijn broer in te komen. In de verte zien wij het hondje van het volgende huis. Een heel leuk hondje wat mijn zusje altijd wil aaien.

M. is bang dat het een enge hond is, maar wij stellen haar gerust, Ah dat hondje doet niks. Ook daar zijn geen mensen bij het hondje. Daar kijken we ook niet binnen in het huis.

I: Jullie lopen nog steeds door en zijn nog steeds geen mensen tegengekomen.

G: Nee.

I: En toen weer verder.

G: Hm.

I: Beschrijf maar wat je ziet als je verder loopt.

G: het laatste huis aan de linkerkant, daar zie je niet veel van. Hoor je ook niks, is ook niks wat opvalt. We lopen zo door naar het kruispunt. Steken we recht over.

I: Wat zie je op het kruispunt, zijn daar nog bijzonderheden?

G: Nee, normaal staan er altijd auto's van mensen die hun hond uitlaten, op dit moment niet.

I: Er staat geen auto, helemaal verlaten.

G: Ja, in ieder geval zoverre binnen mijn gezichtsveld.

I: Jullie lopen alsmaar met vieren over die weg. Het blijf stil en rustig in het bos.

G: Ja.

I: Het kruispunt waar normaal wat auto's geparkeerd staan is nu leeg. Jullie steken het kruispunt recht over.

G: Ja.

Deze constateringen van getuige G. tonen overduidelijk aan dat het niet op alle plaatsen in het bos op die bewuste dag op alle momenten vreselijk druk was en dat daar zeer wel onopgemerkt activiteiten konden worden ontplooid.

Menigeen zal nog wel voor de buis hebben gehangen om de belangrijkste ritten van het schaatsen inclusief de laatste rit van Ids Postma tegen Storelid en de huldiging van Rintje Ritsma te bekijken.

Om half 5 komen mevrouw G. en een aantal andere personen wel de Mercedes tegen, maar die bevindt zich dan op de Van Eeghenlaan.

De portieren gaan open en er springen twee honden uit.

Het rapport van de misdaadanalist P.R. Smit, (d.d. 4 maart 2002, pagina 4) behelst de navolgende overeenstemming in verklaringen over datgene wat er dan plaatsvindt.

Verklaring getuige L.C.G. (map 2 / 12.0)

Nee, niet donker. En die stopt net in het bochtje van de weg. Als we d'r vlak bij zijn. M'n zusje laat…. Net ons hondje los terwijl de autodeuren open gaan. Er worden twee honden naar buiten, of die springen naar buiten.

Een hond die komt heel eng op ons af, zo met zijn kop naar beneden een heel raar beetje vieze hond is het. Hij kijkt een beetje raar uit zijn ogen. M., mijn schoonzusje, pakt gelijk Snowy op, ons hondje. Twee, er is een zwarte hond en een gele hond.

Verklaring getuige M. van H., (Map 2 / 13.0)

Toen wij in de buurt kwamen rende die zwarte naar mij toe. Toen ik mijn hondje Snowy optilde. De beige hond bleef bij de auto".

Ook de combinatie tussen twee personen in een Mercedes en de twee honden blijkt overeen te komen.

Misdaadanalist Smit geeft een overzicht van de opmerkelijk overeenstemmende verklaringen

Verklaring S. : (Map 2 / C1)

Ik had die morgen mijn twee honden bij me, een zwarte en een geelachtige. De zwarte is een kruising met een Labrador (kortharig) en de geelachtige is een kruising tussen de Pool en een golden Retriever (langharig)

Verklaring W.B.: (Map 2 / D1)

Hij heeft een witte en een zwarte hond. Die witte heeft hij pas…. Hij lijkt een beetje op een Labrador.

Verklaring L.C. G.: (Map 2 / 12.0)

Twee, er is een zwarte hond en een gele hond.

Verklaring M. van H. (Map 2 / 13).

In die auto zaten twee mannen. Zij lieten twee honden uit de auto, een zwarte hond en een roomkleurige Labrador….. Met roomkleurig bedoel ik niet wit, noch bruin doch beigeachtig….De beige hond bleef bij de auto.

Verklaring M.v.R.: (Map 2 / 15.0)

Ik zag dat het rechterachterportier open werd gemaakt van binnenuit en dat er twee honden uitsprongen. De honden omschrijf ik als volgt:

- Een zwarte hond, bastaard, ras onbekend, kortharig, zag er goed uit, volwassen;

- Een geelachtige/beige hond, bastaard, ras onbekend, kortharig, zag er goed uit, volwassen.

M. van H. pakt als gezegd geschrokken het hondje Snowy op. (Map 2 / 13.0 proces-verbaal no. 940121.1326 d.d. 24 januari 1994, afgelegd op 21 januari 1994 te 13.26 uur)

Toen wij in de buurt kwamen rende die zwarte naar mij toe, toen ik mijn hondje Snowy optilde. De beige hond bleef bij de auto.

Dit unieke detail wordt in de kern volstrekt onderteund door de verklaringen van G. S. en W.B. Verklaring W.B.: (Map 2, D1, proces-verbaal no. 940208.1700, d.d. 09 februari 1994, afgelegd op 8 februari 1994, omstreeks 17.00 uur):

Wel heb ik een vrouw en man gezien met een rashondje. Ik dacht dat tenminste. Die vrouw heeft dat hondje opgepakt….. Waar dat precies was, weet ik niet. Volgens mij liep het zwarte hondje toen buiten….. Het was niet tijdens het honden uitlaten op de Eeghenlaan. Het was volgens mij ervoor.

Verklaring W.B. (Map 2 D1, proces-verbaal no. 940210.1400, d.d. 10 februari 1994, afgelegd op 10 februari 1994 omstreeks 17.00 uur):

Toen die zwarte buiten liep heb ik een vrouw gezien. Ze had een klein beestje. Een rashondje….
Die vrouw pakte ineens dat hondje op. Volgens mij was ze bang dat die zwarte zou bijten".

Verklaring W.B.: (Map 2, D6, proces-verbaal no. 940213.1255, d.d. 13 februari 1994, afgelegd op 13 februari 1994, omstreeks 13.55 uur):

...nu werden de beide honden uit de auto gelaten. Ik heb reeds verklaard, dat ik gezien heb dat door een vrouw een klein bruin/wit hondje ….. werd opgetild…… Over de plaats waar dit gebeurde ben ik niet geheel zeker".

Verklaring G.S.": (Map 2, C8, proces-verbaal no. 940215.1805, d.d. 15 februari 1994, afgelegd op 15 februari 1994, omstreeks 18.05 uur):

U vraagt mij of wij toen die middag een vrouw en twee meisjes zijn tegengekomen met een hondje.

Toen ik met W. rondreed. Ik kan mij zoiets herinneren. Als ik mij goed herinner liep de oudere vrouw, die jonger is als mij aan de linkerkant gezien vanuit mijn rijrichting. Deze mensen kwamen mij tegemoet. Voor mij gezien rechts liepen de twee meisjes.

Toen ik aankwam gingen ze aan de kant…..Ik zie nu voor me dat het een wit hondje was. U vraagt mij of ik dit verklaar omdat u mij al in een eerder verhoor heeft gevraagd naar een wit hondje? Dat is niet zo. Het staat mij nu zo voor mijn geest. Het hondje werd opgetild door een van de vrouwen".

Om half 5 ziet een getuige vanuit haar auto bij Driewegenweg 41 geen auto staan. Om 10 voor 5 ziet de familie H. de Mercedes op de kruising Wilhelminalaan-Postweg.

Over dit tijdstip is tijdens de zitting enige onnodige verwarring gerezen omdat de president de heer Smit confronteerde met half 5 als eindtijd van de laatste schaatsrit van het EK 1994.
En van half 5 was de heer Smit, overigens volkomen terecht, niet uitgegaan.

Volkomen ten onrechte zijn het betoog van de heer Smit en de tijdbalk van de analisten op dit punt op de korrel genomen.

Mevrouw H. verklaart uiteenlopend over het moment waarop men het TV- kijken staakte.

Dat noopt beslist tot voorzichtigheid.

Ik meen echter dat de heer Smit op goede gronden, gelet op de aard van de verklaring, maar ook gezien de samenhang met andere verklaringen en de latere waarneming van de Mercedes, heeft besloten uit te gaan van 16.45 uur als cruciaal tijdstip.

Mevrouw H. verklaart namelijk (Map 2, 9.3. proces-verbaal no. 940216.1514, d.d. 16 februari 1994, afgelegd op 16 februari 1994, omstreeks 15.14 uur):

Na de laatste rit, kwam gelijk het lege podium in beeld. Direct daarop ben ik met mijn man gaan wandelen zoals ik eerder heb verklaard.

Uit de gegevens die ik bij het NOB heb opgevraagd en die aan het hof zijn overgelegd blijkt dat de laatste rit niet die van Rintje Ritsma was, maar die tussen Postma en Storelid.

Deze laatste rit eindigde ook niet om half 5, zoals aanvankelijk werd verondersteld, maar om 16.45 uur, zoals het NOB meldde.

Daarmee ging de heer Smit van een volstrekt juiste premisse omtrent de schaatstijden uit en blijft de tijdbalk op dit punt - uiteraard los van de waardering van de daarin gebruikte verklaringen - intact.

Als gezegd ziet de familie H. vanuit de analyse om 16.50 uur de later als Mercedes van S. herkende auto met twee mannen erin vanaf de Driewegenweg over de Wilhelminalaan rustig rijden richting de Postweg.

De Mercedes rijdt vervolgens, zo blijkt uit de wandelroute en de waarnemingen van het echtpaar H., nog een rondje over de Driewegenweg.

Dat moet dan het moment zijn geweest waarop d.B. en V. weer zijn ingestapt, waarna het echtpaar H. de auto in hetzelfde bosperceel voor de tweede keer ziet op de kruising Driewegenweg- Wilhelminalaan.

Het is dan in de analyse 16.53 uur en de heer v.S. ziet een Mercedes aan komen rijden met een zijns inziens veel te hoge snelheid.

Zowel d.B., B. als S. hebben over het harde rijden verklaard.

Verklaring getuige v.S. (Map 3, 61-1, proces-verbaal no. 940302.0900 d.d. 2 maart 1994, afgelegd op 2 maart 1994, omstreeks 09.00 uur):

Op uw vraag of ik op zondag 9 januari 1994 tijdens mijn wandeling in het bos een mokka c.q. groene auto ben tegengekomen en waarbij ik gelijktijdig met mijn hoofd heb staan schudden, kan ik u het volgende verklaren.

Wat ik mij kan herinneren is dat ik tijdens een wandeling in het bos waarover ik eerder heb verklaard, een auto ben tegengekomen. Deze auto werd bestuurd door een manspersoon in de leeftijd van ongeveer 25 jaar oud. Dit laatste zit bij mij heel diep weg. De rijstijl van deze bestuurder was nogal ruig. Uit ergernis schudde ik mijn hoofd.

H.d.B. bevestigt deze gang van zaken (Verklaring van H.d.B.):

Map 3, A 78, proces-verbaal no. 940525.1107 d.d. 25 mei 1994,afgelegd op 25 mei 1994, omstreeks 11.07 uur:

Ik reed wel iets harder dan normaal, daar wij toch al laat waren en nog moesten eten. Ik kwam toen op de Emmalaan die man tegen die met zijn hoofd stond te schudden.

Ook S. verklaart over het woeste rijgedrag.

Verklaring van G.S. (Map 2, C 31, proces-verbaal no. 940330.1450 d.d. 30 maart 1994, afgelegd op 30 maart 1994, omstreeks 14.50 uur):

H. ging achter het stuur zitten en scheurde als een idioot weg.

W.B. weet ook nog precies dat er hard werd gereden

Verklaring van W.B. (Map 3, D 28, proces-verbaal no. 940519.1300 d.d. 19 mei 1994, afgelegd op 19 mei 1994, omstreeks 13.00 uur):

H. reed toen vrij fors weg. Er stond toen een man die aangaf dat we wat kalmer moesten rijden.

Tenslotte keert de auto bij schemer weer terug aan de Weverstraat. Onderweg wordt er - zo verklaart S. - nog iets uit het raam gegooid.

Verklaring G.S. (Map 2, C 52, proces-verbaal no. 940510.0945 d.d. 10 mei 1994, afgelegd op 10 mei 1994, omstreeks 09.45 uur):

H. gooide op de terugweg volgens mij iets uit de auto ter hoogte van camping Ravennest bij Krachtighuizen.

Verklaring G.S. : (Map 3, C55, proces-verbaal no. 940517.1300 d.d. 17 mei 1994, afgelegd op 17 mei 1994, omstreeks 13.00 uur):

Ik heb jullie vorige week een plek aangewezen in Krachtighuizen waar H. iets uit het open rechterportierraam weggooide. Dat was vlakbij camping Ravennest.

Wat H. weggooide weet ik niet. Ik weet alleen dat hij mij vroeg het rechterportierraam naar beneden te draaien en een armbeweging maakte alsof hij iets door het open raam weggooide. Dat was aan de rechterkant van de auto op de plek die ik jullie heb aangewezen.

Ik kon toen niet zien wat hij weggooide omdat het toen al bijna donker was. H. reed op dat moment en ik zat rechts naast hem".

Verklaring H.d.B. (Map 1 A 47, proces-verbaal no. 940413.1430 d.d. 13 april 1994, afgelegd op 13 april 1994, omstreeks 14.30 uur):

Vervolgens rijd ik naar de woning van G. aan de Weverstraat….Het was al later dan anders. Het schemerde al.

Verklaring G.S. (Map 2, C 15, proces-verbaal no. 940222.1305 d.d. 22 februari 1994, afgelegd op 22 februari 1994 omstreeks 13.05 uur):

Tegen schemer kwamen we bij de Weverstraat, mijn woning.

Verklaring W.B. (Map 2 D 6, proces-verbaal no. 940213.1255, d.d. 13 februari 1994, afgelegd op 13 februari 1994, omstreeks 12.55 uur):

…..,waarna we weer op de Weverstraat uitkwamen.

Ik weet nog dat het op dat moment begon te schemeren.

Verklaring W.B. (Map 20, D 20, proces-verbaal no. 940315.1330, d.d. 16 maart 1994, afgelegd 15 maart 1994, omstreeks 13.30 uur):

Volgens mij stond P. op de dam bij het huis van G. toen wij thuiskwamen.

Verklaring P.R. (Map 3, 27.0, proces-verbaal no. 9402101100 d.d. 10 februari 1994, afgelegd op 10 februari 1994, omstreeks 11.00 uur):

Toen ik kwam aanlopen, zag ik dat de groene Mercedes van G. vanuit tegenovergestelde richting kwam aanrijden. Toen ik op de dam stond zag ik dat H. achter het stuur en G. er naast zat.

Ik weet niet precies hoe laat het was maar het ging tegen schemer aan.

In dit verband is het nog interessant te vermelden dat uit het tactisch journaal en aanvullend onderzoek blijkt dat er nooit en te nimmer een andere groene Mercedes, eventueel bestuurd door de heer v.W. of iemand anders, serieus als verdachte auto bij de politie in beeld is kunnen komen. Laat staan dat deze inhoudelijk zou zijn onderzocht.

Blijkens een mutatie van de politie viel de Mercedes van Wincoop al direct af vanwege een volstrekt afwijkend type.

Pas op 23 maart 1994 komt blijkens het tactisch journaal, een andere v.W., ook wel bekend als Rooie Roel, als connectie van S. in beeld. Edoch, deze v.W. blijkt, zo lezen we in het tactisch journaal, niet over een Mercedes te beschikken.

De belangrijke conclusie moet dan ook zijn dat er nooit een andere Mercedes en zeker ook geen andere groene Mercedes dan die van G.S. bij de politie in beeld is geweest.

4.5. Op de plaats delict geweest?

De vier mannen in de Mercedes hebben allen verklaard dat zij bij en op de plaats van het delict zijn geweest.

Dat verbaast op zichzelf niet vanuit de tamelijk onontkoombare conclusie dat zij die middag zijn wezen rijden.

Ik heb al aangegeven dat deze mannen de geloofwaardigheid van hun gehele verhaal volledig hebben opgehangen aan de juistheid van de stelling dat ze helemaal niet zijn wezen rijden die dag.

Naar mijn gevoel is op dit punt van mijn betoog het Puttener kaartenhuis al ingestort en ik kan me niet kan voorstellen dat het soms intens gekoesterde geloof in de mooie verhalen van de twee van Putten inmiddels niet een gevoelige knauw moet hebben gekregen.

Ofschoon de beide heren als gezegd alles ophangen aan hun aanwezigheid in het bos -en dat ze er geweest zijn daarvan ben ik overtuigd - ga ik toch na of bewezen kan worden dat ze de feiten hebben gepleegd.

Immers, we moeten in elk geval de mogelijkheid onderzoeken dat de heren over hun aanwezigheid in het bos hebben gelogen, omdat er voor hen op een gegeven moment geen weg meer terug was. Daarbij is in beginsel ook denkbaar dat ze, ofschoon ze in het bos zijn geweest andere personen uit de wind houden.

Uiteraard moet ook nog nagegaan worden of de bekennende verklaringen en getuigenverklaringen die inhouden dat d.B. en V. verantwoordelijk zijn voor de verkrachting en levensberoving onder ontoelaatbare druk zijn verkregen.

Kortom, de vraag is dus: zou het mogelijk kunnen zijn dat ze wel in het bos en op de plaats van het delict zijn geweest maar niet de verkrachting en de dood van Christel Ambrosius op hun geweten hebben?