We hebben 253 gasten online

Deel 8 Puttense moordzaak

Gepost in Strafzaken

Vervolg requisitoir Advocaat-Generaal 9 april 2002 Leeuwarden

4.5.1. Sporen

Gedurende het opsporingsonderzoek is een aantal sporen veiliggesteld.

Veelbesproken in dit verband is een aantal vezels. Het gaat om bruine en roze vezels. Op een housebroek van d.B. zijn drie vezels aangetroffen en daarbij is sprake van een combinatie van de twee kleuren die ook in een uniek matje en vloerkleedje van de oma van Christel voorkwamen.

Lange tijd is aangenomen dat dit het enige technische bewijs was dat de beide heren aan de plaats van het delict lieerde

Het onderzoek in 1994 wees uit dat de onderzochte vezels technisch niet te onderscheiden waren van vezels uit het vloerkleed en de mat in het huis van de oma van Christel.

Onderzoek met verfijndere technieken, die in 1994 nog beschikbaar waren, heeft uitgewezen dat er wel degelijk onderscheid valt te maken.

Ik meen dan ook dat het vezelspoor met de kennis van nu niet voor het bewijs kan worden gebezigd.
Bepaaldelijk anders ligt dat met het resultaat van het recente onderzoek naar het DNA-extract van een schaamhaar en van die schaamhaar zelf ( nr. 35) dat door de heer De Knijff is verricht.

Nadat morfologisch onderzoek door mevrouw De Vreede indertijd al grote overeenkomsten met het schaamhaarpalet van W.V. had opgeleverd komt de heer De Knijff nu na hypermodern mitochondriaal DNA-onderzoek tot de navolgende conclusie:

Het mt-DNA-profiel …… kwam volledig overeen met eenzelfde profiel van verdachte RDA509V1

De bedoelde verdachte is W.V.. Dat gegeven staat als een huis.

De omstandigheid dat volgens het rapport van de heer De Knijff ook vrouwelijke verwanten van V. en een aantal andere mannelijke personen over een vergelijk profiel zouden kunnen beschikken doet mijns inziens aan de keiharde conclusie van de volledige overeenstemming niets af.

Het is namelijk bepaaldelijk niet zo dat er over heel Nederland of over verre windstreken verspreid talloze personen voorzien zijn van vergelijkbare schaamharen.

De als altijd - en terecht - uiterst voorzichtige heer De Knijff, die gisteren voor uw hof beaamde dat van een opmerkelijke uitslag sprake is, kan de mogelijkheid niet uitsluiten dat er via al dan niet vage familiaire connecties met V. een onbekend aantal vergelijkbare profielen is.

Maar deze volledige overeenstemming kan mijns inziens - ook in het licht van de rest van het dossier - geen toeval zijn. Ik zie de schaamhaar als een daderspoor.

Ik merk - nu we het over gebrek aan toeval hebben - nog op dat mevrouw De Vreede indertijd bij haar morfologisch onderzoek enigszins gehandicapt werd door een bizarre gang van zaken rond een door W.V. aangeleverd schaamhaarmonster

In een brief aan de griffier van het Arnhemse gerechtshof van 14 september 1995 schrijft mevrouw De Vreede:

Het extra schaamhaarmonster .. bleek afgeknipt /afgesneden/ afgeschoren te zijn..

En dat afscheren of afknippen geschiedde precies op een voor het onderzoek cruciale plek. Het is allemaal iets teveel toeval.

4.5.2. Overige sporen

Van de overige sporen die op de plaats van het delict zijn aangetroffen heb ik de kwestie van het sperma reeds besproken.

Ik heb vastgesteld dat het aangetroffen spoor op het bovenbeen naar het oordeel van nationale en internationale deskundigen zeer wel door versleping of uitpersing na een eerder sexueel contact kan zijn ontstaan.

Inmiddels is tijdens het door mij gelaste nader onderzoek door het NFI een bloedspoor op de broek van het slachtoffer aangetroffen, dat acht jaar geleden door de onderzoekers over het hoofd is gezien en dat nu blijkt te matchen met het sperma en de haren.

Daarnaast zijn er op diverse opmerkelijke plaatsen aanrakingssporen aan de broek van Christel aangetroffen, maar die zijn van haar broer afkomstig.

Tenslotte heeft het onderzoek van de heer De Knijff nog uitgewezen dat er nog een andere schaamhaar dan die van V., en wel van een nieuwe onbekende man, op Christel is aangetroffen.

Op zichzelf geeft een deel van die sporen natuurlijk voeding aan de gedachte dat wellicht iemand anders of anderen bij de levensberoving van Christel Ambrosius betrokken is of zijn geweest.

Maar zoals er voorzichtigheid geboden is bij het interpreteren van sporen in het nadeel van de beide heren, zo is het ook nodig prudent om te gaan bij het interpreteren van sporen die in het voordeel van de heren zouden kunnen worden uitgelegd.

Zo is het niet duidelijk wanneer de bloedvlek is ontstaan en is ook ten aanzien van de aanrakingssporen niet duidelijk van welk tijdstip die dateren.

Voorts moge duidelijk zijn dat degene die sporen op het slachtoffer heeft achtergelaten iets uit te leggen heeft, maar kan omgekeerd aan het ontbreken van traceerbare sporen geen krasse conclusie worden verbonden. De heer Kloosterman heeft gisteren op dit punt wijze woorden gesproken.

Niettemin wordt door met name de veeg op de broek weer een nieuwe verrassing aan deze zaak toegevoegd.

Het is echter - mede in het licht van de inmiddels aangetroffen schaamhaar die volledig overeenstemt met de haren van V. - geen verrassing die afbreuk doet aan de constatering dat het viertal die middag in elk geval is gaan rijden en dat er, ook aan de hand van de verklaringen, een tijdsanalyse valt te construeren die aantoont dat men bij het pand Driewegenweg 41 is geweest.

4.5.3.Daderwetenschap

Als we de verklaringen die de vier centrale betrokkenen en P.R. hebben afgelegd in ogenschouw nemen dan is het opvallend dat er naast diverse inconsistenties een groot aantal overeenkomsten is.

Die betreffen niet alleen de melding van het feit dat men die zondag is gaan rijden en bij schemer weer terugkeerde, maar ook de vaststelling dat Christel Ambrosius door d.B. en V. is verkracht en door d.B. is neergestoken.

In het rapport van de misdaadanalisten wordt een overzicht gegeven van talloze saillante punten waarin de verklaringen overeenstemmen.

Overigens is het daarbij interessant vast te stellen dat er op details dan soms weer verschillen zijn waar te nemen.

Maar dat bevordert mijns inziens het beeld van authenticiteit.

Indien de verhoorders erop uit zouden zijn geweest verklaringen op elkaar af te stemmen dan waren de kleine "vuiltjes" die we af en toe waarnemen ook wel weggewerkt.

De saillante overeenkomsten in de verklaringen betreffen onder meer de samenstelling van de groep bij het vertrek vanaf de woning van S. , de waarneming van een fietsend meisje waar men achteraan gaat rijden, de hitsige opmerkingen die vervolgens werden gemaakt, het zwaaien door W. , het stoppen nabij de oprit, waarna de betrokkenen een aantal opmerkelijke waarnemingen doet betreffende de plaats van het delict.

Voorts stemmen de verklaringen overeen op het punt dat twee man uit de auto zijn gestapt en vervolgens de woning betreden.

Dit tweetal, d.B. en V., doet vervolgens een serie opmerkelijke waarnemingen in de woning.
Hetzelfde geldt trouwens voor G.S..

Ook ten aanzien van het overmeesteren van het slachtoffer, de wijze waarop Christel bij schouder en arm werd beetgepakt, werd betast en werd vastgehouden vinden we overeenkomsten in de verklaringen.

Hetzelfde geldt voor de steekbewegingen die ook door S. en B. zijn waargenomen.

Zeer saillant is ook de kwestie van de verwurging die door de ervaren judoka d.B. is gebruikt.

Hij verklaart daar zelf over en anderen geven onafhankelijk van elkaar weer wat ze van H. hierover hebben gehoord.

Verklaring H.d.B., (Map 1, A 38, proces-verbaal no. 940405.1310 d.d. 05 april 1994, afgelegd op 5 april 1994, omstreeks 13.10 uur):

Het is een kwestie van een paar seconden en ik zet een verwurging door met mijn duimen de bloedtoevoer naar de hersenen te stoppen…. Hierdoor raakt ze van de wereld.

Verklaring H.d.B., (Map 1, A 47, proces-verbaal no. 940413.1430 d.d. 13 april 1994, afgelegd op 13 april 1994, omstreeks 14.30 uur):

Direct hierop zet ik de verwurging aan door met mijn duimen of vingers haar slagaders in haar nek dicht te drukken. Ik doe dit opzettelijk en met kracht. Het is een judotrucje.

Verklaring W. V., (Map 1, B 23, proces-verbaal no. 940222.1145 d.d. 22 februari 1994, afgelegd 22 februari 1994, omstreeks 11.45 uur):

Hij kent een trukje, dat hij maar een zenuw of plekje hoeft in te drukken om iemand buiten westen te krijgen. .

Verklaring W. V.: (Map 1, B 36, proces-verbaal no. 940406.1000 d.d. 06 april 1994, afgelegd op 5 en 6 april 1994):

H. heeft mij meerdere malen verteld dat wanneer je iemand wil uitschakelen, je deze persoon achter de oren en de hals moet drukken. De persoon is dan een tijdje buiten bewustzijn. H. vertelde mij wel dat hij dit trucje ook wel toepaste tijdens zijn judoverleden.

Verklaring G.S. (Map 2, C 36, proces-verbaal no. 940407.2100 d.d. 07 april 1994, afgelegd op 7 april 1994 omstreeks 21.00 uur):

….. deed hij met zijn handen voor hoe hij haar keel met twee handen had geprobeerd dicht te drukken.

Verklaring G.S. (Map 2, C 47, proces-verbaal no. 940428.1045 d.d. 28 april 1994, afgelegd op 28 april 1994 omstreeks 10.45 uur):

H. vertelde mij ook dat hij eerst heeft geprobeerd haar dood te drukken door op de zijkant van haar hals op die bultjes te drukken zodat ze zou stikken.

Verklaring G.S. (Map 2, C 50, proces-verbaal; no. 940509.1400 d.d. 09 mei 1994, afgelegd op 9 mei 1994 omstreeks 14.00 uur):

H. heeft mij alleen gezegd dat hij haar met de handen doodgedrukt had door middel van een soort verwurging.

Ook met betrekking tot het verloop van de gebeurtenissen in het huisje van oma, met name de gebeurtenissen in de hal en het gangetje, de staat van bewusteloosheid van het slachtoffer, de volgorde waarin de verkrachtingen plaatsvonden, het slaan van Christel en de wijze waarop zij in de woonkamer lag zijn de overeenkomsten in de verklaringen treffend.

Hetzelfde kan gezegd worden van de wederwaardigheden van B. en S. tijdens hun ritje door de bossen.

Er is al ter zitting en ook in dit betoog de nodige aandacht geschonken aan het uitermate in het oog springende detail over een van de vrouwen die men tegenkomt en die dan een hondje optilt.

Dat het hondje "Snowy " in de verklaringen soms lichtelijk van kleur verschiet is alleen maar een teken dat de verklaringen niet door de verhoorders en detail zijn afgedwongen en op elkaar zijn afgestemd.

Verder is er een treffende overeenkomst in de verklaringen waar het gaat om de volgorde waarin men gevieren weer in de auto gaat zitten en de Driewegenweg 41 verlaat, waarbij het struikelen van W. een saillant punt is, alsmede het plotseling snelle optrekken van de Mercedes.

Tenslotte stemmen de verklaringen opvallend overeen waar het gaat om de afspraken die er direct in de auto al zijn gemaakt om te zwijgen.

Dat de verklaringen die door d.B., V., S. , B. en R. zijn afgelegd in alle opzichten uitblinken in helderheid en consistentie kan bepaaldelijk niet gesteld worden.

Er worden in de verklaringen ook volstrekt onzinnige dingen geroepen.

Ook kan niet gezegd worden dat de verklaringen, en daar heeft met name de heer Blaauw zonder meer gelijk in, antwoord geven op alle vragen die in deze zaak gesteld zouden kunnen worden.

Niettemin zien we op hoofdpunten overeenkomst en die overeenkomst is er ook op een groot aantal details.

Die overeenkomsten zijn te opvallend om als irrelevant af te doen en kunnen mijns inziens alleen maar ter discussie komen indien we zouden moeten aannemen dat in de vier verhoorkamers gelijktijdig paranormale verschijnselen zijn opgetreden, verhoorde personen de daderkennis elders dan op en bij Driewegenweg 41 zouden hebben opgedaan of verklaringen door de verhoorders zouden zijn afgedwongen of op elkaar zouden zijn afgestemd.

5. Het onderzoek door de politie

In de discussies over de Puttense zaak heeft de nadruk gelegen op het mogelijk falen van het Recherche Bijstandsteam.

Er is ook veel kritiek geweest op het technisch onderzoek door de politie en het NFI.

Ik zal daar verder niet al te diep op ingaan, maar wil uiteraard niet verhelen dat er bij het onderzoek naar met name de spijkerbroek van Christel Ambrosius fouten zijn gemaakt door het NFI.
Inmiddels heeft men zich in deze zaak echter zeer goed gerevancheerd.

Verder moge duidelijk zijn dat er nogal wat mis is gegaan met de beoordeling van de later zo belangrijk geworden geleiachtige substantie.

Dat betreft de waarneming, het fotograferen, het opnemen van het monster en de analyse bij het NFI waarbij veel te weinig aandacht is geweest voor dat deel van de substantie die niet uit sperma bestond.

Ik zeg daar wel bij dat de onderzoekers toentertijd uiteraard niet konden bevroeden dat juist dit spoor later zo'n cruciale rol zou gaan spelen.

Maar nu terug naar het tactisch onderzoek.

Als we het tactisch journaal bezien dan komt daaruit het beeld naar voren dat aanvankelijk de aandacht vooral uitging naar een zekere G. D. en later de bekende vier heren in de Mercedes in beeld komen. Die worden dan uiteindelijk - mede vanwege hun gedraai en gekonkel over het alibi - ook als verdachten gehoord.

Dan gaat er volgens het bekende verhaal van alles mis.

Verklaringen zouden onder zware druk zijn verkregen, waarna alle vier de betrokkenen overstag zijn gegaan en hebben bekend, respectievelijk een getuigenis hebben afgelegd.

Nu is er buiten de verhoorders en de vier betrokkenen niemand die bij de verhoren aanwezig is geweest.

Er is ooit veel te doen geweest over de video-opnamen die van de verhoren zijn gemaakt en die werden overgespoeld.

Inmiddels is wel duidelijk geworden dat het bewaren van video-opnamen van verhoren toentertijd geen gebruik was en ook zeker niet verplicht was.

Ook vanwege de financiën - de heer Van Koppen wees daar hier ter zitting al op - werden videobanden hergebruikt.

Men moest indertijd bij de politie op de kleintjes letten.

Tegenwoordig worden er wel regelmatig video-opnamen van verhoren gemaakt, ook om de zonder opnamen onverifieerbare verhalen over ontoelaatbare druk te kunnen weerleggen.

Enig bewijs voor ontoelaatbare druk is er in deze zaak nooit geweest.

Toch neemt vanaf het begin van alle ophef over deze zaak menige buitenstaander op de blauwe ogen van de betrokkenen aan dat ze onschuldig zijn en dat er zich diverse ongeoorloofde praktijken in de verhoorkamers zouden hebben voorgedaan en dat dan ook nog eens een keer vier keer tegelijk.

Een treffend voorbeeld van het heilige geloof in de onschuld van de heren vormt het betoog van de heer Blaauw in zijn bekende boek ( conclusie 6, pagina 306):

De reconstructie binnen de (familie) kring van betrokkenen geeft alle aanleiding om ervan uit te gaan dat het viertal die zondagmiddag inderdaad niet met de Mercedes is wezen rijden.

Maar zelfs al zou dat wél het geval geweest zijn, dan nog blijft overeind dat zij geen van allen, inclusief de Mercedes, bij de plaats delict zijn gezien.

Dat kon trouwens ook niet, want zij zijn er doodeenvoudig niet geweest.

Tja, zo kun je een probleem wel heel simpel wegredeneren.

Deze wijdverbreide vorm van goedgelovigheid en het vertrouwen in de oprechtheid van de heren die - waar het om de verhoren gaat - kennelijk schril afsteekt in het vertrouwen in te goeder naam en faam bekende politiemensen over wie stuk voor stuk nog nooit een klacht is binnengekomen heeft mij ook dezer dagen weer hogelijk verbaasd.

Wellicht is er her en der sprake van omgekeerd provincialisme dat erop neer komt dat men in Putten of elders buiten de Randstad als vanzelfsprekend amateuristisch en broddelig politiewerk zou moeten verwachten.

Ik meen dat de feiten - denk recentelijk nog maar eens aan de zaak van het meisje van Nulde - die attitude misplaatst maken.

Wellicht is er ook de behoefte aan een meeslepend verhaal.

Het klinkt ook zo mooi: vier totaal onschuldige mannen die op zekere dag zonder enige aanleiding van hun bed worden gelicht en aan ellenlange slopende verhoren worden blootgesteld waarna ze alle vier murw gebeukt doorslaan en de politie het verhaal vertellen dat men wil horen.

Als de heren d.B. en V. dat vervolgens maar vaak genoeg vertellen wordt het sprookje vanzelf waar.

Ik meen dat de werkelijkheid, voor zover we volledig zicht kunnen krijgen op de contouren ervan, aanzienlijk weerbarstiger is.

5.1. De rol van de officier van justitie en de rechter-commissaris.

Het opsporingsonderzoek in deze zaak stond onder leiding van de heer Klunder, een functionaris waarvan rechter-commissaris Honig heeft verklaard dat deze "zeer serieus" met de zaak bezig is geweest.

Dat wekt geen verbazing omdat we hier te maken hebben met een als onkreukbaar bekend staande en ervaren vertegenwoordiger van het openbaar ministerie met een zeer magistratelijke inslag.

Hij heeft verklaard een aantal verhoren te hebben bijgewoond waarbij hem niets van ongeoorloofde praktijken is gebleken.

Ook de heer Klunder werd geconfronteerd met het onverwachte fenomeen dat het gevonden sperma niet tot het viertal viel te herleiden.

De door de heer Eskes verschafte informatie bood in zijn visie een acceptabele verklaring.

Twijfels over een andere toedracht legden het vervolgens - als ik het goed begrijp - vooral af tegen de kracht van de twee getuigenverklaringen en de beide bekentenissen.

Op cruciale momenten, als toetsing door de rechter van belang werd geacht, werd onmiddellijk rechter-commissaris Honig ingeschakeld.

Ook deze heeft hier onder ede verklaard dat hem van ongeoorloofde druk niets gebleken is.

Voorts heeft het verhoor van de heer Honig door uw hof mijns inziens aangetoond dat deze rechter zeer alert is geweest op mogelijke signalen op dit punt.

Ik wijs op zijn kordate optreden nadat hij een brief van de raadsman van S. had ontvangen.

Tenslotte kan gesteld worden dat de heer Honig zeer zorgvuldig te werk is gegaan bij het afnemen van een aantal soms cruciale verklaringen.

Typerend is het bekende verhoor van S. waarbij deze in het bijzijn van zijn raadsman alle gelegenheid kreeg om over de consequenties van zijn verklaringen na te denken.

5.2. De verhoortactiek

In het recherchebijstandsteam in deze zaak werd gewerkt met verhoorkoppels die afzonderlijk opereerden aan de hand van een verhoorplan.

Er was voor gekozen de verhorende koppels zo min mogelijk met elkaars bevindingen te confronteren en de tactisch teamleider, de heer Baars, bleef zoveel mogelijk op afstand.

Op een aantal gegevens die uit het onderzoek naar voren waren gekomen rustte een embargo.

Onduidelijk is welke gegevens dat precies waren, het tandje en de verwurging zijn hier ter zitting wel genoemd.

Door met name de heer Blaauw is wel kritiek geoefend op deze verhoortactiek.

Hij meent - als ik het goed zie - dat alle verhoorders met zoveel mogelijk informatie gevoed dienen te worden.

Dat moge dan wellicht in de zestiger jaren gemeengoed zijn geweest, maar naar hedendaagse inzichten is het zeker zo dat recherchebijstandsteams regelmatig op de indertijd in Putten gehanteerde wijze opereren, vooral om authentieke daderwetenschap op het spoor te kunnen komen.

Wat er overigens zij van de discussie over de merites van de te volgen verhoortactiek, zeker is wel dat de tactiek die in deze zaak de facto is gehanteerd de meeste kans biedt op betrouwbare resultaten en voorkomt dat het ene koppel tot in details op de hoogte raakt van details die uit andere verhoren naar voren komen.

Het biedt de beste garantie op resultaten die niet in vier verhoorkamers tegelijk worden voorgekookt.

5.3.Integere verhoren

De bij de verhoren betrokken politiemensen hebben hier ter zitting verklaringen afgelegd over de wijze waarop de verhoren hebben plaatsgevonden.

Dat is gebeurd tegen de achtergrond van de door menigeen zonder enige kritische toets overgenomen beschuldigingen die door met name d.B. zijn geuit over intimidaties en druk en tegen de achtergrond van een uitwendige analyse van de verhoren door de heer Van Koppen.

Deze deskundige heeft vervolgens zijn conclusies getrokken uit de verhoren die door uw hof hier ter zitting zijn afgenomen.

Overigens hebben de verhoorders voorafgaande aan hun ondervraging door het hof op de rechercheschool in Zutphen een getuigentraining ondergaan, waarbij niet inhoudelijk op de zaak is ingegaan.

De heer Van Koppen heeft in dit verband gesproken van een prima idee, dat uitstekend heeft uitgepakt voor de behandeling hier bij uw hof

Verklaring deskundige P.J. van Koppen, proces-verbaal terechtzitting d.d. 13 februari 2002, vervolgblad no. 24:

Ik heb de map van de rechtbanktraining gezien. Wat me opviel is dat ze na de Urkazaak geleerd hebben om niet over de zaak te praten. Aan de Urkazaak wordt ook uitgebreid gerefereerd. Voorts viel me op dat de mensen de aanwijzingen ter harte hebben genomen. In een zaak waar veel druk op staat is zo'n training heel verstandig.

Allereerst is het nu denk ik goed om vast te stellen tegen welke achtergrond de verhoren hebben plaatsgevonden.

Nadat het viertal een aantal malen als getuige was verhoord ontstond er door de herkenning van de Mercedes van S. en het gedraai van de familie over het alibi op een zeker moment verdenking tegen het viertal.

Een verdenking die ook de heer Blaauw zonder meer kan billijken.

Het gaat daarbij om verdenking ter zake van kapitale delicten, opzettelijke levensberoving en verkrachting.

Voor theoretici die nog nimmer het zweet van de verhoorkamer hebben geroken is het begrijpelijkerwijs moeilijk voorstelbaar in welke sfeer verhoren bij dit soort delicten plaatsvinden en mijns inziens ook moeten plaatsvinden.

Zeer terecht stelt officier van justitie Klunder dat het niet om "een praatje bij de thee" gaat.

Politieman De Graaf, door B. als "kale dikke van de rijksrecherche" getypeerd was daar hier bij uw hof ook heel duidelijk over.

Met een stevig handgebaar maakte hij de spelregels duidelijk: de een verhoort en de ander geeft de antwoorden en daarbij moet je als ondervrager vasthoudend zijn.

Vrijwel elk verhoor door de politie zal druk op de verhoorde impliceren.

Maar dat behoeft geen bezwaar te zijn.

Ook in de reacties rond deze zaak klinkt regelmatig de misvatting door dat iemand die druk ervaart vervolgens per definitie onjuistheden gaat debiteren.

Hij kan bij een dergelijke druk zeer wel ook de waarheid gaan vertellen waar hij eerst wenste te zwijgen.

Maar er zijn natuurlijk wel grenzen.

Wat uiteraard voorkomen moet worden is dat een verhoorde dusdanig geïntimideerd wordt of zich dusdanig geïntimideerd voelt dat hij de onware antwoorden gaat geven die de ondervrager in zijn perceptie van hem verlangt.

Mijns inziens is op geen enkele wijze het dwaze verhaal aannemelijk geworden dat alle vier de betrokkenen door de verhorende koppels geïntimideerd zouden zijn.

Ik wens in dit verband wat langer stil te staan bij datgene wat de verhorende verbalisanten hierover bij uw hof onder ede hebben verklaard.

Verklaring getuige G. Vogelenzang, proces-verbaal terechtzitting 13 februari 2002, vervolgblad 5/6:

Ik ben er nooit van beticht een verdachte onder druk te hebben gezet, buiten deze zaak. Wij zijn overladen met integriteitsvraagstukken. Ik baal van alle insinuaties. Ik heb mijn integriteit hoog zitten.

Verklaring J.G.M. Brandts, proces-verbaal terechtzitting 13 februari 2002, vervolgblad 8:

Ik heb nooit enige opmerking over onder druk zetten gehad. De contacten met d.B. waren goed. De sfeer was prettig. De koffiekan stond op tafel en d.B. bood wel aan om dan ook voor ons koffie in te scH. en. Het kan een keer zijn gebeurd dat er met een vuist op tafel is geslagen en dat er met stemverhefffing werd gesproken. Dat was incidenteel.

Verklaring C.J. Bijl, proces-verbaal terechtzitting 13 februari 2002, vervolgblad 10:

Dit is de eerste keer dat ik bij een Hof kom wegens gesteld onheus bejegenen. V. gaf aan zich op zijn gemak te voelen bij mij. Ik gaf dan wel aan dat hij met een politieagent zat te praten. Ik bleef zakelijk. De verklaringen zijn steeds voorgelezen aan V.. Ik heb last van alle publiciteit in deze zaak. Ik heb mijn werk echter naar eer en geweten gedaan.

Verklaring L. Koopmans, proces-verbaal terechtzitting 13 februari 2002, vervolgblad 12:

De sfeer tussen Bijl, V. en mij was harmonieus. Het was zoals het in de verklaringen staat. Er staan gevoelsreflecties in. Ik ben niet een type om op tafel te staan. Ik kan wel mijn verontwaardiging over iets hebben uitgesproken, dat kan met stemverheffing zijn gebeurd. Ik raak geen verdachten aan. V. las zijn verklaring zelf, of ze werden hem voorgelezen. Wijzigingen waren mogelijk….. Er is nooit iets aan de orde geweest betreffende mijn gedrag. Ik heb op een goede manier gewerkt.

Verklaring J. van den Bosch, proces-verbaal terechtzitting 13 februari 2002, vervolgblad 13:

De sfeer bij de verhoren was eerlijk en gericht op het verkrijgen van de werkelijkheid

En

Ik sta waarvoor ik sta. Ik heb deze zaak naar eer en geweten behandeld. Wat ik meekreeg is dat het onderzoek eerlijk was

Verklaring D.E.J. Akster, proces-verbaal terechtzitting 13 februari 2002, vervolgblad 17:

Ik heb nooit kritiek gehad op mijn functioneren….. ik heb geen fysiek contact met B. gehad, buiten de keer dat hij mij om de hals viel. Ik heb bewust niet geschreeuwd tegen B., omdat dat geen zin had. Hij zou dan helemaal dichtslaan. Ik heb geen druk op B. uitgeoefend.
Uiteraard zal iemand die bij een moordzaak betrokken is, druk voelen. Het verhoorkoppel heeft geen druk uitgeoefend.B.is nooit gelicht tijdens de voor de nachtrust bestemde tijden. Hij is nooit bedreigd met een vuistslag. Ik sta nog steeds volledig achter mijn werkzaamheden. Ik vind dat er goed werk geleverd is.

Verklaring P. de Vries, proces-verbaal terechtzitting 13 februari 2002, vervolgblad 18:

Akster kwam uit Putten, kende B. en voelde hem aan. Qua spraak zat hij ook op de lijn van B.. Ik hield me in eerste instantie wat afzijdig. Er is geen sprake van woedeuitbarstingen geweest. Er was nimmer fysiek contact. De sfeer was altijd zodanig dat er ruimte was voor koffie en het spreken over andere dingen dan de moord… Ik heb mijn werk integer gedaan. Ik heb de indruk dat het een degelijk onderzoek is geweest.

Verklaring M. v. Dijk, proces-verbaal terechtzitting 13 februari 2002, vervolgblad 22:

Ik heb nooit tegen S. geschreeuwd of getierd. Ik zal best eens met stemverheffing hebben gesproken. Ik heb S. nooit aangeraakt. De Bok en S. waren wel eens aan het dollen. Dat was wederzijds. Er is nooit sprake geweest van intimidatie.

Wanneer we kijken naar de samenstelling van de verhoorkoppels dan is mijn indruk uit de verhoren van de verbalisanten hier bij uw hof dat er naast een mogelijk wat vasthoudender type in elk geval steeds naar een uiterst rustige persoon is gezocht.

In die zin lijkt de casting door de tactisch teamleider zeer goed gelukt.

Van incidenten van enige importantie is niets gebleken. Een van de heren is een keer geheel ten onrechte bier aangeboden.

Weliswaar heeft d.B. ook weer hier in Leeuwarden melding gemaakt van posters die in zijn verhoorkamer hingen en die waren voorzien van teksten als "H. moordenaar en H. verkrachter", maar kennisneming van de werkelijke tekst van de poster maakt duidelijk dat ook die bewering onjuist is geweest.

De poster vermeldt als typering van H. slechts het woord "dader" met daarbij een vraagteken.
Ten aanzien van het gebruik van posters bij de verhoren is in het algemeen wel wat te zeggen voor de analyse van de heer Blaauw die stelt dat het gebruik van die dingen verhoortechnisch niet zo handig is, omdat je het risico loopt dat een verdachte informatie oppikt.

In casu deed dat risico zich bij de ons bekende poster gezien de tekst ervan niet voor en ook de heer Van Koppen ziet blijkens zijn schrijven aan uw hof geen problemen.

Brief van Prof. Dr. P.J. van Koppen d.d. 14 februari 2002 gericht aan mr. W.H. Vellinga, gerechtshof Leeuwarden:

Uit de tekst van de flapovers blijkt echter dat de genoemde punten slechts voor een klein deel betrekking hebben op iets dat als "feiten" kan worden.

Bij de meeste items gaat het veeleer om de percepties van de verbalisanten over de stand van het verhoor. Dat betreft de meeste punten op de flapovers zoals 2 (heeft tot nu toe gelogen over rolverdeling), 3( zegt niet uit te kunnen uitleggen waarom hij liegt), 15 ( legt 80 verschillende verklaringen af) en 19 (verklaart dat hij hoorde hoe ze schreeuwt en ziet dat ze pijn en angst heeft).

De veronderstelling dat de flap-overs bedoeld zijn om de verdachte met de "feiten" te confronteren, lijkt mij derhalve onjuist.

Ook de heer Van Koppen komt ter zitting van uw hof tot de conclusie dat hem niets gebleken is van ontoelaatbare druk.

Er is naar zijn deskundige inschatting sprake van integere verhoren en de opgemaakte processen-verbaal zijn naar waarheid opgemaakt.

Achter die analyse, die na de idiote verwijten over ontoelaatbare pressie de facto een rehabilitatie van de Puttener verhoorders impliceert, kan ik mij zeker scharen.

Indien we kijken naar de inhoud van de verhoren dan is het bijvoorbeeld opvallend hoezeer de betrokkenen de gelegenheid is geboden om hun verklaringen in te trekken en ook hoe weinig getracht is krampachtig verklaringen op een lijn te krijgen, waardoor er regelmatig verschillen te bespeuren zijn, zowel in de verklaringen zelf als in vergelijking met de verklaringen van anderen.
In zijn uitwendige analyse van de verhoren heeft de heer Van Koppen voordat hij hier ter zitting een indruk van de verbalisanten had gekregen opgemerkt dat in de verhoren soms verleidingstechnieken zijn gebruikt.

Deze term heeft een nogal omineuze connotatie. De vraag is even of dat terecht is.
In zijn conclusie bij het arrest van de Hoge Raad van 26 juni 2001 plaatst advocaat-generaal Wortel terecht kanttekeningen bij de termen druk, trucs en verleiding(stechnieken) die door de heer Van Koppen worden gebezigd.

Hij stelt:

Die woorden… wekken de indruk dat het dan steeds gaat om welbewuste manipulatie van de opgenomen verklaring.

Naar mijn overtuiging is dat niet juist uitgedrukt en kan deze omschrijving een ongegrond negatief beeld doen ontstaan van de wijze waarop de politiemensen hun werk doen.

Het kan noodzakelijk en acceptabel zijn een verdachte die tegen beter weten in lijkt te ontkennen, te confronteren met voor hem belastende onderzoeksresultaten of verklaringen van anderen.
Verhorende ambtenaren zouden hun werk niet goed doen indien zij niet voortdurend structuur aanbrengen in wat bij het verhoor ter sprake komt, mede gelet op hetgeen hen overigens bekend is.
Zij doen er niet perse verkeerd aan de verhoorde persoon voor te houden dat zijn verklaring strijdt met bevindingen of met andere verklaringen.

Het is ook niet onder alle omstandigheden ontoelaatbaar dat de verhoorde persoon wordt voorgehouden dat zijn verklaring mogelijkheden openlaat; dat hetgeen hij reeds verklaard heeft mogelijk maakt dat hij iets heeft gezien of gehoord, of dat hij vervolgens op een bepaalde wijze iets heeft gedaan.
Dat alles kan acceptabele( en noodzakelijke) verhoortechniek zijn.

Uiteraard heeft het de voorkeur indien verklaringen op basis van "free recall" worden verkregen.

Het ziet er naar uit dat daarvan in de Puttense zaak ook veelvuldig sprake is geweest.
Een voorbeeld is een verklaring die politieman Bijl van W.V. afnam.

Verklaring W. V. (Map 1, B 12, proces-verbaal no. 940212.2100 d.d. 13 februari 1994, afgelegd op 12 februari 1994, omstreeks 21.00 uur):

Ik heb dit allemaal zelf zitten bedenken…. Ik kan het niet geloven. Ik kan mij niet voorstellen, dat iemand zoiets doet. En dat ik dat nog moet zien ook.

Verklaring W.V. (Map 1, B 23, proces-verbaal no. 940222.1145 d.d. 22 februari 1994, afgelegd op 22 februari 1994 omstreeks 11.45 uur):

Ik snap alleen van mijzelf nog niet, waarom ik mij dit nu pas allemaal bedenk. Dat mij dit dus bovenkomt zo duidelijk. Ik heb dit nog nooit eerder zo gehad….

Wat ik verteld heb, is zoals ik het gevoeld heb, gezien heb en meegemaakt heb….

Wat ik hiervoor verklaarde heb ik gezegd omdat het zo gebeurde.

Een goed voorbeeld van "free recall" vormen ook de verklaringen die rechter-commissaris Honig van S. en B. afnam.

Hij spreekt van volstrekt authentieke verklaringen waarbij hij geen enkele structuur in het verhaal behoefde aan te brengen.

Verklaring getuige J.F.M. Honig (Proces-verbaal terechtzitting Gerechtshof Leeuwarden d.d. 15 februari 2002, vervolgblad 14)

Ook het viertal zelf wekt meermalen de indruk dat de verhalen in de verhoorkamer volstrekt uit hen zelf kwamen.

Als G.S. wordt gevraagd hoe het toch komt dat hij zoveel gegevens over het gebeuren kon ophoesten dan zegt hij "dat hij het zomaar heeft verzonnen".

Anderen drukken zich in gelijkluidende bewoordingen uit

Alsdan is het opmerkelijk hoezeer de zomaar verzonnen verklaringen met elkaar overeenstemmen.

Het gevaar van datgene wat de heer Van Koppen als verleidingstechnieken aanduidt ligt uiteraard altijd op de loer en is vaak ook niet te vermijden of perse negatief te duiden.
Ik wees al op de conclusie van de advocaat-generaal Wortel.

Voor uw hof zijn tientallen getuigen en deskundigen gehoord en ik heb regelmatig aan de beschouwingen van de heer Van Koppen moeten denken.

Ik heb me zelf ongetwijfeld ook tijdens dit proces bij het bevragen van de getuigen aan een of meer verleidingstechnieken van de heer Van Koppen schuldig gemaakt.

Door de nogal ruime - en mijns inziens hier en daar te ruime - definitie die de heer Van Koppen geeft, vlieg je in zijn visie als ondervrager namelijk tamelijk snel uit de bocht

Cruciaal is en blijft dunkt me of de verhoorde in vrijheid zijn verhaal kan doen en niet dusdanig wordt gemanipuleerd dat hij onwaarheden gaat verkondigen.

Het doet me dan ook deugd, ik herhaal dat, dat de heer Van Koppen tot de conclusie is gekomen dat er in de Puttense zaak integer is verhoord en dat er naar waarheid proces-verbaal is opgemaakt.

Hij betoogt (Proces-verbaal terechtzitting Gerechtshof Leeuwarden 13 februari 2002, vervolgblad 24):

Ik heb noch uit het dossier, noch uit wat ik vandaag hoorde, enige indicatie gekregen dat de mensen niet integer te werk gingen.

Ik heb eerder het gevoel dat het tegendeel het geval was. Er zijn geen indicaties dat er ongeoorloofde druk is uitgeoefend of dat de verdachten belazerd zijn.

5.4. Te aardig geweest?

De Puttense rechercheurs hebben diverse voorbeelden gegeven van de betrekkelijk ontspannen sfeer waarin de uiteraard soms ook emotionele verhoren plaatsvonden.

De deskundige Van Koppen, die tot de conclusie is gekomen dat van ontoelaatbare druk op het viertal geen sprake is geweest en dat er integer verhoord is vraagt zich nog wel af of de sfeer tijdens de verhoren niet te ontspannen was.

Ook meent hij dat de ondervragers onvoldoende hebben gelet op inconsequenties binnen de verklaringen en hebben nagelaten de heren hiermee te confronteren.

Tja, het is ook nooit goed.

Zodra weerlegd is dat er van ontoelaatbare druk sprake is geweest is de politie weer te aardig.

Bovendien denk ik dat het inderdaad constateerbare gebrek aan scherpte in sommige verhoren in deze zaak nog eens aantoont hoe spontaan en ongestructureerd die verhoren wel waren.

Voorts meen ik dat de politie zich indien men de suggestie van de heer Van Koppen zou hebben overgenomen, aan een van diens verleidingstechnieken zou hebben schuldig gemaakt.

Ik concludeer dat hoe dan ook het beeld van tafel is dat er zich in 1994 in het Puttense ongeoorloofde praktijken zouden hebben afgespeeld in de verhoorkamers.

Dat de kritiek nu luidt dat men wellicht te aardig is geweest is veelzeggend.

Ik merk ten aanzien van de verhoren nog op dat de vier betrokkenen hier ter zitting op mij bepaald niet de indruk hebben gemaakt dat zij erg gesloten types zijn.

Iedere vraag wordt ondanks de bijzondere spanning die een zitting als deze met zich meebrengt vlot beantwoord.

Zoals d.B. ook aangaf, tegen de dominee, de dokter en de politieman praat je gewoon netjes en datzelfde gaat dan kennelijk - en terecht - ook op voor een ondervraging door de voorzitter van het gerechtshof.

Dat maakt de kans op spontane bespiegelingen die op waarheid berusten mijns inziens alleen maar groter.

Hetzelfde geldt voor de wel beleden instelling dat men de politie graag wil helpen
In de verklaringen zoals die bij de politie zijn afgelegd zie je mijns inziens de vier betrokkenen zoals ze hier althans op mij zijn overgekomen goed terug.

En datzelfde geldt voor de correcte sfeer waarin de verhoren zijn verlopen. Beschouwing van het tactisch journaal versterkt dat beeld alleen maar.

Ik zal nu nog ingaan op een aantal specifieke aspecten van de verhoren van de vier betrokkenen.

5.5. Het verhoor van V.

In de discussies over de Puttense zaak wordt veelvuldig gesproken over de ellenlange en talrijke verhoren waaraan de vier betrokkenen zijn onderworpen.

Elk wel zo'n 80 keer zo is de beeldvorming. Is het dan niet logisch dat je dingen gaat verzinnen?
Nu is het zeker zo, met name waar het om H.d.B. gaat, dat er soms vaak en lang is verhoord.

Maar niet alle betrokkenen zijn zo vaak verhoord.

Bovendien geldt voor alle betrokkenen dat er langdurige episodes zijn aan te wijzen waarin men helemaal niet verhoord werd. Voorts worden er in alle gevallen al vlot belastende verklaringen afgelegd.

W.V. is op 10 februari 1994 voor de eerste keer verhoord.

Op diezelfde dag wordt hij aangehouden.

Op 11 februari 1994, derhalve een dag na zijn aanhouding geeft hij spontaan bijzonderheden over de mountainbike waarmee Christel heeft gereden en met name de banden ervan.

Dat doet hij, zo stelt hij, op basis van een artikel in de Aktueel.

In de Aktueel stond inderdaad een foto van een mountainbike.

Het ging daarbij echter niet om de mountainbike van Christel.

Van de banden van de mountainbike waarop Christel werkelijk heeft gereden weet W.V. echter een correcte omschrijving te geven.

Verklaring W. V. (Map 1, B8, proces-verbaal no. 940211.1620 d.d. 11 februari 1994, afgelegd op 11 februari 1994 te 16.20 uur):

Ook de banden van de fiets waren tweekleurig. Het loopvlak was een zwart blokprofiel en de wang van de band was bruin.

Op 12 februari 1994, dat is dus twee dagen na zijn aanhouding, vertelt V. dat hij bij de Driewegenweg 41 is geweest.

Vervolgens komt hij sprekend in beelden tot de conclusie dat H. het meisje heeft vermoord. Dat is dus al twee dagen na zijn aanhouding.

Vervolgens bouwt hij dit verhaal uit.

Verklaringen W. V. (Map 1 B23, proces-verbaal no. 940222.1145 d.d. 22 februari 1994, afgelegd op 22 februari 1994, vanaf 11.45 uur)

De man, die grote forse figuur beschrijf ik nu echt definitief als "H. ". H.d.B.. ……… Hij benadert haar van achteren… Hij grijpt haar van achteren….

Hij kent een trucje dat hij maar een zenuw of plekje hoeft in te drukken om iemand buiten westen te krijgen…. H. gaat als een bezetene te keer. Hij zegt iets binnensmonds. Hij gromt en vloekt…. Hij is in een echte uitbarsting van woede…. U vraagt mij te omschrijven wat ik zie. Ik zie zijn rechterhand en -arm. Hij maakt maaiende bewegingen met die arm en hand…. Hij slaat eigenlijk naar iets recht onder zijn eigen hoofd. Hij mikt daar op iets. Ik denk haar hoofd.

(Map 1 B30 proces-verbaal no. 940307.1545 d.d. 07 maart 1994, afgelegd op 7 maart 1994 te 15.45 uur):

Ik stap die deur in en zie gelijk H. aan de rechterkant in die deuropening liggen. Hij is kwaad. Hij slaat wild. Hij maakt slaande bewegingen. Dan zie ik het meisje, twee benen de gang inliggen…..H. gaat als een bezetene tekeer. Hij maakt een neukbeweging. Tussendoor lijkt het alsof hij stopt. Dan slaat hij haar…. Haar voeten bewegen af en toe door het slaan van H. , dat denk ik. Door de energie die hij erin pompte met zijn vuisten.

In de verhoren van V. zien we vervolgens fasen van ontkenning en erkenning.

Zo ontkent hij op 16 februari op de Driewegenweg 41 te zijn geweest.

Informatie over de mountainbike en over het huisje zou hij uit de Aktueel hebben.
Informatie over de sleutel in het schuurtje heeft hij op zijn werk verkregen.

Ik zal verder niet in extenso op alle verklaringen en zwenkingen in het verhaal van V. ingaan.
Wel moge duidelijk zijn dat hij vrijwel direct zonder ellenlange verhoren verklaart over zijn aanwezigheid op de plaats delict en het feit dat een door hem als H. getypeerde man het meisje om het leven heeft gebracht.

Dat is opmerkelijk, ook omdat psychiater Noorlander aangeeft dat V. geen persoon is die onjuiste verhalen zal erkennen

(Verklaring deskundige drs. E.A. Noorlander, proces-verbaal terechtzitting Gerechtshof d.d. 15 februari 2002, vervolgblad 30/31)

Verhalen over mogelijke druk op V. vinden ook geen basis in verklaringen over zijn gemoedstoestand in het huis van bewaring

Bij zijn ook al vrij direct na aanhouding afgelegde verklaringen geeft hij blijk van kennis van een flink aantal details van de plaats van het delict.

Als bron voor al die daderwetenschap moeten volgens V. een artikel in de Aktueel en de ontboezemingen van zijn collega H.S. dienen.

Deze beide bronnen voedden hem als het ware, zo moeten we het waarschijnlijk begrijpen, terwijl hij in zijn droombeelden rondwaarde.

Nu is het zo dat het bewuste artikel in Aktueel betrekkelijk weinig informatie verschaft.
Los van een verkeerde foto van de mountainbike staat er niet veel meer in dan datgene wat ook elders in de pers te lezen viel, omdat de politie slechts spaarzaam informatie verschafte.

We lezen in het artikel niet meer dan dat Christel was neergestoken, dat het lichaam was afgedekt en dat de deur was afgesloten.

Als extraatje voor de lezers heeft de verslaggever van de Aktueel nog een korte blik in de woning geworpen. Hij ziet een huis met bloemen en poppen.

Indien V. zich werkelijk door de Aktueel had laten inspireren dan waren deze punten ongetwijfeld in de verhoren door hem aan de orde gebracht.

Maar niets van dat alles.

En waar het gaat om de details van Christels mountainbike weet V. de Aktueel moeiteloos te corrigeren.

Aan de Aktueel kunnen alle door V. genoemde details dus niet ontleend zijn.

Integendeel.

Maar gedurende zijn droombeelden heeft V. klaarblijkelijk nog een belangrijke bron.

Hij heeft ook hier ter zitting verklaard dat hij de maandag na de moord van alles heeft gehoord. De bron zou ome H.S. zijn, de collega van W..

Weliswaar sprak hij S. niet rechtstreeks, maar de informatie kwam die maandag van de baas van de beide heren, Van der Brug.

Verklaring W. V., proces-verbaal terechtzitting 18 februari 2002, vervolgblad 8:

's - Maandags is al op de zaak gesproken over wat dat weekend gebeurd was.

We moeten echter vaststellen dat ook deze imaginaire bron van informatie ten onrechte wordt aangeroepen.

Pas op de vrijdag na de levensberoving sprak H. S. met zijn chef Van der Brug over de zaak.
Daar werd dus - anders dan V. beweert - pas een week later op het werk over gesproken.

Verklaring M.v.d.B., (Map 3, verklaring no. 66-0, proces-verbaal no. 940216.1115 d.d. 16 februari 1994, afgelegd op 16 februari 1994 aanvangende te 11.15 uur):

Na de moord op Christel, heeft H. S. hier uitgebreid alles verteld…. H. heeft dit de vrijdag na de moord hier uitgebreid verteld.

En ook H. S. kende niet veel meer details over het delict.

Zo was voor hem zelfs niet duidelijk of Christel wel verkracht was

Verklaring M.v.d.B., (Map 3, verklaring no. 66-0, proces-verbaal no. 940216.1115 d.d. 16 februari 1994, afgelegd):

op 16 februari 1994 aanvangende te 11.15 uur:

Toen er gesproken werd over verkrachting, zei H. nog dat dat helemaal nog niet zeker was.

Mijn conclusie luidt dat W.V. de door hem verschafte details niet heeft kunnen ontlenen aan de Aktueel en ome H.S., dat hij op dit punt aantoonbaar gelogen heeft en dat hij over meerkennis beschikt die hij slechts op locatie heeft kunnen verwerven

De suggestie dat W.V. voortdurend in droombeelden heeft gesproken is zonder meer onjuist.
Op een zeker moment geeft hij uitdrukkelijk aan van zijn flitsen af te stappen. Ook verklaart hij uitdrukkelijk in de woning te zijn geweest.

Verklaring W. V. (Map 1 B 35, proces-verbaal no. 940330.1200 d.d. 30 maart 1994, afgelegd op 30 maart 1994 omstreeks 12.00 uur):

Ik zet nu definitief een punt achter mijn steeds geopperde fli(t)sen, beelden, fantasieën en dromen. Het is gewoon werkelijkheid geweest dat ik op 9 januari 1994, in de namiddag daar in die woning geweest ben.

Ook bij een confrontatie met G.S. is W.V. bepaald niet in een trance. (Map 9, Verhoor van G.S. bij de rechter-commissaris mr. J.F.M. Honig, d.d. 12 april 1994):

Gisteren ben ik geconfronteerd met W.. Hij zei mij op een gegeven moment: "Pa, H. heeft op het meisje gelegen.

Alles overziend denk ik dat de droombeelden waarin W.V. regelmatig zegt te spreken zeer wel kunnen worden verklaard vanuit een hardnekkige verdringing van een afschuwelijke gebeurtenis.
Niettemin komt hij regelmatig tot concrete verklaringen.

De Aktueel en H.S. falen als aangevoerde bronnen voor de daderkennis van V..

Een zinnige verklaring voor datgene dat hij aan de politie heeft verklaard kan hij verder ook hier bij het hof niet geven.

Hij begrijpt het niet en heeft het allemaal zomaar verzonnen
Ik heb geen aanleiding gevonden om aan de bruikbaarheid voor het bewijs van de verklaringen van V. te twijfelen.

5.6.Het verhoor van d.B..

H.d.B. is degene die in dit onderzoek het meeste is verhoord.

Waar gesproken is over 80 verhoren is dat alleen op d.B. van toepassing. Maar we moeten dat wel in de juiste context blijven zien.

Als we kijken naar de verhoorfrequentie dan moeten we vaststellen dat d.B. gemiddeld op slechts 1 op de 3 dagen is verhoord.

Verder is er een aantal verhoren afgenomen toen hij nog geen verdachte was.

Ook hier is een aantal cruciale verklaringen al helemaal in het begin afgelegd.

Al op 10 februari 1994, H.d.B. is dan nog helemaal geen verdachte, verklaart hij op de Driewegenweg te zijn geweest.

Dat is opvallend want die weg paste niet in het vaste ritje en nu wil hij ons zelfs doen geloven dat hij er helemaal niet geweest is.

Ook verklaart hij op 10 februari al dat W. uit de auto is geweest. Van ellenlange politieverhoren is helemaal geen sprake op dat moment.

Pas daarna, op 13 februari 1994, wordt d.B. als verdachte aangehouden.

Al twee dagen later, op de 15e februari bekent hij andermaal dat de Mercedes van S. op de Driewegenweg is geweest en dat er een afspraak is gemaakt om daarover te zwijgen.

Weer een dag later verklaart hij zelf ook naar het huisje te zijn gelopen, waarbij hij bijzonderheden noemt over de schuur. Hij verklaart dat G. en W. bij de auto bleven.

Op 17 februari komt H.d.B. met het befaamde detail van het aangeharkte fietsspoor.

Verklaring H.d.B. (Map 1, A 13, proces-verbaal no. 940217.1309 d.d. 16 (17?) februari 1994 afgelegd op 17 februari 1994 omstreeks 13.09 uur):

Ik weet mij nu een detail te herinneren, dat toen ik op de dam was, zag ik dat de boel aangeharkt was en ik meen dat er een fietsspoor liep. Het fietsspoor liep van de Bosrand naar de woning.

Het is maar een fietsspoor. Ik weet dat omdat ik vannacht heb liggen piekeren of ik de auto op de dam gedraaid had.

Dit detail kan hem slechts geworden zijn door paranormaal contact met mevrouw H. (Zie: Map 3 verklaring H. H.- H., no. 59-0, proces-verbaal no. 940111.1527 d.d. 11 januari 1994)

Voor het ondervragende koppel was dit door H.d.B. genoemde detail ook een grote verrassing.

Ik wijs op de verklaring van verbalisant G.Vogelenzang afgelegd bij uw Hof op 13 februari 2002, proces-verbaal terechtzitting vervolgblad 6:

Ik herinner het spreken over een aangeharkt pad. d.B. noemde een fietsspoor door een aangeharkt gedeelte. Dat was voor ons nieuw.

Allengs komt d.B. dan met meer en meer belastende details:

Ik noem het gegeven dat d.B. spreekt over de stoel waarin hij zat en die hij omschrijft als toebehorende aan een compleet stel en die was bekleed met zachte fluweelachtige stof.

(Map 1,A60).

Ook ziet hij in de keuken een granieten aanrecht (Map 1, A63).

Hij benoemt ook het na een worsteling omgevallen tafeltje (Map 1, A63)

En hij spreekt bijvoorbeeld over het feit dat hij met een mes heeft gezwaaid en Christel in de keel heeft gestoken (Map 1, A 64).

Op een zeker moment wordt ook de rol van het thuisfront weer saillant.

Typerend is een aantal verhoren op 5 april.

Na vijf dagen niet te zijn verhoord komt d.B. om 10 uur met de mededeling dat alle bekentenissen gelogen waren.

Om half 12 maakt hij zijn excuses voor de start van die morgen en komt met zeer gedetailleerde verklaringen.

Dan ontstaat er om drie uur in de middag een interessante situatie. d.B. heeft van de rechter-commissaris toestemming gekregen om contact te hebben met zijn vrouw A..

Hij ziet daar echter van af omdat hij, zo vertelt hij, bang is dat hij zijn verklaring dan weer zal intrekken. Ik noem het citaat ten tweede male

(Verklaring H.d.B., map 1, A39, proces-verbaal no. 940404.1500, afgelegd op 05 april 1994, omstreeks 15.00 uur):

U vertelt mij dat ik telefonisch contact met mijn vrouw A. mag hebben. Ik stel hier geen prijs op. Ik ben bang dat wanneer ik haar zou spreken, ik mijn verklaring weer zal intrekken.

Een interessant moment doet zich ook nog voor op 11 mei als er een emotionele confrontatie plaatsvindt tussen W. en H.

(Een proces-verbaal van bevindingen, map 1, A65, proces-verbaal no. 9405161110, opgemaakt op 16 mei 1994)

Op woensdag 11 mei 1994, omstreeks 10.30 uur, werd door ons de verdachte: H.d.B., ……., gelicht uit het huis van bewaring te Zutphen.

Tijdens de rit naar het bureau van politie te Apeldoorn, barstte de verdachte verschillende malen in huilen uit.

Toen wij, na aankomst in het bureau van politie te Apeldoorn, trachtten de verdachte te horen bleek hij emotioneel (huilen) en was duidelijk aangeslagen.

Op zijn eigen verzoek wilde hij geconfronteerd worden met de aangehouden verdachte W. V.. Na overleg met deze en diens toestemming, vond de confrontatie na enige minuten plaats in het bureau van politie te Apeldoorn.

De verdachte d.B. gaf bij deze confrontatie verdachte V. aan dat hij, d.B., Christel Ambrosius verkracht en neergestoken had en dat hij dit bekend had.

Hij verzocht V. van de droombeelden af te stappen en ook zijn aandeel te bekennen en de afloop van de zaak te verklaren daar d.B. zich veel zaken niet meer kon herinneren.

………..

De verdachte d.B. bleef emotioneel en er werd besloten die dag niet verder te horen. …"

D.B. heeft mijns inziens, ook hier ter zitting, geen zinnige verklaring kunnen geven voor het feit dat hij zichzelf en zijn zwager heeft beticht van twee kapitale delicten.

De zeepbel van de ontoelaatbare druk is - zie ook de analyse van de heer Van Koppen - inmiddels uiteengespat.

Het zij nogmaals gesteld - een verhoor is geen gezellig praatje bij de thee, maar de heren Vogelenzang en Brandts hebben ook voorbeelden gegeven van de ontspannen sfeer die ook aanwezig was.

En zoals d.B. ook aangaf, tegen de politie praat je gewoon.

En de verhoorders hebben in mijn visie gewoon opgeschreven wat de vlotte prater d.B. vertelde
Hij stelt hier ter zitting bovendien dat zijn familie in zijn belangenafweging centraal staat en stond.

Dat verklaart zijn reacties tijdens de verhoren op de druk die zijn A. op hem uitoefende.

Maar het verklaart natuurlijk allerminst dat je bij herhaling een levensberoving en een verkrachting gaat bekennen en je zwager in je val meeneemt, waardoor je uiteindelijk door de rechter tot vrijheidsstraf wordt veroordeeld en je je gezin langdurig moet missen.

Voor de daderkennis waarover d.B. beschikt geeft hij bij tijd en wijle merkwaardige verklaringen.
Dat kranten en tv waarop een beroep is gedaan geen basis kunnen vormen heb ik al aangegeven.

Maar d.B. zou wel eens bij een andere gelegenheid in de woning hebben gekeken, bijvoorbeeld jaren voordien toen hij bomen aan het toppen was.

(Verklaring H.d.B., map 3, A79, proces-verbaal no. 9405251515, afgelegd op 25 mei 1994, omstreeks 15.15 uur)

Ook heb ik voor ongeveer vier a vijf jaar terug, bij diverse woningen in de omtrek van de Bosrand (wegnaam) te Putten, bomen getopt.

…………

Ik heb, in die tijd heb ik ook een keer bij perceel Driewegenweg 41 te Putten de bomen getopt. Ik ben toen ook wel binnen geweest om iets te drinken. Dit heeft echter niets te maken met de herkenning van het interieur van die woning ..."

Hij geeft in deze verklaring zelf al aan dat hij toentertijd niet heeft geweten dat er bijvoorbeeld sprake was van een granieten aanrecht.

Daarnaast ik waag te betwijfelen dat hij zich dit na vijf jaar überhaupt nog zou kunnen herinneren.

Het aangeharkte fietsspoor zou hij plotseling bij een andere woning hebben
waargenomen.

Hier ter zitting heeft H.d.B. nog verklaard dat hij fysiek niet in staat zou zijn geweest om de strafbare feiten te plegen omdat hij door rugklachten ernstig gehandicapt was en zelfs met krukken liep. Een paar meter lopen zou al een crime zijn geweest.

Op vragen van de jongste raadsheer heeft d.B. echter toegegeven dat hij die dag te voet naar zijn broer is geweest.

We spreken dan wel heen en terug over een afstand van bijna 800 meter. Verdraaid veel voor iemand die niet of nauwelijks kan lopen

We moeten voorts vaststellen dat de stelling van d.B. dat hij op 9 januari 1994 van krukken gebruikmaakte onjuist is.

(Verklaring B.S., map 3, 40.0, proces-verbaal no. 9403071325.smi, afgelegd op 7 maart 1994, te 13.20 uur)

Ze zijn lopend gekomen. Ze komen eigenlijk altijd lopend. Toen ze weggingen ben ik met ze uit huis gelopen en toen is niemand in een auto gestapt. ……

Rond half twee zijn ze weer weggegaan. Ze zijn tegelijk lopend weer weggegaan.

…..

De 9e januari staat me nog goed bij. H. liep toen niet op krukken."

Voorts blijkt ook uit het tactisch journaal dat informatie die de politie bij het Groene Kruis heeft ingewonnen heeft uitgewezen dat d.B. pas na de verkrachting en levensberoving over krukken kwam te beschikken.( pag.162)

Zoals bekend heeft de Rechtbank Zutphen H.d.B. indertijd vanwege recidivegevaar tot terbeschikkingstelling veroordeeld.

Het Pieter Baan Centrum heeft over hem gerapporteerd en in het kader van de discussies over de al dan niet bestaande handicaps van d.B. is vooral het onderdeel Sport uit de rapportage interessant( p.27/28)

Bij het volleyballen dook hij op de meest moeilijke ballen en smashte hij elke bal die hij maar kon.

Als er werd gevoetbald ging hij er zeer hard tegenaan, en het was niet ongewoon dat hij met kapotte schenen weer op de afdeling kwam

Als hij er eenmaal was, deed hij voor de volle honderd procent mee.

Zijn drang om te winnen en zijn erg gedreven inzet, maakten hem tot een minder sportieve speler.

H.d.B. was een ervaren judoka, toentertijd een superzwaargewicht.

Deze omstandigheid geeft aan de verklaringen die de betrokkenen onafhankelijk van elkaar hebben afgelegd over een judotrucje dat d.B. zou hebben gebruikt om Christel buiten bewustzijn te brengen, bijzonder veel gewicht.

Ik meen dat er voor H.d.B., die in het PBC slidings maakte en smashte dat het een aard was geen fysiek beletsel kan zijn geweest om - met zoals uit de verklaringen blijkt de hulp van W.V. - Christel te overmeesteren, te verkrachten en te doden.

Ook de verklaringen die d.B. indertijd over zijn sexuele gedrag heeft afgelegd wijzen niet op onvermogen in dezen.

Hij stelde daarbij onder meer (map 1, verklaring A8)

Mijn rugblessure speelt hierbij geen enkel probleem

Een zinnige explicatie voor de voor hemzelf uiterst belastende verklaringen heeft d.B. niet kunnen geven.

We worden geacht te geloven dat hij om van het gezeur af te zijn en de politie te helpen in geuren en kleuren een verkrachting en een levensberoving bekent, met als ultieme doel bij zijn familie te zijn.

Ik meen al met al dat er geen aanleiding is om te twijfelen aan de bruikbaarheid voor het bewijs van de belastende verklaringen die d.B. bij de politie heeft afgelegd.

5.6. Het verhoor van S.

G.S. is in deze zaak niet zo vaak verhoord als H.d.B., maar wel vaak.

Vooropgesteld dient te worden dat het niet de primaire inzet van mij in deze zaak is om na te gaan of de rol van S. een andere is geweest dan tot nu toe wel wordt aangenomen.

Zo lijkt een aantal verklaringen erop te duiden dat G. S. verder in de woning is geweest dan hij de politie deed vermoeden

Het gaat in deze zaak echter niet primair om de rol van S. zelf maar om de vraag wat de waarde van zijn verklaringen is waar het de rol van d.B. en V. betreft.

Ofschoon het hier om zijn zwagers gaat en S. een sociaal voelende family-man is, is hij ertoe overgegaan de beide mannen van een levensberoving en verkrachting te betichten.

Ook hier zien we het geijkte patroon waarbij al vrij snel belastende verklaringen worden afgelegd met name over de aanwezigheid in het bos zonder dat daar ellenlange verhoren aan zijn voorafgegaan.

Alleen dat gegeven al maakt het verhaal van druk bijzonder ongeloofwaardig.

Voorts stel ik na de behandeling hier ter zitting vast dat naast W.V. en H.d.B. ook G. S. imponeert als een man die met een bewonderenswaardige fysieke inzet die ondanks zijn handicap vlot en spontaan antwoord geeft op de vragen die hem worden gesteld.

Daar hoeft beslist geen getrek en gepush van de verhoorder aan te pas te komen. G. S. wil gewoon doorgaan.

Een aantal verklaringen van S. verdient bijzondere vermelding

Op 10 mei 1994 verklaart S. dat d.B. iets uit de auto gooit. Hij noemt daarbij vrijwel exact de plaats waar vervolgens op 16 mei een mes wordt gevonden.

Terecht stelt advocaat-generaal Wortel dat dit gegeven de waarde van de totale verklaring van 10 mei, die uiterst belastend is voor d.B. en V., aanzienlijk versterkt.

.de vondst van het mes kan als een aanwijzing worden gezien dat .. (S. , vdN) in deze verklaring naar waarheid heeft verklaard dat de aanvragers op dat tijdstip bij het huis zijn geweest, daar met het slachtoffer contact hebben gehad, en ook in dat huis iets met haar hebben gedaan.

S. heeft de politie ook eens - onderweg naar het huis van bewaring - verzocht hem terug te brengen teneinde hem in staat te stellen een belastende verklaring af te leggen.

S. heeft hier ter zitting geklaagd over de onmenselijke druk die op hem zou zijn uitgeoefend tijdens de verhoren waardoor hij de beschuldigingen jegens zijn zwagers "zomaar zou hebben verzonnen".

Deze bewering, die in ieder geval geen steun vindt in de analyse van de heer Van Koppen, wordt mede gebaseerd op een door S. bijgehouden dagboekje dat mijns inziens tijdens de behandeling hier ter zitting opvallend veel aandacht heeft gekregen.

Ik heb me daar enigszins over verbaasd.

Zonder afbreuk te willen doen aan de ontegenzeggelijke therapeutische functie van dagboeken is het bijzonder hachelijk om uit te gaan van de authenticiteit van informatie die in een dagboek wordt neergelegd.

Dat S. zich tijdens zijn detentie, zoals rechter-commissaris Honig het noemde, "moe en rot" voelde, valt alleszins te begrijpen vanuit zijn positie tegenover zijn echtgenote, tegenover zijn familie en de andere mannen uit de Mercedes die hij flink belastte.

Dat zijn geweten knaagde mag niet verbazen.

En al evenmin mag duidelijk zijn dat hij onder druk stond van de familie.

Zo verklaarde S. op 12 april 1994 ten overstaan van de onafhankelijke rechter-commissaris Honig als volgt:

Ik ben inderdaad hartstikke bang dat ik straks de hele familie over me heen krijg.

Door dat gebel van A. en E., waarbij zij mij gevraagd hebben mijn verklaringen in te trekken en te zeggen dat we die zondag niet weg zijn geweest, kom ik wel in een lastig parket terecht.

Ik heb erg verdriet van deze zaak. Uiteindelijk gaat het om mijn stiefschoonzoon en twee stiefdochters. Als mijn vrouw mij vanmiddag komt opzoeken weet ik niet wat ik eigenlijk tegen haar moet zeggen.

Tegen deze achtergrond is het echter nogal gewaagd om in het dagboek een in alle opzichten volstrekt waarheidsgetrouw geschrift te zien.

Zo bevat het dagboek informatie over uitlatingen die politiemensen als tactisch teamleider Baars en ook officier van justitie Klunder jegens S. zouden hebben gedaan.

Geconfronteerd met de ontboezemingen van S. hebben betrokkenen onder ede verklaard dat zij deze uitlatingen niet hebben gedaan.

Zo heeft de heer Klunder voor uw hof aangegeven dat de door S. gesuggereerde uitlatingen duiden op een wijze van omgaan met verdachten die hem volstrekt vreemd is.

Dat die stelling juist is zou op zichzelf al kunnen worden afgeleid uit de volstrekt onberispelijke staat van dienst van deze uiterst ervaren en magistratelijk ingestelde functionaris en het zeer positieve oordeel dat rechter-commissaris Honig over de rol van Klunder in dit onderzoek heeft gegeven.

Hoe correct officier van justitie Klunder omgaat met verdachten blijkt echter ook zonneklaar uit de transcriptie van het gesprek dat hij met W.B. had naar aanleiding van diens uitlatingen in het programma van de heer De Vries.

Een knap verhoor in een delicate situatie waarin hij B. uiteraard verhoort maar daarbij ook alle ruimte geeft om zijn verhaal te vertellen.

Hoe gevaarlijk het is om af te gaan op informatie uit dagboekjes en hoe verwoestend het geloof in dat soort schrijfsels kan zijn heeft andere geruchtmakende zaak die zijn oorsprong vond op de Veluwe overigens wel uitgewezen.

Ik doel op de geruchtmakende zaak die bekend is geworden als de zaak van Jolanda uit Epe.

Ook hier speelde een door het vermeende slachtoffer bijgehouden dagboek, waarin bizarre beschuldigingen werden geuit, een cruciale rol

Op een zeker moment werden diverse politieagenten van sexueel misbruik beschuldigd. Twee rechercheurs zouden zelfs met de tl-verlichting in de verhoorkamer aan Jolanda hebben verkracht.
De dagboeken logen er niet om, maar bleken goeddeels op een rijke fantasie te berusten. De gevolgen voor de politiemensen waren verwoestend.

Het moge duidelijk zijn.

Aan de betekenis van niet gecorroboreerde informatie die in een dagboekje is neergelegd moet niet a priori op de blauwe ogen van de auteur geloof worden gehecht.

Van belang is daarbij ook nog dat G. S. op 2 juni 1994 tijdens zijn, volgens rechter-commissaris Honig, volstrekt authentieke en spontane verklaring ten overstaan van deze functionaris, delen van zijn schrijfsels naar het rijk der fabelen heeft verwezen.

Hij stelde, zonder enige sturing door de rechter-commissaris:

Tijdens mijn detentie heb ik een dagboek bijgehouden.

Ik heb daar ook heel vaak ingeschreven dat we niet weg zijn geweest.

Ik heb dat opgeschreven omdat ik H. wilde beschermen, maar ik kan hem niet langer de hand meer boven het hoofd houden

Dat feit en fictie in het geval van G.S. bij zijn schriftelijke communicatie met T. wat door elkaar heen zijn gelopen kan tenslotte nog worden geïllustreerd aan de hand van het navolgende rijmelarijtje dat G.S. aan zijn vrouw T. deed toekomen. (tactisch journaal p.195)

T., ik moest naar de rechter en die vroeg mij,

G. lust jij graag bier.

Ik zei ja, en toen zei de rechter

blijf jij nog maar dertig dagen hier

Ik zal me nu richten op een aantal andere saillante momenten uit de verhoorcyclus van S..

Reeds aan het begin van de reeks verklaringen in het stadium waarin hij als getuige wordt gehoord geeft G. S. na enig gedraai toe dat hij die middag met de Mercedes is wezen rijden.

(verklaring van 10 februari 1994- C3)

In een verklaring van 15 februari 1994, S. is dan nog maar twee dagen verdachte, komt hij met het verhaal dat W. en H. uit de auto zijn geweest en dat W.B. en hij nog een rondje zijn wezen rijden.

Dan komt ook het fameuze verhaal van het hondje dat wordt opgepakt door een van de dames die men tegenkwam en wordt er ook door S. toegegeven dat er afspraken werden gemaakt om te zwijgen.

Dan komen er in de loop van de verhoren steeds verdergaande verklaringen, die overigens worden afgewisseld met ontkenningen.

In die verklaringen geeft S. blijk van kennis van zaken omtrent het huisje en de omgeving

Verklaringen G.S. (Map 2, C 25, proces-verbaal no. 940322.1100, d.d. 22 maart 1994, afgelegd 22 maart 1994, omstreeks 11.00 uur)

Dat was vlak voor de garagedeuren waar een soort schoorsteenpijp opzij uit de muur van dat huisje komt.

Map 3, C33, proces-verbaal no. 940331.1345, d.d. 31 maart 1994, afgelegd op 31 maart 1994, aanvangende te 13.45 uur:

"ben ik tussen de garage en het huisje doorgelopen en kon ik de achterkant van het huisje zien"
Volgens mij stond er ook nog zo'n ouderwetse metalen vuilnisbak

Map 3, C 18, proces-verbaal no. 940308.1630 d.d. 08 maart 1994, afgelegd op 8 maart 1994 te 16.30 uur:

Achter bij dat witte huisje stond volgens mij een witte tourcaravan.

Map 3, C 64, proces-verbaal no. 940525.1700 d.d. 25 maart 1994, afgelegd op 25 maart 1994 aanvangende te 17.00 uur:

Ik zag toen die pergola en die vuilnisbak en die schoenen van W. . Achter het huisje stond zo'n mountainbike….

…..tegen de caravan aan die achter de schuurtjes stond.

Een belangrijk moment in de verhoorcyclus doet zich voor als S. melding maakt van het wegwerpen van een voorwerp, later de plek aanwijst en er een mes wordt gevonden.

Ik heb reeds over deze verklaring van 10 mei 1994 gesproken en met advocaat-generaal Wortel ben ik van mening dat aan deze verklaring bijzondere betekenis moet worden toegekend.

Ik refereerde al aan het feit dat S. op een zeker moment (proces-verbaal van bevindingen no. 940527.0901 opgemaakt op 27 mei 1994 Map 3, C 67) zelf kenbaar maakte nader te willen worden gehoord:

De verdachte is door ons op dinsdag 24 en woensdag 25 mei 1994 gelicht vanuit dit Huis van Bewaring. De verdachte is op dinsdag 24 mei 1994 door ons verhoord en op woensdag 25 mei 1994 is hij door ons overgebracht naar de rechtbank te Zutphen alwaar de verdachte op de zitting moest verschijnen. Na deze zitting is de verdachte door ons wederom overgebracht naar het politiebureau te Apeldoorn, alwaar hij door ons is verhoord. Na dit verhoor is de verdachte door ons omstreeks 16.30 uur overgebracht naar het Huis van Bewaring te Zwolle om daar zijn hechtenis verder te ondergaan. Op het moment dat wij onze auto met daarin de verdachte voor genoemd Huis van Bewaring parkeerden teneinde de verdachte uit te laten stappen om het Huis van Bewaring in te gaan en verbalisant V. d. al om de auto liep om de portierdeur van de verdachte van buitenaf te openen vroeg verbalisant De Bok aan de verdachte of hij nu nog wat wilde zeggen. De verdachte vroeg dat als hij zou willen verklaren wij dan weer terug zouden gaan naar Apeldoorn. Verbalisant De Bok antwoordde hierop dat als dat nodig zou zijn wij dan desnoods weer terug zouden gaan naar Apeldoorn. De verdachte zei, dat we dan maar terug moesten gaan naar Apeldoorn omdat hij wilde verklaren. Hij dat hij meer dingen had gezien en dat hij daarover wilde verklaren".

Ook opmerkelijk is de inmiddels overbekende verklaring van S. bij de rechter-commissaris.
S. kreeg alle gelegenheid om over zijn beslissing na te denken en kwam uiteindelijk in het bijzijn van zijn raadsman en na overleg met deze tot uiterst belastende verklaringen waarbij hij door niemand gestuurd werd en die door de rechter-commissaris als volstrekt authentiek zijn bestempeld.

Ik heb al eerder aangegeven dat ik mij niet geroepen voel om een oordeel te geven over het aandeel dat S. in deze hele affaire heeft gehad.

Een aantal verklaringen laat de mogelijkheid beslist open dat hij verder in de woning is geweest dan hij zelf toegeeft.

Ik stel me dan ook niet op het standpunt dat alles wat S. verklaard heeft op waarheid berust.
Dat zou ook niet kunnen omdat er herhaaldelijk om de zaak heen gedraaid is.

Wel meen ik dat de essentie van zijn verklaringen, die erop neer komt dat hij d.B. en V. de beide feiten heeft zien plegen, overeind blijft.

Er is ook geen enkele zinnige verklaring te bedenken waarom hij als family-man H. , A., W. en E. en de kinderen door dergelijke belastende verklaringen in de problemen zou willen brengen

In de videoreconstructie bij het verhoor van de heer Blaauw is aandacht geschonken aan de merkwaardige gang van zaken met betrekking tot de waarnemingen die door zowel S. als B. gedaan zouden zijn bij het raam van de woning aan de Driewegenweg 41.

Tijdens de descente op 9 januari j.l. is gebleken dat de waarnemingen - waar het om het zicht naar binnen gaat - op zich zeer wel gedaan kunnen zijn.

Proces-verbaal terechtzitting Gerechtshof Leeuwarden op 9 januari 2002, vervolgblad 2:

Door de aanwezigen wordt vastgesteld dat (onder de huidige lichtomstandigheden) staande voor het raam aan de zijde van de Driewegenweg van buitenaf goed te zien is wat zich in de woonkamer bevindt.

Verder meen ik dat uit de door de analisten vervaardigde tijdlijn blijkt dat er op zich ook voldoende tijd is geweest om het ritje te maken en de waarnemingen te doen.

De tijdsanalyse van de heer Blaauw, die betoogt dat de waarnemingen gedaan zouden nadat het feit al gepleegd was, is niet op feiten gefundeerd, maar louter op aannames betreffende de tijd die met het delict gemoeid zal zijn geweest.

Dat neemt niet weg dat het vreemd is en blijft dat B. - na er door S. te zijn bijgeroepen - het hele voorval opnieuw zou hebben waargenomen.

Op die opmerkelijke gang van zaken heeft de heer Blaauw terecht gewezen.

Ik ga er dan ook niet per se van uit dat het juist is dat beide mannen -steeds gelijktijdig - gezamenlijk voor het raam hebben staan kijken.

Misschien heeft B. er wel de langste tijd alleen gestaan.

Dat doet echter aan de juistheid van de essentie van de verklaringen van S. niet af.

In die essentie zijn de verklaringen die S. tegenover de politie en met name ook de rechter-commissaris heeft afgelegd zeker bruikbaar.

5.7. Het verhoor van B.

W.B. is aanzienlijk minder vaak verhoord dan zijn kornuiten.

Hij is in feite steeds - tot voor kort - bij hetzelfde verhaal gebleven.

En inmiddels is hij, tijdens zijn recente verhoor in de meineedzaak, weer bij het oude verhaal teruggekeerd.

Ofschoon de door mij reeds, in het voetspoor van de advocaat-generaal Wortel, als onzinnig bestempelde alibiafspraken, er volgens de overige betrokkenen op gericht waren B. uit de wind te houden, geeft B. al in zijn allereerste verklaring ruiterlijk toe dat hij is gaan rijden met de Mercedes.

Dit ondanks het feit dat hij van S. en diens echtgenote te horen had gekregen dat hij zijn mond moest houden.

In zijn tweede verklaring verklaart hij omtrent de samenstelling van de groep en het stoppen op de Driewegenweg 41, waarna hij - ondanks de angst die hij zegt te hebben voor H. - in de volgende verklaringen meer en meer details verschaft.

Details die grote overeenstemming vertonen met de verklaringen die anderen afleggen.

Verklaringen W.B. (Map 2, D 23, proces-verbaal no. 940321.1320, d.d. 21 maart 1994, afgelegd op 21 maart 1994 om 13.20 uur):

H. stopte net voorbij de inrit van het huisje.

Map 3, D 29, proces-verbaal no. 940530.1005 d.d. 30 mei 1994, afgelegd op 30 mei 1994 vanaf 10.05 uur:

W. stapte uit de auto en H. eveneens….. G. S. achter het stuur ging zitten en doorreed tot aan de Emmalaan

Beiden liepen ze de inrit op waarop het meisje met de fiets was verdwenen …

en

In de kamer zag ik dat W. het meisje vasthad.

Hij stond achter haar en hield haar beide armen vast naast haar lichaam. Ik zag dat alleen H. haar bevoelde en betastte en W. niet

en

Ik zag dat het onderlichaam van het meisje ontbloot was. Het was meteen ontbloot toen de broek werd uitgetrokken…

Ik zag dat H. haar een klap of een stomp tegen het gezicht gaf met de rechterhand.

… zag ik H. steekbewegingen maken. Ik zag hem zeker twee keer in de hals van het meisje steken…..

….. vond voor mij alles links in de kamer plaats, achter in de kamer voor het zijraam

en

Toen het meisje op de grond viel hield W. haar polsen vast met de handen naast haar hoofd

W. zat toen achter het meisje bij het hoofd en hield een pols van het meisje vast.

H. liep naar het hoofd van het meisje en pakte de beide polsen vast.

Uiteindelijk verklaart hij met name ook over het steken door H. (Map 3, D 29, proces-verbaal no. 940530.1005 d.d. 30 mei 1994, afgelegd op 30 mei 1994 vanaf 10.05 uur):

Ik zag toen dat H. iets uit zijn broekzak pakte. Wat H. verder aan had weet ik niet precies.

Wat hij toen pakte weet ik niet, dat heb ik niet gezien.

Meteen nadat hij dat uit zijn broekzak had gehaald zag ik H. steekbewegingen maken. Ik zag hem zeker twee keer in de hals van het meisje steken.

Ook nadat W.B. alweer door de politie was losgelaten legde hij nog belastende verklaringen (bijvoorbeeld D 29) af.
Trouwens, ook bij de onafhankelijke rechter-commissaris legt B. een voor d.B. en V. belastende verklaring af.

Uit de verhoren rijst nu niet bepaald het beeld op van verhalen die zijn afgelegd door iemand die ernstig onder druk is gezet.

Dat strookt met de conclusies van de heer Van Koppen en ook met de visie van de heer Honig die B.s klip en klare verhaal over de betrokkenheid van d.B. en V. authentiek noemt.

Ook volgens de moeder van W. , die met hem daarover heeft gesproken, is W. nooit door de politie onder druk gezet.

Van belang is ook dat B. zijn verhaal ook bij de rechtbank in Zutphen en het hof in Arnhem heeft volgehouden.

B. v. d. heeft W.B. voor deze naar Zutphen ging op de man af gevraagd wat de waarheid was.
Wederom kwam B. - zonder enige druk of de noodzaak van angst voor consequenties - tot de bekende gedetailleerde analyse.

d.B. en V. hebben de feiten gepleegd, hij en S. hebben het gezien.

En aldus heeft hij ook onder ede verklaard, toen in Zutphen en later ook bij het Gerechtshof in Arnhem.

Na de zitting in Arnhem heeft B. in het programma van Peter de Vries verklaard alles te hebben verzonnen.

In een gesprek met officier van justitie Klunder heeft hij opening van zaken gegeven over zijn motieven om opeens iets anders te verklaren

Deskundigenrapport d.d. 15 februari 2002 betreffende de transcriptie van het gesprek tussen W.B. (B) en officier van justitie J. Klunder (K) en verbalisant H.H. de Graaf:

K. En toen die donderdag, waarom hebt u dan [], probeert u dat eens uit te leggen, toch gezegd tegen Peter R. de Vries dat u tegen de rechtbank gelogen hebt.

B. Ik heb gezegd tegen die [] om van 't gezijk af te zijn. Van die kranten weer bl… weer blijven ze me volgen van die televisie. Of zouden ze dat niet doen dan?

Op 12 februari j.l. heeft B. hier ter zitting plotseling aangegeven dat d.B. en V. in zijn visie onschuldig waren.

Op mijn vraag of hij dan wel die zondag met de Mercedes op pad was geweest antwoordde hij dat hij of was wezen rijden of bij zijn moeder was geweest.

Dat hij die middag wel degelijk is wezen rijden weten we inmiddels, overigens ten overvloede, uit de verklaring van moeder B..

B. noemt in het verhoor in de meineedzaak als motief om hier voor uw hof ineens met een nieuw verhaal te komen de wederom kennelijk grote angst voor Peter de Vries en diens camera's waaraan hij bij binnenkomst in de Leeuwarder rechtszaal ten prooi viel.

Verder blijkt van het feit dat hij bang was voor d.B. en dat wellicht nog is wel uit het dossier.
(Zie hiervoor de verklaringen van W.B. opgenomen in map 2, D6; D15; D20; D 21; D22; D 25; D26 en D27.)

Interessant is ook nog de opmerking van W.B. - hier bevestigd door getuige De Vries - dat een van de gesprekken van W.B. met deze getuige en getuige Blaauw in het huis van A. en H. heeft plaatsgevonden.

Of dat een gelukkige locatie is voor een rustig gesprek met B. waag ik te betwijfelen

Hoe dat alles ook zij, ook in het licht van het feit dat hij die middag niet bij zijn moeder is geweest, sterker nog dat hij in de avonduren in paniek bij haar kwam, meen ik dat aan de zogenaamde intrekking van de verklaring door de wel als kroongetuige aangeduide B. geen betekenis hoeft te worden toegekend.
Het optreden van B. wordt wel verklaard in het licht van over hem uitgebrachte rapportage in een eerdere strafzaak.

B. zou een randdebiel zijn die je - om in de couleur locale te blijven - de moord op Bonifatius zou kunnen laten bekennen.

In dezelfde termen wordt wel gesproken over P.R., die op het niveau van een tiener zou functioneren.

Je zult maar tiener zijn en te horen krijgen dat je verklaringen niets waard zijn.
Ik merk daarover nog het volgende op.

De waardering van de verklaringen van B. moet vooral worden bezien tegen de achtergrond van diens functioneren in 1994 en niet zozeer van dat in 2002.

Maar zelfs bij het verhoor bij uw hof heeft B. op mij stellig de indruk gemaakt vragen die hem gesteld worden goed te begrijpen en die vlot en zonder veel aarzelingen te beantwoorden.

Het is zonneklaar dat B. ook anno 2002 niet een man is die van ieder inzicht in de draagwijdte van zijn handelen is verstoken.

Ook kan een man als B., evenzeer als een tiener dat kan doen, waarnemingen doen van een verkrachting en levensberoving en daar verklaringen over afleggen.

Al in 1994 heeft B. volgens de verklaring van rechter-commissaris Honig hier ter zitting ten overstaan van hem een in zijn woorden " volstrekt authentieke" verklaring afgelegd, die bepaaldelijk niet inhield dat d.B. en V. onschuldig waren.

Verklaring W.B., (map 10, verklaring afgelegd bij de rechter-commissaris mr. J.F.M. Honig, op 3 juni 1994 inzake het gerechtelijk vooronderzoek na verwijzing door de meervoudige kamer d.d. 25 mei 1994 inzake W. V.)

Honig verklaarde hierover nog ter zitting:

Het viel mij op dat hij met een klip en klaar verhaal kwam, zonder omwegen. Ik hoefde hem niets voor te leggen of te vragen.

Ook de transcriptie van het bandje van het gesprek dat B. had met officier van justitie Klunder duidt niet op een gesprek met iemand die zelfs de eenvoudigste vragen niet zou begrijpen en ik zei het al, die indruk heb ik ook allerminst gekregen van de verhoren hier ter zitting en de processen-verbaal van de zittingen in Zutphen en Arnhem waar het om de verhoren van B. gaat.

Uit de verhoren die B. zijn afgenomen door de politie leid ik ook niet af dat B. vragen niet zou begrijpen.

Hij heeft gedetailleerde verklaringen afgelegd over de betrokkenheid van d.B. en V. afgelegd, verklaringen waarvan al enige voorbeelden zijn genoemd en die hun bevestiging vinden in de verklaringen van anderen.

Indrukwekkend zijn zijn verklaringen over het steken door d.B. en de emoties waaraan B. en S. na hun waarnemingen ten prooi waren.

(Zie bijvoorbeeld verklaring G.S. , map 3, C 70 en de verklaring van W.B., map 3, D30.)

Dat B. in grote lijnen steeds met een consistent verhaal is gekomen, dat hij ook heeft afgestoken in situaties waarin van druk om in een bepaalde richting te verklaren geen enkele sprake kon zijn en dat zich kenmerkt door detaillering, kan mijns inziens ook worden verklaard uit zijn sterk onderschatte capaciteiten.

Ik zei het al. B. is ook hier in Leeuwarden wel neergezet als een halve idioot die maar wat slagen in het rond bazelt.

Dat beeld is ronduit misleidend.

Het vindt niet alleen zijn weerlegging in de eerder gedane vaststelling dat B. vragen wel degelijk begrijpt en deze vlot beantwoordt, maar ook in de aanwezige rapportage.

Deze rapportage wijst op B.'s normbesef en zijn vermogen om informatie die in zijn geheugen is ingeprent vast te houden.

Opvallend is dat hij in het verhoor in de meineedzaak spontaan weer terugkomt op details uit zijn verklaringen uit 1994.

B. bekent noch de moord op Bonifatius, noch die op Christel Ambrosius. Wel was hij, blijkens het verhoor in de meineedzaak, de avond van de 9e januari al bang dat hij voor de handelingen van d.B. en V. zou moeten opdraaien.

Ook in het licht van de recentelijk afgelegde verklaringen van W.'s moeder en B.v.D. kom ik tot de conclusie dat B.'s verklaringen in deze zaak - waar het om hun essentie gaat: de waarneming van een verkrachting en levensberoving door d.B. en V.- betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs zijn.

6. Wel in het bos geweest, niets gedaan?

Na de diverse verhoren te hebben besproken zal ik, zoals eerder aangekondigd, nog even ingaan op de mogelijkheid dat de heren wel in het bos en/of op de plaats van het delict zijn geweest, maar niet schuldig zijn aan de feiten waarvoor zij indertijd zijn veroordeeld.

Dat brengt mij wederom bij een van de belangrijkste thema's in deze zaak, namelijk het sporenmateriaal dat op de plaats van het delict is aangetroffen.

Duidt dat toch niet op een andere dader of op andere daders dan wel mededaders?

Discussie rond de bekende geleiachtige substantie is zelfs de aanleiding geweest tot de onderhavige herzieningsprocedure.

Mijns inziens maken de inmiddels door tussenkomst van diverse deskundigen verkregen inzichten over indroging van sperma duidelijk dat de hardnekkige vlek op het bovenbeen van Christel Ambrosius het gevolg is van versleping van vaginaal materiaal na een eerder sexueel contact.

De recente vondst van het bloedvlekje op de spijkerbroek van het slachtoffer verandert niets aan de constatering dat er eerder sexueel contact is geweest, waarna er versleping heeft plaatsgevonden.

Alle sporen op de plaats van het delict die niet tot de heren d.B. en V. zijn te herleiden kunnen mijns inziens slechts op twee manieren zijn ontstaan.

  • of ze zijn buiten de plaats van het delict veroorzaakt door een of meer eerdere contacten, wat het sperma en de schaamhaar van de onbekende betreft in elk geval van sexuele aard
  • of ze zijn (deels) ter plekke veroorzaakt in het bijzijn van d.B. en V. , die de auteur(s) van de sporen uit de wind houden;

Een andere optie komt mijns inziens niet in aanmerking.

Het staat als gezegd namelijk vast dat zowel d.B. als V. die bewuste middag in het bos is geweest. Ik heb bij dit thema uitvoerig stilgestaan.

Op de hoofdpunten kort samengevat:

  • ze hebben hun aanwezigheid in het bos snel en spontaan toegegeven, hetzelfde gaat op voor de getuigen;
  • er zijn door getuigen in het bos diverse waarnemingen gedaan met name gerelateerd aan S. en B.;
  • de Mercedes is gezien en herkend - weliswaar niet via een Oslo- of Volvoconfrontatie maar niettemin -, uitvoerig onderzoek heeft geen andere vergelijkbare Mercedes in beeld gebracht en
  • er is een bizar alibiverhaal geconstrueerd, er is door de familie druk uitgeoefend om de politie een bepaald verhaal te vertellen;

Ik acht tevens - het zij nogmaals betoogd - aangetoond dat beide heren op de plaats van het delict zijn geweest.

  • hieromtrent is een scala aan bekentenissen en getuigenverklaringen afgelegd, deels tegenover de rechter-commissaris;
  • d.B. en V. geven blijk van kennis die zij slechts op de plaats van het delict hebben kunnen verwerven;
  • Op diverse cruciale punten stemmen de verklaringen van de betrokkenen overeen;
  • Niet aannemelijk is geworden dat de verklaringen onder ontoelaatbare druk zijn verkregen; een ook maar enigszins plausibele verklaring voor de verregaande zelfincriminatie kunnen de heren niet geven;
  • Het gedrag van W.B., zoals beschreven door zijn moeder, spreekt mijns inziens boekdelen over de ingrijpendheid van datgene wat hij heeft waargenomen en
  • W.B. heeft ten overstaan van B. v. d., die hem dat op de man af heeft gevraagd, verklaard dat hij getuige is geweest van de doodslag en verkrachting door d.B. en V.;

En, als klap op de vuurpijl, er is een schaamhaar aangetroffen die volledig overeenkomt met de schaamharen van W.V., mijns inziens een keihard daderspoor.

Wanneer ik mijn stelling dat de heren die middag in het bos en op de plaats van het delict zijn geweest terugkoppel naar de opties die er dan zijn in het licht van de sporen die zijn aangetroffen dan moet mijns inziens de optie dat men iemand of misschien zelfs meerdere personen uit de wind houdt komen te vervallen.

Zelfs als we de cruciale schaamhaar even vergeten valt er mijns inziens namelijk geen redelijk motief te verzinnen om met zijn vieren van acquit af voor collectieve zelfincriminatie te opteren, daarbij - ook als bevriende getuigen - een grote onbekende te sparen en als de zaak op scherp komt te staan en de gevangenisstraf in zicht komt en zelfs werkelijkheid wordt jarenlang in dit integrale zwijgen omtrent de rol van een of meer anderen te volharden.

Mijns inziens gaat deze conclusie ook op voor het geval men zou willen betogen dat een ander een deel van de feiten, met name de verkrachting, zou hebben gepleegd of meegepleegd.

Nu deze optie mijns inziens niet realistisch is concludeer ik dat, buiten de schaamhaar van V., de gevonden sporen inderdaad door een of meer eerdere vrijwillige contacten met haar broer en minstens twee onbekenden - contacten die wat betreft de auteur van onder andere het sperma en de auteur van de andere schaamhaar van sexuele aard waren, buiten de plaats delict en waarschijnlijk op verschillende tijdstippen, zijn veroorzaakt.

Het sleepspoor, dat kan niet anders, is ter plekke ontstaan.

7. Conclusie

Nuchterheid is een eigenschap die in deze windstreken geacht wordt te prevaleren.

In een zaak als deze is het echter niet eenvoudig om nuchter te blijven en het hoofd koel te houden.

De zaak is complex en hoofdzaken moeten van bijzaken worden gescheiden.

Het geloof dat de beide heren onschuldig zijn wordt voorts zo intens beleden dat het voor velen aanstekelijk blijkt te werken.

Het is mooi om deelgenoot te zijn van een spectaculair verhaal, ook al wordt dat niet door feiten geschraagd.

Het verhaal dat de mannen opdissen is ook meeslepend. Maar daarmee is het nog niet juist.
Het heeft me verbaasd hoe volstrekt kritiekloos beweringen van met name d.B. door velen voor zoete koek worden geslikt.

Ik wijs nog maar eens op het voorbeeld van het idiote alibi en de kwestie van de krukken waarmee d.B. in die tijd zou hebben gelopen.

Maar goed, dat is ook het kenmerk van true believers, die twijfelen niet.

Geloven doet men echter maar in de kerk. Hier moeten de nuchtere feiten spreken.

Die stelling moet ook in Putten en omstreken aanspreken.

Ik meen dat het Gerechtshof Arnhem indertijd terecht ook voor die nuchtere benadering heeft gekozen.

Het kan niet anders dan dat het verhoor van de vooral door d.B. belasterde verbalisanten daarbij een belangrijke rol heeft gespeeld.

Ook hier ter terechtzitting hebben de verbalisanten een voortreffelijke indruk achtergelaten.

Er is geen enkele aanleiding gebleken om aan hun integriteit en vakbekwaamheid te twijfelen.

Nuchtere beschouwing van de feiten leidt tot de slotsom dat d.B. en V. die middag met S. en B. zijn wezen rijden, zoals ze dat altijd deden.

Ook valt niet aan de conclusie te ontkomen dat d.B. en V., van wie ter plekke een schaamhaar is aangetroffen, in het huisje aan de Driewegenweg 41 zijn geweest, daar Christel Ambrosius hebben verkracht en gedood en dat G.S. en W.B. - beiden na afloop zwaar aangeslagen - van deze misdrijven getuige zijn geweest.

Van een dwaling, laat staan een dwaling van de eeuw, door het Arnhemse Gerechtshof is in mijn opvatting absoluut geen sprake geweest.

Het recht moet zijn nu wederom en definitief zijn loop hebben.

Het gewijsde van het Hof dient in beide zaken met verbetering van de gronden, - waarbij uiteraard ook de rapportage in het haaronderzoek van belang is - te worden gehandhaafd.

Ik dank u wel.

Leeuwarden, 9 april 2002,

Mr J.L.van der Neut,

advocaat- generaal