We hebben 407 gasten online

Deel 20 Puttense moordzaak

Gepost in Strafzaken

LJN: BM7698, Gerechtshof Arnhem , 21-004091-09 Print uitspraak
Datum uitspraak: 16-06-2010
Datum publicatie: 16-06-2010
Rechtsgebied: Straf
Soort procedure: Hoger beroep
Inhoudsindicatie: Puttense zaak. Het hof heeft in een tussenarrest beslist op een aantal verzoeken van de verdediging.
Vindplaats(en): Rechtspraak.nl
 

Sector strafrecht

Parketnummer: 21-004091-09
Uitspraak d.d.: 16 juni 2010
TEGENSPRAAK


Tussenarrest van de meervoudige kamer voor strafzaken
gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Zutphen van 9 oktober 2009 in de strafzaak tegen

[Verdachte]


Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.


Onderzoek van de zaak

Dit tussenarrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 5 februari 2010 en 2 juni 2010 en het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennis genomen van hetgeen door de advocaat-generaal en de verdachte en zijn raadsman mr. R.D.A. van Boom, naar voren is gebracht.

De raadsman heeft ter terechtzitting van 2 juni 2010 een aantal verzoeken gedaan. De advocaat-generaal heeft aangegeven geen onderzoekswensen te hebben. Behoudens de onderstaande verzoeken zijn er geen andere verzoeken gedaan, waarop het hof thans dient te beslissen.


1. Verduidelijking tussenarrest

De raadsman heeft verzocht om een aantal passages (genoemd in zijn brief van 7 mei 2010) uit het tussenarrest van 4 maart 2010 te verduidelijken.

Het hof is van oordeel dat gelet op de context waarin de litigieuze passages in het tussenarrest staan, de strekking daarvan duidelijk is. Het hof wijst dit verzoek, nu tot verduidelijking geen noodzaak bestaat, af.


2. Het “oude dossier”

Bij tussenarrest van 4 maart 2010 heeft het hof het volgende overwogen:

“De raadsman heeft verzocht om toevoeging aan het dossier van het “oude dossier”. Dit zijn de stukken van eerdere onderzoeken naar de dood van Christel Ambrosius op basis waarvan er vervolging van anderen dan verdachte heeft plaatsgevonden.

Het hof wijst dit verzoek toe.
Het hof is van oordeel dat de door de raadsman verzochte stukken zijn opgemaakt naar aanleiding van de verdenking van moord en verkrachting van Christel Ambrosius. Nu deze verdenking in de onderhavige zaak tegen verdachte ook aan de orde is, acht het hof het noodzakelijk dat dit “oude dossier” aan het dossier wordt toegevoegd. Het hof gelast de advocaat-generaal deze stukken aan het dossier toe te voegen, behoudens de persoonsdossiers van de gewezen verdachten en eventueel andere betrokkenen.”

Op 6 mei 2010 heeft de advocaat-generaal het “oude dossier” overgelegd. Een aantal (delen van) ordners heeft de advocaat-generaal niet overgelegd (zie bijlage 3 van zijn brief van 6 mei 2010). In deze brief en ter terechtzitting van 2 juni 2010 heeft de advocaat-generaal gemotiveerd waarom hij deze stukken niet heeft overgelegd.

In zijn brief van 7 mei 2010 en ter terechtzitting heeft de raadsman betoogd dat een aantal van deze stukken desondanks dient te worden toegevoegd aan het dossier. De raadsman heeft hiertoe - zakelijk weergegeven - primair aangevoerd dat dit door het hof is beslist bij tussenarrest van 4 maart 2010 en subsidiair dat deze stukken relevant zijn voor de verdediging.

Het hof overweegt ten aanzien van het primair aangevoerde het volgende.
Bij de beslissing van het hof om het “oude dossier” aan het dossier toe te voegen, kende het hof de inhoud van die stukken nog niet. Het hof ging er vanuit dat het ging om stukken die zich gebruikelijk in een strafdossier bevinden. Uit de onlangs door de advocaat-generaal overgelegde stukken, de overzichten van de niet-overgelegde stukken en de toelichting van de advocaat-generaal, is echter gebleken dat het ook vele stukken betreft die zich normaliter niet in een strafdossier bevinden. Het hof zal derhalve nu het kennis heeft genomen van de inhoud van het “oude dossier” dienen te beslissen of het toevoegen van de niet overgelegde (onderdelen van) ordners, waarvan de raadsman heeft betoogd dat deze wel aan het dossier moeten worden toegevoegd, noodzakelijk is.

Ordners 4, 5, 6 en 7 (politiejournaals) en ordners 217 tot en met 227
(werkopdrachten)

Dit betreft stukken van de politie voor intern gebruik. Deze stukken hoeven in beginsel niet in een strafdossier te worden gevoegd. Dit is slechts anders als er reden is om te twijfelen aan de inhoud van stukken die zich wel in het dossier bevinden. De raadsman heeft niet de inhoud van concrete stukken betwist die zich wel in het dossier bevinden. Derhalve acht het hof het toevoegen van deze stukken aan het dossier niet noodzakelijk en wijst het hof dit verzoek derhalve af.

Ordners 13 tot en met 122 (DNA-onderzoek)

De advocaat-generaal heeft een “voorbeeldsetje” van de zich in deze ordners bevindende gegevens als bijlage 2 aan zijn brief van 6 mei 2010 gehecht. Hij heeft aangevoerd dat er geen resultaten uit dit onderzoek zijn gekomen, waardoor met de toevoeging van deze ordners geen enkel strafvorderlijk belang wordt gediend.
De raadsman heeft betoogd dat deze stukken voor de verdediging van belang zijn omdat - kort gezegd - daaruit kan blijken welke personen bij de politie in beeld zijn gekomen, waarom deze personen in beeld zijn gekomen en waarom deze personen vervolgens zijn uitgesloten.

Mede gezien het door de advocaat-generaal overgelegde “voorbeeldsetje” acht het hof het verzoek tot toevoeging van deze stukken onvoldoende gemotiveerd en die toevoeging ook overigens niet noodzakelijk, waarbij mede in aanmerking is genomen het privacybelang van de betrokken personen die (vrijwillig) hebben meegewerkt aan het grootschalige DNA-onderzoek. Voorts acht het hof hierbij van belang dat er zich in zowel het oorspronkelijke procesdossier als in het onlangs overgelegde “oude dossier” stukken bevinden over het DNA-onderzoek die (onder meer) zien op de door de raadsman opgeworpen vragen.

Ordners 131, 133, 135, 148, 154, 163, 168, 169, 170 en 171 (persoonsgegevens van getuigen)

De advocaat-generaal heeft ten aanzien van het verwijderen van deze stukken (zoals genoemd in bijlage 3) van zijn brief van 6 mei 2010 aangevoerd dat de verwijderde stukken uittreksels uit het justitiële documentatieregister en vergelijkbare gegevens uit politiesystemen betreffen. De raadsman is van mening dat op deze pagina’s niet alleen persoonsgegevens staan en dat deze pagina’s ten onrechte zijn verwijderd.

Het hof is van oordeel dat deze stukken vallen onder het in het tussenarrest gemaakte voorbehoud “persoonsdossiers van de gewezen verdachten en eventueel andere betrokkenen”. Deze stukken hoeven derhalve niet aan het dossier te worden toegevoegd. De stelling van de raadsman dat de verwijderde pagina’s ook andere gegevens bevatten, heeft hij niet onderbouwd en acht het hof niet aannemelijk.

Ordners 236 tot en met 239 (uitdraaien GBA en woningregister)

De advocaat-generaal heeft over deze ordners opgemerkt dat hierin slechts GBA-gegevens zijn opgenomen. De raadsman heeft over deze stukken opgemerkt dat deze kennelijk wel zodanig relevant waren dat deze in de oude strafzaak in het dossier zijn gevoegd.

Het hof is van oordeel dat nergens uit is gebleken dat deze stukken in de oude strafzaak in het dossier zijn gevoegd. Het hof acht het verzoek tot de toevoeging van deze stukken onvoldoende gemotiveerd en toevoeging ook overigens niet noodzakelijk, waarbij mede in aanmerking is genomen het privacybelang van de betrokken personen.


3. Toezeggingen van de advocaat-generaal

Ter terechtzitting van 2 juni 2010 heeft de advocaat-generaal toegezegd dat hij zijn zoektocht naar en aan stukken van overtuiging, zoals genoemd op pagina 1 van zijn brief van 4 februari 2010 en in het proces-verbaal van de terechtzitting van 5 februari 2010, zal voortzetten en het hof en de raadsman van eventuele resultaten op de hoogte zal brengen.
Voorts heeft de advocaat-generaal ter terechtzitting van 2 juni 2010 toegezegd dat hij onderzoek zal doen naar de aanwezigheid van de zeventien NFI-dossiermappen en de vijf ordners met sporenbestanden.


BESLISSING

Het hof:

Wijst af het verzoek tot toevoeging aan het dossier van de door de raadsman genoemde stukken.

Bepaalt dat het onderzoek wordt geschorst tot de terechtzitting van 23 augustus 2010 te 12.20 uur.

Eerdere behandeling laat de rol van het hof niet toe, om welke klemmende reden het onderzoek in deze zaak langer dan één maand doch korter dan drie maanden na heden wordt geschorst.

Aldus gewezen door
mr H. Abbink, voorzitter,
mr M. Barels en mr R.W. van Zuijlen, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr W.B. Kok, griffier,
en op 16 juni 2010 ter openbare terechtzitting uitgesproken.