We hebben 240 gasten online

Deel 21 Puttense moordzaak

Gepost in Strafzaken

Tussenarrest gerechtshof Arnhem in Puttense zaak

Arnhem, 10 december 2010 - Vandaag heeft het gerechtshof Arnhem een tussenarrest gewezen in de Puttense zaak. De eerstvolgende inhoudelijke behandeling in deze zaak is op dinsdag 25 januari 2011 om 10.00 uur.


LJ Nummer

LJN: BO6878, Gerechtshof Arnhem , 21-004091-09  
Datum uitspraak: 10-12-2010
Datum publicatie: 10-12-2010
Rechtsgebied: Straf
Soort procedure: Hoger beroep
Inhoudsindicatie: Puttense zaak. Het hof heeft in een tussenarrest beslist op een aantal verzoeken van de verdediging.
 
Uitspraak

Sector strafrecht

Parketnummer: 21-004091-09
Uitspraak d.d.: 10 december 2010
TEGENSPRAAK


Tussenarrest van de meervoudige kamer voor strafzaken
gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Zutphen van 9 oktober 2009 in de strafzaak tegen

[Verdachte]

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.


Onderzoek van de zaak

Dit tussenarrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 5 februari 2010, 2 juni 2010, 11 november 2010, 18 november 2010, 25 november 2010 en 26 november 2010 en het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennis genomen van hetgeen door de advocaat-generaal en de verdachte en zijn raadsman mr. R.D.A. van Boom, naar voren is gebracht.

De raadsman heeft op de terechtzittingen van 25 november 2010 en 26 november 2010 een aantal verzoeken gedaan. De advocaat-generaal heeft aangegeven geen onderzoekswensen te hebben. Behoudens de onderstaande verzoeken zijn er geen andere verzoeken gedaan, waarop het hof thans dient te beslissen. In dit tussenarrest zal worden beslist op verzoeken van de raadsman die op de terechtzittingen van 25 november 2010 en
26 november 2010 zijn gedaan, voor zover daarop niet tijdens die terechtzittingen een beslissing is gegeven.

1. Herhaalde verzoeken

1.1 Verzoek tot toevoeging aan het dossier van stukken

De raadsman heeft op de terechtzittingen van 25 november 2010 en 26 november 2010 om de toevoeging aan het dossier van enkele stukken verzocht, waarover het hof reeds eerder bij tussenarresten van 4 maart 2010 en 16 juni 2010 beslissingen heeft genomen.

Bij tussenarrest van 4 maart 2010 heeft het hof het volgende overwogen:
“De raadsman heeft verzocht om toevoeging aan het dossier van het “oude dossier”. Dit zijn de stukken van eerdere onderzoeken naar de dood van Christel Ambrosius op basis waarvan er vervolging van anderen dan verdachte heeft plaatsgevonden.
Het hof wijst dit verzoek toe.
Het hof is van oordeel dat de door de raadsman verzochte stukken zijn opgemaakt naar aanleiding van de verdenking van moord en verkrachting van Christel Ambrosius. Nu deze verdenking in de onderhavige zaak tegen verdachte ook aan de orde is, acht het hof het noodzakelijk dat dit “oude dossier” aan het dossier wordt toegevoegd. Het hof gelast de advocaat-generaal deze stukken aan het dossier toe te voegen, behoudens de persoonsdossiers van de gewezen verdachten en eventueel andere betrokkenen.”

Bij tussenarrest van 16 juni 2010 heeft het hof het volgende overwogen:
“Bij de beslissing van het hof om het “oude dossier” aan het dossier toe te voegen, kende het hof de inhoud van die stukken nog niet. Het hof ging er vanuit dat het ging om stukken die zich gebruikelijk in een strafdossier bevinden. Uit de onlangs door de advocaat-generaal overgelegde stukken, de overzichten van de niet-overgelegde stukken en de toelichting van de advocaat-generaal, is echter gebleken dat het ook vele stukken betreft die zich normaliter niet in een strafdossier bevinden. Het hof zal derhalve nu het kennis heeft genomen van de inhoud van het “oude dossier” dienen te beslissen of het toevoegen van de niet overgelegde (onderdelen van) ordners, waarvan de raadsman heeft betoogd dat deze wel aan het dossier moeten worden toegevoegd, noodzakelijk is.”
Vervolgens heeft het hof in datzelfde tussenarrest het verzoek tot toevoeging aan het dossier van de bovengenoemde niet door de advocaat-generaal overgelegde stukken, afgewezen.

Het hof heeft geen aanleiding om daarover thans anders te beslissen en wijst dit verzoek derhalve wederom af en verwijst daarvoor naar die eerdere beslissingen.

1.2 Toevoeging van “het digitale dossier” aan het dossier

De raadsman heeft ter terechtzitting van 25 november 2010 wederom verzocht om voeging van alle digitale stukken.
Ter terechtzitting van 11 november 2010 heeft het hof het volgende overwogen:
“Met betrekking tot het verzoek tot voeging van het digitale dossier is het hof van oordeel dat er blijkens de mededelingen van de advocaat-generaal geen digitaal dossier bestaat. Er zijn wel stukken digitaal voorhanden, maar die zijn niet als zodanig bijeen gebracht en verzameld zodat dat een dossier oplevert waardoor eenvoudig gezocht zou kunnen worden.
Derhalve wordt ook dat verzoek afgewezen.”
Het hof heeft geen aanleiding om daarover thans anders te beslissen en wijst dit verzoek derhalve wederom af en verwijst daarvoor naar die beslissing.
Voor zover de raadsman met dit verzoek beoogt dat elk stuk dat bij justitie, politie of het NFI digitaal beschikbaar is aan het dossier wordt toegevoegd, acht het hof het verzoek onvoldoende gemotiveerd en acht het deze toevoeging ook overigens niet noodzakelijk.

2. Beslissingskader van de beoordeling van verzoeken

Namens verdachte zijn op de terechtzittingen van 25 november 2010 en 26 november 2010 veel verzoeken gedaan, onder meer tot de toevoeging van stukken aan het dossier. Alle beslissingen van het hof op de verzoeken moeten worden bezien in het kader van de in de artikelen 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering vermelde vragen.

Het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg strekt ertoe een antwoord te vinden op de in die artikelen vermelde vragen. In hoger beroep geldt hetzelfde ingevolge artikel 415 van het Wetboek van Strafvordering. Dit onderzoek ter terechtzitting vindt plaats “op de grondslag der telastlegging”. De tenlastelegging maakt deel uit van de dagvaarding die gericht is aan de verdachte. Daarom gaat het tijdens het onderzoek ter terechtzitting niet om de vraag wie het tenlastegelegde feit heeft begaan, maar om de beantwoording van de vraag of kan worden bewezen dat het tenlastegelegde feit door de verdachte is begaan. De vraag wie als verdachte van het strafbare feit kan worden aangemerkt, behoort te worden onderzocht in het voorbereidend onderzoek als bedoeld in artikel 132 van het Wetboek van Strafvordering.

De raadsman heeft veel van zijn verzoeken gemotiveerd met het argument dat de voeging van de verzochte stukken nodig is in verband met “een onderzoek naar eventuele, alternatieve, ontlastende scenario’s”. Hiermee wordt, gelet op het door de verdediging aangevoerde, gedoeld op een voorstelling van zaken waarin een ander als verdachte van de tenlastegelegde feiten wordt aangemerkt en op de uitsluiting als mogelijke daders van anderen dan verdachte. Naar het oordeel van het hof horen deze verzoeken echter thuis in het voorbereidend onderzoek en niet in het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep.

Het vorenstaande lijdt, gezien het hiervoor vermelde beslissingskader, slechts uitzondering indien er sterke aanwijzingen zijn dat een ander als verdachte van het strafbare feit kan worden aangemerkt. In dat geval kan de rechter tijdens het onderzoek ter terechtzitting dit natuurlijk niet negeren en zal hij onderzoek ten aanzien van die ander in verband met het strafbare feit gelasten.

Bovendien heeft de advocaat-generaal op verschillende momenten aangegeven dat hij alle stukken aan het dossier heeft toegevoegd waarvan het hof tot dusverre de toevoeging heeft gelast en dat de stukken waarvan de raadsman alsnog de toevoeging aan het dossier verzoekt, er niet zijn. Niet aannemelijk is geworden dat de advocaat-generaal stukken achterhoudt. Integendeel, er zijn in appel na verschillende zoekacties meerdere stukken door de advocaat-generaal overgelegd die aan het dossier zijn toegevoegd. Behalve de mededeling van de advocaat-generaal zijn er ook overigens geen aanwijzingen dat de stukken er wel zijn, hetgeen ook door de raadsman niet wordt betwist.

Voorts is het van belang dat het onderzoek naar de dood van Christel Ambrosius reeds in 1994 is gestart. Het dossier is in de loop der tijd door vele instanties bekeken. Gezien deze omstandigheden wekt het geen verbazing dat - in het bijzonder voor wat betreft het “oude dossier” - stukken niet altijd goed zijn geordend en wellicht enkele (delen) van stukken ontbreken.

Bij enkele verzoeken heeft de raadsman gesteld dat het openbaar ministerie wèl kennis heeft kunnen nemen van door de raadsman genoemde stukken en de verdediging niet. Dit levert een schending op van het beginsel van “equality of arms”, aldus de raadsman. Het hof is hieromtrent van oordeel dat al heeft de advocaat-generaal kennis genomen van deze stukken, dit niet in strijd is met het beginsel van “equality of arms”. De enkele omstandigheid dat de advocaat-generaal wel kennis heeft kunnen nemen van stukken die niet tot de processtukken behoren, levert geen schending van dit beginsel op (vgl. HR 17 oktober 1995, LJN: ZD0250).

Het hof zal de volgende verzoeken toetsen aan bovengenoemd toetsingskader.

3. Toevoeging van stukken aan het dossier

De raadsman heeft verzocht om een groot aantal stukken aan het dossier toe te voegen. Het betreffen de stukken genoemd in zijn pleitnota “Zitting 11 11 10 Voeging stukken OB”, onder 1.1 tot en met 1.2.23 en in zijn pleitnota “Zitting 11 11 10 voeging NFI stukken”, punten 1 tot en met 3. De raadsman heeft dit verzoek onderbouwd met hetgeen staat vermeld in die pleitnota’s. Kort gezegd heeft de raadsman aangevoerd dat de stukken waarvan hij voeging wenst, zijns inziens van belang zijn voor de onderbouwing van “eventuele, alternatieve, ontlastende, scenario’s”.

Het hof acht, nu de raadsman deze stukken slechts aan het dossier wil doen toevoegen voor onderzoek naar “eventuele, alternatieve, ontlastende scenario’s” en uitsluiting als mogelijke daders van anderen dan verdachte, dit verzoek niet noodzakelijk en wijst het om die reden af. Voor de motivering van deze beslissing verwijst het hof naar hetgeen is overwogen onder 2.

4. Ordners dossier

De raadsman heeft aangevoerd dat de hoeveelheid ordners van het bij tussenarrest van 4 maart 2010 toegevoegde “oude dossier” een andere is dan de in het voorgeleidingsproces-verbaal genoemde hoeveelheid en verzoekt het hof om de advocaat-generaal te vragen zich hieromtrent uit te laten (pleitnota “Zitting 11 11 10 Voeging stukken OB”, pagina 3).

Het hof acht dit verzoek onvoldoende gemotiveerd en wijst het om die reden af.

5. Criminaliteitsanalyse

De raadsman heeft aangevoerd dat aanbevelingen in een tactische criminaliteitsanalyse niet zijn opgevolgd door het NFI en verzoekt het hof om de advocaat-generaal te gelasten na te gaan of het NFI omtrent deze aanbevelingen is geïnformeerd, wat de reactie daarop is van het NFI en vervolgens daarover een proces-verbaal te laten opmaken (pleitnota “Zitting 11 11 10 voeging NFI stukken”, pagina 1 e.v.).

Het hof acht dit verzoek onvoldoende gemotiveerd en wijst het om die reden af. Voor zover de raadsman deze stukken aan het dossier toegevoegd wil zien ter onderbouwing van “eventuele, alternatieve, ontlastende scenario’s”, wijst het hof het verzoek ook af omdat de noodzaak daartoe ontbreekt en verwijst daarvoor naar hetgeen is overwogen onder 2.

6. Leesbare versie van het NFI-dossier

De raadsman heeft aangevoerd dat een aantal stukken uit het overgelegde NFI-dossier onleesbaar is en verzoekt de advocaat-generaal te gelasten om over te gaan tot voeging van wel leesbare kopieën (pleitnota “Zitting 11 11 10 voeging NFI stukken”, punt 4.).

Het hof wijst dit verzoek af. De advocaat-generaal heeft medegedeeld dat verdachtes versie van het dossier even goed, en soms even slecht leesbaar is als die van het openbaar ministerie en het hof. Bovendien heeft de advocaat-generaal toegezegd om een CD met digitale stukken uit het NFI-dossier aan het dossier toe te voegen (zie onder 9.2).



7. “Voegingsploeg”

De raadsman heeft - subsidiair - verzocht om in het geval de stukken waarvan hij de voeging heeft verzocht er niet meer zijn, de personen die het dossier hebben heringericht, als getuige te horen.

Het hof acht dit verzoek onvoldoende gemotiveerd en wijst het om die reden af. Voor zover de raadsman deze personen wil horen ter onderbouwing van “eventuele, alternatieve, ontlastende scenario’s”, wijst het hof het verzoek ook af omdat de noodzaak ontbreekt en verwijst daarvoor naar hetgeen is overwogen onder 2.

8. Inzage niet-gevoegde stukken

De raadsman heeft verzocht om inzage in alle niet-gevoegde stukken (pleitnota “Zitting 11 11 10 inzage stukken”).

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
Op grond van artikel 33 van het Wetboek van Strafvordering heeft de verdachte recht op de kennisneming van alle processtukken. De in de onderhavige zaak niet-gevoegde stukken betreffen echter geen processtukken. De verdachte heeft in beginsel geen recht op inzage in die stukken. Dit zou anders kunnen zijn indien de verdediging de betrouwbaarheid of de rechtmatigheid van de verkrijging van enig bewijsmiddel betwist. Dat laatste is echter niet het geval.
Derhalve acht het hof de inzage niet noodzakelijk en wijst het daartoe strekkende verzoek om die reden af. Voor zover de raadsman de inzage verlangt ter onderbouwing van “eventuele, alternatieve, ontlastende scenario’s”, wijst het hof het verzoek ook af omdat de noodzaak ontbreekt en verwijst daarvoor naar hetgeen is overwogen onder 2.

9. Toezeggingen van de advocaat-generaal

9.1 E-mailverkeer

De raadsman heeft verzocht om het e-mailbericht van de advocaat-generaal aan het NFI d.d. 20 augustus 2010 en het e-mailbericht van mevrouw Bauer van het NFI aan de advocaat-generaal van 23 augustus 2010 aan het dossier toe te voegen.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting toegezegd om bovengenoemde e-mailberichten te verstrekken. Het hof gaat er daarom vanuit dat deze door de advocaat-generaal zullen worden overgelegd zodat deze aan het dossier kunnen worden toegevoegd.

9.2 CD met digitale stukken uit NFI-dossier

De raadsman heeft verzocht om een CD met daarop digitale stukken uit het NFI-dossier aan het dossier toe te voegen.

De advocaat-generaal heeft toegezegd om deze CD te verstrekken nadat hij deze heeft “geschoond” zoals hij dat ook heeft gedaan bij andere in hoger beroep aan het dossier toegevoegde stukken uit het NFI-dossier. De advocaat-generaal heeft aangegeven dat hij zal trachten daarop goed leesbare kopieën te zetten, voor zover dat nog niet het geval is.
Het hof gaat er vanuit dat deze “geschoonde” CD zal worden overgelegd zodat deze aan het dossier kan worden toegevoegd.

BESLISSING

Het hof:

Wijst af het verzoek tot toevoeging aan het dossier van “het digitale dossier”.

Wijst af het verzoek tot toevoeging aan het dossier van de door de raadsman genoemde stukken.

Wijst af het verzoek om de advocaat-generaal te gelasten zich uit te laten over het aantal ordners.

Wijst af het verzoek om de advocaat-generaal een proces-verbaal te laten opmaken over een tactische criminaliteitsanalyse.

Wijst af het verzoek om de advocaat-generaal te gelasten om over te gaan tot voeging van leesbare kopieën.

Wijst af het verzoek tot horen van de “voegingsploeg”.

Wijst af het verzoek tot inzage van niet in het dossier gevoegde stukken.

Bepaalt dat het onderzoek wordt geschorst tot de terechtzitting van 25 januari 2011 te 10.00 uur.

Eerdere behandeling laat de rol van het hof niet toe, om welke klemmende reden het onderzoek in deze zaak langer dan één maand doch korter dan drie maanden na heden wordt geschorst.

Beveelt de oproeping van de verdachte tegen het hiervoor genoemde tijdstip, met tijdige kennisgeving daarvan aan de raadsman van de verdachte.

Beveelt de oproeping van de deskundige mevrouw ing. [deskundige] tegen het hiervoor genoemde tijdstip.



Aldus gewezen door
mr H. Abbink, voorzitter,
mr M. Barels en mr R.W. van Zuijlen, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr W.B. Kok, griffier,
en op 10 december 2010 ter openbare terechtzitting uitgesproken.