We hebben 267 gasten online

De gifmengster uit Ede

Gepost in Strafzaken

Ik heb deze zaak toegevoegd aan opmerkelijke rechtszaken omdat Rita T. uiteindelijk ook toegaf haar schoonvader en schoonmoeder te hebben omgebracht maar dat pas toegaf nadat de vrijspraak in die zaak pas definitief was. Justitie kon Rita voor de moord op oma en opa niet meer vervolgen, omdat de vrijspraak van destijds -nadat de lijken in Bennekom waren opgegraven- onherroepelijk is en omdat de wet verbiedt dat men tweemaal voor eenzelfde feit wordt aangepakt.

 

donderdag 19 juni 1997

Vrijspraak van gifmoord schoonouders

ARNHEM (ANP) - Een vrouw uit Ede is gisteren door de Arnhemse rechtbank vrijgesproken van de gifmoorden op haar schoonouders in 1994. Ze is wel veroordeeld tot drie jaar celstraf en TBS met dwangverpleging voor poging tot moord op haar echtgenoot door middel van een pillencocktail.

Voor veroordeling voor de gifmoorden op haar schoonouders was er te weinig bewijs. Volgens de rechtbank waren er wel aanwijzingen voor haar betrokkenheid, onder andere de ongewoon grote hoeveelheid medicijnen die de vrouw in 1994 gebruikte en de sterke gelijkenis in het ziektepatroon van de schoonmoeder, die overleed en dat van de echtgenoot, die de aanslag overleefde.

De Edese vrouw verklaarde voor de rechtbank dat zij haar man ziek had willen maken om ontslag en schulden te voorkomen. Zij deed dat door een mix van pillen in de soep op te lossen. Nadat de man opgenomen was in een ziekenhuis gaf zij hem nogmaals twintig tabletten in de koffie. De echtgenoot raakte in coma. Hij is nog steeds niet hersteld van de aanslag. Volgens psychiaters is de vrouw ontoerekeningsvatbaar.

Copyright: Trouw

do 6 december 2001

 

AMSTERDAM - Rita T. (54), 'de gifmengster van Ede' heeft bekend dat zij in 1994 zowel haar schoonmoeder als haar schoonvader (oma Dirkje van den Berg (81) en opa Jan Beukhof (87) heeft vermoord. De vrouw wordt er niet meer voor vervolgd.

De bekentenissen zouden voor altijd verzwegen zijn gebleven als gisteren een Arnhemse rechter niet op het laatste moment had ingegrepen.

 

Invalide

Rita stond gisteren terecht voor nieuwe pogingen tot moord op familieleden met tegretol, een medicijn tegen epilepsie. Zij heeft deze gevallen voor het eerst bekend tegenover haar behandelaars in de tbs-kliniek Oldekotte in Rekken. Zij verblijft daar op grond van haar veroordeling (drie jaar en tbs) voor een poging haar echtgenoot Bram te vergiftigen met pilletjes in koffie, yoghurt, soep en jus d'orange. De man raakte daardoor invalide.

Noch officier van justitie mr. B. van der Krabben noch strafkamerpresident mr. Th. van Groeningen, noch advocaat mevrouw mr. M. Frerix brachten gisteren haar nieuwe bekentenissen over oma Dirkje van den Berg (81) en opa Jan Beukhof (87) in de 'oude zaak' ter sprake.

 

Dochter

Toen de advocaat ter verdediging aanvoerde dat Rita zich niet realiseerde dat haar slachtoffers konden sterven toen zij in 1994 en 1995 bij haar eigen dochter M. en haar zwager en schoonzus D.C.M. en hun kinderen telkens medicijn door het eten roerde, werd het rechter G. Bracht kennelijk te gortig: "U hebt nu beide moorden bekend. Uw schoonmoeder overleed op 18 april 1994, haar man op 25 april. En precies een jaar later begon het met uw dochter", hield hij de voornamelijk zwijgende en onverstaanbaar mompelende verdachte voor. En onder protestkreten van de advocaat vervolgde de rechter: "Hóe kunt u dan zeggen dat u niet wist dat het de dood tot gevolg kon hebben?"

Een antwoord kwam er niet.

Justitie kan Rita voor de moord op oma en opa niet meer vervolgen, omdat de vrijspraak van destijds -nadat de lijken in Bennekom waren opgegraven- onherroepelijk is en omdat de wet verbiedt dat men tweemaal voor eenzelfde feit wordt aangepakt. Voor de nieuwe moordpogingen hoeft de vrouw, wat officier Van der Krabben betreft, evenmin achter de tralies.

Zij wordt weliswaar nog gedeeltelijk toerekeningsvatbaar geacht, maar "alle belangen afwegende", zei de officier, "moet het uitdraaien op ontslag van alle rechtsvervolging en, opnieuw, ter beschikkingstelling met dwangverpleging". In zoverre was de officier het geheel eens met advocaat mevr. Frerix die vaststelde: "Zij hoort absoluut niet in de gevangenis thuis."

De advocaat ging echter veel verder: Rita T. moet worden vrijgesproken. Het bewijs tegen haar bestaat vrijwel geheel uit haar eigen verklaringen in de kliniek en bij de politie en het is maar de vraag wat zij waard zijn. "Zij belde mij in 1999 in paniek op: 'Albert (een behandelaar, red.) denkt dat ik nog méér heb gedaan. Ze willen méér horen. Ik zal alles zeggen wat ze willen horen, anders kan ik niet naar De Poorte...' Daarmee doelde Rita op een afdeling met een aantrekkelijker regime."

 

Zorgzaam

Een psychiater heeft geconstateerd dat Rita 'in gesprek wil blijven'. Medewerking lijkt voor haar vooral: gehoorzaam zijn. Zij vertoont heel sterk 'sociaal gewenst gedrag'. Niet uitgesloten is dat zij het gevoel had dat haar familie wenste dat zij zo verklaarde. Voor haar is het belang van haar inzet, dat haar 'goedheid' wordt bevestigd.

Deze waarnemingen sluiten nauw aan bij de analyse van haar motief, dat wordt gevoed door het Münchausen by proxy-syndroom: bovengemiddeld intelligente Rita die zich volgens rapporteurs 'staande houdt door scherp onderscheid te maken tussen goed en kwaad' voelde zich gewaardeerd voor al het zorgzame werk dat zij deed voor degenen die zij eerst met haar epilepsiepillen ziek had gemaakt

Door een poging tot zelfmoord met vijftig tabletten wist zij dat de dood niet zou intreden, meende de advocaat. Ze wilde dan ook niet doden maar inderdaad: zorgen. Rita zelf heeft over haar schoonzusje gezegd: "Als zij ziek genoeg was, gaf ik haar niets." In dit gezin was de vrouw vlak na opa's dood actief. Haar eigen dochter moest anderhalf jaar een kliniek in.

Maar daarbij had zij zich kunnen en moeten realiseren, meende de officier van justitie, dat het aldoor doorgaan met de toedieningen, fataal kon blijken. Langs deze weg kan ook de voorbedachten rade bewezen worden geacht, aldus de magistraat. Hij sprak overigens slechts van wettig en niet van overtuigend bewijs.

Rita T. heeft zelf gezegd dat zij niet meer naar gif zal grijpen. Maar zij is wel bang "dat het overslaat naar iets anders". De innerlijke krachten blijven, zo luidt de rapportage.

Uitspraak: 19 december.2001

 

Geen straf voor gifmengster van Ede

Uitgegeven: 19-12-2001 10:48 Nu .nl

ARNHEM - De rechtbank in Arnhem heeft woensdag de 54-jarige G.T. uit Ede schuldig bevonden aan een poging tot moord op haar schoonzus. De vrouw, ook wel de gifmengster van Ede genoemd, krijgt echter geen straf opgelegd omdat ze momenteel al een tbs-behandeling krijgt.

De vrouw werd ook verdacht van vergiftiging van diverse andere familieleden onder wie haar broer, zijn kinderen en haar eigen dochter. De rechtbank sprak haar hiervan vrij wegens gebrek aan bewijs.

De rechtbank veroordeelde de vrouw in 1997 al tot drie jaar cel en tbs wegens poging tot vergiftiging van haar man. Zij werd toen vrijgesproken van de moord op haar beide schoonouders. Maar tijdens haar tbs-behandeling bekende ze dat zij haar schoonouders heeft vergiftigd.

Justitie gaf in 1996 opdracht om de stoffelijk overschotten van deze mensen op te graven, maar vond toen uiteindelijk onvoldoende bewijs voor een veroordeling. Omdat de vrijspraak onherroepelijk is, kan justitie de vrouw voor die door haar bekende gifmoorden niet meer vervolgen.

Eten

Tijdens haar tbs-behandeling kwam de vrouw niet alleen met haar bekentenis over de moord op haar schoonouders, maar vertelde zij ook aan haar behandelaars dat zij bij haar dochter en schoonfamilie medicijnen door het eten had gedaan. Na de dood van haar schoonouders zou zij daarmee zijn begonnen.

Net als bij haar man roerde de vrouw bij de familieleden tegetrol (een medicijn tegen epilepsie) door de koffie en het eten. De dochter verbleef anderhalf jaar in een kliniek terwijl artsen niet konden vinden wat zij mankeerde. Door de vergiftigingspogingen zou haar broer zelfs invalide zijn geraakt. Hij heeft uiteindelijk zelfmoord gepleegd.

De vrouw heeft bekend maar volgens haar was de toegediende dosis niet dodelijk. Volgens deskundigen lijdt de vrouw mogelijk aan het syndroom van Münchhausen by proxy . In dat geval zou zij haar familieleden alleen hebben willen ziekmaken zodat zij hen kon verzorgen en daarvoor waardering zou krijgen

'Gifmengster van Ede' langer in tbs-kliniek
Uitgegeven op vrijdag 05 november 2004 om 14:13:29

De 'gifmengster van Ede' moet minimaal nog een jaar in tbs-kliniek De Tender in Deventer blijven. Dat heeft de rechtbank in Arnhem bepaald. Volgens de rechtbank is het te onveilig haar nu al te ontslaan. De vrouw zit sinds 1997 vast in de kliniek.

De vrouw, inmiddels 57, heeft tussen 1994 en 1996 onder meer haar man en schoonzus vergiftigd met tegretol, een medicijn tegen epilepsie. Ze werd ook verdacht van vergiftiging van haar broer, schoonouders en dochter. Hiervoor is nooit sluitend bewijs geleverd.

De rechtbank vond dat intensieve behandeling noodzakelijk is. Deze heeft vooralsnog niet voldoende vruchten afgeworpen, stelt de rechtbank. Over een jaar wordt opnieuw bekeken of de vrouw in de tbs-kliniek moet blijven.

Bron Nieuws.nl 

LJN: AD7393, Rechtbank Arnhem , 05.068012-00  
Datum uitspraak: 19-12-2001
Datum publicatie: 19-12-2001
Rechtsgebied: Straf
Soort procedure: Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaats(en): Rechtspraak.nl
 
Uitspraak
ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ARNHEM 
MEERVOUDIGE STRAFKAMER

In de zaak van:

de officier van justitie in het arrondissement Arnhem

tegen:

Verdachte.

Raadsvrouwe: mr. M.G.M. Frerix, advocaat te Ede.

Parketnummer : 05.068012-00

Zittingsdatum : 05 december 2001 (tegenspraak)

Uitspraak : 19 december 2001
1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd hetgeen in de dagvaarding is omschreven. Een kopie van de dagvaarding is hierna opgenomen als bijlage I, waarvan de inhoud als hier ingevoegd moet worden beschouwd.

Voor zover in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijf-fouten voorko-men, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in haar verdediging geschaad.


2. Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is op 05 december 2001 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte versche-nen. Verdachte is bijgestaan door mr. M.G.M. Frerix.

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het 1. en 2. primair tenlastegelegde zal worden veroor-deeld tot een terbeschikkingstelling met dwangverpleging.

Verdachte en haar raadsvrouwe hebben het woord ter verdediging ge-voerd.


3. De beslis-sing inzake het bewijs

De rechtbank spreekt verdachte vrij van het onder 2 primair en subsidiair tenlastegelegde feit.
Hiertoe overweegt de rechtbank dat X, de dochter van verdachte in deze geen aangifte heeft gedaan. Voorts heeft de revalidatiearts A.W.L. de Jong, van "Groot Klimmendaal" te Arnhem waar X van 24 juli 1995 tot 01 juli 1996 onder behandeling stond gerapporteerd dat de verschijnselen die hij bij X had geconstateerd van dusdanige aard waren dat een intoxicatie vrijwel werd uitgesloten.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdach-te het onder 1 primair tenlastegelegde feit heeft begaan voor zover niet doorgestreept in bijlage II.

De rechtbank spreekt verdachte vrij van het onder 1 primair ten aanzien van de echtgenoot van aangeefster, Y en zijn kinderen tenlastegelegde. Y en zijn kinderen hebben geen aangifte gedaan en zijn niet gehoord. Evenmin worden op dit punt de bekennende verklaringen van verdachte ondersteund door medische gegevens zodat de rechtbank het feit ten aanzien van genoemde personen onvoldoende wettig en overtuigend bewezen acht.

Hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd is niet bewe-zen. Verdach-te moet daarvan worden vrijgesproken.

De raadsvrouwe heeft ter zitting aangevoerd dat de verklaringen van verdachte niet kunnen en mogen bijdragen aan de bewijsvoering nu de betrouwbaarheid van de verklaringen van verdachte gelet op haar psychische omstandigheden niet kan worden ingeschat en zij voorts in het kader van haar medische behandeling alles wilde vertellen wat men maar van haar wilde horen.

De rechtbank overweegt hierover dat verdachte gedurende een langere periode, ten overstaan van behandelaars, politie en rechtbank, consistente en gedetailleerde verklaringen heeft afgelegd die ten aanzien van het bewezen verklaarde feit worden bevestigd door de verklaring van aangeefster en voorts ondersteuning vinden in een medische verklaring, zodat de rechtbank geen aanleiding ziet de door verdachte afgelegde verklaringen buiten beschouwing te laten.

Voorts heeft de raadsvrouwe aangevoerd dat het handelen van verdachte niet was gericht op het doden van anderen, maar juist op het verzorgen van hen. Van (voorwaardelijk) opzet is bij verdachte derhalve geen sprake geweest, terwijl zij bovendien handelde in een roes en zij haar wil niet kon bepalen, zodat voorts geen sprake is geweest van voorbedachte rade. Voorts heeft zij gesteld dat van een strafbare poging tot moord niet gesproken kan worden omdat verdachte van een absoluut ondeugdelijk middel heeft gebruik gemaakt.

De rechtbank overweegt hierover dat uit de rapportage van 11 maart 1997 van deskundige Dr. K.J. Lusthof blijkt dat een hoeveelheid van 5 gram carbamazepine (Tegretol) over het algemeen dodelijk is. De rechtbank stelt daarmee vast dat toediening van een éénmalige, relatief beperkte hoeveelheid Tegretol reeds dodelijk kan zijn. Aannemelijk is dat verdachte op geen moment ineens een dosis van 5 gram Tegretol heeft toegediend. Nu echter uit de bewijsmiddelen blijkt dat verdachte haar slachtoffer gedurende een periode van een jaar bijna iedere doordeweekse dag een hoeveelheid van één of meerdere pillen van voornoemd middel toediende en deze daar ook lichamelijke klachten van heeft ondervonden is van een absoluut ondeugdelijk middel geen sprake.

Voorts heeft verdachte, ook al was haar primaire bedoeling wellicht om haar slachtoffer ziek te maken en te houden, met voornoemd gedrag de aanmerkelijke kans aanvaard dat zij de dood van aangeefster had kunnen veroorzaken. Dit geldt te meer nu verdachte bij de politie heeft verklaard zelf een direct verband te hebben gelegd tussen het toedienen van een hoeveelheid Tegretol aan haar schoonouders en hun steeds kort daarop gevolgde overlijden, welke gebeurtenissen vóór de onderhavige feiten hebben plaatsgevonden. Nu zij ondanks het door haar gelegde directe verband tussen het toedienen van Tegretol en het daarop volgend overlijden van haar schoonouders, bewust tot het langdurig toedienen van dit middel aan aangeefster is overgegaan, oordeelt de rechtbank dat zij met voorbedachte rade heeft gehandeld.


4. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Poging tot moord, meermalen gepleegd,

voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 289 juncto artikel 45 van het Wetboek van Strafrecht.

De feiten zijn strafbaar.


5. De strafbaarheid van verdachte

In opdracht van de rechter-commissaris hebben drs. I.M. van Woudenberg, psycholoog en D. Daniëls, forensisch psychiater omtrent verdachte beiden een pro justitia rapport uitge-bracht. De rapportages houden als conclusie in dat bij verdachte sprake is van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de zin van een ernstige persoonlijkheidsstoornis. Ten tijde van het tenlaste gelegde was deze gebrekkige ontwikkeling eveneens aanwezig. Op grond van deze gebrekkige ontwikkeling is verdachte dan ook in verminderde mate in staat haar wil in vrijheid te bepalen en daardoor dient zij voor het ten laste gelegde verminderd toerekeningsvatbaar geacht te worden.

De rechtbank verenigt zich met deze conclusies en maakt die tot de hare.

Er is geen omstandigheid of feit aannemelijk geworden waardoor de strafbaar-heid van verdachte wordt opgeheven of uitgesloten. Verdachte is dus straf-baar.


6. De motivering van de sanctie(s)

Bij de beslissing over de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met:

- de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de om-stan-dighe-den waaronder dit is begaan;
- de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waarbij is gelet op een uittreksel uit het algemeen documentatieregister betreffende verdachte, gedateerd 28 juni 2001;
- een pro justitia rapportage d.d. 31 oktober 2001 van drs. I.M. van Woudenberg, psycholoog, betreffende de verdachte;
- een pro justitia rapportage d.d. 09 november 2001 van D. Daniëls, forensisch psychiater, Hoofd FPD te Arnhem, betreffende verdachte.

Met de raadsvrouwe is de rechtbank van oordeel dat een onwenselijk lang tijdsverloop heeft gelegen tussen het moment dat verdachte bij de politie haar bekennende verklaringen heeft afgelegd en de uiteindelijke behandeling van de strafzaak ter zitting. De rechtbank zal hiermee in het voordeel van verdachte rekening houden bij het bepalen van de strafmaat, evenals met de relatieve ouderdom van de feiten.

Gezien vorenstaande feiten en omstandigheden is een terbeschikkingstelling met verpleging op zijn plaats, ware het niet dat verdachte reeds terbeschikking is gesteld. Het opleggen van een tweede maatregel kan geen invloed hebben op de reeds lopende behandeling en de behandelingsduur, noch is deze anderszins geboden door gevaar voor de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen. De rechtbank zal verdachte daarom geen nieuwe maatregel terbeschikkingstelling opleggen. Zij ziet, gelet op het voorgaande, evenmin enig strafvorderlijk belang om, in afwijking van de eis van de officier van justitie, tot strafoplegging over te gaan. De rechtbank zal verdachte daarom schuldig verklaren zonder oplegging van straf of maatregel.


7. De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond, behalve op de reeds aangehaalde wette-lijke voor-schriften, op artikel 9a, 57 en 63 van het Wetboek van Straf-recht.

8. De beslissing

De rechtbank, rechtdoende:

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlaste-gelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlas-tegelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt ver-dach-te daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de straf-bare feiten zoals vermeld onder punt 4.

Verklaart verdachte schuldig zonder oplegging van straf of maatregel.




Aldus gewezen door:
Mr. Th.P.E.E. van Groeningen, als voorzitter,
Mr. G. Bracht, als rechter,
Mr. E.A.A.M. Pfeil, als rechter,
in tegenwoordigheid van mr. A. de Graag, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 19 december 2001.